Universo da obra
Universo da obra
2
_Hebt ghy ghezien de dunne strenen van
goude die in Arabien ghesponnen worden?
't hayr dat haer op de verschen hanght is noch
zuyverder ende 't en blinct niet min. De oogen
blaeuw, de wynbrauwen dunne ende verheven,
eenen kleynen mondt, witte en kleyne tanden,
blozende lippen.--De rondicheydt ende macksel
van hare kleyne borstkens wie zoudet u
konnen ghefigureren! Ten waer gheen wonder
dattet de menschen dede veranderen in steenen._
CALISTO ENDE MELIBEA, _OUD TREURSPEL_
De lucht was met zulk een zuiver blauw gekleurd dat het oog derzelver
diepte niet meten kon. De zon klom glansrijk op de kim en de verliefde
tortelduif dronk de laatste dauwdruppels van de groene bladen der bomen.
Uit het slot Wijnendale ging het geblaf der honden onophoudelijk in de
hoogte. Het briesen der paarden mengde zich met het zoete geluid der
jachthorens; echter hing de valbrug nog in de hoogte en de voorbijgaande
landlieden mochten alleenlijk raden wat er gaande was. Talrijke wachten met
kruisboog en schild wandelden op de buitenste wallen; men kon door de
stormgaten bemerken dat veel wapenknechten heen en weer binnen de muren
liepen.
Eindelijk kwamen enige mannen boven de poort en lieten de brug neer;
terzelfder tijd werden de slagdeuren opgedraaid om de jagerstrein uit te
laten. De treffelijke stoet die langzaam over de brug kwam, bestond uit de
volgende heren en vrouwen: vooraan reed de tachtigjarige Gwyde[12], Graaf
van Vlaanderen, op een bruine draver. Zijn gelaat droeg het kenmerk ener
zalige onderwerping en stille droefheid; door ouderdom en rampspoed
neergedrukt, hing zijn hoofd zwaar voorover, zijn wangen waren door lange
rimpels verdiept. Een purperen kolder daalde van zijn schouders tot op de
zadel en zijn sneeuwwitte haren waren door een gele zijden doek omvangen;
dit hulsel scheen om zijn hoofd als een gulden band om een zilveren vat. Op
zijn borst stond, in een hartvormig schild, de zwarte Leeuw van Vlaanderen,
klimmende in een gulden veld.
De ongelukkige Vorst zag zich nu, op het einde zijns levens, wanneer de
rust als een beloning des arbeids komen moet, van zijn kroon beroofd. Zijn
kinderen waren door het lot der wapenen van al erfdeel verstoken en de
armoede wachtte hen; zij die de rijkste der Europese Vorsten zijn moesten.
Zegepralende vijanden omringden de rampzalige Landheer, en echter kon de
wanhoop in zijn hart geen plaats vinden.
Nevens hem stapte Charles de Valois, de broeder des Fransen Konings. Hij
redeneerde driftig met de oude Gwyde, doch het scheen dat deze in zijn
gezegde niet stemde. Nu hing er geen slagzwaard meer aan de zadel van de
Franse Veldheer, een lange degen had dit zwaar wapen vervangen; de ijzeren
platen blikkerden ook niet meer op zijn benen.
Achter hen reed een ridder die een ongemeen spijtig en stuurs voorkomen
had. Zijn ogen draaiden halsstarrig in het rond, en wanneer zijn blik op
een Fransman viel, kwamen zijn lippen met zoveel ongenoegen over elkaar dat
hij zichtbaar de tanden tezamen knarste. Om de vijftig jaren oud, maar nog
in de volle kracht des levens, met brede borst en zware leden, kon men hem
als de sterkste ridder aanzien. Ook was het paard dat hij bereed veel
groter dan de andere, invoege dat hij met het hoofd boven de stoet uitstak.
Een blinkende helm met blauwe en gele vederen, een zware wapenrok en een
gebogen zwaard, waren de stukken zijner uitrusting; de kolder, die achter
zijn rug op het paard neerhing, droeg ook de Vlaamse Leeuw op een gulden
veld. De ridders die in die tijd leefden, zouden onder duizend anderen deze
stuurse ruiter voor Robrecht van Bethune[13], de oudste zoon van Gwyde,
herkend hebben.
Sedert ettelijke jaren was hij door de Graaf, zijn vader, met de
binnenlandsheerschappij over Vlaanderen belast geweest. Bij alle
veldtochten had hij de Vlaamse benden aangevoerd, en een ontzaglijke naam
onder de vreemden verkregen. In de oorlog van Sicilië, waar hij met zijn
volk in het leger der Fransen was, bedreef hij zulke verwonderlijke
wapendaden, dat men hem van dan af de Leeuw van Vlaanderen begon te noemen.
Het volk dat altijd de helden bemint en bewondert, bezong de onversaagdheid
van de Leeuw in zijn sagen, en verhovaardigde zich over degene die eens de
kroon van Vlaanderen moest dragen. Daar Gwyde, om zijn hoge ouderdom, het
slot Wijnendale zelden verliet en niet zeer door de Vlamingen bemind was,
kreeg Robrecht mede de naam van Graaf, en was hij door het ganse land als
heer en meester aanzien en gehoorzaamd.
Aan zijn rechterzijde reed Willem, zijn jongste broeder, wiens bleke wangen
en droefgeestig gelaat, tegen het bruine aanzicht van Robrecht, als het
wezen ener kranke maagd schenen te zijn. Zijn kleding verschilde niet van
die zijns broeder, tenzij het krom zwaard dat men bij niemand dan bij
Robrecht bemerkte.
Hierop volgden veel andere Heren, zowel Franse als Vlaamse. De voornaamsten
onder deze laatsten waren:
Wouter, heer van Maldegem, Karel, heer van Knesselare, Roegaert, heer van
Axpoele, Jan, heer van Gavere, Rase Mulaert, Diederik de Vos en Geeraert de
Moor.
De ridders Jacques de Chatillon, Gui de St.-Pol, Raoul de Nesle en hun
makkers, reden zonder orde tussen de Vlaamse heren, en spraken heuselijk
met degenen die om hen waren.
De laatste was Adolf van Nieuwland[14], een jonge ridder uit een der
edelste stammen der rijke stad Brugge. Zijn aanzicht bekoorde niet door
verwijfde schoonheid, hij was niet van die mannen met rozen-kleurige wang
en lachende mond, wien niets behoeft dan een samaar om zich tot vrouw te
herscheppen, en die wel als een speeltuig der vrouwen geliefkoosd, maar
nimmer als heer en meester geëerbiedigd worden.--Neen, de natuur had in hem
zo niet gedwaald. De zon had zijn wangen een weinig gezengd en met een
ernstige toon geverfd, zijn voorhoofd droeg reeds die twee rimpels welke
het denkvermogen vroegtijdig aankondigen. Zijn aanzicht was treffend en
manlijk--en de hoekige lijnen die hetzelve aftekenden, gaven hem het
voorkomen van een Grieks gebeiteld beeld. Zijn ogen die half onder de
wenkbrauwen gedoken waren, droegen het kenmerk ener warme en eenzame ziel.
Alhoewel hij in doorluchtigheid voor de andere ridders niet wijken moest,
bleef hij nochtans achteruit en liet zijn minderen voorgaan. Meermalen had
men de plaats geruimd om hem door te laten, doch hij gaf geen acht op deze
beleefdheid en draaide gedurig het hoofd naar de vrouwenstoet om. Zeker was
er onder haar een lief beeld dat zijn hart aan een leiband hield en tot
zich trok, want men zag op zijn gelaat een zuivere glimlach verschijnen,
zodra hij het hoofd tot de vrouwen gewend had.
Bij het eerste gezicht zou men deze Adolf voor een zoon van Robrecht van
Bethune kunnen aanzien hebben, want uitgenomen de ouderdom die zeer
verschillend was, geleek hij verwonderlijk aan Robrecht:--dezelfde
gestalte, dezelfde houding, dezelfde trekken in het gelaat. De kleding
verschilde ook in kleur en het wapen dat op de borst van Adolf gewrocht
stond, was drie maagden met gulden haar op een rood veld. Boven het schild
las men deze kenspreuk: _Pulchrum pro patria mori._[15]
Kort na hem volgden de vrouwen, zo prachtig dat de ogen op het goud en
zilver harer kleding schemerden en verdwaalden. Allen waren zij op lichte
hakkenijen[16] gezeten, een lang rijkleed viel over haar voeten langs de
zijde der hakkenij, tot bij de aarde. Keurslijven van gouden laken drukten
haar de borst en hoge kappen met paarlen versierd, lieten zwierige linten
van haar hoofd dalen. De meesten hadden een roofvogel op de hand.
Tussen al deze Edelvrouwen was er één die door pracht en schoonheid de
anderen verduisterde. Haar naam was Machteld, en Robrecht noemde haar zijn
jongere dochter.
Onmogelijk is het de lieflijkheden dezer jonge maagd te beschrijven. Haar
wangen waren zo zachtjes door ontellijke purperen adertjes gekleurd, dat
het fijnste rozenblad op haar aanzicht een vale vlek ware geworden; de ogen
zo blauw als de hemel en de lippen zo rood als twee boordjes van scharlaken
fluweel. Wanneer haar glimlach, zo zoet en zo zalig als de hoop der mensen,
haar engellijke mond bewegen deed, kwamen sneeuwwitte tanden tussen haar
lippen heen glinsteren, en twee kleine putjes vormden op haar wangen de
kelken der rozen die er op blonken.
Er zijn vrouwen wier gelaat het hart der mannen als een toonkundig
snarenspel vervoert en betovert: wier gelaat zoveel zoete vrede en
onbegrijpelijke schoonheid verenigt, dat men hetzelve lang in stille
verrukking beziet, zonder dat een enkel gedacht onze bespiegeling komt
storen.--Want de ziel zit gans in de ogen, wanneer wij alzo met jagend hart
op het bekoorlijkste werk des Scheppers staren en rusten mogen.--Zo was
Machteld. Wanneer een ridder haar blik ontvangen had, en haar engelenwezen
eenmaal had mogen aanschouwen, scheen het hem dat meer geluk hem toekwam.
Dan voelde hij de zalige streling die zijn hart met een onbekend gevoel
kwam vervullen. Nochtans boezemde Machteld geen liefde in; alhoewel zij als
een kind mocht aanzien worden, hadden haar wezenstrekken die statigheid in
zich, welke de eerbied der mannen dwingend afeist en nimmer toelaat dat een
vermetele liefde zich in hun boezem wortele.
De jonge maagd hing lieflijk als een droom, met haar tenger lichaam nevens
de zijde harer hakkenij en hief het hoofd statig in de hoogte. Terwijl haar
linkerhand de teugel met losse zwier vasthield, rustte een havik met rode
kap en gulden belletjes op haar rechterhand. Bij pozen veranderde het
purper harer wangen in brandend rood, en dan liep een gelijke kleur over
gans haar aanzicht, alsof zij om iets beschaamd werd. Nochtans was het door
dit gevoelen niet dat de maagd bloosde; want het was merkbaar dat het rood
op haar wangen niet kwam dan op het ogenblik dat Adolf van Nieuwland, met
zijn liefdevolle blikken, haar zijn aanbidding smekend toedroeg.
Onmiddellijk na deze heerlijke Landvrouwen kwamen menigvuldige schild- en
hofknapen allen halflijfs in zijde van verschillende kleuren gekleed. De
knechten die tot het Huis van Graaf Gwyde behoorden, kon men gemakkelijk
uit de anderen kennen, want hun rechterzijde was gewaterd zwart en hun
linkerzijde goudgeel. Enigen waren purper en groen, anderen rood en blauw,
volgens de wapenkleuren hunner meesters.
Eindelijk volgden de jagers en valkeniers. Voor de eersten liep een
vijftigtal honden aan lederen leibanden; er waren winden, brakken en rekels
van alle slag.
Verwonderlijk was de drift dezer ongeduldige dieren; zij trokken zodanig op
de leibanden dat de jagers zich achterover aan dezelve moesten laten
hangen.
De valkeniers droegen op dwarsstokken allerlei valken en jachtvogels, als
haviken, steenvalken, gieren, sperwers. Deze vogels hadden allen rode
kappen met belletjes op het hoofd en een zachtlederen broek aan de benen.
Dan nog droegen de valkeniers valse lokvogels van scharlaken met vleugels,
om de valken tijdens de jacht terug te roepen.
Zodra de stoet op een zekere afstand der brug en in een bredere baan was,
mengden zich de heren zonder onderscheid van staat onder elkander. Ieder
zocht een vriend of een makker om de reis door samenspraak en boerterij te
verkorten; zelfs waren veel vrouwen tot bij de ridders genaderd.
Niettegenstaande was Gwyde van Vlaanderen met Charles de Valois nog
vooraan, want niemand zou onbeleefd genoeg zijn om hen voorbij te rennen.
Robrecht van Bethune en Willem, zijn broeder, hadden hun dravers bij de
zijde huns vaders gebracht; Raoul de Nesle en De Chatillon waren insgelijks
nevens Charles de Valois, hun Veldheer, genaderd. Deze sloeg de ogen met
medelijden op de witte haren van Gwyde en op het neerslachtig gelaat van
zijn zoon Willem,--en sprak:
"Ik bid u, edele Graaf, geloof dat uw smartlijk lot mij pijnt. Ik gevoel uw
droefheid alsof uw rampen mij getroffen hadden. Alle hoop is niet verloren;
mijn koninklijke broeder zal, op mijn bede, het verleden vergeven en
vergeten."
"Mijnheer De Valois," antwoordde Gwyde, "gij bedriegt u. Uw Vorst heeft
getoond dat Vlaanderens ondergang zijn hoogste wens is. Heeft hij mijn
onderdanen niet tegen mij opgestookt?--Heeft hij mijn dochter Philippa niet
onmenselijk van mij gerukt en in een kerker gezet?--En wat wilt gij dan,
dat hij het gebouw, hetwelk hij ten koste van zoveel bloeds omvergeworpen
heeft, weder opbouwe? Voorwaar gij bedriegt u; Philippe le Bel, uw broeder
en Koning, zal mij het land, dat hij mij ontnomen heeft, nooit wedergeven.
Uw edelmoedigheid, Mijnheer, zal tot het einde mijns levens in mijn boezem
geschreven blijven; maar ik ben te oud om mij nog met een bedriegelijke
hoop te strelen.--Mijn rijk is uit--zo wil het God!"
"Gij kent mijn koninklijke broeder Philippe niet," hernam De Valois. "Het
is waar, zijn daden getuigen tegen hem; maar ik verzeker u dat zijn hart zo
edelmoedig is als dat van de beste ridder."
Robrecht van Bethune viel De Valois in zijn rede, en riep met ongeduld:
"Wat zegt gij--edelmoedig als de beste ridder! Breekt een ridder ooit zijn
gegeven woord--zijn trouw? Wanneer wij met onze armzalige Philippa zonder
argwaan te Corbeil kwamen, heeft uw Koning de gastvrijheid geschonden en
ons allen gekerkerd[17]. Betaamde deze verraderlijke daad een rechtzinnige
ridder--zeg?"
"Mijnheer Van Bethune," antwoordde De Valois met spijt, "uw woorden zijn
zeer driftig. Ik denk niet dat gij het inzicht hebt mij te honen of te
bedroeven?"
"Ho neen, op mijn eer!" sprak Robrecht. "Uw grootmoedigheid heeft mij uw
vriend gemaakt; maar gij kunt immers toch niet met overtuiging zeggen, dat
uw koning een trouwe ridder is?"
"Luister," hernam De Valois, "ik zeg u dat Philippe le Bel de beste inborst
der wereld heeft; maar laffe vleiers omringen en raden hem. Enguerrand de
Marigny[18] is een gevleesde duivel die hem tot kwaad drijft, en een ander
persoon doet hem alle ongehoorde euveldaden bedrijven. De eerbied belet mij
u dezelve te noemen, zij alleen is de schuld uwer rampen."
"Wie is dit toch?" vroeg De Chatillon met inzicht.
"Gij vraagt naar een bekende zaak, Mijnheer De Chatillon!" riep Robrecht
van Bethune. "Let op mijn woorden, ik ga het u zeggen.--Uw nicht Johanna
van Navarra[19] is het, die mijn ongelukkige zuster gevangen houdt: uw
nicht Johanna is het, die de ondergang van Vlaanderen gezworen heeft!..."
De Chatillon werd rood van toorn, hij bracht zijn paard driftiglijk voor
Robrecht, en schreeuwde hem in het aangezicht:
"Gij liegt valselijk!"
Door die hoon in zijn eer geraakt, deed Robrecht met haast zijn paard
achteruitgaan en toog zijn gebogen slagzwaard uit de schede. Op het
ogenblik dat hij tegen De Chatillon meende in te lopen, bemerkte hij dat
zijn vijand geen wapens had. Hij stak met een merkbaar ongenoegen zijn
zwaard weder in, kwam terug bij De Chatillon en sprak met verdoofde stem:
"Ik denk het niet nodig, Mijnheer, u mijn handschoen toe te werpen[20]. Gij
weet dat uw beloochening mij een vlek is, die door bloed alleen kan
herkocht worden. Ik zal u vóór het dalen der zon rekenschap uwer lastering
vragen."
"Het zij zo," antwoordde De Chatillon; "ik ben bereid de eer mijner
koninklijke nicht tegen al de ridders der wereld te verdedigen."
Hierop zwegen zij en hernamen hun vorige plaatsen. Gedurende die korte
twist hadden de andere ridders met verschillende gevoelens op de stoute
woorden van Robrecht geluisterd; velen der Fransen werden gram om des
Vlamings woorden, doch de wetten der eer beletten hun zich met de twee
vijanden te bemoeien. Charles de Valois schudde het hoofd met ongeduld en
deed op zijn gelaatstrekken lezen dat deze twist hem grotelijks mishaagde.
Een blijde glimlach zweefde op het aanzicht van Graaf Gwyde;--hij sprak
zachtjes tot De Valois: "Mijn zoon Robrecht is een moedig ridder. Dit heeft
uw Koning Philippe ondervonden toen hij Rijsel belegerde, want dan is menig
dapper Fransman voor het zwaard van Robrecht gevallen. De Bruggelingen die
hem meer dan mij beminnen, heten hem de Leeuw van Vlaanderen,--en die
eernaam heeft hij in de slag van Benevent[21] tegen Manfried wel verdiend."
"Ik ken Meneer Robrecht overlang," was het antwoord. "Weet iedereen niet
met welke onversaagdheid hij dit damaszwaard uit de handen van de
dwingeland Manfried rukte? Zijn wapenfeiten worden onder de ridders mijns
lands hoog geroemd. De Leeuw van Vlaanderen staat bij ons als onverwinbaar
te boek--en dit verdient hij."
De oude vader glimlachte eerst van genoegen, maar eensklaps verduisterde
zijn gelaat; zijn hoofd zonk neer en hij zuchtte weemoediglijk: "Mijnheer
De Valois, is het niet ongelukkig dat ik zulke zoon geen erfdeel mag
nalaten? Hij die het Huis van Vlaanderen zoveel roem en luister moest
bijbrengen. Ho! Dit en de gevangenis van mijn ongelukkig kind Philippa zijn
de twee spoken die mij ten grave stoten."
Charles de Valois antwoordde niet op Gwydes klachten. Lange tijd bleef hij
in diepe nadenking verzonken en liet de toom van zijn draver op de kop van
zijn zadel hangen. Gwyde bezag hem in deze houding en verwonderde zich over
de edele moed van De Valois, want hij bemerkte dat de rampen die het Huis
van Vlaanderen getroffen hadden, de goede Fransman bedroefden.
Opeens rees Charles de Valois met een blij gelaat recht in de zadel, legde
zijn hand op de hand van Gwyde, en sprak: "Een ingeving des Heren!"
Gwyde bezag hem met nieuwgierigheid.
"Ja," hernam De Valois, "ik wil dat mijn koninklijke broeder u weder op de
troon uwer vaderen plaatse!"
"En welk middel dunkt u krachtig genoeg om dit wonderwerk te wrochten, daar
hij u mijn land gegeven heeft?"
"Luister, edele Graaf, uw dochter zit troosteloos in de kerkers van het
Louvre[22]--uw erfdeel is verbeurd en uw kinderen hebben geen lenen[23]
meer. Ik weet een middel om uw dochter te verlossen en uw graafschap weder
te krijgen."
"Ja," riep Gwyde met twijfel, "ik geloof het niet, Mijnheer De Valois,
tenzij uw Koningin, Johanna van Navarra, overleden ware."
"Neen, dit niet. Onze Koning, Philippe le Bel, houdt open Hof te Compiègne.
Mijn schoonzuster Johanna is te Parijs en Enguerrand de Marigny met haar.
Kom te Compiègne met mij, doe u door de beste Edelen uws lands vergezellen
en val voor de voeten van mijn broeder om hem als een boetvaardige leenheer
hulde te doen."
"En dan?" vroeg Gwyde met verwondering.
"Hij zal u genadiglijk ontvangen en het land van Vlaanderen en uw dochter
doen verlossen, wees zeker van mijn woorden, want mijn broeder is in de
afwezenheid der Koningin de grootmoedigste Vorst."
"Gedankt zij uw goede Engel om die gelukkige ingeving; en gij, Meneer De
Valois, om uw edele moed!" sprak Gwyde met blijdschap. "God, mocht ik door
dit middel, de tranen van mijn armzalig kind zien opdrogen. Maar wie weet
of de banden des kerkers mij ook niet wachten in dit gevaarlijke
Frankrijk!"
"Vrees niet, Graaf, vrees niet," hernam De Valois, "ikzelf zal u verdedigen
en bijstaan. Een vrijgeleide met mijn zegel en op mijn eer bekrachtigd zal
u te Rupelmonde terugbrengen, indien onze pogingen vruchteloos waren[24]."
Gwyde liet de toom van zijn draver los, vatte de hand van de Franse ridder
en drukte dezelve met diepe dankbaarheid.
"Gij zijt een edele vijand," zuchtte hij.
Terwijl zij in hun samenspraak voortgingen, kwam de ganse stoet in een
vlakte van wonderbare grootte, door dewelke de Krekelbeek kronkelend
stroomde. Ieder maakte zich op de jacht veerdig. Elke Vlaamse ridder kreeg
zijn valk op de vuist[25]. De honden werden in verscheidene hopen verdeeld
en de leibandjes van de valken losgemaakt.
De vrouwen waren nu tussen de ridders gekomen en het geviel dat Charles de
Valois zich nevens de schone Machteld bevond.
"Ik geloof, behaaglijke Edelvrouw," sprak hij, "dat de prijs der jacht voor
u zijn zal; want nooit zag ik schoner vogel dan deze. Zo gelijkelijk
gevederd, zo sterke zwing,--zo geel geschubde klauw! Weegt hij ook zwaar op
de vuist?"
"Ho ja!--Zeer zwaar, Mijnheer," antwoordde Machteld, "en alhoewel hij
alleenlijk tot de lage vlucht is afgericht zou hij ook wel reigers en
kranen in de lucht najagen."
"Het schijnt mij," bemerkte De Valois, "dat uw Edelheid hem te veel in
vlees laat groeien. Het ware beter zijn eten wat te laten wijken."
"Neen, neen. Verschoon mij, Heer De Valois," riep het meisje met hoogmoed,
"maar gij bedriegt u grotelijks: mijn valk is juist goed. Ik ben in de
valkerij niet onkundig. Zelf heb ik deze fraaie havik opgevoed, tot de
jacht afgericht, en des nachts bij kaarslicht bewaakt... Uit de weg, heer
De Valois, uit de weg!--Want boven gindse beek vliegt een snep!"
Terwijl De Valois de ogen naar de aangewezen plaats wendde, trok Machteld
de kap van het hoofd des haviks, en wierp hem uit.
De vogel deed vier of vijf vleugelstreken en dreef kunstiglijk voor zijn
meesteres op de lucht.
"Ga dan, mijn lieve havik!" riep Machteld.
Op dit bevel steeg de vogel als een pijl hemelwaarts; het gezicht kon hem
niet volgen. Enige tijd bleef hij als beweegloos op zijn vlerken hangen en
zocht met zijn doordringende ogen naar het bedoelde wild. Weldra zag hij de
snep in de verte vliegen. Sneller dan een steen die valt, daalde de valk op
de arme vogel en neep hem in zijn scherpe klauwen te pletter.
"Ziet gij, Mijnheer De Valois?" riep Machteld met vreugde. "Ziet gij dat de
hand ener vrouw ook wel valken kan africhten?--Daar komt mijn trouwe vogel
zo lieflijk met zijn vangst terug!"
Deze woorden waren haar mond nog niet gans ontgaan of de havik viel reeds
met de snep op haar hand.
Adolf van Nieuwland bevond zich sedert weinig ogenblikken in de nabijheid
der schone Machteld. Zijn blikken stuurde hij met bange liefde op haar;
niet in haar aanzicht, maar op haar klederen, op haar hakkenij--op al wat
haar omringde. In de ogen dorst hij ze niet bezien. Andere ridders spraken
en lachten vrijelijk met haar; de verliefde Adolf alleen was voor haar zo
bevreesd dat hij zelden een woord in haar tegenwoordigheid dorst wagen.
Terwijl zij de snep aan haar havik ontnam, naderde Adolf haastiglijk voor
haar, en vroeg met smekend gelaat om het wild uit haar aangebeden handen te
mogen ontvangen. Zodra de ogen van Machteld op Adolfs aanzicht vielen,
werden haar wangen met schaamrood gekleurd.
"Mijnheer Van Nieuwland," sprak zij stamelend, "ik acht Uw Edelheid te hoog
en mag zulke dienaar niet hebben..." En hiermee gaf zij de snep aan een
schildknaap.
Aan deze woorden had zij een zonderlinge nadruk gegeven, alsof de bede van
Adolf lastig en vervelend voor haar geweest ware. De Jonker wendde zijn
paard langzaam om en rende ver van de stoet. Wie hem nu gevolgd had, zou
bemerkt hebben dat hij twee minnetranen van zijn wangen vaagde, en dat de
twee rimpels op zijn voorhoofd dieper werden.
"Gauw, Mijnheer Van Bethune!" riep de Hoofdvalkenier. "Maak de kap van uw
giervalk los, en werp hem uit! Want ginds loopt een haas."
Een ogenblik hierna zweefde de vogel reeds boven de wolken en viel
loodrecht op het vluchtende dier. Zonderling was dit om zien; want daar de
valk zijn klauwen in de rug van de lopende haas geslagen had, bleef hij
erop staan en zij dreven tegelijk als de wind voort. Nochtans duurde deze
vaart niet lang want zodra zij voorbij een boompje vluchtten, sloeg de valk
zijn ene klauw eraan en hield met de andere het wild zo vast, dat het
ondanks het spartelen en wringen niet meer voort kon. Hierop werden er
enige honden van de leiband gelaten. Deze liepen recht op de haas en
ontvingen hem van de valk. De moedige vogel dreef zegepralend boven de
honden en verzelde hen tot bij de jachtknechten; dan vloog hij hoog in de
lucht en gaf door zeldzame wendingen zijn blijdschap te kennen.
"Mijnheer Van Bethune," riep De Valois, "dit is een vogel die zijn zaken
dapper aflegt: het is een schone giervalk."
"Ja, heer, en een allerschoonste," antwoordde Robrecht, "ik zal u zijn
arendsklauwen aanstonds laten bewonderen."
Bij deze woorden hief hij de lokvogel in de hoogte. De valk dit ziende
daalde onmiddellijk op de vuist van zijn meester terug.
"Ziet gij?" hernam Robrecht terwijl hij de vogel aan De Valois toonde.
"Ziet gij wat schone blonde vederen, wat zuivere witte borst en wat hoge
blauwvervige poten?"
"Ja, heer Robrecht," antwoordde De Valois, "het is inderdaad een vogel die
voor een adelaar niet wijken moet; maar het schijnt mij dat er bloed op
zijn bil druipt."
Robrecht de benen van de giervalk bezien hebbende riep met ongeduld: "Komt
gauw hier, valkeniers! Mijn vogel heeft zijn broek gescheurd en is deerlijk
gekwetst. Och God, het arme dier heeft te veel geweld met zijn klauwen
gedaan! Dat men hem wel bezorge. Gij, mijn africhter Steven, genees hem;
want zijn dood zou mij zeer spijten."
Hij gaf de gekwetste valk aan Steven die schier om het voorval weende; want
daar zijn ambt het onderwijzen en africhten der valken was, lagen deze
dieren hem als kinderen aan het hart.
Zodra de voornaamste heren hun valken uitgeworpen hadden, begon de jacht in
het algemeen. Men ving nog gedurende twee uren allerlei wild van hoge
vlucht, als eenden, wouwen, reigers, kranen, en ook veel wild van lage
vlucht, waaronder patrijzen, lijsters en wulpen waren. De zon op haar
hoogste zijnde, galmden de jachthorens met heldere tonen door de vlakte. De
ganse stoet kwam bijeen, en men spoedde zich op een matige tred naar
Wijnendale terug.
Onderweg hernam Charles de Valois zijn gesprek met de oude Gwyde. Alhoewel
de Graaf van Vlaanderen niet zonder mistrouwen aan zijn reis naar
Frankrijk dacht, wilde hij echter uit liefde tot zijn kinderen die
gevaarlijke tocht aannemen. Hij besloot op het aandringen van de Franse
Veldheer zich met al de Edelen die hem bijgebleven waren, voor de voeten
van Philippe le Bel te gaan werpen, en hem door deze ootmoedige hulde tot
medelijden te brengen. De afwezendheid der Koningin Johanna streelde hem
met de blijde hoop dat Philippe le Bel niet overbiddelijk zijn zou.
Robrecht van Bethune en De Chatillon kwamen niet meer bij elkander; zij
ontweken alle wegen die hen mochten verenigen en geen van beiden sprak nog
een woord. Adolf van Nieuwland rende vooraan met gebogen hoofd; droefheid
en smart verbleekten zijn wangen en zwarte dromen vervulden zijn
gemoed.--Machteld had hem verstoten! Machteld minde hem niet--en hij, wiens
ziel geen ander gevoel dan liefde tot haar voeden kon, hij mocht niet
spreken...
"Ja," morde hij in zichzelf, "ten tijde dat Gwyde nog Graaf van Vlaanderen
was, had ik het wel durven wagen haar mijn liefde te betonen, alhoewel ik
haar onwaardig ben. Maar nu--nu haar Vader geen kroon meer draagt, zou die
uitdrukking haar als een kleinachting voorkomen. Wist zij nochtans wat
eerbied, wat aanbidding voor haar in mijn boezem woont! Maar wat helpt dit!
Ziet zij in mijn ziel?--O valse dromen, streelt mij niet meer met
leugenachtige schimmen; nooit zal de Leeuw van Vlaanderen op het schild van
Nieuwland blinken ..."
En dan glinsterde een droeve traan onder de oogleden van de edele
jongeling. Hij bleef zo lang in bedenking verzonken totdat de voeten der
paarden op de brug van Wijnendale galmende, hem uit zijn mijmering deden
opstaan.
De ganse stoet ging in het slot. Men haalde de brug achter hen niet omhoog
en de egge viel ook niet neer. Enige ogenblikken later kwamen de Franse
heren met hun wapens aangetogen uit het kasteel. Over de brug rijdende
sprak De Chatillon tot zijn Broeder: "Gij weet dat ik de eer onzer nicht
deze avond te verdedigen heb; ik maak staat op u om mijn wapenmakker te
zijn."
"Tegen die barse Robrecht van Bethune?", vroeg De St.-Pol. "Ik weet niet;
maar mij dunkt dat gij er slecht zult van afkomen;--want de Leeuw van
Vlaanderen is geen kat, die men zonder handschoen mag aanpakken. Dit weet
gij ook wel."
"Wat doet dit?" viel De Chatillon spijtig uit. "Een ridder betrouwt zich op
behendigheid en moed, en niet op zijn lichaam."
"Gij hebt gelijk, mijn broeder: een ridder mag voor niemand wijken; maar
het is beter zich niet onbezonnen bloot te stellen. Ik zou in uw plaats de
grammoedige Robrecht hebben laten zeggen. Wat geven zijn woorden, nu hij
zonder leen en onze gevangene is?"
"Zwijg, De St.-Pol, gij spreekt onbetamelijk. Feilt het u aan moed?"
Terwijl hij deze woorden eindigde, verdwenen zij met de andere ridders
achter de bomen.
De wapenknechten meenden de valbrug op te halen, maar zij bemerkten dat er
nog iemand uit wilde.
Daar kwam Adolf van Nieuwland alleen en geheel mistroostig aangestapt. Het
scheen dat zijn draver in zijn smart deelde; want het dier liet onachtzaam
het hoofd hangen.
Ongetwijfeld hebt gij in de vurigste jaren uws levens een vrouw bemind,--uw
ogen hebben op het wezen van een schoon beeld gerust, en uw hart heeft aan
het gevoel der min meer kracht ontleend om sneller te jagen en inniger te
aanbidden. Lang hebt gij een geheime vlam gekoesterd--lang hebt gij gezucht
en gebeden; uw ziel was in een begeerte ontstoken die met één oogopslag kon
voldaan worden: een woord kon u op aarde zalig maken.--Wanneer gij, na
lange pijnen dit woord, ik min u--uit de mond der engelin hoorde, en dan uw
lippen op haar brandend voorhoofd een bron van nog onbekende zielsvreugde
mochten vinden--dan hebt gij geweten wat geluk en zaligheid in de wereld
is...
Maar, indien dit afgodinnenbeeld uwer ziel, waarvan het aandenken al de
ogenblikken uws levens, zelfs in de slaap vervulde--indien die vrouw, die
gij zo teder en zo minnend droomde, uw blakende liefde met verachting of
honende onverschilligheid betaald heeft--dan hebt gij gelijk de treurige
Adolf de slang des naijvers in uw boezem voelen wroeten; dan zijn misschien
ook voor de eerste maal twee twijfelachtige rimpels op uw voorhoofd
gekomen.
Het hart van de wanhopige minnaar Adolf was door somber wee benepen; want
hij herhaalde gedurig de woorden van Machteld. Nochtans zodra zijn paard
over de brug geraakt was, sprong het als een hert vooruit; want hij had het
grammoedig met de spoor in de zijde gestampt.
Nu lieten de wapenknechten de egge vallen, haalden de brug op en verdwenen.
* * * * *
Originele Nederlandstalige tekst van De Leeuw van Vlaanderen, de historische roman van Hendrik Conscience over Vlaanderen en de Guldensporenslag.
Publieke-domeintekst uit Project Gutenberg, beschikbaar gemaakt no Aurora Literunico junto à tradução portuguesa.
Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Uma seleção criada para acompanhar a atmosfera, os personagens e os caminhos desta obra.
Escolha a arte, confira a disponibilidade e adicione o produto ao carrinho sem sair da experiência.
Adquira Relíquias da Obra e deixe sua marca registrada, criando valor ao item!
Capítulos disponíveis para continuar a leitura.
Nenhuma Relíquia desta obra foi adquirida ainda. Seja o primeiro a eternizar seu nome no acervo oficial!
Conhecer as 100 RelíquiasAinda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Nenhuma posse foi registrada publicamente para esta edição.
Durante a leitura, abra Menu para ajustar a experiência sem sair do capítulo. As preferências de aparência ficam salvas neste aparelho.
Recursos identificados como “em preparo” aparecem para antecipar a evolução do leitor, mas ainda não executam uma ação.
Posso mostrar leituras em destaque, clássicos e Relíquias disponíveis agora no Literúnico.
Escolha um caminho
Dúvidas desta página
As explicações do Aurélio são respostas cadastradas pelo Literúnico.