Leia agora
De Leeuw van Vlaanderen

Universo da obra

De Leeuw van Vlaanderen

Capítulo 11 · De Leeuw van Vlaanderen

Hoofdstuk 11

11 de 25 ≈ 21 min de leitura

Hoofdstuk 11

11

_De roovrenbende staet, de hopman roept van buiten
Den dwerg die 't slot bewaert; hy doet de poort ontsluiten,
De valbrug dalen en de ruitren binnen vliên.--
Hy die van uit het woud de burcht had mogen zien
Wanneer de roovers en de buit er binnen vloden
Had zekerlyk gedacht dat een der helsche goden
Hem d'eeuwge martelplaets voor d'oogen openreet:
Men zag by 't toortslicht niets dan al wat huivren deed;
De halfverlichte maen der witbeschuimde paerden,
De blinkend helmen by de blikkerende zwaerden,
En in het midden van den yzren rooversstoet
De zwakke Jonkvrouw die ontrukt is aen haer bloed.
Dit somber tafereel dat zich op de bemoschte
En gryze muren, by een weiflend licht uitloste,
En daer by 't klettren van de ketens, het geknars
Der waepnen, het gebriesch der dravers en het warsch
Geschal der roepen en der vloeken, maer het meest
Een vrouwengil die klonk als in een naer tempeest
De scherpe schuifelwind.--Dit mackte dat de geest
Te saem door oogen en door ooren werd bevreesd._

JOH. ALF. DE LAET.

In het jaar 1280 had een schrikkelijke brand de oude Hal bij de Markt gans
vernield. De houten toren, die dezelve bekroonde, was met alle handvesten
der stad Brugge door de vlammen vergaan[68]. Enige zware muren waren echter
in het onderste gedeelte van het gebouw ongeschonden blijven staan; en met
deze nog enige vertrekken die men soms tot wachthuizen gebruikte.

De Franse krijgsknechten hadden die verlaten kamers der oude Hal tot
vergaderplaatsen verkozen, en daar was het dat zij met slempen en tuisen de
ledige uren doorbrachten.

Enige tijd na het vertrek van Adolf van Nieuwland bevonden zich acht Franse
soldeniers in een der diepstgelegen plaatsen dezer overblijfsels. Een grote
lamp van gebakken aarde zond haar gele stralen op de getaande aanzichten
der krijgers, en een kronkelende smook klom uit de vlam tegen het welfsel:
op de wanden bij de hevige schijn der lamp kon men nog enige geschonden
versierselen van Romaanse stichting bemerken; een Vrouwenbeeld zonder
handen, en waarvan het aangezicht door de tijd was misvormd, stond in een
nis op het einde des vertreks. Vier soldeniers zaten bij een zware houten
tafel en speelden driftig met de teerlingen; enige anderen stonden recht
bij hun makkers en volgden de kansen met nieuwsgierigheid na. Het was
zichtbaar dat deze mannen niet alleenlijk om te dobbelen daar gekomen
waren; want de helm blonk op hun hoofden, en brede degens hingen aan hun
gordel, alsof zij zich tot de krijg uitgerust hadden.

Een der spelers stond na enige ogenblikken van de tafel op en smeet de
teerlingen met spijt van zich.

"Ik wens u allen naar de duivel!" riep hij. "Ik geloof dat die oude Breton
de hand niet zuiver heeft, want het zou wonder zijn dat ik niet eens in
vijftig maal zou winnen.--Nu verveelt mij het spel; ik schei er uit."

"Hij durft niet meer spelen!" riep de winner met zegepralende scherts. "Wat
drommel, Jehan, uw tas is immers niet ledig?--En vlucht gij alzo voor de
vijand!"

"Waag het nog eens," sprak een ander, "misschien verandert de kans
ditmaal."

De soldenier die men Jehan noemde, bleef lange tijd in twijfel of hij het
lot nog eens zou beproefd hebben; eindelijk stak hij de hand tussen zijn
wapenhemd en trok een glinsterend juweel eruit. Het was een halssnoer van
de fijnste paarlen, en met gouden haken versierd.

"Daar," sprak hij, "ik zet deze paarlen tegen hetgeen gij van mij gewonnen
hebt--het schoonste halssnoer dat ooit op de borst ener Vlaamse Vrouw
geblonken heeft! Zo ik ditmaal nog verlies, blijft mij geen haar van de
buit over."

De Breton nam het juweel in de hand en bezag het nauwkeuriglijk.

"Wel, dit gaat er om," riep hij. "In hoeveel worpen?"

"In twee," antwoordde Jehan. "Werp gij eerst."

Een hoop gouden geldstukken lag op de tafel nevens het kostelijk juweel.
Alle ogen vestigden zich met angstige drift op de rollende teerlingen,
terwijl de harten der spelers van vrees klopten. Bij de eerste worp scheen
het lot zich voor Jehan te verklaren, want hij wierp tien en zijn makker
vijf. Terwijl hij de grootste hoop tot het herwinnen van zijn geld
gevoelde, zag hij dat de Breton de teerlingen heimlijk aan de mond bracht,
en dezelve aan een zijde nat maakte. Innige gramschap en wraakzucht
kleurden zijn wangen met hevig rood, nu hij bemerkte dat valse listen de
oorzaak zijns verlies waren. Hij geliet zich evenwel alsof hij niets
gewaar was geworden, en sprak: "Werp dan, wat aarzelt gij? Bevangt u de
vrees?"

"Neen, neen," riep de Breton terwijl hij de teerlingen behendiglijk uit
zijn handen liet rollen. "De kans kan verkeren--ziet gij wel, twaalf!"

Hierop wierp Jehan de teerlingen onachtzaam op de tafel. Terwijl hij
ditmaal ongelukkiglijk slechts zes kreeg, nam de Breton het juweel met
blijde uitroepingen van de tafel en verborg het onder zijn harnas. Jehan
wenste hem met geveinsde woorden geluk over zijn winst en scheen om dit
verlies niet aangedaan; een bedekte gramschap gloeide in zijn borst en hij
kon zich zonder veel moeite niet inhouden. Terwijl de vrolijke winner met
een andere makker sprak, fluisterde Jehan iets in het oor dergenen die bij
hem stonden, en scheen door zijn blikken de Breton aan hun aandacht te
bevelen. Dan riep hij: "Mits gij alles van mij gewonnen hebt, makker, zult
gij mij niet weigeren het lot nog eens te wagen. Ik zet het geld dat wij
deze avond verdienen moeten, tegen gelijke som.--Doet gij het?"

"Ja zeker, ik wijk nooit!"

Jehan nam de teerlingen en wierp achttien in tweemalen. Terwijl de andere
de dobbelstenen van de tafel tot zich haalde en dezelve dan sprekende,
zonder inzicht in zijn handen scheen te houden gaven de soldeniers die bij
Jehan stonden de grootste acht op hem. Zij zagen duidelijk dat de Breton
nogmaals de teerlingen aan zijn lippen bracht en door deze list eens tien
en eens twaalf wierp.

"Gij hebt verloren, mijn vriend Jehan!" riep hij.

Een schriklijke vuistslag was het antwoord dat hij op deze roep kreeg;
bloed sprong hem uit de mond en een ogenblik bleef hij bedwelmd, want de
slag had zijn hersens fel geraakt.

"Gij zijt een schelm--een dief!" schreeuwde Jehan. "Heb ik niet gezien dat
gij de dobbelstenen nat maakte en mij aldus valselijk mijn geld hebt
afgewonnen? Gij zult mij alles wedergeven of ..."

De Breton gaf hem geen tijd om voort te gaan, maar toog zijn brede degen
uit de gordel en kwam, onder ijslijke lasterwoorden, vooruit. Jehan had
zich ook tot strijden bereid gemaakt, en zwoer dat hij zich door bloed
wreken zou; doch het ging zo ver niet. De twee klingen flikkerden reeds
tegen het licht der lamp, en alles scheen een onvermijdelijke bloedstorting
te voorspellen, wanneer een ander krijgsman binnen de kamer trad.

De trotse en dwingende blikken, welke hij op de twistenden wierp, deden hem
bij de eerste oogopslag voor een overste erkennen. Zodra de soldeniers hem
bemerkten, vergingen de vloeken en scheldwoorden op hun mond, en de degens
geraakten schielijk aan de gordels. Jehan en de Breton bezagen elkander
alsof zij zich tot een andere tijd beriepen, en naderden met de anderen bij
de overste die hun aansprak: "Zijt gij klaar, mannen?"

"Wij zijn klaar, Mijnheer De Cressines," was het antwoord. "De grootste
stilte!" hernam de overste. "Herinnert u dat het huis waar deze burger ons
naar toe leidt, onder de bescherming van onze veldheer De Chatillon staat.
De eerste die zijn handen ergens aansteekt, zal het zich bitterlijk
berouwen. Men volge mij!"

De burger, welke deze Franse krijgsknechten ten leidsman moest dienen, was
geen ander dan meester Brakels, de Leliaard, die uit het weversambacht
gebannen was.--Wanneer de soldeniers met hun overste in de straat gekomen
waren, ging Brakels stilzwijgend vooruit, en bracht hen door de duisternis
tot in de Spaansestraat, bij de deur der woning van Mijnheer Van Nieuwland.
Hier schaarden de soldeniers zich langs de muur en lieten geen zucht uit
hun borst gaan, opdat men hun tegenwoordigheid niet mocht bemerken.

Meester Brakels deed de hamer der poort zachtjes nedervallen. Na enige
ogenblikken kwam een dienstbode in de gang en vroeg met mistrouwen wie zo
laat aanklopte.

"Doe ras open," was Brakels antwoord, "ik kom van Meester Deconinck, met
een haastige tijding voor Vrouw Machteld van Bethune. Wacht geen ogenblik,
want de Jonkvrouw is in groot gevaar."

De dienstbode die ver was van het verraad te vermoeden, trok de grendels
weg: zij opende de deur met meer spoed dan zij op een andere tijd hiertoe
zou gebruikt hebben. Maar hoe groot was haar verbaasdheid, wanneer acht
Franse soldeniers na de Vlaming in de gang kwamen gedrongen. Een luide
schreeuw galmde tot in de diepste zalen van het huis, en de dienstbode
wilde zich bij de vlucht redden: zij werd door Mijnheer De Cressines hierin
verhinderd, en moest stilzwijgend blijven staan.

"Waar is uw Meesteres Machteld van Bethune?" vroeg De Cressines met een
koude bedaardheid.

"Het is reeds twee uur geleden dat mijn Vrouw zich ter ruste begaf, en nu
slaapt zij," stamelde de verschrikte dienstbode.

"Ga tot haar," hernam de overste, "en zeg haar dat zij zich klede; want op
staande voet moet zij dit huis verlaten en met ons gaan. Wees gehoorzaam,
het zou mij pijnen het geweld te moeten gebruiken."

De dienstmaagd liep angstig de trap op, en wekte de zuster van Adolf.

"O Vrouw!" was haar uitroeping. "Rijs haastig van uw bedstede; uw woning is
vol soldeniers."

"Hemel!" zuchtte Maria. "Wat zegt gij? Soldeniers in onze woning!--Wat
eisen zij?"

"Zij willen de Jonkvrouw Van Bethune op het ogenblik van hier voeren. Ik
bid u mijn Vrouw, spoed u, want zij slaapt nog--ik schrik dat de soldeniers
in haar kamer gaan zullen."

Met een driftige haastigheid, en zonder te antwoorden trok de verbaasde
Maria een wijde samaar om haar lenden, en ging met de dienstbode bij
Mijnheer De Cressines, die nog in de gang was. Twee knechten van het huis
waren op de schreeuw der dienstmaagd toegelopen, en stonden nu mistroostig
tussen de Franse soldeniers; men had hen gevat en vastgehouden.

"Mijnheer," vroeg Maria aan de overste, "gelieft het u, mij te zeggen
waarom gij aldus des nachts in mijn woning komt?"

"Jawel, mijn edele Dame," was het antwoord, "het is een bevel van de
Landvoogd. De Jonkvrouw Machteld van Bethune, die hier woont, moet ons op
staande voet volgen. Vrees voor haar geen kwade behandelingen: ik geef u
mijn trouw dat ik niet lijden zal dat een woord haar hone."

"O Mijnheer," riep Maria, "wist gij wat lot gij die rampzalige Jonkvrouw
bereidt, gij zoudt van hier gaan; want ik hoor dat gij een eerlijk ridder
zijt."

"Gij hebt het wel gezegd, Mevrouw, zulke ondernemingen behagen mij
geenszins; maar het gebod van mijn Veldheer zal ik stiptelijk volbrengen.
Het gelieve u derhalve, de Jonkvrouw Machteld in onze handen over te
leveren;--wij kunnen niet langer wachten, spaar mij onaangename woorden."

Maria zag wel dat niets deze slag kon afwenden, ook verborg zij haar innige
droefheid voor de vreemde krijgslieden, en weende niet. Met een zichtbare
gramschap stuurde zij haar ogen op de Vlaming, die in een hoek van de gang
stond, en scheen hem zijn verraad door haar blikken te verwijten. Meester
Brakels was niet stout genoeg om de toornige Jonkvrouw in de ogen te zien.
Hij beefde, want nu voorzag hij de wraak die hem zou vervolgen, en stapte
enige treden achteruit alsof hij ter deure zocht uit te gaan.

"Men bewake die Vlaming!" riep De Cressines tot zijn mannen.

"Belet hem te vertrekken; want wie, als hij, zijn vrienden verraadt, is tot
alles bekwaam."

Meester Brakels werd bij de arm gevat en met geweld te midden der
soldeniers gebracht. Het woord verrader was de naam die zij hem gaven, en
de verachting dergenen, welke hij gediend had, was zijn loon.

Maria verliet de gang en trad met benepen hart in de slaapkamer der jonge
Machteld; zij bleef als verslagen voor de bedstede staan en bezag de
ongelukkige maagd die zo zachtjes scheen te slapen. Alhoewel zij nu zo
beweegloos lag, was het echter zichtbaar dat zij zich in haar slaap
verroerd had, want de strik van haar lange haren was losgegaan, en nu lagen
de blonde lokken met zachte en strelende golving boven het deksel. Een
glinsterende parel blonk onder ieder ooglid, en de hijgingen der maagd
waren lastig en brandend. Opeens trok zij haar hand onder uit het deksel en
dreef dezelve met angstige gebaren voor haar bedstede, alsof zij iets, dat
haar zeer bedroefde, wilde verjagen. Onverstaanbare zuchten mengden zich in
haar mond met de naam van Adolf, en zij herhaalde deze menigmaal gelijk
iemand die om hulp smeekt.

Tranen sprongen uit de ogen van Maria; want dit gezicht ging haar diep in
het hart: haar medelijden vergrootte bij het aandenken der smarten welke de
jonge Edelvrouw nog moesten grieven. Hoe pijnlijk het haar ook was dit
rampzalig nieuws aan haar vriendin te brengen, mocht zij echter niet
aarzelen; de tijd was kostelijk. Alle ogenblikken konden de soldeniers in
de kamer komen,--en wat schande, wat pijn, ware dit niet voor de edele
Machteld geweest! Door dit gedacht gedreven, nam Maria de hand harer
vriendin en wekte haar met de woorden:

"Mijn lieve Jonkvrouw, word wakker, ik heb u iets haastigs te zeggen."

De aanraking van Maria had het meisje hevig verschrikt; zij opende de ogen
zeer wijd, en beefde terwijl zij haar vriendin met twijfel aanzag.

"Zijt gij het wel, Maria, die mij aldus aanspreekt?" vroeg zij terwijl zij
de handen over haar vochtige wimpers dreef. "Wat brengt u toch zo ontijdig
bij mij?"

"O rampzalige vriendin," barstte Maria wenende uit, "rijs op, dat ik u
klede.--O rijs met haast, een groot ongeluk wacht u."

De verbaasde Machteld trapte van het ledikant en blikte met angst in de
ogen van Maria; deze snikte bitter, terwijl zij Machteld aankleedde, en
antwoordde niet op 's meisjes vragen, dan op het ogenblik dat zij haar een
lang rijkleed aanbood en met een nijpende zucht tot haar sprak: "Gij gaat
op reis, o Edelvrouw. Mijnheer Sint-Joris bescherme u!"

"He! Waarom dit rijkleed, mijn waarde Maria? Nu zie ik wat lot mij wacht!
Mijn bittere droom heeft niet gelogen, want toen gij mij wekte, werd ik
naar Frankrijk bij Johanna van Navarra gevoerd. Och Heer, nu is alle hoop
verloren! Adolf zal ik niet meer zien en het zoete vooruitzicht dat mij
streelde, is nu in zuur vergaan. O Leeuw mijn vader!... Gij zult uw kind
wellicht op aarde niet meer vinden..."

Maria had zich, met bitter wee vervuld, in een zetel nedergezet, en snikte
stilzwijgend tussen haar tranen. Zij had de macht niet om de vrees harer
vriendin met woorden te bevestigen. Na enige ogenblikken wierp de bange
Jonkvrouw zich om haar hals en sprak: "Ween zo niet om mij, mijn zoete
vriendin. Het ongeluk en de rampspoed zijn mij lang bekend: voor het Huis
van Vlaanderen is er geen rust, geen vreugde meer."

"Ongelukkig en edel kind!" zuchtte Maria. "Gij weet niet dat Franse
soldeniers u beneden wachten, en dat gij aanstonds wordt weggevoerd!"

Het meisje verbleekte en sidderde sterk bij deze woorden.

"Soldeniers?" riep zij. "Zal ik dan aan de onbeleefdheid van onedele
huurlingen blootgesteld zijn? Lieve Maria, bescherm mij ... God, mocht ik
nu sterven! O Leeuw van Vlaanderen, wist gij wat laster uw bloed
geschiedt!"

"Schrikt zo niet, Edelvrouw, er is een eerlijk ridder met hen."

"Het noodlottig uur is dan gekomen! Ik moet u verlaten, Maria, en de boze
Koningin van Navarra zal mij ook als mijn vader kerkeren. Ho, het zij zo!
Er is een rechter in de Hemel--die mij niet zal verlaten ..."

"Ras, Jonkvrouw, doe uw rijkleed aan; daar hoor ik de stappen der
soldeniers."

Terwijl Machteld het kleed om haar lenden toog, ging de deur der kamer
open; de dienstbode kwam binnen en sprak: "Mevrouw, de Franse heer doet u
vragen, of de edele Machteld van Bethune bereid is, en of het hem
geoorloofd is voor haar te verschijnen."

"Hij kome," was het antwoord.

Mijnheer De Cressines had de dienstbode op de trap gevolgd en trad
onmiddellijk in het vertrek. Hij boog zich beleefdelijk voor de Jonkvrouw,
en gaf door zijn medelijdende blikken te kennen dat hij deze zending tegen
zijn dank vervulde.

"Mevrouw," sprak hij, "duid het mij niet ten kwade dat ik UEdele verzoeke
aanstonds met mij te gaan; ik kan geen enkel ogenblik meer beiden."

"Ik zal u gehoorzaamlijk volgen," antwoordde Machteld terwijl zij haar
tranen wederhield. "Ik hoop, Mijnheer, dat gij als een eerlijk ridder mij
voor alle laster zult bewaren."

"Ik zweer u, Edelvrouw," riep De Cressines door 's meisjes onderwerping
aangedaan, "dat er u niets zal gebeuren, zolang gij onder mijn bescherming
zijn zult."

"Uw soldeniers, Mijnheer!"

"Mijn soldeniers, Mevrouw, zullen u raken noch spreken. Deze verzekering
zij u genoegzaam. Wij vertrekken."

De twee Jonkvrouwen omarmden zich met angstige tederheid en de tranen
kwamen overvloediger op hun wangen. Het bittere vaarwel werd menigmaal
herhaald en de omhelzingen dikwijls hernomen. Zij volgden eindelijk de
overste tot in de gang.

"O Mijnheer," riep Maria, "zeg mij toch waar gij mijn ongelukkige vriendin
heenvoert?"

"Naar Frankrijk," antwoordde De Cressines, en zich tot de soldeniers
kerende gebood hij: "Neemt mijn woorden in acht:--wie een onbetamelijk
woord voor deze Edelvrouw durft wagen, zal strengelijk gestraft worden; ik
wil dat men haar volgens de doorluchtigheid harer geboorte behandele. Men
hale de paarden die in de Halsestraat staan."

Machteld stond sprakeloos bij de soldeniers, haar tranen vloeiden in stilte
onder de sluier die haar aangezicht dekte.

Eén harer handen hing in de hand van Maria, en beiden stonden zij zonder
beweging, als twee beelden op één zuil. De woorden waren niet genoegzaam
tot het uitdrukken der pijnlijke aandoeningen, die hun harten bij dit
bitter afscheid benepen.

De paarden bij de deur gebracht zijnde, werd de Jonkvrouw door Mijnheer De
Cressines op een lichte draver geholpen.

Wanneer zij allen in de zadel gezeten waren, bracht Machteld haar lippen
bij het oor der snikkende Maria, en sprak haar van Adolf. Een belofte van
onverbrekelijke liefde en veel troostende woorden, ontving de zuster voor
de edelmoedige jongeling.

Meester Brakels en de dienstknechten werden losgelaten, en de stoet rende
snellijk door de straten van Brugge. Enige stonden later waren zij in het
wijde veld en in wegen welke Machteld niet kon erkennen; de nacht was
duister en een plechtige stilte hing over de sluimerende natuur. Mijnheer
De Cressines bleef steeds aan de zijde van Machteld; dewijl hij de
Jonkvrouw in haar droefheid niet wilde storen, sprak hij niet tot haar, en
zou wellicht de reis stilzwijgend volbracht hebben, had de jonge Machteld
hem niet eerst gevraagd: "Is het mij geoorloofd, Mijnheer, iets over het
lot dat mij wacht te weten?--En mag ik u vragen van wie het bevel, dat mij
uit mijn woning rukt, gekomen is?"

"Het bevel is mij door Mijnheer De Chatillon gegeven," antwoordde De
Cressines. "Denkelijk is het hem ook van hogerhand toegezonden, want uw
reis eindigt te Compiègne."

"Ja," zuchtte de droeve Jonkvrouw, "Johanna van Navarra wacht mij. Het was
haar niet genoeg mijn vader en al mijn bloedverwanten te kerkeren--ik
ontbrak er nog. Nu is haar wraak ten volle uitgevoerd. O Mijnheer, gij hebt
een boze Koningin!"

"Een man zou dit voor mij niet zeggen mogen. Het is waar, Edelvrouw, onze
Koningin behandelt de Vlamingen zeer streng, en ik gevoel het grootste
medelijden voor de dappere heer Van Bethune; maar ik mag mijn Vorsten niet
horen lasteren."

"Vergeef mij, Mijnheer, uw trouw als ridder verdient mijn achting. Ik zal
over uw Koningin niet meer klagen, en acht mij gelukkig in mijn rampspoed
een eerlijk ridder als UEdele tot leidsman te hebben."

"Het zou mij een waar genoegen zijn UEdele tot Compiègne te vergezellen,
maar die eer is mij niet toegekend: nog een vierendeel uurs krijgt gij een
ander gezelschap, Jonkvrouw. Dit kan echter uw toestand niet veranderen; de
Franse ridders vergeten nooit wat zij de Vrouwen schuldig zijn."

"Het is waar, Mijnheer, de Franse Edelen zijn beleefd en eerlijk wegens
ons, maar wie zegt mij dat het geen soldeniers zijn zullen?"

"Ho! Dit zal niet zijn, Mevrouw, ik breng u naar het slot te Male en moet u
aan de Kastelein Mijnheer De St.-Pol overgeven. Tot daar strekt mijn
zending."

Nog enige tijd spraken zij, totdat zij eindelijk voor de brug van het slot
te Male aankwamen. Bij hun nadering riep de schildwacht boven de poort op
de wakende soldeniers en de egge werd omhooggehaald. Een weinig daarna viel
de brug ploffend neer en de ganse stoet stapte in het slot.

* * * * *

De Leeuw van Vlaanderen

Sinopse

Originele Nederlandstalige tekst van De Leeuw van Vlaanderen, de historische roman van Hendrik Conscience over Vlaanderen en de Guldensporenslag.

Publieke-domeintekst uit Project Gutenberg, beschikbaar gemaakt no Aurora Literunico junto à tradução portuguesa.

De Leeuw van Vlaanderen

Resenhas do livro

0 publicadas

Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.

De Leeuw van Vlaanderen

Trilha sonora oficial

Uma seleção criada para acompanhar a atmosfera, os personagens e os caminhos desta obra.

Abrir no Spotify
Ir para o carrinho
Mercado de De Leeuw van Vlaanderen

Leve um fragmento deste universo

Escolha a arte, confira a disponibilidade e adicione o produto ao carrinho sem sair da experiência.

Nenhum livro físico está disponível neste universo.
Relíquias da Obra

Adquira Relíquias da Obra e deixe sua marca registrada, criando valor ao item!

Aguardando Aprovação do Autor
Aguardando grupo autoral De Leeuw van Vlaanderen Escolha uma Relíquia e envie uma proposta de aquisição, mesmo antes da ativação.
100Relíquias
0Titulares
0 Passagens
Central de RelíquiasDescubra coleções de outros universos e obras.
ver todas
Capítulo 11 carregado no app · 1 livro conectado 1/1
Abrir leitor completo

Capítulos disponíveis para continuar a leitura.

Capítulos de De Leeuw van Vlaanderen

Todos os capítulos 25 disponíveis

Donos de Relíquias

0 titulares

Nenhuma Relíquia desta obra foi adquirida ainda. Seja o primeiro a eternizar seu nome no acervo oficial!

Conhecer as 100 Relíquias

Resenhas do livro

0 publicadas

Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.

Entrar para resenhar

Posses do livro

0 Leitores com posse
0 Unidades registradas

Nenhuma posse foi registrada publicamente para esta edição.

Adicionais do Universo

Visual ClássicoAbra a leitura editorial, no estilo de uma página de livro
ler
Visual AuroraApresentação imersiva do universo da obra
abrir