Universo da obra
Universo da obra
102. Die redakteur heeft later als minister 't zyne bygebracht om den
toestand in Indiën onhoudbaar te maken. Van al de duitenplateryen
waarmee hy Kamers en Natie eenige jaren aan de praat hield, noem ik nu
alleen de fameuze komptabiliteitswet, 'n monument van bureaukratische
onbruikbaarheid, en als zoodanig de getrouwe afspiegeling van den man
zelf. Hy was 't ook die zoo byzonder veel bydroeg tot de verlamming
van 't gezag in de binnenlanden, door de splitsing van rechterlyke en
besturende macht. (_zie Noot 13_) Die uitverkorene van de Natie heet
E. de Waal, en bekleedt natuurlyk 'n aangenaam plaatsjen op den
pensioenstaat.
103. De toenmalige Algemeene Sekretaris der indische Regeering, Mr C.
Visscher.
104. Ik meen hier blyken te geven dat de eischen der kunst ten-aanzien
van de _maat_ der optewekken aandoeningen, of liever van de daartoe
strekkende middelen, my eenigszins bekend waren. Ook beweer ik in den
_Havelaar_ zelf (zie, byv. blz. 288)(zie alinea met: "Ik heb 't slot
der geschiedenis van _Saïdjah_ ...", M.D.) my aan die eischen te hebben
gehouden. Juist omdat ik _minder_ akeligheid schilder dan uit de
geschetste omstandigheden blykt voorttevloeien, is de indruk der
_Saïdjah_-epizode zoo algemeen en zoo diep geweest, en alzoo is de
beschuldiging van "overdryving" een fout op 't gebied der kritiek. Dit
wat _kunstbesef_ aangaat. En wat de _feiten_ betreft die in den
_Havelaar_ vermeld worden, ook daarin blyf ik _beneden_ de waarheid.
Ik roerde niets aan dan wat ik--thans nog!--_bewyzen_ kan, en dus
volstrekt nog 't ergste niet. Wie nu, om den indruk van m'n pleidooi
te ontzenuwen, z'n toevlucht neemt tot de afgezaagde en goedkoope
beschuldiging dat ik "overdreven" heb--in den grond eigenlyk slechts
'n oneerlyk-vermomd erkennen van de waarheid!--gelieve te zeggen:
_wat, waarin, hoe, in-hoe-ver?_ Hiertoe dan ook sommeerde ik
herhaaldelyk Duymaer van Twist, den man die beter dan iemand by-machte
wezen moest my tegentespreken, _indien_ er iets op myn beweringen viel
aftedingen. Hy evenwel durfde niet eens van "overdryving" spreken, en
bepaalde zich tot het verwyt dat ik zooveel talent had--in zyn oog 'n
fout zeker--en dat-i zwygen zou uit vrees voor den schyn van
partydigheid. En met zulke jongensachtige uitvluchten namen Kamer en
Natie genoegen! Is dit _Recht_, Nederlanders?
105._ Boekten van den Tjioedjoeng_. Deze rivier draagt naar die vele
bochten z'n naam. _Tji_: water. _Oedjong_: hoek. 't Woord _Rangkas_
beteekent een door zulke bochten omarmde streek lands. _Betoeng_ is
'n bamboesoort.
106. _Sambal-sambal_: allerlei toespys, 'n keukenvak waarin Indiën
uitmunt. De beschryving van de _sambals_ die daar in gebruik zyn, zou
boekdeelen vullen. In welvarende familien vordert dit onderdeel van 't
dagelyksch _menu_ de uitsluitende zorg van 'n bediende, en by ryken is
één persoon daartoe zelfs niet voldoende. Als grondstof dient al wat
eetbaar is, zooveel mogelyk onkenbaar gemaakt, en ook veel dat
oningewyden _niet_ eetbaar voorkomt, byv. onrype vruchten en bedorven
vischkuit. Het bereiden van al die gerechten volgens de regelen der
kunst, vereischt 'n ware studie. Ook is er voor _baren_ (nieuwelingen)
soms eenige oefening noodig om ze smakelyk te vinden, maar ingewyden
geven aan de indische keuken de voorkeur boven de velerlei soorten van
europesche tafels.
107. Zoodra in 1873 het geheim traktaat met Engeland van 1824, dat ons
tot eenige bescheidenheid verplichtte, was ingetrokken, werd de oorlog
verklaard. Men zou misschien hieruit mogen opmaken, dat m'n oordeel
over den Generaal Michiels van algemeener toepassing is, dan ikzelf in
1842 gissen kon.
108. De later tot Gouverneur-Generaal benoemde Mr P. Merkus.
109. _Jang (njang) di Pertoean_: hy die _heerscht_. Als ik me niet
vergis, is er op geheel Sumatra slechts één Hoofd dat dezen titel
draagt. _Toeankoe's (myn-heer, mon-seigneur)_ zyn er velen. Beide
benamingen zyn _maleisch_--de laatste sylbe van 't woord _Toeankoe_
komt me zelfs _javaansch_ voor--en daar de _Jang di Pertoean_ zeer
speciaal 't voornaamste Hoofd is in de _Battahlanden_, schynt die
waardigheid oorspronkelyk door maleische overweldigers ingevoerd te
zyn. De wortels der benamingen van autochthoone waardigheden en titels
moeten altoos in de oudste taal des lande gezocht worden. Ze zyn
slechts van eenigszins jonger oorsprong dan onwillekeurige geluiden
die door uitwendige oorzaken aan long en keel ontsnappen, dan de
velerlei benamingen voor _water_, dan de aanduiding van terrein-
accidenten of natuurverschynselen, en dan de algemeene klanknabootsing.
110. Zie Noot 37.
111. _Tout comme chez nous!_ De katholiek die vast en zeker gelooft
dat de H. Maagd zich de moeite gaf 'n boodschap te komen brengen aan
'n hysterisch landmeisje te _Lourdes_, spot met den islamiet die
beweert 'n visite of brief ontvangen te hebben van Mahomed. En de
protestant, lachende om den katholiek die boodschappen uit den hemel
krygt, voelt zich zeer gesticht door 'n preek over den Engelenzang te
Bethlehem. Waarom neemt men 't my euvel, dat ik al die soorten van
domheid op één lyn stel?
112. _Padries_ noemden wy in de wandeling de _Atjinezen_ die toen kort
tevoren de _Battahlanden_ tot den _Islam_ bekeerd hadden. 't Woord zal
wel _Pedirees_ moeten beduiden, naar _Pedir_, een der minst
onaanzienlyke staatjes van _Atjin_. Ook 't woord _Atjin_ is 'n door
't spraakgebruik gewettigde verbastering. Van _Atjeh_ maakten we
_atjehnees_ of _atjinees_, waardoor 't grondwoord zelf in _Atjin_
veranderde. Litterarisch purisme komt hier niet te-pas.
De blyken overigens van 't in den tekst aangeroerd fanatismus loopen
in 't ongelooflyke. Men moet evenwel erkennen dat de invoering van den
Islam--die tevens vermeerdering van zoutgebruik ten-gevolge had--grooten
afbreuk heeft gedaan aan 't menscheneten. Dat deze hebbelykheid nog in
de buurt van _Penjaboengan_--'t centrum van ons gezag in de _Battahlanden_
--zou bestaan hebben tydens Ida Pfeifer die streken bezocht (1844? 1845?)
houd ik voor 'n leugen. Zy knoopt aan de ontmoeting die ze te-dezer-zake
beweert gehad te hebben, een anekdote vast, die den stempel der onwaarheid
op 't voorhoofd draagt. Men zou háár gespaard hebben, vertelt ze, om-den-
wille der grappigheid van haar opmerking: dat zy 'n "bejaarde vrouw en dus
te taai" was. Toen zy, eenige jaren na my, met _Battahlanders_ in aanraking
kwam, was de anthropophagie in die streken uitgeroeid, en wel door den
invloed van dezelfde volkeren die we thans in naam der beschaving
beoorlogen. Wanneer heeft _Nederland_ ooit met _zyn_ godsdienst en met
_zyn_ wapens, in 'n ommezien tyds een ganschen volksstam van kannibalen tot
rustige menschen gemaakt?
113. De _Rappatraad te Natal_ bestond uit de voornaamste inlandsche
Hoofden der Afdeeling, met den Civiel-gezaghebber als voorzitter. Door
dien Raad werden niet alleen civiele kwestien en krimineele zaken
afgedaan, maar tevens politische aangelegenheden behandeld. Tot het
ten-uitvoer leggen der geslagen vonnissen was slechts het "fiat
exekutie" van den Resident te _Ayer-Bangie_ noodig, gelyk uit den
tekst blykt. De afleiding van 't woord _Rappat_ is me onbekend. Het
schynt slechte op _Sumatra_ in gebruik te zyn.
114. _Sewah_: het wapen van de bewoners dezer streken, gelyk op Java
de _kris_. De _jewak_ is 'n eenigszins kromme dolk met zeer klein
gevest en de snede aan de binnenzy der kromming. De oorspronkelyke
bedoeling met dezen vorm zal wel geweest zyn, dat de greep geheel in
de hand kan verborgen worden, terwyl de zeer stompe rug van 't wapen
tegen den pols rust, en door den arm bedekt wordt. De aangevallene
bemerkt alzoo niet dat z'n tegenstander gewapend is, voor deze hem, na
'n eigenaardige vlugge beweging van pols en arm in drie _tempo's_,
treft. Geheel afgescheiden van deze geschiktheid tot moordtuig, is de
_sewah_ 't distinktief van vryheid en mannelykheid. Wie 'n maleisch
Hoofd gevangen neemt--gelyk volgens blz. 203 (zie alinea: "Maar ik weet
meer dan dat alles ...", M.D.) in de daar beschreven omstandigheden m'n
verdrietige taak was--vordert hem z'n _sewah_ af.
Een ander wapen op _Sumatra_, dat elders niet bekend is naar ik meen,
heet _krambièh_--ik spel op 't gehoor af--en dient uitsluitend tot
moordtuig. Het is kleiner en veel krommer nog dan de _sewah_. De greep
bestaat uit niet veel meer dan 'n ringvormige opening waarin de
moordenaar z'n duim steekt, terwyl 't lemmet geheel in of achter de
hand verborgen blyft.
115. Ik geloof dat deze opmerking van den braven Duclari niet
ongegrond is, en durf daarop wyzen in-verband met de _soort_ van
wapens waarmee ik thans, _acht-en-dertig jaren_ na de in den tekst
beschreven voorvallen, word aangetast. Het laat zich begrypen dat
lieden die behoefte hebben aan 't verscheuren van myn naam om wat
opgang te maken, zich aan zoo'n armzalig hulpmiddel vastklemmen. Want,
ook naar den geest gesproken, is armoed 'n scherp zwaard, en 't ligt
in de rede dat dezulken geen besef hebben van hun gebrek aan
_ebenbürtigkeit_. Maar 't lezend Publiek moest niet zonder protest
gedoogen dat ik zoo straatjongensachtig wordt aangevallen. Wat hebben
de Van Vlotens e.d. ooit verricht, dat hun 't recht geven zou de mond
tegen my te openen? Men behoorde die heeren hun _Staat van dienst_
aftevorderen.
116. Een van die gesuspendeerde ambtenaren, de Resident A.L. Weddik,
werd gouverneur van _Borneo_. De adsistent-resident van _Padang_,
Schaap, is later gouverneur van _Makassar_ geweest. Ook myn voorganger
te _Natal_, de heer Van Meerten--een zeer bekwaam man, en de zoon der
bekende schryfster van dien naam--is in dienst gebleven, en werd
meermalen eervol bevorderd. In 't voorbygaan hier de opmerking dat de
benoeming van den heer Weddik tot gouverneur van geheel _Borneo_,
hoezeer bewyzende dat hyzelf tot het bekleeden van 'n hoog ambt
geschikt werd geoordeeld, eigenlyk slechts fiktie was, en de strekking
had om tegenover Engeland--_en de vele partikuliere Engelsche
fortuinzoekers!_--onze souvereiniteit over dat enorme eiland te
handhaven. De voor onze Regeering onverantwoordelyke vestiging van
Brooke te _Laboean_, bewyst dat die armzalige kunstgreep z'n doel
miste. Weldra zal 't met _Nieuw-Guinee_--dat tot Insulinde behoort
--ook zoo gaan. Nederlanders, ik zeg u dat daar loerende kapers op de
kusten zyn. En ... de gouverneurs-generaal hebben in dit opzicht
minder schuld aan 't verregaand verwaarloozen der hun toevertrouwde
belangen, dan later misschien de geschiedenis meenen zal. In-stede van
hun veerkracht te kunnen besteden aan 't intakt houden van _Insulinde_,
moeten zy zich toeleggen op 't handhaven van hun gezag tegenover
ministers, Kamerpraatjes en onbevoegd hollandsch krantengeschryf. Het
uit de veranderingen in '48 voortgevloeid allemans-meekakelen werkt,
ook in Indie, _desorganizeerend_. Toch ... "_leve de groote Thorbecke!_",
niet waar? 't Is bedroevend!
117. Op de afschaffing der--betrekkelyk humane!--_rottingstraf_, en de
nadeelige gevolgen van die tendentieuze filantropery zal ik elders
terugkomen.
118. In deze alinea wordt de Resident Brest van Kempen gunstiger
beoordeeld dan hy verdiende. Lang na 't schryven van den _Havelaar_
werd my door 'n onwraakbaar getuige meegedeeld dat de Resident Brest
van Kempen _een zeer byzondere reden_ had om den Regent te ontzien.
Ik wenschte dat my van bevoegde zyde naar die reden gevraagd werd.
119. Opmerking als in de _Noten_ 68 en 72.
120. Wat ik hier van de Regeering zeg, is na den _Havelaar_ van volle
toepassing geworden op de geheele Natie. Ze geeft voor, myn pogingen
tot verbetering te ignoreeren, en vindt het behoorlyk dat ik
vertellinkjes moet schryven om in leven te blyven. Maar de lieden die
by-voortduring haar misleiden met onwaarheid, worden geëerd, beloond,
met gezag bekleed, aan 't hoofd der zaken geplaatst. 't Volk _wil_
bedrogen zyn.
121. De bespottelyke angst voor 'n Inlandsch Hoofd wordt door de
residenten by de Regeering levendig gehouden _in hun eigen belang_,
en berust eigenlyk op ...'n woordspeling. De waarheid is, dat wy in
't organismus van ons bestuur de _Inlandsche Hoofden_, niet kunnen
missen, d.i. het _stelsel_ waarin die Hoofden een zoo voorname plaats
bekleeden. Maar hieruit volgt volstrekt niet dat men een Inlandsch
Hoofd niet aan z'n plicht zou kunnen houden. Waar zou 't heen, als men
geen luitenant straffen of ontslaan mocht omdat men in 'n leger de
officieren niet missen kan?
122. De arme man heette Dongso, en heeft me later trouw gediend. De op
_Java_ tot dwangarbeid veroordeelde misdadigers vervallen in twee
klassen. Een gedeelte blyft op _Java_ zelf, 'tgeen als 'n groote
verlichting van 't vonnis beschouwd wordt. Te-werkstelling _buiten_
Java is den meesten een vreeselyke straf die niet zelden tot zelfmoord
dryft.
123. Toen ik in den tekst dit nummer invulde, was m'n voornemen een
karakterkundige analyse te beproeven van de wyze waarop myn streven
door m'n landgenooten is opgenomen. De _toon_ echter waarop dezer
dagen sommige publicisten my aanvielen, en het _terrein_ waarop zy
trachtten den stryd overtebrengen, weerhoudt me. Voor 't oogenblik
bepaal ik my te dien aanzien tot verwyzing naar de nummers 632, vlgg.
myner _Ideen_.
124. _Tikar_: matje. Het gebruik van fyn gevlochten matten op de
bedmatrassen, is in Indie vry algemeen, en wordt, omdat ze koel
blyven, voor gezond gehouden. Het vervaardigen van die matten en ander
vlechtwerk is in niet onbelangrijke industrie, waarin vooral de
_Makassaren_ uitmunten.
125. _Pukul ampat_: vier uur. Dit is de naam van 'n bloempje dat 's
namiddags op dat uur zich opent, en tegen den morgenstond zich weer
sluit. Dat _pukul_ (= slaan, slag. Hier: klokslag) moet worden
uitgesproken met de hollandsche _oe_-klank spreekt vanzelf.
126. _Saudien_ of _Soedien_ voor: _Si-Oedien_: een zeer dikwyls
voorkomende maleische naam. _Oedien_, _Oedin_ ('t arabische _Eddin_)
is waarschynlyk verwant met gelyksoortige noordsche benamingen in
Europa. Over 't zeer algemeene praefix _si_ ware veel te zeggen, meer
dan me thans de ruimte toelaat.
127. De gewone lezer houdt dit voor 'n fiktie. Welnu, ook hier schreef
ik de waarheid. De kommandant Duclari zag, des morgens by 't baden,
een lyk de rivier afdryven, en hy herkende den man die in zyn
tegenwoordigheid des avends tevoren zich by den adsistent-resident had
aangemeld met 'n klachte. De heer Carolus had hem doen gelasten den
volgenden dag op 't bureau te komen. Maar ... er werd zorg gedragen
dat-i _niet_ terugkwam! Geheel afgescheiden van Duclari's getuigenis,
was 't Havelaar bekend dat dit de gewoonte was, _en dit wist ieder in
't Lebaksche_, de Resident Brest van Kempen zoo goed als elk ander.
128. _De wyze waarop_ Havelaar _te handelen had_. In de eerste plaats
was hy gebonden aan _eed_ en _instruktie_, twee faktoren die hem
volkomen denzelfden weg aanwezen als zyn karakter en de
menschelykheid. Maar ... hy zou te doen krygen met den nergens
beschreven "geest des gouvernements" waarvan z'n onmiddellyke chef de
zeer onderdanige dienaar was. Die "geest" wilde--niet dat er _Recht_
geschiedde, maar slechts--_dat de uiterlyke toestand rustig bleef_.
Ieder had het oog op _eigen_ welstand alleen, op bevordering, op
pensioen. Hoeveel Javanen men om dat doel te bereiken, straffeloos
moest laten uitplunderen en vermoorden, deed niet tot de zaak. Zóó de
Slymeringen, zóó de van Twisten! En dit keurt de Natie goed. Wel verre
van 't Havelaar dank te wyten dat-i zich opofferde om aan dien
onzedelyken toestand 'n eind te maken, gist de onbeschaamdheid zóóver
dat men thans begint hem z'n onbaatzuchtigheid aanterekenen als
_vergryp_. Hy had--als de anderen dus?--eerst z'n tyd moeten uitdienen
om pensioen te krygen! M.a.w. hy had moeten deelnemen aan de
schelmery, om ten-slotte z'n onwaardig leven te eindigen als kollega
van Van Twist! Hoe onbeschaamd ook deze stelling wezen moge, ze heeft
de verdienste van oprechtheid, of van brutale openheid althans. Wie ze
verkondigt, is voorzeker 'n slecht wezen, maar ...'t deert hem niet
dat men 't weet. _A la bonne heure_, zeer godgeleerde doctor Van Vloten!
Minder bevalt my de huichelary van de velen die Havelaars handelwyze
subliem vinden, o ja, maar geen hand uitsteken voor de zaak die hy
verdedigt. Men behoorde den moed te hebben zyner gewetenloosheid.
129. Men zie hierover in de _Minnebrieven_: Vraagpunten aan den
kontroleur, § 18.
130. Als boven, § 11.
131. _Beginselen van bestuur die ten-laatste zullen zegevieren_. Ik
erken dat dit er tot-nog-toe weinig naar gelykt. Het sprookje dat er
na 1860 in Indie zooveel zou verbeterd zyn, behandelde ik reeds op
blz. 344. (alinea met: "Zoo volgde na elk versleten experiment.", M.D.)
Wat--onder veel andere redenen--alle verbetering in den weg staat, is
onze Kieswet. Het bederf in den Staat (IDEE 286) _dat thans allerwege
erkend wordt_, is niet te genezen voor we van dat immoreel en onpraktisch
thorbeckiaansch vod verlost zyn. Geheel afgezien van de _indische zaken_,
is deze waarheid ook op Nederland zelf van volle toepassing.
132. Wil men dit "_zelfs_" opvatten als sarkasme, my wel! Eenvoudige
waarheid is, dat weinig koningen groot genoeg zyn om iets groots naast
zich te dulden. De meesten zelfs hebben behoefte aan 't _byzonder_
kleine. De afschuw van uitstekendheid gaat niet zelden boven 't
eigenbelang, en menig hooggeplaatst persoon ziet liever z'n eigen
zaak--en die van 't algemeen!--te-gronde gaan, dan dat hy iemand
naast zich stellen zou, wiens verdiensten de zyne overschaduwen. Deze
waarheid uit is oud, en--hoe treurig ook--niet onbegrypelyk. Maar dat
'n geheel Volk, wiens belangen daardoor worden verwaarlooosd, genoegen
neemt met zoo'n domme jalouzie, komt me vreemder voor. Ook hier alweer
staat onze Grondwet alle verbetering in den weg. De koning mag ...
_niets_ wezen. 't Zy zoo! Doch waarom toch de bepalingen omtrent
gezagsverdeeling zóó ingericht, dat-i by-voortduring in z'n omgeving
niet veel anders te aanschouwen krygt dan middelmatigheid? Men moest
zoo'n armen Koning dan toch de kans laten dat-i eens eindelyk iemand
naast, onder of boven zich kreeg, die wat meer beteekende dan te
verwachten is van uit de _Kamer_ voortgekropen ministers. Sommigen
beweren, naar ik hoor, dat onze Koning by de Natie niet geacht is.
Of 't waar is, weet ik niet. Ook niet of hy achting verdient. Maar
eilieve, meent men dat het omgekeerde mogelyk is? Dat die Koning de
_Natie_ achten kan, volgens de stalen die hy dagelyks van haar onder
de oogen krygt, en die hem _nota bene_ worden opgedrongen als de
_élite_ van 't Volk? Hoe overigens dit alles inwerkt op de benoemingen
van Landvoogden voor _Insulinde_, heeft de ondervinding voldoende
geleerd. Voor dat ambt--het gewichtigste in den Staat!--blykt ieder
goed genoeg te wezen, mits hy maar passe in 't kader van de _clique_
die vandaag toevallig op 't kussen zit. Hierover 'n hoofdstuk in den
nieuwen druk van "_Specialiteiten_."
133. Zekere kontroleur Bauer werd, heel in den beginne der regeering
van Van Twist, uit 's Lands dienst ontslagen: omdat-i geschenken had
aangenomen "_niet strekkende om zich te verryken_." Ik ontleen de
onderstreepte woorden aan 't Besluit zelf. Ziedaar de echte
huichelende moraliteitspreutsheid! Van Twist die gezworen had "de
bescherming van den Inlander als z'n eersten plicht te beschouwen" mag
dien plicht verwaarloozen en toch z'n traktement in ontvangst nemen,
maar 'n kontroleur die "_niet om zich te verryken_"en dus zonder 't
minste uitzicht op 't grondbezittend lidmaatschap in de Eerste-Kamer,
zich 'n bos _pisang_ laat opdringen, wordt met schande weggejaagd! Ik
zou ver loopen om iemand te zien, die 'n plaats bekleedend by
Binnenlandsch Bestuur, zich nooit schuldig maakte aan de vreeselyke
misdaad die den heer Bauer werd ten-laste gelegd. Gelyk ik reeds in
den tekst opmerkte, behoort het aanbieden van geschenken als de hier
bedoelde, beschouwd te worden als 'n _groet_, als 'n _plichtpleging_,
als uitdrukking van _beleefdheid_ volgens de zeden van 't Land. Dat
ik, in-weerwil hiervan, het aannemen van geschenken afkeur--gelyk uit
het aanhalen der Oostersche vertelling op blz. 212 (Zie de alinea die
begint met: "Het komt my echter voor" M.D.) voldoende blykt--doet nu
niet tot de zaak. M'n bedoeling is de huichelary van den Landvoogd in
't licht te stellen, die aan zulke kleinigheden z'n deugd verspilde,
en onverschillig toezag dat de aan _zyn_ zorg toevertrouwde inlanders
uitgeplunderd en vermoord werden. Het was dezelfde Van Twist, die de
_door hemzelf_ afgeschafte wyze van werving voor 't indisch leger weer
invoerde! De brave man meende dat zy "_den toets der zedelykheid niet
kon doorstaan_." Heel juist! Onnoozele javaansche jongens werden _van
Regeeringswege_ door onderofficieren, met behulp van _dobbelspel en ...
hoeren_ in 't net gelokt. Zeker, zeker, dat kan inderdaad den "toets der
zedelykheid" niet doorstaan! Maar wèl kon 't den "toets der zedelykheid"
van den godvruchtigen Van Twist doorstaan, _deze wyze van werving weer
intevoeren_(*) en die man is in Nederland "geacht." Zal 't niet by zulke
toetsverhoudingen weldra 'n eer worden, tuchthuisboef te zyn?
(*) Voor den tienden maal sommeer ik den "_Oud-officier van 't Indisch
leger_" die in de N. Rott. Cour. deze bewering 'n "onwaarheid" noemde,
z'n laster intetrekken. Zie overigens een der Noten op _Idee_ 534.
134. De naam _Saïdjah_ is met 'n kleine letterverzetting ontleend aan
den "Staat van gestolen buffels" in de _Minnebrieven_. Daarin vindt
men ook de namen der dorpen _Badoer_ en _Tjipoeroet_.
135. Myn berekening van wat er in Indie verloren gaat onder de
Regeering van één Gouverneur-generaal "die z'n plicht niet doet"
is--als gewoonlyk, we kennen dat!--_overdreven_ genoemd. Weinigen
hebben besef van de kracht der vermenigvuldiging. Ook Droogstoppel
stond verbaasd toen-i over dit onderwerp iets aantrof in Sjaalman's
pak. Ik vraag aan hen die zich zoo makkelyk van de zaak afmaken: _hoe
hoog dan_ VOLGENS HUN MEENING _'t bedrag is, waarop één gouverneur-
generaal van de soort der_ Van Twisten--en hy was de ergste niet!--_aan
de Natie te staan komt?_
136. _Orang Goenong_: bergbewoner, doch op Java zeer speciaal de
bewoner der bergen in den westhoek. 't Woord _aliforoe, alifoeroe,
harifoeroe_ (alfoer) heeft in den noordhoek van _Celebes_, in den
geheelen _molukschen_ Archipel, en op _Nieuw-Guinee_, dezelfde
beteekenis, of althans die van _bewoner der binnenlanden_. 't Is dus
eigenlyk geen volks- of stamnaam, gelyk door sommigen gemeend wordt,
maar wordt--evenals 't woord _Nederlander_--dikwyls als
zoodanig gebruikt.
137. Uit gebrek een ruimte, en tevens omdat de hier behandelde zaak in
nauw verband staat met de meerendeels zoo onjuiste begrippen over
_bevoegdheid in 't algemeen_, wil ik hier over dit onderwerp niet
verder uitweiden. Ik verwys naar den laatsten druk der "_Specialiteiten_."
(Delft, by Waltman.)
138. _Kendang_: omheining van ruw paalwerk.
139. Frits had allerlei vragen gedaan, zegt Droogstoppel. Van die
vragen kwamen er in 't Hs. 'n paar voor, maar de heer V. Lennep heeft
gemeend ze te moeten supprimeeren. Waarom? Toch niet omdat de
Wawelaars verlegen zitten met het antwoord? 't Komiekste is dat V.L.
zelf, hier hofmakende aan 't bekrompenst bygeloof, dikwyls met de
bybelsche vertellingen den spot dreef. Hy hield van Voltaire meer dan
ik, en was zeer in z'n schik als men hem zeide dat-i op dien
oppervlakkigen denker geleek, wat in z'n laatste levensjaren werkelyk
't geval was. Dat hy, in-weerwil van deze geestesrichting, toch geen
vryheid voelde Frits te laten vragen: "_vanwaar toch Noach z'n
ysbeeren voor de Ark gehaald had?_" e.d. bewyst, dunkt me, de
gegrondheid myner opmerking in de noot op blz. 357 (Noot 11, M.D.).
Z'n orthodoxe vriendjes te Amsterdam mochten niet gekrenkt worden in
hun keukenmeidengeloof. Gelukkig dat het aantal ongerymdheden in den
bybel zoo groot is, dat niemand verlegen hoeft te staan om de hier
gesupprimeerde "neuswyzigheden" van Frits met _beliebige_ uitbreiding
aantevullen.
140. _Sluis_ in-plaats van _steenen brug_, is werkelyk 'n
eigenaardigheid in 't amsterdamsch. Van dien aard hoort men er velen,
daar zoowel als elders. De woorden, _gracht_ en _wal_, byv., worden
dikwyls verwisseld. Men woont _op_ de gracht, en werpt iets _in_ den
wal. Opmerkelyk is in de laatste spreekwys het onbewust terugkeeren
tot de oorspronkelyke beteekenis van 't woord, daar wal een der zeer
vele klanken is, waarmee men 't begrip: water aanduidde. (_wal_visch,
nar_wal_, _wal_rus = walros: zeepaard.) Op analogische wys veranderde
het woord _dyk_ van beteekenis, en misschien ook: _dam_. Zoo ook, maar
in omgekeerde richting, de woorden _tuin_ en _gaarde_. Gedurende den
loop der eeuwen verwisselde men telkens de benamingen van 't contenant
en 't contenu. Dat nu, om weertekeeren tot Droogstoppel's amsterdamismus,
't woord _sluis_ oorspronkelyk niet uitsluitend de beteekenis had van
_waterkeering_, ligt in de rede. Het is van den met zooveel nakroost
gezegenden wortel _kl_ of _sl_, die eerst het begrip _roepen_, daarna
dat van _sluiten_ en _heerschap_ uitdrukte. Zie hierover eenige
opmerkingen in den Vn bundel _Ideen_, waar evenwel de stof op verre na
niet uitgeput is. De vruchtbaarheid der Israelieten haalt niet by den
rykdom aan kroost van de klanken _kl (sl)_ of _lk (ls)_. Ik meen
ten-slotte dat het ware woord voor _sluis_ in den zin van waterkeering,
is: _zyl_ of _ziel_, doch daarvan kon ik tot-nog-toe de etymologie niet
opsporen.
(1881). _Zyl (zl)_ zal wel van denzelfden wortel stammen.
141. Ik geef hier by-een de verklaring van eenige maleische woorden,
idiotismen en eigenaardigheden, die in de epizode van _Saïdjah_
voorkomen.
_Lombong_: bergplaats voor ryst en padie. Meestal is ze buiten 't huis
tegen een der wanden aangebouwd.
_Kris_, 't _volksthümliche_ wapen van den Javaan, dat als zoodanig by
z'n volslagen kleeding behoort, gelyk by ons in vroeger tyd de degen.
Het is 'n slangvormige platte dolk, met zeer kleinen greep. Gewoonlyk
zyn de krissen van reepen week yzer in-eengesmeed--damastwerk
alzoo?--en daarna met behulp van buffelhoeven gestaald. Ze werden voor
roest bewaard door 'n inwryving met _djerook_ ('n citroensoort) met
_arsenicum_, dat aan 't yzer 'n eigenaardig doffe tint geeft. Het
bygeloof beweert dat men, 'n kris willende bezien, die _geheel-en-al_
uit de schede moet halen. Wie 't slechts gedeeltelyk doet, stelt zich
bloot aan groot ongeluk. Over betooverde krissen, e.d. zyn tallooze
vertellingen in omloop.
_Poesaka_: erfstuk, hier--gelyk dikwyls--in pieuzen zin genomen.
_Sawah_: door kunstmatige bewatering toebereid rystveld, in
tegenstelling van _gagah's_ en _tipars_, rystaanplantingen die wat de
bevochtiging aangaat, rechtstreeks van den regen af hangen.
_Klamboe_-haken. _Klamboe_ is gordyn. In de platte, zeer breede haken
waarmee ze worden opgehouden, heerscht eenige weelde. Ook by den
minstwelvarende zyn ze toch gewoonlyk van messing.
_Patjol_: 't werktuig dat de Javaan als spade gebruikt. Het blad zit,
als 't yzer van 'n houweel, loodrecht op den houten steel. Er wordt
dus mee _gehouwen_, niet _gespit_, 'n eigenaardigheid die misschien
hieruit voortvloeit, dat de inlander blootvoets gaat.
_Oeser-oeseran_. 't Woord wordt in den tekst verklaard. Vermeende
byzonderheden in den loop van zulke haarkringen, vooral wanneer ze
zich vertoonen op den kruin van 'n kind, leveren stof tot allerlei
voorspellingen. Zie, byv. blz. 121. (Zie alinea die begint met: "De
Adhipatti bezag het hoofd", M.D.)
_Penghoeloe_: priester.
_Ontong_: geluk, voordeel.
_Galangans_: smalle dykjes die 't water op de _sawahs_ houden.
_Allang-allang_: riet, reuzen- of _prairie_-gras. Het is vaak zoo hoog
dat 'n man te paard er zich in verbergen kan. De benaming op _Sumatra_
is _riemboe_, wat daar ook _wildernis in 't algemeen_ beteekent.
_Sarong. Batik. Kapala_. De _sarong_ is 't eigenaardig kleedingstuk
der Javanen, mannen en vrouwen beide. Het is een van _kapok_ geweven
lap, welks einden aan elkander genaaid worden. Het gebruik van zyde is
uitzondering. Een dezer einden heet _kapala_, d.i. _hoofd_, en is
beschilderd met 'n breeden rand, gemeenlyk uit tegen elkander
inloopende driehoeken bestaande. Dit "schilderen" heet _batik_, en
geschiedt uit de hand. Het weefsel wordt te-dien-einde op 'n raam
gespannen, en de verf is in 'n werktuigje van blik dat--zeer verkleind
--den vorm heeft van 'n trekpot of antiek lampje. _Sarongs_ zonder
_kapala_, en welker einden niet aan-eengenaaid zyn, heeten
_slendangs_. Men draagt deze kleedingstukken om de heupen, en de
mannen schorten ze meer of min, ja soms geheel-en-al, op. Ook wordt de
_slendang_ dikwyls geheel tot gordel saamgerold, in welk geval de
mannen een broek dragen, zeer tegen de eigenlyke javaansche gewoonte,
'twelk meer en meer de overhand neemt by de Javanen die veel met
Europeërs in aanraking komen. Als 'n byzonderheid mag opgemerkt
worden, dat het gebruik van broeken onder de _sarong_, door _vrouwen_,
alleen in den Noordhoek van Sumatra voorkomt. Ik althans heb deze
gewoonte slechts daar aangetroffen. Ze is van atjineschen oorsprong,
waarom dan ook die kleedingstukken den naam dragen van _serewah
atjeh_: atjinesche broek. Het vervaardigen daarvan is een der
voornaamste industrien in de rykjes waarmee we nu in oorlog zyn.
Wat overigens de _sarongs_ en _slendangs_ aangaat, sedert 'n dertigtal
jaren leggen zich europesche fabrikanten toe op 't namaken van 't
javaansche _batik_, en er worden dan ook jaarlyks voor millioenen in
dat artikel omgezet. Toch wordt het dragen van 'n _gedrukten kain_
(_kahin_: kleed, de generische naam voor al zulke kleedingstukken)
steeds voor 'n blyk van armoed of althans van geringer welvaart gehouden.
_Mata-glap. Amokh_. 't Woord (_matah-glap_ = verdonkerd oog) duidt den
toestand aan van iemand die in razerny alles wat hy ontmoet neervelt,
tot hyzelf verslagen wordt. Ik noemde 't ergens 'n "zelfmoord in
gezelschap" en weet er nog altyd geen beter naam voor. De ongelukkige
die door deze woede wordt aangetast, kent vriend noch vyand. Oorzaken
zyn gewoonlyk òf minnenyd, òf lang opgekropte wrevel over mishandeling.
De Javaan is, als de meeste andere Inlanders, uit den aard zachtmoedig
en inschikkelyk. Al te diep gegriefd, of _te_ lang verongelykt, berst
z'n woede in _amokh_ uit. Dat evenwel ook de _amfioen_ (opium) hierby
'n rol speelt--'tzy als oorzaak der kwaal, 'tzy als opwekkend hulpmiddel
tot het botvieren van de woede--spreekt vanzelf.
_Atap_: 'n soort van waterpalm welks bladen tot dekking van geringe
huizen gebruikt worden.
_Bendie_: chais, tilbury.
_Djati. Ketapan_. Twee soorten van groote boomen. De eerste levert 'n
zeer duurzaam hout. Waarom botanici hem den naam van _quercus indica_
gegeven hebben weet ik niet, daar hy geenszins met onzen eik
overeenkomt. "_Kajatenhout_" is pleonastische verbastering van
_kajoe-djati_ = _djatihout_.
_Melati_. Een klein wit bloempje met sterken jasmyngeur. Het speelt,
als by ons de roos, 'n groote rol in balladen, sagen en legenden.
_Rystblok_. Zware houten trog waarin de _padie_ door stampen ontdaan
wordt van den bolster. Dat stampen heet--klanknabootsing alweer!
--_toembokh_.
_Toedoeng_, zie Noot 31. De bepaling van 't uur, naar den schaduw die
_Saïdjah's toedoeng_ teekende op zyn gelaat, is 'n indiïsmus.
_Lalayang_: vlieger. Op Java vermaken zich niet uitsluitend kinderen
met dit speeltuig. Het heeft geen staart, en beschryft allerlei
slingeringen die door vieren, inhalen en rukken eenigszins bestuurd
worden door de persoon die de koord houdt. Het doel van 't spel is, de
koord van den vlieger der tegenspelers in de lucht te ontmoeten en
aftesnyden. Uit de pogingen die hiertoe worden aangewend, ontstaat als
't ware een gevecht dat zeer vermakelyk is om aantezien, en de
toeschouwers opwekt tot levendige deelneming. De door Saïdjah
veronderstelde mogelykheid dat "de kleine Djamien", zou getricheerd
hebben, is, wat de daartoe vereischte handigheid in 't werpen aangaat,
'n indiïsmus.
_Zout maken aan de zuidkust_. Zie Noot 71.
_Grooten mond hebben_, en: _vuur dooden_, zyn malayismen.
_Klaagvrouwen_. By 't sterven van 'n Javaan wordt vreeselyk misbaar
gemaakt, niet--zooals vroeger ten-onzent--door bezoldigde
_huilebalgen_, maar door verwanten, kennissen en buren.
_Spaansche matten_: zuid-amerikaansche _dollars_, waarschynlyk
dusgenoemd omdat in vroeger tyd het zeer omslachtige spaansche wapen
aan matwerk deed denken. Die waarop twee kolommen staan, de
zoogenaamde _pilaarmatten_, worden voor de besten gehouden, en gelden
zooveel als onze oude _zeeuwsche_ ryksdaalders, die misschien, wat
gewicht en gehalte aangaat, aanvankelyk naar spaansch model geslagen
werden. De "spaansche mat"--nu veelal van mexikaanschen muntslag--heet
in ons Indie "_ringgit_" en blyft nog steeds 'n zeer gewild betaalmiddel,
omdat de chinezen, die veel munt uitvoeren en in China versmelten, het
zilvergehalte op hoogen prys stellen.
_Kamoening_: fyn geel gevlamd hout, dat slechts door den wortel van 't
aldus genaamde kleine boompje geleverd wordt, en dus nooit groot van
stuk wezen kan. Het is zeer duur.
_Ikat-pendieng_. _Pendieng_ is de buikband zelf. _Ikat_: gemeenzame
verkorting in slecht maleisch van _pengikatan_, de agraaf daarvan.
_Pagger_ (ten-rechte _pagar_) beteekent _heg_. _Pagger_ is een van de
vele maleische woorden, die--evenals _pikelen_: dragen, _mandiën_:
baden, _soemah_: moeite, verdriet--burgerrecht verkregen in 't
hollandsch der Europeanen in Indie.
_Soesoehoenan van Solo_: de Keizer van _Soerakarta_. Hy geeft in z'n
officieele korrespondentie, aan den gouverneur-generaal, o.a. den
titel van "grootvader."
_Kondeh ... gevangen in eigen strik_. Zie hierover noot 33. In de
engelsche vertaling van den _Havelaar_, heeft m'n beste Nahuys, zonder
erg gemeend in deze beschryving iets te mogen veranderen. Hy laat
Adinda's haren samenhouden door 'n lint, wat zeer onjavaansch is. Deze
blunder heeft my in den edinburgschen _Scotsman_ 'n vinnige berisping
op den hals gehaald van 'n hollandschen korrespondent--toevallig 'n
gewezen theekontraktanttokohouder en ... rystopkooper, dat is:
woekeraar van de ergste soort, 'n ware javanenbloedzuiger--die daaruit
betoogt dat ik niet het minste verstand heb van indische politiek en
dat de inlander 't heel goed heeft.
_Pontianak_: spook dat zich in boomen ophoudt, en zeer gebeten is op
vrouwen, vooral zwangere. Ik weet niet of er verband bestaat tusschen
deze beteekenis van 't woord, en de naam der nederlandsche vestiging
op Borneo's Westkust.
_Oog van den dag_ voor zon: malayismus.
_Pelitah_: lampje.
_Rottan_ of _Rotan_: spaansch riet, rotting.
_Badjing_: javasche eekhorn. Dit beestje kwam me altyd kleiner voor
dan z'n europesche soortgenoot. Het laat zich gemakkelyk tam maken.
_Buikje_ voor maag: malayismus.
_Rottingstraf_. Onder den indruk van den _Havelaar_ is deze straf
afgeschaft, wat ik als 'n fout beschouw. Ook hier bevond men zich, als
gewoonlijk, _à côté de la question_. Indien er voor kleine delikten
gestraft worden _moet_, is rottingstraf doeltreffender, zedelyker, en
vooral ... _menschlievender_, dan 't opsluiten in 'n gevangenis of de
ten-arbeidstelling aan publieke werken. Zie over dit laatste,
blz.[xxx] (zie alinea met: "Het gering aantal lieden ...", M.D.).
Het doet me leed, hier geen ruimte te hebben deze zaak breeder te
behandelen, gelyk eerst myn voornemen was. Ik bepaal me tot de verklaring
dat de afschaffing der rottingstraf naar aanleiding van den _Havelaar_,
in-verband met het _opzettelyk verwaarloozen der hoofdstrekking van dat
werk_, een escobarsche huichelary is. De Natie heeft zich alweer dat zand
in de oogen laten strooien. Het weder invoeren van de rottingstraf in
Indiën is _in 't belang van den Javaan_ dringend noodzakelyk.
_Boaja_: kaaiman, 'n krokodillensoort. Dat offeren geschiedt door 's
avends wat ryst en andere spys in een bamboezen korfjen of bakje dat
van 'n lichtje voorzien is, met den stroom te laten afdryven. Als er
wat veel op de rivieren geofferd wordt, leveren die zachtkens voort-
schuivende vuurpunten 'n aardig gezicht op.
142. Ik verneem dat men thans bezig is, ook elders dan in _Bantam_
"persoonlyk grondeigendom" intevoeren. De zaak is van hoog belang,
doch zal waarschynlyk schipbreuk lyden op de moeielykheid om de
_gemeenschappelyke_ bewatering van rystvelden te regelen. Ik erken op
dit oogenblik niet te weten hoe dit in 't Bantamsche geschiedt.
Behalve deze zaak, die voor Java levenskwestie is, zullen er
maatregelen dienen genomen te worden om den _onmondigen Javaan_ te
beschermen tegen den "handelsgeest" van zekere industrieelen. Wanneer
bedoelde maatregel de strekking heeft om den inlander z'n grond te
laten afkwanselen door den eersten den besten fortuinzoeker, ben ik
er _tegen_!
143. In 't handschrift had ik de fout begaan, hier uitdrukkelyk te
verzekeren dat het nu volgend voorbeeld van trouw eens buffels aan z'n
jongen meester "niet verdicht" was. De heer Veth maakte daarop in den
_Gids_ van Augustus 1860 'n aanmerking die volkomen gegrond was, en
daarom laat ik nu die verzekering _in den tekst_ weg. Doch 't zy me
vergund haar in deze _Noten_ te herhalen. Ik bezit het _Tydschrift van
Nederl. Indie_ niet, maar beroep my op zeker daarin opgenomen
_officieel_ relaas van de zaak. Wie lust heeft het optezoeken, wordt
naar zeer oude nummers verwezen, _ik meen_ zelfs uit de dagen toen dat
tydschrift nog te Batavia uitkwam, dus vóór '48.
144. Er worden inderdaad te _Tangerang_ zeer fyne stroohoeden
gevlochten, die aan de _manilla_-hoeden in buigzaamheid en sterkte
weinig toegeven. Waarom wordt die industrie niet 'n beetjen
aangemoedigd? Wie bewerken kon dat het te Parys _mode_ werd _un
chapeau Tangerang_ te dragen, zou groote sommen gelds naar Java
lokken. Doch er zyn _zeer veel_ artikelen van die soort in Indie, en
daaronder van veel grooter belang, waarvoor de europesche markt
gesloten blyft omdat de Regeering op alle krachten beslag legt ten-
behoeve van z'n kruieniers-affaire. Even als die andere Droogstoppel
kent en waardeert ze niets dan z'n koffi. En ... suiker, 't is
waar ook!
145. Zie over dit lied van Saïdjah, 't begin van Noot 6. Onder de
korrektie (1875) vernam ik dat de heer Wiersma, zendeling in de
_Minahassa_, de _Saïdjah_-epizode in 't maleisch heeft overgezet. Het
doet me leed nooit 'n exemplaar van die vertaling onder de oogen
gekregen te hebben. Zeer in 't byzonder had ik zoo gaarne _dat_ lied
in 't maleisch weergezien. Het myne begon: _liatlah badjing tjari
penghidoepan_, enz. Dit herinner ik my, maar van 't vervolg niet
veel meer.
146. _En "dus" in brand stond_. Om deze uitdrukking te rechtvaardigen,
beroep ik me op de toelichtingen in _Ideen_ 304 en 1066.
147. De aangehaalde regels zyn van Tollens. Hy sluit daarmee z'n
tamelyk apokriefe vertelling: _Dirk Willemsz van Asperen_.
148. Met verwyzing naar Noot 104, vraag ik alweder of de beschuldiging
van "overdryving" tegen my mag worden ingebracht? Indien _hierin_ m'n
fout lag, zou ze, dunkt me, by-voorkeur zich geopenbaard hebben in 't
slot der geschiedenis van Saïdjah. De stof ontbrak waarlyk niet!
149. Nooit gaf iemand blyk van begeerte om bewysstukken als de hier
bedoelde intezien.
150. De minister Fransen van de Putte heeft in de Kamer beloofd "_dat
geschiedenissen als die van_ Saïdjah _niet meer zouden plaats hebben_."
Maar nooit bleek er dat er iets _gedaan_ werd om dit doel te bereiken.
Integendeel, hy, waarlyk niet minder dan z'n vele voorgangers en
opvolgers, stond altyd alle verbetering in den weg door de Natie bezig
te houden met byzaken.
151. Ik meen te kunnen _bewyzen_ dat het aantal vergiftigingen--ook in
Europa--schrikbarend groot is, doch bewaar dit treurig betoog voor 'n
andere plaats. Wat het in den tekst behandeld voorval aangaat, de
officier van gezondheid Bensen heeft kort na 't verschynen van den
_Havelaar_, in de N. Rotterdamsche Courant meegedeeld dat de heer
Carolus na z'n tehuiskomst van _Parang-koedjang_ niet "weinige uren"
had geleefd, maar nog--ik meen--_twee dagen_. Ik neem deze getuigenis
van den heer Bensen, dien ik voor 'n achtenswaardig man houd,
onvoorwaardelyk aan, en erken alzoo dat òf de weduwe zich vergist
heeft, òf dat ik haar verkeerd had verstaan, òf dat in 1859 toen ik
den _Havelaar_ schreef, m'n geheugen my bedroog. De terechtwyzing van
den heer Bensen is my te meer welkom:
1° omdat hy, _deze_ aanmerking makende op 'n zaak van ondergeschikt
belang, stilzwygend de juistheid staaft van m'n opgaven omtrent de
_hoofdzaken in 't algemeen_.
2° omdat hy, in 'n stuk dat blykbaar bestemd is de door my behandelde
voorvallen aan de stipte waarheid te toetsen, niet terugkomt op 't
leverabcès _in 't byzonder_.
Indien ooit 'n démenti op z'n plaats ware, zou 't _hier_ geweest zyn!
152. Het is my onbekend of 't lyk myns voorgangers is opgegraven
tydens het in 1860 door den G.G. Pahud ingesteld onderzoek. Wel weet
ik dat by die gelegenheid het Distriktshoofd van _Parang-Koedjang_
ontslagen werd. De Regent werd gestraft met kwytschelding van genoten
voorschot en--naar my werd meegedeeld, doch zeker ben ik hiervan
niet--met traktementsverhooging.
153. Ik had alzoo my bezig gehouden met het nakomen der verplichting
die my door eed en instruktie uitdrukkelyk waren voorgeschreven.
154. _Pantjens_ en _Kemits_: onbezoldigd wacht- en dienstvolk.
_Poendoetan_: levensmiddelen en andere artikelen die geheven worden
zonder betaling. Dit is 'n ware indische kanker, en Tamerlan (blz.
212) (Zie alinea die begint met: "Het gering getal lieden nu", M.D.)
schynt het geweten te hebben. Maar onze Regeering weet het nog
altyd niet! Wat, byv. een zoogenaamde inspektiereis van 'n
Gouverneur-generaal kost--_zoogenaamd_, want de man wordt by den neus
geleid!--loopt in 't ongelooflyke. Juist dezer dagen gewerd my uit
Engeland 'n courant waarin dit ontwerp behandeld wordt naar aanleiding
der voorgenomen reis van den Prins van Wales naar Bengalen. Daar my de
ruimte ontbreekt om dat artikel overtenemen, zend ik 't aan de
Samarangsche _Locomotief_, in welk blad het door den belangstellenden
lezer kan worden opgezocht.
155. Zie § 11 der "Vraagpunten aan den kontroleur" in de
_Minnebrieven_.
156. _Poessing_: duizelig, verward, radeloos. Den hier bedoelden
getuige kan ik nog altyd produceeren.
157. Zie over 't woord _kaka-toea_ de Noot by _Idee_ 438.
158. De op inlandsche Hoofden uitgeoefende moreele dwang om by 't
vertrek van 'n hoofdambtenaar, fabelachtig hooge pryzen te besteden
voor sommige stukken uit z'n inboedel, is ergerlyk. En ... ze moeten
wel! Zou anders de vervanger niet meenen dat ze niets over hadden voor
hun Resident? Dat ten-slotte die vrygevigheid alweer betaald wordt
door den geringen man, spreekt vanzelf. Tot m'n groote verbazing heb
ik onlangs 't hoog bedrag dat er besteed was voor den inboedel van den
heer Loudon, zien aanvoeren als 'n bewys van z'n verdiensten. Me dunkt
dat hy, die dan toch moet geweten hebben hoe zulk "opjagen" in z'n
werk gaat, verplicht ware geweest dat misbruik door 'n uitdrukkelyke
waarschuwing te voorkomen. Dit heb _ik_ gedaan, doodarm toch, toen ik
_Lebak_ verliet, gelyk ik nog altyd door getuigen staven kan.
159. Ik zeide in Noot 50 dat sommigen zekere uitdrukkingen in dit werk
beter begrepen dan de gewone lezer, en dat zich onder dezulken de
vinnigste vervolgers van Havelaar bevonden. Dit is van volkomen
toepassing op dezen kleinen trek in den tekst, waar ik den vinger
schyn gelegd te hebben op de ... zonderlinge verlenging der
theekontrakten in 1845. Dat de hier bedoelde persoon 't Nederlandsche
Volk te reprezenteeren kreeg, spreekt alweer vanzelf. Onze
theeman--tevens rystopkooper, enz. (zie de Noot by 't woord _Kondeh_,
op blz. 389) praatte in de Kamer heel aardig mee over Staathuishoudkunde,
Volksbelang, Menschenrecht, Indische toestanden, enz. enz.
160. Vgl. blz. 87 onderaan. (Zie de alinea die begint met: "--Is
de Regent altyd zoo dienstyverig?", M.D.)
161. Zie § 11 van de "Vraagpunten aan den kontroleur" in de
_Minnebrieven_.
162. Als boven § 18.
163. Het vergiftigen van den heer Carolus.
164. Term van den ambtsteed.
165. "En--had ik er by kunnen zeggen--ook _my_ te vermoorden." De
vrees overigens dat de _Resident zelf_ den _Adhipatti_ 'n wenk geven
zou "om zich te dekken" teekent de pozitie. En de Resident voelde zich
niet opgewekt, tegen die vrees, als tegen 'n lasterlyke veronderstelling,
te protesteeren. In-plaats hiervan bewees hy door z'n handelingen
(bladzz. 312 en 319) (zie de alinea's: "De bede om de schuldigen" en
"Het was zeer treffend", M.D.) dat Havelaar maar al te juist had ingezien
wat hem te wachten stond van 'n chef die toch even als hy gezworen had
den inlander tegen de hebzucht zyner Hoofden te beschermen.
166. Opmerkelyk alweer dat de resident Brest van Kempen al zulke
uitdrukkingen liet voorbygaan zonder _protest_, en zelfs zonder
_verzoek om toelichting_. Uit z'n zwygen blykt dat-i de assertien van
Havelaar volkomen begreep, 't geen bewyst dat ik den algemeenen
toestand naar waarheid geschetst heb. Had niet ook hier, byv. de
resident moeten vragen: _wat bedoelt ge met dien_ "geest" _der Oost-
Indische ambtenaren?_
167. Opmerking als in Noot 165.
168. "Lichtvaardigheid" en "voorbarigheid" zyn voorzeker aftekeuren en
strafbaar, vooral in zulke gewichtige omstandigheden. In-zoo-verre is
er dus op _Havelaars_ loyaal aanbod geen aanmerking te maken. Wanneer
men evenwel daarin de stelling mocht zoeken, dat 'n ambtenaar die
_krachtens z'n instruktie_ aanklaagt van misdryf, terstond persoonlyk
aansprakelyk zou wezen voor de _gegrondheid zyner beschuldiging_,
moeten we erkennen dat _Havelaar_ hier meer heeft toegegeven dan-i
verplicht was. Welk Officier van Justitie zou op zùlke voorwaarden 't
publiek ministerie willen waarnemen? Doch _Havelaar_ was te zeker van
z'n zaak om de minste achterdeur open te houden.
169. "Onderzoek, rapport en voorstel." Wel te verstaan: alles binnen
den grens myner instruktie, en _uit kracht van_ die instruktie.
170. Eerst jaren daarna is dat onderzoek werkelyk geschied, en de
Regeering was genoodzaakt te erkennen dat _Havelaar_ de waarheid had
gezegd. Zie den _Gids_ van Augustus 1860, waar de hoogleeraar Veth, na
uitvoerige behandeling der Havelaarszaak, het volgende zegt:
_Sedert heeft_ Havelaar _met de zijnen gebrek geleden, hij is het
voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels--want de
Droogstoppels in Nederland maken altijd gemeene zaak met de
Slijmeringen in Indie--hij is geworden_ Multatuli, _niet alleen in
aangenomen naam, maar inderdaad_.
_En wat bewijst nu het feit, dat, na zijn ontslag, werkelijk een
onderzoek in het Regentschap Lebak plaats had, dat de Regent eene
scherpe vermaning ontving, en eenige mindere Hoofden werden afgezet?_
Primo: _de waarheid van het spreekwoord dat de kleine dieven
gehangen worden, terwijl men de groote laat loopen_.
Secundo: _dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen, om nu
nog gesmoord te worden_.
Tertio: _dat de knevelarij in Lebak al zeer erg moet geweest zijn,
wanneer zelfs een Resident die zoo gaarne schipperde, en zoo
ongaarne een Inlandsch Hoofd vervolgde, constateeren moest dat er
werkelijk reden tot klagen bestond, en bij gevolg_:
Quarto: _dat_ Havelaar _volkomen gelijk had."_
Aldus Professor Veth. Niemand evenwel schynt op de gedachte gekomen te
zyn dat men dan ook dien Havelaar eenige voldoening schuldig was. Ook
niet dat de hem ten-deel gevallen rechtsweigering allernadeeligst
werken moest op den toestand der inlandsche bevolking. Van welk
besturend ambtenaar in de binnenlanden is plichtsvervulling te
verwachten, nadat er zoo duidelyk bleek dat de Natie evenzeer als de
Regeering party trekt voor de ellendelingen die 't mishandelen van den
Javaan oogluikend toelaten?
171. Zie blz. 319. (Zie de alinea die begint met: "En toen
verhaalde Verbrugge", M.D.)
172. Het had aan my gestaan de Bevolking opteruien. In-plaats daarvan
handhaafde ik de eer van de nederlandsche regeering zoo goed ik kon,
en de resident vertrouwde hierop.
173. Dat m'n voorganger vergiftigd is geworden, werd door niemand in
_Lebak_ betwyfeld. Waarom liet de heer Pahud zyn lyk niet opgraven?
174. Ik bezit die verklaring nog. Niemand vond het ooit de moeite
waard daarvan inzage te verzoeken.
175. _Tontong (tomtom, tamtam)_ is 'n groot hangend uitgehold houten
blok waarop men de uren slaat. De naam is alweer 'n _onomatopee_.
176. Deze brief van den _Adhipatti_ is nog in myn bezit, en wel--nogal
karakteristiek!--saamgeknepen en in stukken gescheurd, maar nog altyd
volkomen leesbaar. De toeleg van dat schryven was, my in z'n knevelary
te betrekken, 'tgeen gelukt zou wezen indien ik z'n voorstellen had
goedgekeurd, of argeloos daarover in korrespondentie was getreden.
177. In de derde alinea van dezen brief wordt my 't vervullen van myn
voorgeschreven plicht tot verwyt gemaakt door den man die in de eerste
plaats geroepen was my te berispen en zelfs te straffen indien ik dien
plicht had verzuimd. Wat vervolgens z'n ontevredenheid aangaat over de
door my "_aangenomen houding tegenover den Resident van Bantam_" ze
was geheel ongegrond, en de heer B.v.K. zelf betuigde my later, niet
te begrypen wat daarmee kon bedoeld zyn. De bewering dat er omtrent
den Regent "_steeds gunstige getuigenissen waren afgelegd_" was een
onwaarheid. Herhaaldelyk was er in de conduite-staten over dat Hoofd
geklaagd. De opmerking dat ik myn beschuldiging niet door "_feiten,
veel minder bewyzen_" gestaafd had, klinkt zonderling in den mond van
den man die geen gehoor verkoos te geven aan myn dringende bede, my in
de gelegenheid te stellen myn beschuldigingen door "feiten en bewyzen
te staven." Onwaar is 't dat ik geweigerd hebben zou "_volle opening
te geven van wat mij omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur
te Lebak bekend was_." Juist om tot die "volle opening" te kunnen
overgaan, drong ik op 'n _vry en openlyk_ onderzoek aan. Maar ik wilde
voorkomen dat het weder zou uitloopen op 'n vruchteloos "aboucheeren"
gelyk onder myn voorganger zoo dikwyls geschied was zonder ander
gevolg dan dat de _klagers_ officieel gestraft of in 't geheim
mishandeld werden. "_Ongeschiktheid voor 't bekleeden eener betrekking
by het Binnenlandsch Bestuur_" moest wel beteekenen dat ik niet kon
werken in den "geest des Gouvernements" niet in den geest der
Slymeringen, niet in den geest van den verheven Duymaer van Twist.
De Natie had behooren te eischen dat al die varieteiten van
plichtverzakende deugnieten zich geschikt maakten om te werken "in den
geest" van Havelaar. Hoe rymt vervolgens de erkentenis dat ik by de
Regeering gunstig stond aangeschreven, met de laaghartige insinuatie
in de Tweede-Kamer, dat hy "_over den schryver van dat boek,
zooveel_--kwaads alzoo?--_zou kunnen zeggen?_" Wat de plaatsing te
_Ngawi_ aangaat, er bestonden nog meer redenen dan. ik op blz. 326
opgaf, (zie de alinea die begint met "--G...........", M.D.) om
die aanstelling van de hand te wyzen. Maar de in alle inlandsche zaken
zoo grondig onwetende Van Twist kende die niet. Hy liep in 't kiezen
voor my van die betrekking, alweer aan de leiband van de buitenzorgsche
kommiezery, die er waarachtig groot belang by had dat ik niet aan 't
woord kwam. Het was 'n uitgemaakte zaak dat ik te Ngawi moest "vallen."
Het openbaren der kuiperytjes die hiertoe in 't werk werden gesteld,
zou zeer pikant wezen, maar ik onthoud me nu daarvan omdat ik geen
vryheid heb m'n bronnen te noemen. Misschien wordt dit bezwaar eenmaal
opgeheven. De laatste alinea van den heerlyken kabinetsbrief beteekent
alweer dat er zou moeten blyken of Havelaar bekwaam en genegen was dienst
te nemen onder de vereerders van den "_geest des qouvernements_". En dit
zou moeten getuigd worden door dezen of genen hoofdambtenaar van 't
allooi der Slymeringen! Ieder ziet dat de onbekwaamheid van Van Twist
zich niet tot inlandsche Zaken bepaalde, en dat de man, ook in "_the
proper study of men_" 'n brekebeen was. Men bedenke dat hy Havelaar's
brieven onder de oogen had, brieven die geschreven waren met de
voorbedachte strekking den man wakker te schudden. Nederlanders, welk
soort van wezens toch laat gy u opdringen als Landvoogden van Insulinde?
178. _Dat in de buurt is_. Ook hier alweder is van toepassing wat ik
op blz. 198 zeide over 't leeren kennen van den toestand eener
landstreek door 't verblyf in een nabygelegen provincie. (Zie de
alinea die begint met: "Op-eenmaal verspreidde zich", M.D.)
179. Die opvolger was de heer Pahud, 'n pronkjuweel alweer van
onbeduidendheid, en dus 'n man naar 't hart van de Natie die hem vyf
jaar als _Minister_, vyf jaar ook als _Gouverneur-generaal_ heeft
kunnen gebruiken. Gelyk er in den tekst van _deze_ uitgaaf
uitdrukkelyk staat, wist ik in '56--wat thans m'n drie millioen
landgenooten, wel met my eens zullen wezen--"_dat er van dien man
niets te wachten viel_." Zóó is dan ook de lezing in 't Hs. van den
_Havelaar_. Maar òf de heer Van Lennep zelf, òf de zetter, òf deze of
gene korrektor--weet ik 't?--een van allen dan, heeft goedgevonden
dien tekst te vervalschen. Men leest in vorige uitgaven: _zyn
opvolger_--den opvolger namelyk van Van Twist--_ken ik niet, en ik
weet niet of er van hem iets te verwachten valt_. Wat de strekking was
van deze blykbaar opzettelyke verandering--'n drukfout kan 't niet
zyn--weet ik niet, maar ze komt my oneerlyk voor.
180. Een Javaannutter in Friesland--ik meen te Bolsward--onthaalde z'n
Publiek op de mededeeling dat: _die Havelaar_ beneden alles, en op 'n
onaangename wys uit den dienst geraakt was." Ik heb niet vernomen dat
men den man de deur uitwierp. Welk _nut_ het voor den Javaan heeft,
dat men den man lastert die voor hem weggaf al wat-i offeren kòn,
begryp ik niet. Zie daarover--in den bundel _Verspreide Stukken_--m'n
brief aan die kostelyke maatschappy.
181. By 't lezen van dezen brief aan den kontroleur gelieve men in 't
oog te houden dat-i geschreven werd aan den man die van al 't
voorgevallene te _Lebak_ getuige, en daarin ambtelyk betrokken was
geweest. Ook vooral met het oog op de mededeeling die in de laatste
alinea's voorkomt, geloof ik niet dat er bondiger bewys voor de
waarheid der geheele strekking van m'n boek denkbaar is dan in dit
dokument geleverd wordt.
182. In 'n bataviasche courant werd me verweten dat ik by den heer
Brest van Kempen afstapte. Wel, ik deed dit op _zyn_ uitdrukkelyk
verzoek, en 't was van myn kant 'n edelmoedigheid. De man vreesde voor
oproer, waartoe inderdaad reden was. Reeds te _Lebak_ had ik al m'n
invloed noodig om de bevolking in rust te houden, waarop dan ook in
m'n laatsten brief aan den kontroleur gedoeld wordt. Het zou 'n
verkeerden indruk hebben gemaakt, indien ik by 't verlaten van
_Bantam_ blyk had gegeven in onmin met den Resident te zyn, wat dan
ook werkelyk het geval niet was. Maar zeker zou dit wèl 't geval
geweest zyn, indien ik toen _al de motieven_ had gekend die hem
bewogen moordenaars en dieven de hand boven 't hoofd te houden. Gelyk
uit den _Havelaar_ blykt, dacht ik slechts aan een _door gewoonte
verwrongen plichtbesef_ van de soort als ik sedert jaren overal
ontmoet had. Later evenwel ontdekte ik dat het ontzien van den "geest
des gouvernements" in dit byzonder geval samenhing met 'n indruk van
nog lager soort, van ... de allerlaagste soort! Het lust me niet, my
daarover op dit oogenblik uittelaten. Misschien is de gewezen minister
van kolonien Hasselman genegen den belangstellenden onderzoeker
nauwkeuriger intelichten. Ook kan deze staatsdienaar--een myner
voorgangers te _Lebak_--getuigen of ik de beschuldiging van
"overdryving" in 't schetsen van den toestand dier provincie verdien?
Hy zal erkennen dat ik _beneden_ de waarheid bleef.
183. Dit zeg ik Van Twist zelf in den "_Brief aan den Gouverneur-
generaal in-ruste_." Dat men hem bedrogen had, blyft waar. Maar _niet_
gegrond bleek m'n goedige meening dat-i eerlyk man wezen zou. Een
eerlyk man tracht te _herstellen_ wat door zyn schuld bedorven werd,
en nooit gaf V.T. het geringste blyk dat-i hieraan wilde meewerken.
Integendeel! Juist van hèm ging de helsche wenk uit, dat men onder
voorwendsel myner mooischryvery--bah!--m'n aanklacht smoren kon.
184. Dit heeft hy niet gedaan. My dunkt dat we, na vyftien jaar
wachtens, myn tekst voor den juisten mogen houden.
185. Toch Specialiteit voor _indische zaken_! Toch Liberaal! Toch Lid
van de Eerste-Kamer! Toch eere-voorzitter van _Mettray_! Toch "byzonder
geacht" in 't hoogzedelyk en godvruchtig Nederland! Telkens vraagt
men my 'n "program" van Regeeringsvorm, en sommigen meenen zekeren
grond tot ontevredenheid te hebben, omdat ik, bittere opmerkingen
makende, zoodanig program tot-nog-toe niet meedeelde. Eilieve, welk
ander program is _in toestanden als de onze_ mogelyk dan de wenk dien
ik gaf in de laatste bladzyden van _"Pruisen en Nederland?"_ Wetten en
bepalingen baten _niets_, zoo lang men de uitvoering daarvan en het
toezicht daarover, opdraagt aan schelmen. Ook hier is de leer
toepasselyk die er te halen valt uit het voorval op 'n audientie by
den Keizer van Rusland, dat ik aanhaalde in m'n eerste brochure over
_Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.
186. Vgl. blzz. 345 en 346. (Zie de alinea die begint met: "Toch
zal de katastroof" tot en met de alinea die eindigt met: "een bedorven
Nederlandsch Bestuur", M.D.) Ook de Noot op 't woord _amokh_ op blz.
388. (Noot 141, M.D.) Moeten dan volstrekt de gruwelen van _Cawnpore_
in ons lief Insulinde herhaald worden? En wat anders dan woest
uitbersten zal ten-laatste den lang getrapten--en daardoor
gedemoralizeerden--Javaan overblyven? Op welke Buitenplaats zullen dan
de Van Twisten zitten, zy die de schuld dragen aan 'n woede zooals
voorspeld wordt in _Sentots_ vloekzang?
187. _Ministers in bezigheid_. Daaronder waren er die hun verheffing
te danken hadden aan de door den _Havelaar_ teweeggebrachte "rilling".
Kort na de verschyning van dat werk benoemde men een indischen
rykworder tot Minister van Kolonien. _Hy_ zou zorgen dat
"_geschiedenissen als van Saïdjah voortaan tot de onmogelykheden
behooren zouden!_" Wat hy gedaan heeft om dien vromen wensch te
bereiken weet ik niet. En dat weet niemand. In-plaats daarvan heeft hy
de Natie met den liefelyken oorlog op den Sumatraschen noordhoek
begiftigd.
188. Deze laatste beide volzinnen zyn later bygevoegd. Ik erken, in
1859 niet voorzien te hebben dat het hier bedoelde volkje my zou
toejuichen. Toch had ik 't kunnen weten. 't Ligt in den aard der zaak
dat schelmen 't luidst meeschreeuwen als er "houdt den dief" wordt
geroepen.
189. Dat weerleggen is dan ook niet beproefd. Op één uitzondering na
die welke ik behandelde in Noot 151--heeft men nooit _openlyk_ eenig
in den _Havelaar_ vermeld feit in twyfel durven trekken.
190. Nu niet meer, kiezers! Ik zou me waarlyk zeer misplaatst voelen
in _uwe_ Kamer, tegenover _uw_ ministers! Ook daaromtrent beroep ik my
op m'n werkjen over _Specialiteiten_.
191. Van Twist gaat by z'n medegrondbezitters--onverschillig van
welke z.g.n. staatkundige kleur--nog altyd voor byzonder
achtenswaardig door. Hy spreekt mee over indische zaken, niet alleen
alsof er niets op hem viel aantemerken, maar zelfs op den toon van 'n
deskundige en bevoegde by uitnemendheid. En de Natie neemt er
genoegen mee!
192. Nederlanders, _dit is geschied!_ Tot schande van Uw Regeering in
Indie, werd die vuistslag in 't aangezicht uwer Marine gegeven, en de
eer der uitvinding van deze laagheid komt weer den verheven Landvoogd
toe, die geen tyd had om Havelaar te hooren.
193. Ziehier eindelyk den regel die den titel van 't boek stempelt tot
epigram. 't Is verdrietig schryven voor lezers die men _alles_ moet
uitleggen.
194. Op de beide vragen die 't boek besluiten, ontving ik nog altyd
geen antwoord. Waarschynlyk houdt de koning zich bezig met belangryker
zaken dan rechtdoen en 't behouden van Insulinde voor Nederland. Ik
zal Z.M. 'n exemplaar van deze nieuwe uitgaaf aanbieden, en in
afwachting van beter succes--evenals m'n vriend Chresos uit de
_Minnebrieven_, doch altyd _onder protest_--vertellinkjes dichten
voor 'n Publiek dat niet lezen kan. Immers, indien dit niet het geval
was, zou de Natie hebben aangedrongen op recht in de Havelaarszaak!
Texto original em NL preservado no Literunico para leitura comparada com a edição/tradução da Copa Literunico. Fonte-base: https://www.gutenberg.org/ebooks/11024
Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Escolha a arte, confira a disponibilidade e adicione o produto ao carrinho sem sair da experiência.
Adquira Relíquias da Obra e deixe sua marca registrada, criando valor ao item!
Capítulos disponíveis para continuar a leitura.
Nenhuma Relíquia desta obra foi adquirida ainda. Seja o primeiro a eternizar seu nome no acervo oficial!
Conhecer as 100 RelíquiasAinda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Nenhuma posse foi registrada publicamente para esta edição.
Durante a leitura, abra Menu para ajustar a experiência sem sair do capítulo. As preferências de aparência ficam salvas neste aparelho.
Recursos identificados como “em preparo” aparecem para antecipar a evolução do leitor, mas ainda não executam uma ação.
Posso mostrar leituras em destaque, clássicos e Relíquias disponíveis agora no Literúnico.
Escolha um caminho
Dúvidas desta página
As explicações do Aurélio são respostas cadastradas pelo Literúnico.