Leia agora
De Leeuw van Vlaanderen

Universo da obra

De Leeuw van Vlaanderen

Capítulo 24 · De Leeuw van Vlaanderen

Hoofdstuk 24

24 de 25 ≈ 121 min de leitura

Hoofdstuk 24

24

_Thans verwezentlykt zich alles
Wat gy beiden had gedroomd:
Al die onbeschryfbre weelde
Komt u heden toegestroomd_

JF WILLEMS

Ofschoon een groot gedeelte der Vlaamse benden bij hopen de vijand in de
velden achtervolgde, bleven er echter nog enige regelmatige scharen op het
slagveld. Jan Borluut had zijn mannen doen blijven om volgens het gebruik
des oorlogs het slagveld tot des anderendaags te bewaren, slechts weinig
hadden door te hevige geestdrift dit bevel miskend; de bende welke hij met
zich had, bestond nog uit drieduizend Gentenaars[164]: ook waren er
menigvuldige mannen van alle wapenen die, door moeite of wonden afgemat, de
vijand niet konden najagen en diensvolgens op het slagveld waren gebleven.
Nu de strijd gewonnen was, nu de banden des Vaderlands gebroken waren,
juichten de opgetogen Vlamingen met blijde kreten: "Vlaanderen de Leeuw!
Wat wals is, vals is! Zege! Zege!"

En dan antwoordden de Ieperlingen en Kortrijkers van de stadwallen met nog
krachtigere galmen. Zij ook mochten zege roepen, want terwijl de twee
legers elkander op de Groeningekouter bevochten, was de Kastelein van Lens
met honderd zijner mannen van het kasteel in de stad gevallen, en zou
dezelve wellicht gans verbrand hebben, maar de Ieperlingen vielen zo
onversaagd op zijn bende dat de Fransen na een lang gevecht in wanorde op
het kasteel terugvloden. Mijnheer Van Lens, zijn mannen optellende, bevond
dat slechts het tiende deel aan de woede der Burgers ontsnapt was[165].

De meeste Aanleiders en Edelen waren in de legerplaats gegaan, en hadden
zich rondom de gulden ridder geschaard: zij drukten door hun woorden al hun
dankbaarheid voor hem uit; maar hij, vrezende zich te doen kennen,
antwoordde niet. Gwyde, die bij hem stond, zich naar de ridders kerende,
sprak tot hen: "Mijne heren, de ridder die ons allen en het Land van
Vlaanderen zo wonderlijk gered heeft, is een kruisvaarder, die begeert dat
men hem niet kenne.--De edelste zoon van Vlaanderen draagt zijn naam."

De ridders spraken niet, maar ieder poogde bij zich zelven te raden wie
dit ook zijn kon, die zo edel, zo dapper, en zo sterk van lichaam was. Zij
die bij de samenkomst, in het bos bij den Dale, tegenwoordig geweest waren,
wisten reeds lang wie het was; maar zij dorsten hun mening niet ontdekken,
aangezien zij het geheim plechtiglijk beloofd hadden. Onder de anderen
waren er vele die niet twijfelden of het moest de Graaf van Vlaanderen zelf
zijn; het was hun echter genoeg dat Gwyde de begeerte van de gulden ridder
had doen kennen, om hun het stilzwijgen tot een plicht te maken.

Nadat Robrecht enige tijd met stille stem tot Gwyde gesproken had, liet hij
zijn oog over al de bijzijnde scharen gaan. Wanneer hij insgelijks over het
wijde slagveld gezien had, kwam hij nader bij Gwyde, en sprak: "Ik zie
Adolf van Nieuwland niet, de benauwdheid doet mij sidderen. Gij weet het,
zo de onversaagde jongeling onder het vijandlijk zwaard gevallen is ... dan
zullen er zulke bittere tranen over hem gestort worden!"

"Gesneuveld zal hij niet zijn, Robrecht, mij dunkt dat ik zijn groene veder
daar even tussen de bomen van het Neerlanderbos nog gezien heb. Gewis jaagt
hij nu de overige vijanden na; gij hebt gezien met wat onweerhoudelijke
drift hij steeds te midden der Fransen zich begaf. Vrees niet, God zal niet
gedoogd hebben dat hij stierve."

"O Gwyde! Spraakt gij waarheid! Mijn hart breekt bij het vooruitzicht, dat
mijn ongelukkig kind, op zulke blijde dag, met dodende pijnen zal gefolterd
worden. Ik bid u, mijn broeder, doe de mannen van Mijnheer Borluut over het
slagveld gaan, dat men zoeke of het lichaam van Adolf niet te vinden
is.--Ik ga mijn kranke Machteld troosten; de tegenwoordigheid haars vaders
geve haar tenminste een heuglijk ogenblik."

Hij groette de bijzijnde ridders met de hand, en rende snellijk in de
richting der abdij van Groeninge. Gwyde beval Jan Borluut dat hij zijn
mannen over het slagveld spreiden zou, om de gewonden onder de lijken uit
te halen, en de dode ridders in de legerplaats te brengen.

De Gentenaars, op het slagveld tredende, bleven plotseling staan, alsof een
ijslijk gezicht hen verstomd hadde. Nu de vervoerdheid des gevechts in hen
vergaan was, dwaalden hun ogen met afgrijzen over dit wijduitgestrekte
bloedbad, in hetwelke de geplette lijken, de paarden, de Standaarden met de
afgehakte leden van zoveel duizenden mensen verward lagen te zwemmen[166].
In de verte zag men hier en daar een stervende de arm, als in een
hulpgebed, omhoogheffen, en dezelve smekend uitreiken. Een vervaarlijk
gerucht, honderdmaal akeliger dan de ontzaglijkste stilte, heerste boven de
opgehoopte lichamen. Het was de stem der gewonden, roepende: "Drinken,
drinken ...Om Godswil, drinken!"

De zon brandde met hevige gloed op hun ontblote spieren, en pijnigde hen
met een onverdragelijke dorst, hun lippen kleefden aan elkander, en met
moeite konden zij een ratelende doodsklacht vormen. De lucht was met zwarte
raven als met een onweersbui behangen: het krassend geschreeuw dier
vraatzuchtige roofvogels galmde, als de roep der dood, boven het slagveld,
en vervulde de harten der levenden met een sombere verslagenheid. Weldra
vielen de juichende vogels op de lijken neder, en scheurden met hun klauwen
de nog bevende spieren eraf. De gewonden worstelden met angst tegen die
afschuwelijke vijanden, en sidderden van schrik, wanneer zij dachten dat
ieder dezer dieren een deel van hun vlees eten zou;--voor hen geen ander
graf dan het lijf der raven--voor hen geen rustplaats na de dood, geen
gewijde aarde om tot de jongste dag te slapen...!

Wat schriklijk vooruitzicht! Welke hartplettende gedachte!

Ontellijke verhongerde honden waren op de reuk van het bloed uit de stad
gekomen, zij liepen van het ene lijk naar het andere, en huilden met lange
tonen zo vervaarlijk tegen elkander op, dat men zou gedacht hebben dat de
hel haar duivelen uitgezonden had om de komst van zovele zielen te
bezingen. Nochtans scheurden deze dieren niet aan de lichamen; integendeel
schenen zij dit misbaar uit droefheid over de gesneuvelden te vormen.
Alhoewel zij soms hier of daar het bloed der mensen met het bloed der
paarden opslurpten, vochten zij echter met nijdigheid tegen de raven, en
behoedden alzo menig lichaam voor derzelver schendende klauwen.--Bij al die
schrikbarende geruchten voegde zich het doffe briesen of liever het gehuil
der stervende paarden en de juichende zegeroepen der in de stad zijnde
mannen. Afschuwelijk,--afschuwelijk was het gezicht van zoveel gesneuvelde
dapperen die nu, met de blauwe doodsverf op het aangezicht tussen hun
verstrooide leden voor eeuwig sliepen[167].

De oorlogstichtende Vorst, die na de strijd over het slagveld wandelt, die
zijn Konings voeten in het bloed, dat hij deed storten, plaatst, moet in
zijn eigen ogen een boosaardig schepsel zijn, wanneer hij zichzelven
toespreekt en zegt: "Gij zijt het, op wiens hoofd zoveel edel bloed drijft;
gij zijt het, die in één dag meer moorden hebt gedaan dan al de moordenaars
uws Rijks gedaan hebben."

Indien hij dan het vloekbaar zwaard niet voor altijd vallen laat, men
verachte hem als een wanschepsel; want hij heeft geen hart, geen ziel, en
is de naam van Mens niet waardig.--En de volken, die de grote euveldaden
zowel als de grote deugden bewonderen, geven aan zulke de naam van held, en
zeggen: hij is groot.--Omdat hij het mensenbloed bij stromen vergoten
heeft!--Omdat hij niet als een struikrover onder de naam van rover, maar
als een Koning en onder de naam van Koning gemoord heeft! Wat misdadig
vermaak vinden de mensen dan in hun eigen vernieling, dat zij de werktuigen
derzelve met alles wat men op aarde begeren kan, belonen?

Naarmate de Gentenaren zich over het slagveld uitspreidden, vlogen de raven
voor hen op, en gingen verder op een prooi azen. Men zocht onder al de
neerliggenden, diegenen wier boezem nog klopte, en men droeg dezelve in de
legerplaats, om ze tot het leven terug te roepen. Een talrijke bende was in
alle slag van vaten vers water uit de Gaverse beek gaan putten om de nog
levenden te laven. Het was treffend en zielroerend te zien, hoe gulzig de
gewonden het koele water als het leven inzogen, en hoe dankbaar zij, met
een glinsterende traan van vreugde, die lafenis uit de handen hunner
broederen of hunner vijanden ontvingen[168]. Wanneer men dus met één bezig
was, hieven zich in de nabijheid menige armen smekend omhoog, en vele
zwakke stemmen zuchtten: "O laaft mij ook,--een enkele druppel water!--Bij
de passie onzes Zaligmakers, ik bezweer u, broederen, maakt mijne lippen
nat en bevrijdt mij van de dood ..."

De Gentenaars hadden het bevel ontvangen om de Vlaamse ridders, die zij
vinden konden, dood of levend, naar de legerplaats te dragen; reeds hadden
zij bijna de helft der lijken verplaatst en een goed deel van het slagveld
overzocht. De lichamen der edele heren Salomon van Zevekote, Philip van
Hofstade, Eustachius Sporkyn, Jan van Severen, Pieter van Brugge waren
reeds weggedragen, en men was bezig met het harnas van de gewonde Jan, heer
van Machelen, los te maken.--Zij waren nu tot de plaats, waar men het
hardnekkigst gevochten had, genaderd, want grote hopen lijken lagen verward
en bebloed rondom hen. Terwijl zij bezig waren met Mijnheer Van Machelen te
laven, hoorden zij eensklaps een ratelende zucht, als uit de grond opkomen;
zij luisterden, maar ontwaarden niets meer: geen enkel der om hen liggende
lichamen gaf het minste teken van leven. De lijken verplaatsende, om de
klagende op te zoeken, hoorden zij nogmaals de zucht, en bemerkten dat hij
een weinig verder tussen geslachte paarden opklom; meteen liepen er anderen
bij, om hun makkers te helpen. Na lange pogingen sleurden zij de paarden
terzijde en vonden de stervende ridder.

Hij lag uitgestrekt op de rug, het bloed stroomde murmelend onder hem, en
wendde zich kronkelend als een bron naar de Groeningebeek. Afgehakte leden
lagen om hem gezaaid; zijn harnas was onder een paard geplet geweest, zijn
rechterhand had het slagzwaard nog niet verlaten, terwijl hij met zijn
linkerhand een groene sluier vasthield; zijn wangen waren bleek, en droegen
het kenteken der aankomende dood. Dwalend en flauw blikte hij op degenen
die hem kwamen verlossen; zijn zwakke wimpers hadden geen kracht meer om
de verduisterde oogappels voor het gloeiend zonnelicht te behoeden. Jan
Borluut herkende de ongelukkige Adolf van Nieuwland.

In allerhaast deed men de riemen van zijn harnas los; men hief zijn hoofd
uit het slijk, en bevochtigde zijn lippen met verkwikkend water. Zijn
stervende stem suisde enige onverstaanbare woorden, en zijn ogen sloten
zich ditmaal gans toe, alsof zijn ziel uit het geplette lichaam ontvlogen
was. De nieuwe lucht en de lafenis hadden hem fel geschokt, hij bleef enige
ogenblikken in bezwijming; dan weder ontwakende, maar even zwak, nam hij de
hand van Mijnheer Borluut, en sprak zo langzaam, dat tussen elk woord een
lange poos was: "Ik sterf Gij ziet het, Mijnheer Jan, mijn ziel zal niet
lang meer op aarde blijven.--Maar--beween mij niet.--Ik sterf
vergenoegd--nu het Vaderland gewroken is ..."

Zijn adem was te kort om langer te kunnen spreken; hij liet zijn hoofd in
de arm van Jan Borluut neervallen, en scheen meer kracht te willen
verzamelen voor hetgeen hij hem nog wilde zeggen. Dan sprak hij: "O, Ik bid
u--hoor mij in dit stervensuur. Beloof mij dat gij mijn laatste begeerte
zult volbrengen."

"Ik zweer het bij God en mijn eer," antwoordde Borluut met een doffe toon,
die zijn droefheid te kennen gaf.

Adolf bezag hem met dankbaarheid, en hernam: "Ik zou de aarde zonder
droefheid verlaten, want er is nog een wereld na deze;--maar mijn ziel
heeft zich der liefde van een aanbiddelijk beeld gewoon gemaakt. Zij zal de
afwezendheid van hetzelve na de dood betreuren,--en wellicht zal ik in het
koude graf geen rust vinden. Zij zal mij roepen, en ik zal niet komen."

Twee tranen, welke over zijn wangen rolden, trokken het smartwater uit de
ogen van allen die hem omringden. Jan Borluut verstond hem niet; hij
begreep wel dat de liefde voor een vrouw de stervende aldus deed spreken,
maar hij kon niet raden wie die betreurde minnares zijn mocht: hij
luisterde met meer aandacht op de woorden van Adolf. Deze hernam: "Ik
aanbad Machteld zo vurig,--zij beminde mij zo teder,--en nu,--nu scheurt
het noodlot onze harten bloedend van elkaar. Ik smeek u, Mijnheer Jan, ga
en troost haar, geef haar die sluier, welke in het bloed der vreemden
gedoopt is; dat zij dezelve als een teken mijner liefde beware, dat zij nog
na mijn dood aan mij denke--en dat zij om de lafenis mijner ziel bidde.--Ik
voel de jagingen mijns harten vergaan, de dood heeft mij geraakt. Vaarwel
... mijn vriend, mijn broeder, wij zullen elkander daar ..."

Bij dit vaarwel poogde hij zijn hand op te heffen, om naar de hemel te
wijzen, doch hij kon niet meer: zijn ogen sloten zich, en het leven scheen
in hem op te houden.--Nochtans bleef zijn boezem kloppen, en de warmte
verliet zijn lichaam niet. Jan Borluut bewaarde nog enige twijfelachtige
hoop, en deed de gewonde ridder met alle mogelijke voorzichtigheid naar de
legerplaats voeren.

Machteld had zich met de zuster van Adolf, vóór het gevecht, in een cel der
abdij van Groeninge vertrokken. Er was voorzeker op dit ogenblik niemand in
Vlaanderen die met meer benauwdheid dan die ongelukkige Jonkvrouw gepijnigd
was: dwars door alle slag van rampen was zij nu zo ver gekomen dat Adolf
haar ten bruidegom beloofd was, dat Vlaanderens vrijmaking en de verlossing
haars vaders haar toelachten. Alles, wat haar gelukkig op aarde maken kon,
was in de strijd, welke ging aanvangen, tegen een ongelijke macht gewaagd.

Indien de Fransen de zege behaalden, voorzag zij de dood haars vaders, de
dood haars minnaars, en de vernietiging van alles, waarop zij haar hoop
gevestigd had.

Zodra de krijgsbazuin haar klanken over het slagveld zond, sidderden de
twee vrouwen, en verbleekten alsof een dodelijke slag haar terzelfder tijd
getroffen had; beide beefden voor de man, wiens leven ook haar leven
was.--In zulke bange ogenblikken konden zij de aandoeningen harer ziel
moeilijk uitdrukken; want ieder woord baarde haar een akeliger
vooruitzicht; ook waren zij tegelijk op de knielbank neergezonken, haar
hoofden rustten zwaar op de lessenaar en haar tranen lekten in stilte over
haar wangen.--Daar zaten zij, vurig biddende, zonder zich te bewegen, alsof
zij in een diepe slaap geweest waren; van tijd tot tijd kwam een doffe snik
uit haar borsten, wanneer het gedruis des strijds zich meer verhief, en dan
zuchtte Maria: "O God almachtig, God der heirkrachten, ontferm u onzer.
Staat ons bij in de nood, o Heer!"

En de fijne stem van Machteld antwoordde: "O Zoete Jezus Zaligmaker, behoed
hem!--En roep hem niet tot u, o goedertieren God!"

"Heilige moeder Gods, bid voor ons."

"O Moeder van Christus, troosteres der bedrukten, bid voor hem!"

Dan kwam het donderend krijgsgerucht meer akelig in haar geschokte harten
galmen, en haar handen trilden van schrik als de waggelende bladen der
populieren; haar hoofden bogen zich dieper, haar tranen barstten
overvloediger uit haar ogen, en haar gebed werd weder onvatbaar; want de
benauwdheid ontnam haar de stem.

De strijd duurde lang, het ijselijk geschreeuw der tegen elkander oplopende
scharen dreef lang boven de abdij van Groeninge, maar nog langer duurde het
stille gebed der vrouwen, want de gulden ridder klopte reeds aan de poort
van het klooster, en zij waren nog niet van de knielbank opgestaan.
Galmende mannenstappen, welke in de gang der cel klonken, deden haar het
hoofd omwenden; zij blikten stijf op de deur en trilden beiden van zoet
voorgevoel.

"Adolf komt weer!" zuchtte Maria. "Ho, ons gebed is verhoord geweest."

Machteld luisterde met meer aandacht, en antwoordde mistroostig:

"Neen, neen hij is het niet, zijn tred is niet zo zwaar. O Maria, misschien
een ongeluksbode!"

Op dit ogenblik hoorde men de deur der cel op haar hangsels krijsen; een
non opende dezelve en liet de gulden ridder binnen.

Het tengere lichaam van Machteld werd stijf, haar ogen hechtten zich
twijfelachtig op degene die voor haar stond en zijn armen opende om haar te
ontvangen; het scheen haar dat een logendroom haar bedroog, maar die
aandoening was vluchtiger dan de bliksem die schijnt en vergaat. Zij wierp
zich met onstuimigheid vooruit, en viel juichend tegen de borst des gulden
ridders.

"Mijn vader," riep zij, "o mijn dierbare vader! Ik zie u weer, vrij, zonder
keten! Laat mij u in mijn armen sluiten.--O God, hoe goed zijt
Gij!--Onttrek mij uw wang niet, lieve vader; laat mij de vreugde, die ik
gevoel, uitstorten."

Robrecht van Bethune omhelsde zijn teder kind met opgetogen blijdschap, hij
hield haar tegen zijn boezem totdat de geestdrift hunner beider harten wat
gezonken was, en legde dan zijn helm en zijn ijzeren handschoenen op de
knielbank. Door moeite afgemat, trok hij een zetel bij, en liet zich in
dezelve neergaan. De liefderijke Machteld wierp zich op de schoot haars
vaders, en omving zijn hals in beide haar armen; dan bezag zij met
bewonderende eerbied degene wiens gelaat voor haar zo heilgevend als het
aanschijn der Godheid was, de Man wiens edel bloed ook in haar aderen
vloeide en die haar zo teder en zo innig beminde. Zij luisterde met
hijgende boezem op de zoete woorden welke de geliefde stem in haar oor deed
klinken.

"Machteld," sprak hij, "mijn edel kind, de Heer heeft ons lang beproefd;
maar nu is al ons leed ten einde, Vlaanderen is vrij, het Vaderland is
gewroken, de zwarte Leeuw heeft al de Leliebloemen gescheurd, en al de
vreemden zijn verslagen; vrees nu niet meer, de boze soldeniers, welke
Johanna van Navarra gezonden had, zijn dood."

Het meisje vatte de woorden met angstige gretigheid op de mond haars
vaders, zij blikte dwalend in zijn ogen en glimlachte met zonderlinge
uitdrukking. De vreugde vervoerde haar zo zeer, dat zij beweegloos lag,
alsof zij van gevoel ware beroofd geweest. Na enige ogenblikken bemerkte
zij dat haar vader niet meer sprak, zij riep: "O God! Het Vaderland is
vrij?--De Fransen zijn verslagen? En u mijn vader, u bezit ik weder! Dan
zullen wij nog in ons schone Wijnendale terugkeren; de droefheid zal uw
oude dagen niet meer bitter maken, en ik zal mijn leven zo vrolijk en zo
zalig in uw armen doorbrengen! Dit geluk mocht ik niet hopen, ik dorst zo
veel van God in mijn gebeden niet vragen."

"Luister wel, mijn kind, en word niet mistroostig, ik bid u: heden moet ik
u weder verlaten. De edelmoedige krijgsman, die mij ditmaal nog van de
banden heeft ontslagen, ontving mijn erewoord dat ik zou terugkeren, zodra
de slag zou geleverd zijn."

Het meisje liet het hoofd met diepe treurnis op de borst zinken, en
zuchtte: "Zij zullen u vermoorden, mijn rampzalige vader!"

"Wees toch zo bevreesd niet, Machteld," hernam Robrecht. "Mijn broeder
Gwyde heeft zestig Franse ridders, van edelen bloede, gevangen genomen; men
zal Philippe le Bel doen aankondigen dat hun leven voor het mijne verpand
is; en het is hem niet veroorloofd die overblijvende dapperen aan zijn
wraakzucht op te offeren. Ik heb niets meer te duchten, Vlaanderen is
machtiger dan Frankrijk; dus bid ik u dat gij niet weent. Wees blijde, de
schoonste toekomst wacht ons; ik zal het slot Wijnendale doen herstellen,
om ons allen weer te ontvangen. Dan zullen wij nog samen ter valkenjacht
uitgaan; verstaat gij, hoe vrolijk onze eerste tocht zijn zal."

Een glimlach van onuitsprekelijk geluk en een zoen van tedere liefde waren
Machtelds antwoord. En mijn echtgenoot zal met ons wonen! was het gedacht
dat haar nog meer streelde. Zij zegde: "Maar dierbare vader, gij spreekt
mij niet van Adolf. Waarom komt hij niet met u?"

"Nog enige zorgen houden hem bezig, mijn kind; er lopen nog verstrooide
vijanden door de velden, gewis vervolgt hij dezelve. Machteld, ik mag u
zeggen dat de liefde u de edelste ridder, die ik ken, heeft doen kiezen;
nooit zag ik iemand zich zo dapper gedragen. De vijanden vielen voor zijn
zwaard bij hopen neer, hij was altijd te midden der Fransen, en stelde zich
honderdmaal in levensgevaar. Nu ook is het mijn wil dat hij uw hand, ten
toon zijner trouw en vaderlandsliefde, ontvange; heden nog, indien God het
toelaat, zal ik u de man uws harten schenken."

Machteld liet het hoofd neergaan, om het schaamrood, dat haar wangen kwam
verven, te verbergen: zij vatte de hand haars vaders en streelde dezelve
met dankbare tederheid.--Opgetogen stond Maria op de loftuitingen haar
broeder gegeven, te luisteren, zij verblijdde zich over hetgeen zij hoorde,
en zag de vreugde, die Adolf treffen moest, in een gulden droom vooruit.

Terwijl de jonge Machteld haar vader in verrukking bezag, hoorde men een
groot gerucht van verwarde stemmen aan de voorpoort van het klooster. Dit
duurde slechts enige ogenblikken, en alles werd weder stil. Weldra werd de
deur der cel geopend, en Gwyde, de broeder van Robrecht, trad langzaam en
met verslagen gelaat binnen; hij naderde bij hem, en sprak: "Een groot
ongeluk, mijn broeder, treft ons heden in een man die ons allen dierbaar
is, de Gentenaars hebben hem op het slagveld uit de doden opgehaald, en
hier in het klooster gebracht; zijn ziel zweeft op zijn lippen en wellicht
is zijn stervensuur nabij. Hij vraagt om u nog te zien eer hij de wereld
verlaat. Ik bid u dan, mijn broeder, bewijs hem die laatste gunst."

Zich naar de zuster van Adolf kerende, voegde hij er bij: "Hij roept u
insgelijks, Edelvrouw."

Eenzelfde klacht, een pijnlijke schreeuw ontvloog uit de borst van beider
vrouwen. Machteld viel zonder gevoel in de armen haars vaders, en scheen te
sterven; Maria, zonder ergens naar te willen luisteren sprong met
hartscheurend misbaar naar de deur, en verliet de kamer. Op die noodkreten
kwamen twee nonnen binnen, en ontvingen de zwakke Machteld uit de armen van
de gulden ridder; deze zoende zijn dochter met pijnend medelijden, en wilde
de stervende Adolf gaan bezoeken, maar de Jonkvrouw, die de ogen opende en
zijn inzicht verstond, rukte zich uit de handen der nonnen, en zich aan
Robrechts lichaam vasthechtende, riep zij: "Laat mij met u gaan, o vader!
Dat hij mij nog eenmaal zie. Wee mij, wat grievend zwaard gaat door mijn
boezem! Mijn vader, ik sterf met hem;--reeds voel ik de dood in mij--ik wil
hem zien; haast u, kom, o kom ras!--Hij sterft--hij, Adolf!"

Robrecht bezag zijn dochter met medelijden; geen woorden vindende om haar
te troosten, bracht hij zijn twee armen om haar en drukte ze vast tegen
zijn borst, maar Machteld ontwrong zich welhaast uit die tedere banden; zij
trok Robrecht met de hand voort, roepende: "O Vader, ontferm u mijner! Kom,
dat ik nog eenmaal zijn stem hore, dat zijn ogen nog eenmaal levend mij
aanschouwen!"

Zij knielde neer voor hem en hernam, terwijl de tranen als uit twee bronnen
over haar wangen liepen: "Ik smeek u, vader, verwerp mijn bede niet. Het is
de droefheid niet die mij vervoert; maar de min drijft mij tot
hem.--Aanhoor mij, o heer en vader!"

Robrecht had liefst zijn kind der nonnen overgelaten, want hij vreesde met
reden dat het gezicht van de stervende ridder haar al te zeer treffen zou;
echter kon hij het dringend gebed van Machteld niet langer verwerpen; hij
nam haar onder de arm, en sprak: "Welaan, mijn dochter, ga met mij, en
bezoek uw ongelukkige Adolf. Maar ik bid u, bedroef mij niet zozeer door uw
wanhoop; denk dat God ons heden vele grote gunsten heeft bewezen, en dat
Hij zich kan vergrammen om uw vertwijfeling."

Zij waren reeds in de gang en uit de cel, wanneer hij die woorden
eindigde.

Men had Adolf in de grote eetzaal van het klooster gebracht; een vederen
bed was op de grond gelegd, en Adolf voorzichtiglijk op hetzelve geplaatst.
Een Priester, in de geneeskunde zeer ervaren, had zijn lichaam met veel
nauwkeurigheid onderzocht en geen open wonden erop bevonden; lange blauwe
strepen tekenden de ontvangen slagen op zijn huid af, en zware kneuzingen
hadden het bloed onder dezelve vergaderd en gestold: zijn leden werden
onmiddellijk, na de aderlating gewassen en met krachtgevende balsem
bestreken. Door de kundige zorg des Priesters was hij een weinig versterkt
geworden; echter scheen hij nog altijd stervensgereed, alhoewel zijn ogen
zo asvervig of zo verglaasd niet meer waren. Rondom het doodsbed stond een
groot getal ridders stilzwijgend over hun vriend te treuren. Mijnheer Jan
van Renesse, Arnold van Oudenaarde en Pieter Deconinck hielpen de Priester
in zijn bezigheden. Willem van Gulik, Jan Borluut en Boudewyn van Papenrode
bevonden zich aan de linkerzijde, terwijl de jonge Gwyde met Jan Breydel en
de andere voornaamste ridders aan het voeteinde met gebukt hoofd op de
gewonde staarden.

Breydel was afschuwelijk om aan te zien: zijn wangen waren opengekrabd, een
bebloede doek bedekte de helft van zijn hoofd, zijn armen en klederen waren
gescheurd, en zijn botgehakte bijl hing aan zijn zijde. De andere ridders
hadden insgelijks het een of ander lid met doeken omwonden, en de
uitrusting van allen was schriklijk geblutst en doorhakt.--Maria, wenende,
zat geknield nevens haar broeder, zij had een zijner handen gevat, en
besproeide dezelve met tranen, terwijl Adolf haar met flauwe blikken bezag.

Zodra Robrecht met zijn dochter in de zaal trad, werden al de ridders met
ontroering en verwondering getroffen. Hij die hen, als een geheime
verlosser, in de nood was toegekomen, was de Leeuw van Vlaanderen, hun
Graaf!--Zij plaatsten allen, met de diepste eerbied de ene knie ten gronde,
en spraken: "Ere zij de Leeuw, onze heer!"

Robrecht liet zijn dochter los, hief de heren Jan Borluut en Van Renesse
van de grond, en zoende hen beiden op de wang; hij deed aan de overigen een
teken dat zij zouden opstaan, en sprak: "Mijn trouwe onderdanen, mijn
vrienden, gij hebt mij heden bewezen hoe machtig een heldenvolk is. Mijn
geringe kroon draag ik nu met meer hoogmoed dan Philippe le Bel die van het
Franse Rijk draagt, want over u mag ik mij met recht verhovaardigen."

Machteld had zich als zinneloos nevens het hoofd van Adolf neergeworpen; de
schaamte en de zedigheid harer kunne vergat zij op dit ogenblik: zij had
haar lippen meermalen zonder het te weten op de bleke wangen haars
beminden geplaatst, haar tranen vloeiden bitter en droeve snikken gingen
brandend uit haar beklemde borst.

Adolf voelde zich onder de liefdezoenen zijner aangebeden Machteld
herleven; hij bleef lang sprakeloos in die blauwe ogen, voor hem zo heilig,
staren, en gaf zijn vreugde door een zachte en bijna onvatbare glimlach te
kennen.--Eindelijk zuchtte hij met zwakke stem: "Machteld, mijn aangebeden
vriendin, ik wilde u door dapperheid en heldenmoed verdienen, uw sluier heb
ik dwars door het vijandlijk leger gedragen, vele Fransen zijn onder mijn
zwaard gevallen; maar God heeft mij tot zich geroepen. Ik moet u verlaten:
die overtuiging martelt mij. Gij, die mij zozeer bemindet, gij die eens het
bloed van uw doorluchtige stam mijn zonen moest meedelen, gij waart mij
niet bestemd. De Heer had anders over ons beiden beschikt."

De gepijnigde Jonkvrouw joeg haar handen bevend en met drift over de
verlamde leden van de ridder. Zij meende enige troostende woorden uit te
spreken, maar haar stem versmoorde in doffe snikken.

Dan hernam Adolf: "Ween niet, welbeminde Machteld, er is nog een ander
leven. Daar zullen onze zielen elkander wederzien, en dan zal de nijdige
dood ons niet meer kunnen scheiden. Blijf op aarde, o mijn zuivere bruid,
wees de steun der oude dagen van uw doorluchtige vader,--en denk soms in uw
gebeden aan de man, die gij bemindet."

De rampzalige jongeling wist niet dat ieder zijner woorden, als een
vergiftige dolk, door het hart zijner bedrukte minnares boorde. Afgemat
door zo lange woorden, drukte hij stilzwijgend de hand zijner geliefde.
Robrecht van Bethune stond met gebogen hoofd op dit toneel te staren; hij
dreef de bittere tranen terug in zijn ogen, en besloot de angst in zijn
boezem. Adolf bemerkte hem en sprak: "O mijn heer en Graaf, uw milde hand
schonk mij de rijkste gift, welke op aarde de mens kan gegeven worden; de
Hemel heeft u beloond. Het land uwer vaderen is vrijgemaakt, gij zult de
leeuwentroon in vredevolle dagen bezitten. Ik sterf met vreugde, nu de
toekomst u en uw edele dochter blijdere dagen voorspelt.--O geloof mij in
mijn stervensuur, uw ongeluk was voor mij, uw onwaardige dienaar,
pijnlijker dan voor uzelf, ik heb in het geheim der nachten mijn bedstede
zo menigmaal met tranen besproeid, wanneer ik aan uw gevangenis en aan de
verdrukking des Vaderlands dacht... Maar God!--Wat is dit? Het schijnt mij
dat een nieuwe kracht mij door de aderen vliet,--zou ik langer leven
kunnen!--O Machteld, gij hebt uw hand op mijn borst gelegd;--dit is het,
wat mij zo wonderlijk verkwikt."

De ogen van Adolf blonken met meer levendigheid; een zachte glimlach
zweefde op zijn lippen, en men zou gezegd hebben dat hij eensklaps van de
dood ging opstaan.

"O, gij zult niet sterven!" riep Machteld. "Hier, in mijn hart is een
stem, die mij zegt dat de Heer u nog niet geroepen heeft."

Zij wendde zich met een haastige beweging om, knielde neer, vouwde de
handen te saam, en zag met smekende ogen ten hemel. Alsof de Almachtige dit
stil en plechtig gebed verhoord had, zag men de krachten in Adolf
terugkomen.--De Priester had, gedurende dit toneel, de zieke met scherpe
blikken bezien en al de aandoeningen, welke hem getroffen hadden,
nagespeurd. Hij nam en tastte de hand van Adolf met een geheim inzicht,
terwijl al de aanschouwers hem met angst in zijn bewegingen volgden; zij
zagen op het gelaat des Priesters dat alle hoop voor de behoudenis van de
gewonde nog niet verloren was. De Geestelijke ging stilzwijgend voort; hij
hief de oogleden van de zieke op en bezag dezelve, opende hem de mond en
liet zijn hand over zijn blote borst glijden. Dit gedaan zijnde, keerde hij
zich naar de omstaande ridders, en sprak op de toon der innigste
overtuiging: "Ik zeg u, Mijne heren, de koorts, welke deze jonge ridder
moest doden, is voorbij.--Hij zal niet sterven!"

Al de ridders werden door een zonderlinge aandoening getroffen, en men zou
geloofd hebben dat een doodvonnis uit de mond des Priesters geklonken had;
maar die hevige ontroering van verwondering liet hun welhaast toe hun
blijdschap door woorden en gebaren uit te drukken.

Maria had de aankondiging des Priesters met een luide kreet beantwoord, en
had haar broeder in opgetogenheid omhelsd. Machteld bezweek, haar krachten
vergingen; eensklaps opspringende, viel zij hijgend in de armen haars
vaders en, daar haar hart te zeer door zalige verrukking geschokt was, kon
zij in den eerste niet spreken; nochtans sloten haar ogen zich niet, en de
kleuren vergingen ook niet op haar wangen. Eindelijk riep zij: "O mijn
vader, o mijn Adolf, nu ben ik gelukkig! Ik dank de goedertieren God dat
hij het gebed zijner ootmoedige dienares zo spoedig verhoord heeft.--Ja,
gij zult leven, mijn Adolf, mijn bruidegom!--Ik zie het, uw ogen blinken
met het vuur des levens."

"Machteld," zuchtte Adolf, "aangebeden vrouw, wat kracht heeft uw
engelenstem bij God, dat zij mij aldus van de dood terugroept?--O ja, mijn
tedergeliefde, ik zal leven,--het hart jaagt mij zo krachtig!"

Hetgeen zij allen als een wonderwerk aanzagen, was een natuurlijk gevolg
van Adolfs toestand. Hij had geen open noch diepe wonden, maar wel
menigvuldige kneuzingen; de martelpijnen, welke dezelve veroorzaakten,
hadden hem een gevaarlijke koorts, die hem moest wegrukken, gebaard: maar
de tegenwoordigheid van Machteld, de krachten zijner ziel verdubbeld
hebbende, joeg de doodkoorts van hem, en zo ontsnapte hij aan het graf,
dat reeds op hem gaapte.

Robrecht van Bethune liet zijn van geluk verdwaalde dochter nevens Adolf
geknield zitten, en voor de ridders komende, sprak hij tot hen in dezer
voege: "Gij, edelste mannen van Vlaanderen, hebt heden een zege behaald,
welke als een bewijs uwer hoge manhaftigheid tot onze zonen zal overgaan;
gij hebt de ganse wereld getoond wat het de vreemde kost op onze
Leeuwenbodem de voet te durven zetten. De liefde tot het Vaderland heeft uw
heldenzielen in ongekende onversaagdheid doen ontsteken, en uw armen, door
een rechtvaardige wraakzucht verstaald, hebben de dwingelanden verslagen.
De vrijheid is dierbaar aan een volk dat dezelve met zijn bloed heeft
bezegeld. Nu kunnen al de Vorsten van het Westen de Vlamingen geen ogenblik
meer tot slaven maken; want gij zoudt allen sterven eer men over u
zegepralen zou. Maar dit mogen wij niet meer vrezen, Vlaanderen heeft zich
heden boven alle andere volken verheven, en het is aan u, edele mannen, dat
het Vaderland die luister verschuldigd is. Nu willen wij dat de vrede en de
rust onze onderdanen om hun trouw belone; het zal mij een geluk zijn door
hen allen met de naam van vader begroet te worden, indien onze zorgende
liefde en onophoudende pogingen om hen gelukkig te maken ons die naam
kunnen verdienen. Nochtans, ware het zaak dat de Fransen dorsten
wederkomen, zouden wij nog de Leeuw van Vlaanderen worden, en onze marteel
zou u nogmaals ten strijde voeren. Wij bidden u, Mijne heren, zodra gij in
uw lenen zult teruggekeerd zijn, bedaart de gemoederen, brengt alles tot
rust, opdat de zege door geen oproerigheid bevlekt worde, en lijdt bovenal
niet dat het volk meer vervolgingen tegen de Leliaards aanvange: het
behoort ons over dezelve recht te doen. Wij moeten u verlaten. In onze
afwezendheid zult gij onze broeder Gwyde als uw heer en Graaf gehoorzamen.

"Ons verlaten!" riep Jan Borluut met ongeloof. "Gij keert naar Frankrijk
weder? Doe het niet, edele Graaf, zij zullen hun nederlaag op u wreken."

"Mijne heren," viel Robrecht in, "ik vraag het u; wie onder u is er, die
uit vreze des doods zijn erewoord en zijn riddertrouw zou willen breken?"

Zij bukten tegelijk het hoofd, en spraken geen woord; met droefheid
verstonden zij dat niets hun Graaf kon wederhouden. Deze ging voort:
"Mijnheer Deconinck, uw diepe wijsheid is ons van groot nut geweest en zal
het nog zijn; wij roepen u in onze Raad, en begeren dat gij met ons aan het
graaflijk Hof verblijft. Mijnheer Breydel, uw dapperheid en trouw verdienen
een grote beloning; wees van nu af en voor altijd, opperbevelhebber van al
uw stadsgenoten, die ons met wapens dienen kunnen; wij weten hoe eerlijk
gij dit ambt kunt bekleden.

Daarenboven zult gij ook tot ons Hof behoren en bij hetzelve kunnen wonen,
indien u dit belieft--En gij Adolf, gij die uw leven zo menigmaal voor ons
en het Vaderland gewaagd hebt, u zij het kind, dat ik bovenal bemin,
geschonken en gegeven."

Sedert enige tijd hoorde men een groot gedruis aan de voorpoort der abdij.
Het was even alsof er een oploop des volks plaats had. Dit gerucht groeide
gedurig meer en meer aan, en bij pozen verhief het zich in een hevig
gejuich. Er kwam een non aankondigen dat er een grote menigte volks voor de
poort stond, dat zij onophoudend schreeuwden dat zij de gulden ridder zien
wilden. De deur der zaal open zijnde, klonk het gejuich verstaanbaar in de
oren der ridders "Vlaanderen de Leeuw! Heil onze verlosser! Heil, heil!"

Robrecht keerde zich tot de non, en sprak "Gelief hun te doen zeggen dat de
gulden ridder, die zij roepen, binnen weinig ogenblikken onder hen komen
zal."

Machteld had haar arm onder het hoofd van Adolf gelegd en hetzelve met
tedere zorg opgelicht, zachte onverstaanbare liefdeswoorden werden nu
rustiglijk tussen hen verwisseld. Van tijd tot tijd nochtans kon men de
woorden Bruid en Bruidegom op hun lippen vatten. Geen enkele traan vloeide
nog uit de ogen der vrouwen. Maria zat bij de andere zijde der legerstede
geknield en mengde haar zoete vriendinnenstem tussen dit troostend en
brandend gesprek. De vreugde, welke de harten der meisjes vervulde, was een
zalige aandoening, alleen op haar gelaat merkbaar, vol betrouwen in de
plechtige woorden des Priesters vreesden zij niets meer, hun hart liep over
van geluk.

Robrecht van Bethune kwam bij de kranke ridder, vatte hem de nog slappe
hand, en sprak "Adolf van Nieuwland, mijn dierbare Machteld is uw
echtgenote, de zegen des Almachtigen dale over uw hoofden en geve aan uw
kinderen de dapperheid huns vaders en de tederheid hunner moeder. Het
doorluchtig bloed der Graven van Vlaanderen menge zich met uw edele stam.
Gij hebt meer verdiend, maar het is niet in mijn macht u een kostelijker
geschenk te geven dan het kind dat de troost en de steun mijner oude dagen
zijn moest."

Hij voegde de hand van Machteld in die van Adolf en hernam "Weest gelukkig,
bemint elkander zozeer als ik u beiden bemin--Gij, Priester, dienaar Gods,
gelief uw zegen bij de mijne te voegen, totdat een wettig huwelijk hen voor
het altaar verenige."

De Priester trad nader, en bad in stilte over de twee bevende gelieven. Hun
ogen waren ten gronde gevestigd, hun harten joegen met kracht, en
niettegenstaande de zwakheid van Adolf, brandde zijn hand in de hand zijner
aangebeden bruid.

Robrecht kwam vooruit bij Gwyde.

"Mijn lieve broeder," sprak hij, "ik begeer dat dit huwelijk zo spoedig
mogelijk met pracht gevierd worde en door de gewone vormen der wetten worde
bekrachtigd, dit is mijn innige wens.

Mijne heren, ik ga u verlaten, met de hoop dat ik welhaast vrij en zonder
hinder het geluk mijner trouwe onderdanen zal mogen bewerken. Ik verzoek u
allen dat gij het grootste geheim over de echte naam van de gulden ridder
bewaart, mijn broeder Gwyde zal de lieden der abdij dit insgelijks
bevelen."

Na die woorden, ging hij tot Adolf, en kuste hem op de wang.

"Vaarwel, mijn zoon," zegde hij.

En zijn Machteld tegen de borst drukkende: "Vaarwel, mijn beminde Machteld.
Ween nu met meer over mij, ik ben gelukkig, nu het Vaderland gewroken is."

Dan omhelsde hij nog zijn broeder Gwyde, Willem van Gulik en enige andere
ridders, zijn vrienden, hij drukte met ontroering de hand van allen en riep
heengaande: "Vaartwel, vaartwel, gij allen mijn trouwe wapenbroeders!"

Op de voorhof klom hij te paard, en deed zijn uitrusting aan, hij liet het
voorstuk van zijn helm vallen, en reed ter poorte uit. Een ontellijke
schaar volks had zich voor dezelve vergaderd, zodra zij de gulden ridder
zagen, scheidden zij zich in twee, om hem door te laten, en begonnen met
allerlei juichingskreten hem te begroeten. "Heil de gulden ridder, zege!
zege! Onze verlosser!" werd honderd malen met nieuwe galmen herhaald. Zij
zwaaiden hun handen, ten teken van blijdschap, in de lucht, en raapten de
aarde, als een heiligdom uit de voetstappen van zijn paard. In hun
bijgelovigheid dachten zij dat St.-Joris, die men gedurende het gevecht in
al de kerken van Kortrijk had aanroepen, onder deze gedaante hun was ter
hulp gekomen. De langzame stap des ridders en zijn stilzwijgendheid
staafden die gissing, en velen vielen, terwijl hij voorbijging, biddend op
hun knieën ter aarde. Zij volgden hem een mijl juichend in de velden na, en
schenen hun gezicht niet genoeg te kunnen verzadigen, want de gulden ridder
werd hoe langer hoe wonderbarer voor hen, hun inbeelding herschiep hem in
zulke gedaante als zij de Heiligen droomden--een teken van Robrecht ware
genoeg geweest om zich door die opgetogen mensen te doen aanroepen.

Eindelijk gaf hij zijn paard de spoor, en verdween als een schicht tussen
de bomen des wouds. Het volk poogde zijn gulden harnas tussen het loof nog
te ontdekken, maar tevergeefs de draver had zijn meester reeds ver uit het
bereik hunner ogen gevoerd, dan bezagen zij elkander, en zuchtten met
droefheid "Hij is in de Hemel teruggekeerd!"

HISTORISCH VERVOLG TOT AAN DE VERLOSSING

VAN ROBRECHT VAN BETHUNE DRIEËNTWINTIGSTE GRAAF VAN VLAANDEREN

Van de zestigduizend man die, om Vlaanderen te verwoesten, door Philippe le
Bel gezonden waren, ontvluchtten er slechts omtrent de zevenduizend, die in
aller ijl langs verschillende wegen op de Franse bodem zochten te geraken.
Guy de St.-Pol had er bij Rijsel vijfduizend in een bende vergaderd en
meende met dezelve in Frankrijk te trekken, maar, een gedeelte des Vlaamsen
legers hem aanvallende, werd hij in een bloedig gevecht verslagen en meest
al zijn mannen vonden daar de dood, die hen op het slagveld te Kortrijk had
gespaard. _De excellente Cronike_ zegt ons hoeveel Fransen in hun Vaderland
terugkeerden:--"_Ende van alle diere ontquamen en ontvloden mochten syn
ontrent drie duijsent mannen van alle der groter menichte, die daer
versaemt waren omme Vlaenderen al gheheel te niete te doene; ende die
mochten die nieumare dragen van haerlieder aventuere, die sober was._"

De bijzonderste Edelen, de dapperste ridders bleven voor Kortrijk dood,
derzelver getal was zo groot dat er, volgens de geschiedenis, geen slot,
geen heerlijkheid in Frankrijk was, waar men de rouw niet aannam, overal
werden er tranen over de dood eens echtgenoots, eens vaders of eens
broeders gestort, en het ganse land werd met klachten vervuld. Door de zorg
der Vlaamse Veldheren werden de gesneuvelde koningen en de doorluchtigste
Landheren in de abdij van Groeninge begraven, als blijkt uit een oud
schilderij, welke in de St. Michielskerk te Kortrijk nog bestaat; zij
draagt het volgende opschrift, door de heer P. Van Duyse ter plaatse
letterlijk afgeschreven:--"_Den slag van Groeninghe gehouden op den XIen
julius 1302 en wiert gheslegen op den Groninck Coutere daer de Audenarsche
straete deurgaet neffens de stede van Curterik, dit syn de namen van den
edelen die in den stryt verslagen en in 't clooster te Groeninghe begraven
waren.

"Eerst, de Coninck van Majorke: de Coninck van Meliden: dhertoge van
Coranen: dhertoge van Brabant: de Bisschop van Beauvais: de Grave van
Archois: de Prise van Aspermont: Jacob van Simpel: de Grave van Clermont:
de Prince van Champaingen: de Grave van Melli: de Grave van Trappe: de
Grave van Lingui: de Grave van Bonnen: de Grave van Henegauwe: de Grave van
Frison: de Grave de la Marche: de Grave van Bar: item zyn dry broeders de
Heere van Bentersam: de Heere van Wenmele: de Castelein van Rysele: de
Heere van Flines: Clarion des Coninck van Melidens broeder: Mher Jan van
Creky: de Heere van Van Merle: de Grave van Lingui in Barrois: de Heere van
Marloos: de Heere van Albemarke: des Bisschop van Beauvais broeder: de
Heere van Versen: de Heere van Rochefort: Mher Gillis van Olingy: de Heere
van Montfort: Godefroid's Graven van Bonnen broeder, en meer dan seven
hondert vergulden sporen._

_Godt sy alle gheloofvege sielen ghenaedich._"

Er bestaat in de boekzaal van de heer Goethals-Vercruyssen, te Kortrijk,
nog een steen, welke op het graf van Koning Sigis gelegen heeft, en, met
zijn wapentekenen, het volgende opschrift draagt--"_In 't jaer os Here
MCCCII up sente Benedictus dach in Hoymaent was de stryt te Curtruke. Onder
deze es gegraven de conync Sigis. Bidt Gode voor alle zielen. Amen
MCCCII._"

Boven de gouden vaten, kostelijke stoffen en rijke wapenen, vond men op het
slagveld zevenhonderd vergulde sporen, welke de Edelen alleen dragen
mochten, men hing dezelve met de gewonnen Standaarden aan het gewelf der
Vrouwekerk te Kortrijk, en daarvan werd het gevecht de slag der gulden
sporen genaamd. Enige duizenden paarden vielen ook in de macht der
Vlamingen, die dezelve in de volgende oorlogen met groot voordeel
gebruikten. Buiten de Gentpoort, op weinig afstand van Kortrijk, heeft men
in 1831, te midden van het gewezen slagveld, een kapel ter ere van
Ons-Lieve-Vrouw van Groeninge gebouwd, op het altaar leest men de namen der
gesneuvelde Franse Veldheren, en een der echte vergulde sporen is te midden
van het gewelf opgehangen. In Kortrijk werd die heugelijke dag alle jaren
door een openbare plechtigheid en door volksvermaken gevierd, de
gedachtenis dier feest is er tot heden toe in een kermis, welke men
vergaderdagen noemt, overgebleven. Ieder jaar, in de maand juli, gaan de
arme lieden van huis tot huis de oude klederen vragen om dezelve te
verkopen, gelijk men in 1302 met de rijke buit gedaan heeft, door een
vioolspeler vergezeld, begeven zij zich naar de Pottelberg, de oude
legerplaats der Fransen, en vermaken zich daar tot het einde van de dag.

De tijding van het verlies des legers in Frankrijk komende bedreef men
grote rouw aan het Hof, Phihppe le Bel ontstak in woede tegen zijn gemalin
Johanna, wier boosheid de schuld dier onheilen was. Hij verweet haar dit
met bittere woorden, gelijk Lodewyk van Velthem, een dichter die in die
tijd leefde en alsdan zijn rijmkroniek (_Spiegel historiael_) schreef, met
de volgende woorden verhaalt:

Doe werp die coninc haer in den scoet
Ene letter van bloede roet.
Want be die die se screef
Ontfoer daer Artois doet bleef
Met groter smarten doorwont

En wat verder:

Hi seidte doe Coninginne Vrouwe!
Maniert u selven in uwen rouwe
Haddes u te voren bedacht;
Dit heb di al selve toebracht;
Gi ne dorvet niemand anders tien
Dan u selven wildy's lien!

Men vindt, in de meeste Franse geschiedboeken, Johanna van Navarra geheel
anders dan kwaadaardig afgeschetst. De Fransen met hun nationaal karakter,
dat ik zeer loffelijk acht, verschonen licht de ondeugden hunner Vorsten
(wanneer zij dood zijn) maar de waarheid is in onze kronieken te tastbaar
om aan de hatelijke inborst van Johanna te twijfelen.

De Wethouders van Gent allen Leliaards zijnde, en denkende dat Philippe le
Bel in allerhaast een nieuw leger naar Vlaanderen zou afzenden, wilden hun
poorten gesloten houden om de stad zolang aan de Fransen te bewaren, zij
werden welhaast door de Gentenaren over dit verraderlijk inzicht gestraft.
Het volk liep te wapen, Wethouders en Leliaards werden vermoord en de
voornaamste Burgers brachten de sleutels der stad aan de jonge Gwyde, wie
zij een eeuwige trouw toezwoeren.

Onderwijlen kwam Jan Graaf van Namen, broeder van Robrecht van Bethune,
naar Vlaanderen en nam het bewind des lands in handen, hij vormde met haast
een nieuw en machtiger leger om aan de Fransen te kunnen wederstaan, en
bracht de Besturen der steden in orde. Zonder zijn benden langer te laten
rusten trok hij voor Rijsel, hetwelk zich na enige stormlopingen overgaf,
van daar naar Douai trekkende won hij insgelijks die stad en nam de
bezetting krijgsgevangen, de stad Kassel gaf zich ook op zekere voorwaarden
over. Nog enige andere sterke plaatsen de Fransen ontnomen hebbende, en
ziende dat er geen nieuwe vijanden uit Frankrijk kwamen, zond Jan van Namen
het grootste gedeelte zijns legers naar huis en behield slechts enige
keurbenden van ervaren krijgsknechten.

Het land was gerust en de koophandel begon opnieuw te bloeien, met betere
hoop op een goede oogst werden de verwoeste landen weder bezaaid, en het
scheen dat Vlaanderen een nieuw leven, een nieuwe kracht verkregen had men
dacht met enige reden dat Frankrijk nu genoeg geleerd was, gelijk Van
Velthem zingt

Wacht u vort van selken spele,
Ghi Fransoyse syt heir onteert,
Ghi syt anderwerven geleert

Philippe le Bel had inderdaad niet veel lust om de oorlog weer aan te
vangen, maar de roep om wraak, welke uit al de delen van Frankrijk zich
deed horen, de klachten der ridders wier broeders voor Kortrijk gesneuveld
waren, en bovenal de aanhitsing der wraakzuchtige Koningin Johanna, deden
hem eindelijk tot de krijg overhellen. Hij vergaderde dan een leger van
80.000 man, in hetwelk zich bij de 20.000 ruiters bevonden, echter was
hetzelve op verre na zo aanzienlijk niet als het eerste dat hij verloren
had, vermits het nu meest gehuurde of gedwongen soldaten waren. Het
Opperbevel werd aan Louis Koning van Navarra gegeven, deze moest, eer hij
slag leveren zou, Douai en de andere Franse grenssteden uit de handen der
Vlamingen zoeken te verlossen. Dit leger naar Vlaanderen komende sloeg zijn
tenten op twee uur van Douai, bij Vitry, in het veld neer.

Zodra men in Vlaanderen vernomen had dat er een Frans leger gevormd werd,
liep de schreeuw "Te wapen! te wapen!" door het ganse land, nooit zag men
zulke geestdrift, uit alle steden, uit de minste dorpen kwamen grote hopen
volks met allerlei wapens toegelopen, men ging al zingend en vol vreugde
naar de vijand, in dier voege dat Jan van Namen, vrezende dat de
levensmiddelen zouden ontbreken, er een groot getal terugzenden moest. Die
welke als Leliaards bekend waren, willende hun vorig gedrag doen vergeten,
smeekten dringend om hun bloed voor het Vaderland ten bewijze hunner
bekering te vergieten, hetgeen hun dan ook met blijdschap werd toegestaan.
Onder Jan van Namen, de Veldheer, bevonden zich meest al de ridderen die
zich in de slag te Kortrijk hadden doen kennen: de jonge Gwyde, Willem van
Gulik, Jan van Renesse, Jan Borluut, Pieter Deconinck, Jan Breydel en meer
anderen. Adolf van Nieuwland, nog niet van zijn ziekte hersteld zijnde, kon
die tocht niet bijwonen.

Die macht in verscheidene benden verdeeld zijnde, trokken de Vlamingen tot
op twee mijlen van de vijand en namen daar hun standplaats, weinig tijds
daar gelegen hebbende togen zij voort tot tegen de rivier de Scarpe, bij
Flines, zij gingen dagelijks de Fransen tot de strijd beroepen, doch mits
de Veldheren, zowel de Vlaamse als de Franse, de strijd schenen te
ontwijken werd er niets uitgericht. De oorzaak van de stilstand was dat Jan
van Namen, de verlossing zijns vaders en zijns broeders willende bemerken,
boden naar Frankrijk gestuurd had om te zien of men de vrede met Philippe
le Bel niet zou kunnen treffen. Het schijnt dat men bij het Franse Hof over
de voorwaarden het niet eens worden kon, want de boden bleven weg, en men
kreeg slechts ongunstige antwoorden.

Het Vlaams leger begon te morren en wilde, ondanks het verbod van de
Veldheer, tegen de Fransen strijd leveren, dit duurde zo lang en de wil der
benden deed zich zo ernstig gevoelen, dat Jan van Namen gedwongen werd over
de Scarpe te trekken om de vijand aan te vallen. Er werd een brug op vijf
schuiten over de rivier gelegd en het Vlaams leger, verheugd omdat men ging
strijden, toog zingend en vol blijdschap erover, maar er kwam een
twijfelachtig nieuws van Franknjk, hetwelk hen nog enige dagen wederhield.
Eindelijk wilden de benden zich in gener wijze stilhouden en gaven ernstige
blijken van oproer. Alles werd dan tot de aanval bereid gemaakt en de
Vlamingen trokken op tegen de Fransen, dezen de slag niet durvende wagen,
braken hun leger haastig op en togen in wanorde af. De Vlamingen vielen de
vluchtende Fransen op het lijf en versloegen er een aanzienlijk getal,
voortgaande namen zij het kasteel van Harne, waar de koning van Navarra de
legerstapel gesteld had. De voorraad, de tenten, en alles wat het Franse
leger met zich gebracht had, verviel in de handen der Vlamingen. Daarna
hadden nog enige geringe gevechten plaats, welkers gevolg was dat de
Fransen, met schande overladen, tot diep in Frankrijk verjaagd werden, zo
zingt onze vaderlandse Dichter Van Duyse met recht ter dier gelegenheid.

Triumf, myn Vaderland! roem roem der vaedren daden,
Onsterflyk groenen uwe aloude lauwerbladen,
De Faem vermeldt uw' roem aen 't gansch vieroordig rond
Blyft zoo verheerlykt tot der wereld avondstond!

De Vlaamse Veldheren, ziende dat men de vijand in het open veld niet meer
te bestrijden had, dankten het leger ten dele af en bewaarden slechts
genoeg mannen, om aan de bezettingen der Franse grenssteden het roven en
branden te beletten.

Uit het stedeken Lessines, op de palen van Henegouwen, vielen dagelijks
hopen soldeniers op de Vlaamse bodem en deden veel kwaad aan de inwoners
ten platten lande. Jan van Namen dit vernemende trekt met enige benden
derwaarts, bestormt, verovert en verbrandt Lessines, hetwelk de Graaf van
Henegouwen behoorde.

Ondertussen trekt Willem van Gulik met de ambachten van Brugge en van
Kortrijk naar St.-Omer om die stad de Fransman te ontnemen. Daar gekomen
zijnde wordt hij door de Franse ruiterij, die veel sterker in getal was,
met onstuimigheid aangetast; geen uitkomst ziende schikt hij zijn mannen in
een kring en verweert zich totdat de duisternis hem toelaat achteruit te
wijken, en dus een gewisse nederlaag te ontgaan. Enige dagen later kwam Jan
van Namen van Lessines terug bij Willem, hetgeen hun te saam gevoegde macht
tot 30.000 man sterk maakte. Het Franse leger aanvallende sloegen zij
hetzelve op de vlucht en hakten de vijandige benden aan stukken.

Men begon St.-Omer te bestormen, alle dagen werd de stad met een ongewone
moed langs verschillende zijden aangevallen, doch, de bezetting zeer sterk
zijnde, werden de belegeraars dikwijls met verlies van veel volks
afgedreven; dit belette hun echter niet een menigte zware stenen over de
wallen te werpen en de huizen grotelijks te beschadigen: er werden ook veel
inwoners van St.-Omer in de straten onder de stenen verplet. De Fransen
voor de behoudenis der stad vrezende, en willende een krachtige poging
doen, brachten al de Burgers te wapen en bekwamen bij dit middel een
aanzienlijke krijgsmacht, welke zij in twee lichamen verdeelden. Des
nachts, wanneer een ondoordringbare duisternis de velden overdekte, gingen
zij bedektelijk uit de stad en legden de helft van hun macht in een dicht
bos, dat ter zijde der Vlaamse legerplaats stond; het andere gedeelte toog
tot bij het kasteel van Arcques, hetwelk insgelijks door de Vlamingen
belegerd was. Bij het rijzen der zon begon de aanval bij Arcques, met
zoveel geweld dat de Vlamingen zich dus verrast ziende, meenden te
vluchten, doch de stem hunner Veldheren gaf hun de moed weder; zij dreven
de Fransen achteruit en de zege scheen naar hun zijde te hellen, totdat een
grote bende ruiterij, hun langs achter op het lijf vallende, bij de eerste
schok verscheidene gelederen overhoop wierp, en de Vlamingen na een
hardnekkige strijd uiteen en op de vlucht gedreven werden.

Het andere gedeelte des Vlaamsen legers onvoorziens door de in het bos
verborgen soldaten aangevallen zijnde, schikte zich met haast in slagorde
en toog zonder wanorde achteruit; wellicht zouden zij zonder groot verlies
ontkomen zijn, maar een beklagelijk ongeluk moest de oorzaak van hun
nederlaag worden. Bij de rivier de Aa gekomen zijnde begaven zij zich, in
zo groot getal en zo dicht ineengesloten, op de brug, dat dezelve, het
gewicht van zoveel mensen niet kunnende dragen met ijslijk gekraak in de
rivier stortte. Het geschreeuw, het gehuil dergenen die gepletterd in het
water vielen, bracht de verslagenheid onder de Vlaamse benden, die nog vóór
de rivier stonden; zonder op de stem der Oversten te luisteren begaven zij
zich op de vlucht en liepen verward van het slagveld. Die nederlaag kostte
de Vlamingen bij de vierduizend man.

Jan van Namen en Willem van Gulik ziende dat de vijand, om hun verlaten
legerplaats te gaan plunderen, opgehouden had hen te vervolgen, vergaderden
de vluchtelingen zo zij best konden, en hun de schande dier nederlaag onder
het oog gelegd hebbende, spraken zij hun de begeerte tot een spoedige
weerwraak in het hart. Dan tot de vijand wederkerende verrasten zij hem,
bezig zijnde met de legerplaats te roven, en vielen hem met een groot
geschreeuw onvoorziens op het lijf; de meeste plunderaars werden verslagen
en de anderen in de stad gedreven, alzo behielden de Vlamingen hun
goederen, met de zege van die dag.

Terwijl men tegen Frankrijk een langdurige en weinig beduidende oorlog
voerde was Zeeland, door afsterven, zonder heer geworden. Willem van
Henegouwen wilde dit land in bezit nemen, voorgevende dat het hem door
erfrecht toebehoorde; de zonen van de Graaf van Vlaanderen maakten
insgelijks aanspraak op die eigendom. Jan van Namen rustte met haast een
vloot uit en landde met een Vlaams leger op het eiland Cadzand; na een
gering gevecht vervolgde hij zijn tocht naar Walcheren, bij ter Vere, dat
zich overgaf. Willem van Henegouwen had insgelijks een leger te been
gebracht en kwam met hetzelve in Zeeland, alwaar hij de slag aan Jan van
Namen kwam bieden. De Vlamingen verwonnen hem in een vreselijk gevecht en
sloegen hem op de vlucht tot bij Arnemuiden. Willem van Henegouwen, daar
enige verse hulpbenden vindende, vergaderde zijn verstrooid leger en trok
opnieuw tegen de Vlamingen; maar ditmaal was zijn nederlaag nog
schriklijker, want hij werd genoodzaakt op het eiland Schouwen te vluchten.
Korts hierop veroverden de Vlamingen de stad Middelburg met nog vele andere
steden. Dit bracht Willem van Henegouwen tot een tijdelijk bestand, bij
hetwelk het grootste gedeelte van Zeeland aan de Vlamingen werd afgestaan.

Philippe le Bel vergaderde onderwijl een machtig leger om zich over de slag
van Kortrijk te wreken; hij gaf het opperbevel deszelfs aan Jacques de
Chatillon, hem bevelende, bij zijn aankomst in Vlaanderen, al de
bezettingen uit de grenssteden te lichten, waardoor zijn leger boven de
100.000 man sterk moest worden.

Philippus, een der zonen van de oude Graaf van Vlaanderen, die in Italië de
graafschappen van Tyetta en van Lorette beërfd had, de vorming van het
Frans leger vernemende, kwam met enige hulpbenden naar Vlaanderen, waar hij
door zijn broeders tot Opperveldheer werd verkozen. Bij het leger dat in
Zeeland geoorlogd had nog meer mannen voegende, bracht hij zijn macht tot
50.000 man, toog tot bij St.-Omer om de Fransen af te wachten en
overrompelde het kasteel van Arcques.

De twee legers kwamen weldra voor elkander. De twee eerste dagen hadden er
enige afzonderlijke gevechten plaats, in dewelke Pierre de Courtrenel, een
der Franse Veldheren, met zijn zonen het leven liet en de Fransen veel volk
verloren. Walter de Chatillon met vrees bevangen dorst de algemene slag
niet wagen; hij trok dan des nachts met zijn leger naar Atrecht, en dit zo
bedektelijk dat de Vlamingen, niets van die aftocht gemerkt hebbende, des
morgens verwonderd en verbaasd waren daar zij geen enkele Fransman meer
ontwaarden. Philippus, de ontwijking des vijands ten nutte makende,
bestormde en nam de steden Terwanen, Lens, Lillers en Bassée. Uit weerwraak
van hetgeen de Fransen vóór de slag van Kortrijk in Vlaanderen gepleegd
hadden, werd het gans land daar omtrent door de Vlamingen verwoest en
verdorven, totdat zij, met rijke buit beladen, weder terug in Vlaanderen
kwamen.

De Koning van Frankrijk door zo talrijke nederlagen overtuigd zijnde, dat
het hem onmogelijk was Vlaanderen door de wapenen nog te winnen, zond
Amedeus van Savoye, als vredegezant naar de Vlaamse Veldheer Philippus. De
kinderen van de gevangen Graaf niets meer verlangende dan de verlossing
huns vaders Gwyde en huns broeders Robrecht van Bethune te kunnen
verkrijgen, wensten innig om de vrede met Frankrijk, en stapten gaarne over
enige moeilijkheden; er werd dan een stilstand van wapenen getroffen,
totdat de voorwaarden van wederzijde zouden aangenomen zijn.

Ondertussen werd er aan het Franse Hof een vredesverdrag opgesteld, hetwelk
verschillende voor Vlaanderen schadelijke punten inhield; echter hoopte
Philippe le Bel dezelve door list te doen aannemen. Hij liet de
tachtigjarige Graaf van Vlaanderen uit zijn gevangenis van Compiègne naar
Vlaanderen gaan, hem zijn erewoord afeisende dat, indien hij de aanneming
van het verdrag, zoals het bij het Franse Hof was opgesteld, niet kon
verkrijgen, hij in de maand mei van het volgende jaar in zijn kerker zou
terugkomen. De oude Graaf werd door zijn onderdanen met pracht ingehaald en
ging op het slot Wijnendale wonen. De voorwaarden der vrede met Frankrijk
voorgesteld hebbende, werden dezelve in het algemeen door de steden
afgekeurd, doch de oude Graaf, nog tijd voor zich hebbende, hoopte dat hij
derzelver goedkeuring met meer moeite zou kunnen verkrijgen.

De wapenstilstand met Willem van Henegouwen geëindigd zijnde, vernam de
Graaf dat er een Hollands leger te been gebracht werd, om Zeeland in te
nemen; met allerhaast werden Jan van Renesse en Florens van Borsele
derwaarts gezonden om die nieuwe vijanden het hoofd te bieden.--De
Vlamingen verwonnen de Hollandse vloot in een Zeeslag, waarin de Hollanders
en Henegouwers meer dan 3.000 man en meest al hun schepen verloren; men nam
de Bisschop van Utrecht, Veldheer der Utrechtse benden, gevangen en men
bracht hem naar Wijnendale, waar hij bewaard werd. In dezelfde slag
sneuvelden Willem van Horn, Diederik van Haarlem, Diederik van Zulen en
Suederus van Beverenweerdt. De Vlamingen, zegepralend door geheel het
Noord-Holland trekkende, veroverden meest al de steden, behalve Haarlem,
dat zich hardnekkig bleef verweren; de voornaamste inwoners van
Noord-Holland werden als gijzelaars gevangen en naar Gent overgebracht.

Terwijl de Graaf van Henegouwen, het veld verlatende, Holland aan de
Vlamingen overleverde, stond in Dordrecht een dapper man op, met name
Nicolaus van den Putte; deze zijn Vaderland willende verlossen vergaderde
enige krijgsbenden en, met dezelve op een afdeling Vlamingen vallende,
versloeg hij er bij de 2.000 in een langdurig gevecht: langs een andere
kant bracht Witte van Haamstede, ook een dapper man, insgelijks veel
krijgers bijeen en kort daarna een legergedeelte der Vlamingen te Hillegom
ontmoetende, versloeg hij hetzelve tot de laatste man. Die afzonderlijke
gevechten veranderden weinig aan de stand van zaken in Zeeland, en beletten
niet dat men steeds in het beleg van Zierikzee voortging.

Onderwijl naderde het einde van het bestand met Frankrijk en alles
voorspelde een nieuwe oorlog, mits men de vrede niet had kunnen treffen, de
voorwaarden derzelve niet aannemelijk voor de Vlamingen zijnde. Vóór de
laatste dag der maand april keerde de oude Gwyde met ziekte en ongemak
beladen, als een andere _Regulus_ terug naar Frankrijk in zijn
gevangenis.--Philippe le Bel had gedurende het bestand alle mogelijke
middelen gebruikt om een ontzaglijk leger bijeen te krijgen; in alle landen
had men voor zijn rekening hulpbenden aangeworven en verscheidene nieuwe
schattingen waren op het volk gebracht om in de kosten van de oorlog te
kunnen voorzien. De Koning zelf kwam op het einde van juni in persoon met
zijn leger op de Vlaamse grenzen: alhoewel hij onder zich de grootste
krijgsmacht die Frankrijk immer bezeten had, voerde, kwam er nog een
ontzaglijke vloot, onder Reinier Grimaldi van Genua, op de Vlaamse zeekust,
om de jonge Gwyde en Jan van Renesse, die in Zeeland waren, te bestrijden.

Philippus van Vlaanderen had intussen ook een roep in het land gedaan en
veel krijgsbenden onder zijn bevel vergaderd; met dezelve toog hij vóór het
Franse leger om Philippe le Bel de slag aan te bieden: de twee legers waren
zo dicht bij elkander dat men uit dezelve de beide vaandels kon zien
waaien. De eerste dag gebeurde er een gevecht, in hetwelke de Franse
Aanleider Genuilla, met al zijn mannen, verslagen werd. De Vlamingen,
ongedurig zijnde, en om de strijd roepende, stelden zich des anderendaags
in slagorde en bereidden zich tot een geweldige aanval; maar de Fransen dit
bemerkende trokken in allerhaast naar Atrecht af, en lieten hun legerplaats
ten roof der Vlamingen, die een grote buit maakten en al de werken, welke
de Fransen gebouwd hadden, afbraken en vernietigden. De stad Bassée werd
voor de tweede maal door hen veroverd en de voorgeborchten der stad Lens
afgebrand.

Philippe le Bel, willende Vlaanderen langs de Henegouwse grenzen aanvallen,
toog met zijn leger naar Doornik; maar reeds de eerste dag zijner aankomst
waren de Vlamingen bij hem; hij was niet gezind de slag aan te nemen,
vooraleer hij weten zou wat zijn vloot in Zeeland zou hebben verricht; om
niet handgemeen te worden brak hij bijna alle nachten het leger op en
zweefde, steeds door de Vlamingen gevolgd, van de ene kant naar de andere.

De 10e augustus 1304 had de zeeslag tussen de twee vloten plaats; het
gevecht duurde twee dagen, van de morgen tot de avond: de eerste dag was
het voordeel aan de zijde der Vlamingen en wellicht zouden zij de zege ten
volle behaald hebben, maar hun schepen des nachts op een zandplaat
vastgeraakt zijnde, werden zij des anderendaags door de Fransen, onder de
befaamde zeeoverste Reinier Grimaldi, geslagen; hun schepen werden verbrand
en de jonge Gwyde verviel met vele anderen in de handen van de vijand. Jan
van Renesse, de moedige Zeelander, die met weinig volk Utrecht bewaarde,
willende die stad verlaten, begaf zich in een schuit om de Lek over te
varen; maar het schip te zeer geladen zijnde, zonk te midden van de vloed,
en de edele ridder Jan vond er een beklagelijk einde, hij verdronk. De
Vlamingen dit door vluchtelingen verstaande, betreurden hem met droeve
klachten en zwoeren dat zij hem niet ongewroken zouden laten.

Wanneer het nieuws van de uitval des zeeslags in het Frans leger kwam,
bevond hetzelve zich bij Rijsel op de Peuvelberg. Philippe le Bel trok een
weinig terzijde af en verliet die gunstige plaats, dewelke dan ook
onmiddellijk door de Vlamingen werd ingenomen. Dezen wilden de slag niet
langer uitstellen, het was de Veldheren onmogelijk hen langer nog te
weerhouden; zij stelden zich dan in slagorde om de vijand aan te tasten.
Philippe le Bel dit ziende zond een bode om de vrede voor te stellen, maar
de Vlamingen wilden geenszins ernaar luisteren en sloegen de bode dood.
Korte tijd daarna vielen zij met ijslijk geschreeuw, met donderend gehuil
op het Franse leger, dat verbaasd en verschrikt dooreenliep. Bij de eerste
schok werden de voorste benden overhoop geworpen en verpletterd; er was
onder het Vlaamse leger nog meer razernij dan in de slag te Kortrijk; ook
konden de Fransen hun slechts een zwakke tegenstand bieden, alhoewel zij
met evenveel moed vochten.--Philippus van Vlaanderen en Willem van Gulik
drongen door al de vijandlijke benden tot bij de Koning Philippe le Bel,
die daardoor in groot gevaar geraakte. Men hakte zijn lijfwachten rondom
hem ter neder, en hij ware voorzeker gevangen of dood geweest, indien men
hem zijn mantel en andere kentekenen niet had ontnomen; alzo onkenlijk
gemaakt zijnde vluchtte hij van die plaats weg en ontving een lichte wonde
van een ijzeren schicht.--Dit lang gevecht had voor gevolgen dat het Franse
leger in volle vlucht geslagen werd en de Vlamingen de zege behaalden.

De Franse Kroonvaan (Oriflamme) werd aan stukken gescheurd, gelijk het _de
Cronyke van Vlaenderen,_ aan dewelke wij dit verhaal ontlenen, met de
volgende woorden getuigt: _Hier wierdt de fransche Oriflamme, op dewelke sy
soo seer gewoon waeren te roemen, gescheurt en den standaert-draeger
Cherosius gedood._ In die slag verloor Willem van Gulik, de Priester, het
leven. De Vlamingen hielden zich tot de avond bezig met 's Konings tent en
al de andere kostelijke goederen tot buit te maken. Zij keerden dan om wat
te spijzen naar de Peuvelberg terug, doch niets daar vindende trokken zij
op naar Rijsel. Des anderdaags ging elk naar zijn huis.--Die slag
geschiedde de 15 augustus 1304.

Vijftien dagen daarna kwam Philippe le Bel weder met een leger naar
Vlaanderen om Rijsel te belegeren. De Vlaamse Burgerij sloot haar winkels
en nam in menigte de wapens op; Philippus van Vlaanderen, hen te Kortrijk
vergaderd hebbende, toog enige dagen daarna naar Rijsel in het gezicht der
Fransen. Hun groot getal ziende riep Philippe le Bel met verwondering uit:
"Mij dunkt dat Vlaanderen soldaten spuwt of regent!"

Geen nederlaag meer durvende wagen stelde hij, na enige schermutselingen,
de vrede voor en men trad in onderhandeling, terwijl er een wapenschorsing
gesloten was. Het duurde vrij lang eer men de voorwaarden van wederzijde
aannam.

Gedurende die tijd stierf de oude Graaf Gwyde te Compiègne, in zijn
gevangenis; Johanna van Navarra overleed insgelijks.

Eindelijk werd de vrede tussen Philippus van Vlaanderen en Philippe le Bel
gesloten en getekend.

Robrecht van Bethune, met zijn twee broeders Willem en Gwyde en met al de
andere gevangen ridders, werd losgelaten en naar het Vaderland
teruggezonden.--Het volk was over de voorwaarden van het verdrag niet
tevreden, en noemde hetzelve het verbond van ongerechtigheid; dit
ongenoegen had echter voor alsdan geen gevolgen.

Robrecht van Bethune, in Vlaanderen gekomen, werd met buitengewone plecht
als Graaf ingehuld.--Hij leefde nog zeventien jaar, hield de eer en de roem
van Vlaanderen staande en ontsliep in de Heer de 18 september 1322.

Gij Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg, bij de roemrijke daden
welke hetzelve bevat, wat Vlaanderen eertijds was--wat het nu is--en nog
meer wat het worden zal indien gij de heilige voorbeelden uwer Vaderen
vergeet!

NOTEN

[Noot 1: Een kleine stad in West-Vlaanderen.]

[Noot 2: De ridders droegen dit kleed over hun harnas. Het daalde
slechts tot bij de knieën en was zonder mouwen, van zijde of van gouden
laken gemaakt. De wapentekens en zinspreuken der ridder waren op hetzelve,
voor de borst, gewrocht.]

[Noot 3: Een ridder van die tijd had de volgende wapenrusting:--Een
ijzeren helm of stormhoed, met of zonder vederbos, een ijzeren harnas,
handschoenen van dassenleer, op het bovenste gedeelte met ijzeren schelpen
bedekt. IJzeren platen op benen en billen, een schild of beukelaar waarop
het wapen geschilderd was, een lange speer of lans en een groot slagzwaard
of een degen. Onder het harnas droeg hij een pantser, of wapenrok, zijnde
een hemd uit ijzeren ringen of maliën gevormd. Het paard was insgelijks met
brede platen op het lichaam gewapend.]

[Noot 4: Een korte dolk aan twee zijden scherp zijnde, en hebbende bij
het gevest een dwarse stang welke dezelve aan een kruis deed gelijken. De
lieden der goede steden of vrije burgers vermochten alleen dit wapen te
dragen.]

[Noot 5: Men bemerke dat ik de spelling der namen van Franse Heren
onveranderd heb gelaten. Dit is om de verwarring met de namen der Vlaamse
Edelen te vermijden.]

[Noot 6: De ridders droegen in die tijd slechts één spoor.]

[Noot 7: Zo heette men de landlieden die van een Heer afhanklijk waren.
De vrijlaten betaalden zekere tollen en hadden vrijheden en eigen
wethouders. Leenlaten, die een pachthoeve van de heer kregen, hem hiervoor
als onderdanen moesten gehoorzamen, en zich tot leenarbeid en tot het
opbrengen van zekere gelden moesten verplichten. Lijflaten, die met lijf en
have de heer toehoorden, en met de landerijen verkocht en verhandeld
werden. Men ziet dat deze de laagste stand des volks uitmaakten.]

[Noot 8: Charles, de tweede zoon van Philippe le Hardi, was Graaf van
Valois, van Alençon en van Perche. Hij ontving van zijn broeder, Philippe
le Bel, Koning van Frankrijk, het opperbevel over het Franse leger en
veroverde het land van Vlaanderen.]

[Noot 9: Breydel was Hoofddeken der beenhouwers in Brugge.]

[Noot 10: De stormegge was een tweede poort, welke in een groef of
schuif voor de eerste neerzakte. Zij was met lange ijzeren punten
voorzien.]

[Noot 11: Het slot Wijnendale is nu vervallen en ligt bij het dorp van
die naam, in de nabijheid van Torhout, West-Vlaanderen.]

2

[Noot 12: "Guy van Dampyere, die sone van den houden Willem van
Dampyere, die was die XXIIII Grave van Vlaenderen."

_Dits die excellente Cronike van Vlaenderen, f. °41._]

[Noot 13: "Eerst Robrecht van Nyvers (ook van Bethune) die welcke die
heleghe kercke vele profyts dede, in eenen wych in Apoelgen, daer hij doot
slouch den feilen viant van der helegher kercke Meinfroot."

_Die excellente Cronike._

Om de inborst dezer edele ridder te doen kennen is het nodig enige
aanhalingen te doen.

Charles d'Anjou, koning van Sicilië, willende ten oorloge trekken tegen
Manfried, die dit koninkrijk tegen de wil van de Paus bezat, vormde een
leger van bij de twintigduizend uitgelezen mannen, _en gaf het opperbevel
over dit heir aan Robrecht van Bethune,_ welke alsdan slechts achttien jaar
oud was. Enige tijd hierna verwon Charles d'Anjou de jonge Conradyn,
kleinzoon van de Duitse keizer Frederik. Charles willende zich van zulk een
doorluchtige vijand verlossen, besloot hem tot de dood te doen verwijzen.

Simonde de Sismondi, _Histoire des républiques italiennes,_ zegt: "Een
enkel rechter dorst het doodvonnis uitspreken, en de jonge Conradyn werd op
een schavot gebracht om het hoofd afgehouwen te worden.

De rechter die Conradyn tot de dood veroordeeld had, las het vonnis tegen
hem, als verrader der Kroon en vijand der Kerk. Hij eindigde juist en sprak
het doodvonnis uit, wanneer Robrecht van Vlaanderen, de eigen zwager van
Charles d'Anjou, zich op die valse rechter wierp en hem met zijn degen door
de borst stotende, riep: Het behoort u niet, ellendeling, zulke edele en
schone heer ter dood te verwijzen! De rechter viel dood in de
tegenwoordigheid des konings, en deze dorst zijn begunstigde niet wreken."

Meer andere feiten van Robrecht bewijzen dat hij met een verwonderlijke
moed bezield was, en dat men van hem zeggen mocht: hij had een leeuwenhart
in een ijzeren lichaam.]

[Noot 14: De geschiedkundige en heraldische bijzonderheden over die
jonge ridder zijn mij door mijn geleerde kunstvriend, de Heer Octave
Delepierre van Brugge, medegedeeld.]

[Noot 15: Het is schoon voor het Vaderland te sterven.]

[Noot 16: Een hakkenij is een klein paard dat zachtjes rent en
uitsluitelijk voor vrouwen bestemd was. Zo waren de dravers ook lichte
paarden, maar snel in de vlucht (Palefroi). De slagpaarden die men in de
oorlog gebruikte (destrier), waren groot en zwaar, gelijk de
brouwerspaarden in België nog zijn.]

[Noot 17: "Daeromme, die Grave Guy meenende den coninc te gelievene,
ten bevele van den coninc van Vranckerycke, sandt Phelippa zyne dochter
eerlicke te Parys waert met XXX camerieren, en Robrecht huer houdste
broeder voer mede met XXX oude rudders en joncheers, en Robrecht huer
broeder bi avontuere bleef buten Parys. Doen syn sustre Phelippa quam te
Parys, omme te gane tot den coninc voorseyt, ende si ten pallaeyse comende,
die coninghinne deedtse vanghen met alle huere cameryeren. en sciltcnapen;
ende Phelippa bleef in des conincs ghevanghenesse."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 18: Enguerrand de Marigny, een Edelman uit Normandië, werd onder
Philippe le Bel kapitein van het paleis het Louvre, Minister der financiën
en gebouwen. Hij gebruikte zijn macht tot slechte daden, verkwistte 's
Rijks gelden, vervalste de munten en verarmde het volk door willekeurige
lasten.]

[Noot 19: Johanna, enige dochter van Henri I, koning van Navarra,
beërfde dit koninkrijk van haar vader en werd een der rijkste vorstinnen
hares tijds. Zij trouwde Philippe le Bel en verenigde door dit huwelijk
twee kronen op haar hoofd.]

[Noot 20: Om een ridder tot de strijd te dagen wierp men hem een
handschoen toe: indien hij dezelve opnam aanvaardde hij het gevecht, anders
hechtte men de handschoen op de deur zijner woning of aan een paal; opdat
ieder mochte zien dat hij uit lafheid het gevecht geweigerd had.]

[Noot 21: "Die slag werd des vrydags 26 february, 1266 geleverd;
Manfried verloor er de kroon en het leven."

_Simonde de Sismondi_]

[Noot 22: Een koninklijk paleis te Parijs dat zeer sterk was en ook tot
bewaarplaats der staatsgevangenen diende.]

[Noot 23: Een leen was het heerlijk goed dat een Edelman in bezit
hield, vandaar Leenheer, Leenman, leengoed, enz.]

[Noot 24: "ende die coninc sandt sinen broedere Kaerle van Valloys omme
Vlaenderen met vulder macht te regierene, ende comende te Brugge hy seyde
hy soude wel eenen soeten paeys maken, tusschen den coninc sine broeder
ende den lande van Vlaenderen. Kaerle de Valloys hy beloefde bi sinen
rudderschepe, den Grave Guy paeys te vererygene, up condicien dat hi wilde
gaen tot den coninc met vyftich van sinen edelen en Guy beloefdet te doen
en hi deit."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 25: De bijzonderheden over de valkerij welke hier voorkomen, zijn
uit desaangaande werken getrokken.]

3

[Noot 26: Zo noemde men de oude zwervende dichters. De Abt Mussieu,
_Histoire de la poésie française_ zegt: "De eerste dichters hadden een
zwervend leven; wanneer zij een huisgezin hadden, namen zij hun vrouwen en
kinderen met zich; dewelke zich ook somtijds met het dichten bemoeiden;
want dikwijls rijmde het ganse huis, goed of slecht. Zij hadden in hun
gevolg lieden met goede stemmen en met speeltuigen om hun opstellen te
zingen. Dier wijze aanhoord, waren zij welkom in kastelen en paleizen,
vervrolijkten de maaltijden en vereerden de gezelschappen; maar bovenal
konden zij loftuitingen uitgalmen."]

[Noot 27: Eer het buskruit uitgevonden was, bestormde men de steden met
reuzenstaltige werktuigen. Men beukte tegen de muren met een bok of ram.
Dit was een allergrootste eiken balk welkers einde met een ijzeren
ramshoofd beslagen was; men hing die balk in evenwicht aan ketens of
touwen, en dezelve achteruit gehaald hebbende, liet men hem tegen de muur
aanstoten; en zo verdelgde men allengskens de vestingswerken der steden.
Ook had men hoge torens op wielen en met valbruggen voorzien; deze voerde
men tot tegen de muren en liet de brug van boven op de wal vallen om over
dezelve in de stad te lopen. Springalen waren werptuigen met dewelke men
somtijds vijftig lange pijlen ineens, op een verwonderlijke verte werpen
kon (_balistes_). Ook wierp men met een bijkans dergelijk werktuig zware
stenen in de steden (_catapulta_).]

[Noot 28: "Die Grave Guy was met S^{te} Lodewyc, coninc van
Vranckerycke, in Barbarye yegen die sarasynen, als Thunes, Cartagen,
Bourghe, te Massoire, daer hi hem vromelic hadde in fayten van wapenen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 29: Een stad in Frankrijk, op 18 mijl ten noorden Parijs en waar
de koningen hun Hof hielden. Zij bezat een sterk en prachtig kasteel, en
was bij een overgroot woud gelegen. De maagd van Orléans werd aldaar door
de Engelsen in 1430 gevangen.]

[Noot 30: "Dyt zyn die namen van den edelen mannen, tot vyftich toe,
dye met den Grave Guy naer Vrankerycke toghen: eerst

Guy Grave van Vlaenderen.
Robrecht Grave van Nyvers.
Willem Here van Nevel.
Joffroit Here van Croysieres.
Wouter Here van Maldeghem.
Boudin Here van Knesselare.
Dye Here van Steenhuyse.
Dye Here van Mortaengnen.
Here Willem Everbaert.
Heer Zegher van Cortrycke.
Dye Here van Nyeneve.
Heer Wouter van Houdenaerde.
Heer Jan van Heyne.
Here Wouter van Nevele.
Heer Jan van Heyle.
Here Roegaert van Ghistele.
Heer Phelips van Acxpoele.
Here Ryckaert Standaert.
Heer Boudin die jonge
Here van Huytkercke.
Heer Diederick dye Vos.
Dye Here van Ryveel.
Heer Boudin van Passchendale.
Here van Roubais.
Here Rase Mulaert.
Here van Bernaerdge.
Die Heere van Baudonnes.
Heer Guy van den Poele.
Here Jan van Thourout.
Heer Willem van Huusen.
Here Jan van Valenchyenes.
Heer Jan van Vlamerbeke.
Heer Wouter van Lovendeghem en
sine twee broeders.
Heere Gheraert die Moor.
Heere van Lanbois.
Here van Morteloy.
Heeere Jan Thoudebois.
Heere van Belle.
Heere van Beukemare.
Jan van Ghendt.
Twee poorters van Brugghe.

Alle dit waren die voorscrevene vyftich personen."

_Dits die excellente Cronike._]

[Noot 31: "En in der waarheid, de morringen werden algemeen; dezelve
waren veroorzaakt door de menigvuldige lasten en bovenal door de vervalsing
der munten; hetgeen de Koning de naam van valsemunter onder het volk deed
geven."

Anquetil, _Historie de France._]

[Noot 32: Eertijds gebruikte men veel gesteenten in de artsenijkunde;
men kende aan dezelve een bovennatuurlijke kracht toe. De steen in het nest
des adelaars gevonden, werd onder andere als een onfeilbaar geneesmiddel
voor vele kwalen aanzien.]

4

[Noot 33: Schattingen (_tailles_) werden op het gemene volk alleen
geheven: gabellen waren belastingen op het zout.]

[Noot 34: De bijnaam _hutin_ betekent twister, oproerige; zoveel als
_mutin_. Lodewyk was volgens de geschiedenis een edelmoedig en goed Vorst,
die zich de liefde zijner onderdanen waardig maakte.]

[Noot 35: Sciarra Colonne, die met Mijnheer De Nogaret te Anagni was,
sloeg de Paus met de handschoen in het aanzicht.]

[Noot 36: Een goudgele vrucht uit het Oosten.]

[Noot 37: "Ende ooc omme der coninginnen wille, die de Vlamingen seere
leedt hadde, omme dat haer grootheere ende twee van haren ooms, in
Vlaenderen ghevanghen waren: ende Phelips van Elsaten hadde twee van haren
bastaerden ooms, in Vlaenderen ghedaen onthoofden, up den seccant, ende up
raden stelen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 38: Frankrijk en Navarra waren alsdan nog twee van elkander
onafhankelijke Rijken. De Koning van Frankrijk had op Navarra geen recht,
en mocht over deszelfs bestuurszaken niet beschikken. De inkomsten en
andere voordelen kwamen Johanna alleen toe, en deze stond als Vorstin van
Navarra geenzins onder haar gemaal.]

5

[Noot 39: "Den Grave Gwide hadde reets ten jaere 1295, met den Koning
van Engeland een verbond aengegaen, alwaer onder andere besloten was een
houwelyk tusschen den prince van Galles en de dochter van den Grave van
Vlaenderen."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 40: "Dese Kaerle van Valloys, sach dat men aldus alle dese
Vlaminghen vinc ende leedede in diveersche vanghenessen, hy vertoochde daer
sinen broeder den coninc, ende alle die bi hem waren, hoe dat hi in
Vlaenderen so eerlicken en vriendelicken ontfanghen hadde gheweest, en dat
se begeerden paeys ... so wat die Kaerle van Valloys sprak totten coninc,
het en halp er al niet ten confoorte van den Grave Guy; want die
coninghinne verwarredet en verargherdet al." _Dits die excellente
Cronike._]

[Noot 41: Soldeniers waren gehuurde en betaalde krijgsknechten; de
enige bestendige benden welke de Koningen alsdan te hunnen dienste hadden.]

[Noot 42: "Het was der coninghinnen leet dat si buyten Parys ghevangen
geleyt waren; want sy hadde liever gehad, dat dye coninc den Grave Guy en
alle dye met hem ghekomen waren, te Parys hadde ghedaen hanghen aen die
galge. Kaerle de Valloys dir siende, dat die Grave Guy en al die syne
blyven moesten in vanghenessen, het wyperde en deerde hem dat hy se te
Parys gebracht hadde. Ende mits dat hy se niet helpen en mochte, omme tot
haren paeyse te komen, hi schaemdes hem sere; ende liet die stede van Parys
en trac huyt Vranckerycke, wonende int landt van Italye, en diende daer den
Paeus Bonefacius." _Dits die excellente Cronike._]

6

[Noot 43: "Het meestendeel van den anderen edeldom, de welke 't huys
bleven waren Frans gesinden."

_Jaerboeken der stad Brugge._]

[Noot 44: "In die tijd werden de Fransgezinde Vlamingen _Leliaards_
genoemd; daarentegen waren de vrienden van de Graaf en van 's Lands
onafhankelijkheid, onder de naam _Klauwaards_ bekend, herkomende van de
Klauwen, waarmede de Leeuw van Vlaanderen de Leliën scheen te bedreigen."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 45: Men gebruikte die eernaam uit eerbied tot de Heiligen en
zegde:--Mijnheer Sint-Jan, Mevrouw Sint-Theresia. De volgende verzen uit
het gedicht de _Maghet van Ghend_, door de heer _Ph. Blommaert_ uitgegeven,
dienen tot bewijs.

_"Ende mire vrouwen Sente Kateline.
Ende myn here Sente Mertyn?"_]

[Noot 46: Een dorp op weinig afstand der stad Brugge. Er stond als dan
een beruchte Kapel van het heilig Kruis.]

[Noot 47: "Na Vlaanderen van zijn dapperste verdedigers beroofd te
hebben, deed Philippe deszelfs verbeurdmaking, door een raad welke uit zijn
begunstigden was samengesteld, uitspreken. Hij benoemde om dit land te
beheersen Raoul de Nesle, die de Vlamingen met goedheid behandelde en zich
door hen deed beminnen."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 48: Een Hertogdom in Westfalen, bevattende de steden Gulik, Duren
en Aken. Willem, neef van Robrecht van Bethune, was Aartsdiaken van Luik en
proost van Aken, alwaar hij zijn verblijf had.]

[Noot 49: De ambachten hadden bijzondere gebouwen, waar zij zich
verenigden en hun plechtgewaad, als standaarden enz. bewaarden. Dit noemde
men het pand.]

[Noot 50: De Bruggelingen hadden een ontzaglijk wapen dat zij met de
grootste behendigheid wisten te gebruiken. Het waren lange speren met een
puntig ijzer voorzien. Zij hadden dezelve uit scherts _Goedendags_ genoemd,
willende beduiden dat zij de vijand terdege er mede konden begroeten. De
heer _Voisin_ haalt de volgende verzen uit Guillaume Guiart aan:

A grans bastons pesanz ferrez,
A un lonc fer agu devant,
Vont (les Flamands) ceux de France recevant.
Tiex bastons qu'ils portent en guerre
Ont nom _Godendac_ en la terre
Godendac, c'est _Bonjour_ à dire,
Qui en francais le veust descrire.
Cil baston sont lonc et traitiz,
pour férir a deux mains faitiz.]

[Noot 51: Wanneer de Bruggelingen hun tolgelden kwamen betalen, werden
zij met hitsigheid door de Franse bedienden toegesproken. Zij noemden deze
toesnauwers de Snakkers. De brug waarbij het tolhuis stond, heet heden nog
de Snaggaardsbrug.]

[Noot 52: In die tijden kende men de Franse volkeren onder de naam van
_Wallen_, zijnde het Franse woord _Gaulois_. Het is waarschijnlijk dat de
Walen hiervan hun naam behouden hebben. Jacob van Maerlant, een Dichter van
het einde der dertiende eeuw, van de Franse Dichters sprekende zegt:

Die scone walsche valsche poëten,
Die meer rimen dan si weten,
Belieghen groten Carel vele
In sconen worden ende bispele.]

7

[Noot 53: Zo heette men de beenhouwers in Brugge.]

[Noot 54: "Dye Grave Guy ende die syne dus in vanghenesse blyvende, die
coninc Phelips occupeirde en hilt Vlaenderen te synen behoeve, ende hi in
persoone metter coninghinne vysenteirde Vlaenderen, te wetene Ghendt,
Brugge en Ypere met haerlieder Casselryen."

_Die excellente Cronike_]

[Noot 55: "Philippus syne intrede te Brugghe gedaen hebbende, was hy
verwonderd dat de inwooners hem met geene genoegsame teekenen van blydschap
ontvangen hadden."

_Jaerboeken van Brugge_]

[Noot 56: "Die coninginne hadts groten spyt dat die vrauwen te Ghendt,
te Brugghe en t'Ypre, die welcke ter weerdigheit van der coninginne al
hadden aen haerlieder beste cleederen ende waren ten suverliesten
ghepareirt. Doen seide die coninginne; ick waende alleene coninginne te
sine in Vranckerycke maer mi dunckt dat die van Vlaenderen die in onze
vangenessen syn in Vranckerycke, syn alle princhen want die wyfs syn al
ghecleed gelyc coninginnen en princerssen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 57: "Philippe le Bel was zeer zorgvuldig tot het doen handhaven
der rechtvaardigheid, hij toonde kunde in de staatszaken, was dapper,
edel- en grootmoedig, dorstig naar glorie, doch geldverspillend. Stervende
beval hij aan zijn zoon Lodewyk de schattingen te verminderen en het volk
te ontlasten."

Anquetil, _Histoire de France._]

[Noot 58: Een afbeelding van dit gebouw bevindt zich in Sanderus,
_Flandria illustrata_. De plaats waarop hetzelve gestaan heeft, is heden
gedeeltelijk met andere gebouwen bedekt.]

[Noot 59: "De Koning heeft tot Gouverneur-generael van Vlaenderen
aengestelt Jacques de Chatillon, broeder van Gui de St-Pol, dewelcke waren
ooms van de Koninginne."

_Jaerboeken van Brugge._]

8

[Noot 60: Was de plaats bij het stadhuis of vierschaar vanwaar men tot
het volk sprak (_rostra_).]

[Noot 61: "Een pond Vlaams gold twintig schellingen, de schelling zes
stuivers (55 centiemen) en een Groot twee oortjes of 5 centiemen."

Octave Delepierre, _Annales de Bruges._]

[Noot 62: "Maer de Koning was naeuwlyks vertrokken of daer ontstond
eenen grooten oproer binnen Brugge ter oorzake dat het Magistraet de groote
onkosten, welke voor de intrede van den Koning gedaen waren door het
inkomen van eenige nieuwe imposten wilde voldoen."

Meyerus.]

[Noot 63: "Een opleyder van desen oproer was Pieter Deconinck, Deken
van de wollewevers, eenen man van omtrent dertig jaeren, hebbende maer eene
ooge; doch seer welsprekende en vol verstand. Maar den Bailliu en de Weth
dit vernomen hebbende deden hem aenstonds ...gevangen nemen."

_Cronycke van Despars._]

[Noot 64: "Maer nauwelycks was den Graef wederom vertrocken (1282) of
zy maekten eene nieuwe bende de welke genaemd wierd den grooten Moerlemacy.
Sy liepen in de wapenen en vermoorden Dieryck Franckesone, den wekken sy
seyden de oorzaeke te syn van de gramschap van den Grave."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 65: "Deconinck en bleef daer (in den kerker) niet lange want het
gemeente nog ten selven dagen byeen gerot synde, wierd hy gewapenderhand
daer uytgehaeld en in vrydom gestelt."

_Jaerboeken van Brugge._]

10

[Noot 66: Men begon inderdaad een kasteel te houwen, bij de plaats waar
nu het waterwerktuig of watermolen staat, doch hetzelve werd niet
voltrokken.]

[Noot 67: Een gehucht buiten Brugge.]

11

[Noot 68: "15 ougst 1280 verbrandde tot Brugge de Halle, als oock de
torre dewelcke alleenlyk van hout gemaeckt was en waerin alle de
stadsprivilegien berustende door de vlammen verteert wierden."

_Jaerboeken van Brugge._]

12

[Noot 69: "Ende bi desen die cooplieden worden Vlaenderen scuwende, dye
ambochtslieden waren neiringloos, ende en costent niet ghemaken dat si den
cost ghecregen. Hi (De Chatillon) ordonneirde settinghen, poinctingen,
gabellen, daer tvolc onredelic mede verlast ende verschat was, en dit al by
den insteken van synder nichte, die coninginne, omme Vlaenderen plats
scalck te maken, en contrarie haren wetten en privilegiën."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 70: Het slot te Male bestaat nog. Toen ik die plaats ging
bezoeken, om ze met kennis te kunnen beschrijven, vond ik mij terdege in
mijn verwachting bedrogen. Niets kan aan het oog des reizigers zijner
oudheid getuigen, mits het, nu herbouwd, eer naar een groot en grof pakhuis
dan naar een heerlijk goed gelijkt; slechts enige overblijfsels der aloude
vestingsmuur kon men met veel moeite tussen de zode nog ontdekken, de
arduinen Kaak staat te midden van het dorp. Voor enige jaren waren er nog
grote bossen in de omstreken, doch derzelver grond is nu meestal door de
landbouw ingenomen.]

[Noot 71: Dit lied is door mijn kunstvriend J.A. de Laet opgesteld.]

[Noot 72: In al de tochten welke door de christenen aangenomen werden,
om Jeruzalem te winnen en het graf des Heilands van de ongelovigen te
verlossen, namen de Belgen het grootste deel. Reeds ten jare 1095 drong
Godfried van Bouillon, geboren in het slot Baisy op vier mijl van Brussel,
aan het hoofd van driehonderdduizend man in Palestina, en Jeruzalem werd
door hem in 1099 gewonnen. In het jaar 1204 vertrok Boudewyn, Graaf van
Vlaanderen, met enige Franse ridders en met Dandolo, Doge van Venetië, naar
het Oosten, en verwon de Turken in menig gevecht. Hij werd om zijn
dapperheid door al de bondgenoten tot Keizer van Constantinopel verheven.]

[Noot 73: In die tijden bestonden er zekere overeenkomstige wetten,
welke men zonder schande in een gevecht niet mocht verbreken; volgens
dezelve moest de Fransman hier zonder wapens strijden, aangezien hij met
een burger te doen had. Ook mochten de bijzijnde soldeniers in gener wijze
tussen de strijdenden komen, dan slechts voor zoveel er door de ene of de
andere verraderlijke middelen gebruikt werden.]

[Noot 74: "Op den eerste Meye daer naer is Jan Breydel gaen drincken op
het casteel van Maele, alwaer hij woorden krijgende met eenen knecht van
den Casteleyn die hem verweet dat de Bruggelingen muitmaekers waeren, den
selven ter plaetse heeft doodgeslagen."

_Jaerboeken van Brugge_]

[Noot 75: "De Casteleyn met de syne wilde dit vreken: maer Breydel
wederstond hem kloeckelyck."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 76: "Hij (De Chatillon) overlastichde den gemeenen volcke, want
hi ordonneirde dat alle dye ambochtslieden moesten gheven den vierden
penninc van haerlieder dachueren en van allet tghene dat se wonnen, alsoo
wel in coopmanscepen als andersins van ghelyke."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 77: "Breydel kwam naer Brugge, hetselve aen de beenhouwers en
andere syne vrienden vertellende. Dese ten getalle van seven hondert
kloeckelyck gewapent trocken naer Maele, alwaer sy den Casteleyn met veel
van de syne doodgeslagen hebben."

_Jaerboeken van Brugge._]

13

[Noot 78: "Anno 1296 naer St-Jansdach midsomere soo kwam Philips, den
coninc Vlaenderen waerts wel met 20,000 mannen, en leedt Duway, en voer
beleggen Ryssel... Daer was seere ghevochten en daer bleef doot die grave
van Bloys en alle die van Guyse die in die eerste bataelge stonden, van die
Franschen bleven 4,000 Walen... heel West-Vlaenderen was verloren. De
Franschen roofden Ryssel, Ypre, Cortryk en Roeselaere en verbrande kerken,
cloosters, dorpen, stedekins en hospitalen, men vercrachte die vrouwen
ghehuwet en onghehuwet, maegden, nonnen en religieusen, en diet niet
ghedooghen en wilde men slouch se doot."

_Die excellente Cronike._]

14

[Noot 79: "Jan van Namen en Guido synen broeder, beyde sonen van den
gevangen Grave, met Guiliame van Juliers hunnen neve, dewelcke zig tot nog
toe tot Namen hadden onthouden... kwamen bedecktelyk naer Vlaenderen om met
Pieter Deconinck te beraemen wat hun te doen stond."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 80: "Ende het gheviel dat in deser tyt die sarasynen hadden
inghenomen en ghewonnen met groter cracht, twee kerstene conincrycken, te
wetene tconinckrycke van Mayoorcke ende Melyden. Ende die voors: twee
coningen waren ghecomen te Parys aen den coninc, om raet ende
bystandicheyt, en die paeus screef aen den coninc van Vranckerycke, als die
principaelste kersten coninc, dat hy die kerstene princhen vergaderen wilde
om dat lant van Mayoorcke ende van Melyde weder te conquesteirene."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 81: "Hieromme waren die coninc en coninginne so fellycken gram,
dat si deden vergeven Philippa met venyne. Ende die coninc beval dat men de
XXX camerieren allen worghen soude en in de Cheyne worpen, en die XXX
rudders die met haer ghecomen waren te hanghen aen een galge."

_Die excellente Cronike._]

15

[Noot 82: "Ende die niet en conste betalen sine pointynghe, hi deidste
steken in die vanghenesse en dier yegen knoterden oft murmureirden, die
dede hi hanghen ofte onthoofden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 83: "Men hielt te Brugge alle daghen mesdach want nement en
wilde wercken, noch temmeren, noch metsen, noch varwen, noch weven, wullen
noch lynen, ende dye dienaers van St.-Pol men en wilde hen lieden spyse
noch drank vercoopen ende se quamen int eynde van der weke in den huyzen
van den ambochtslieden omme te hebbene den vierden penninc van den wercke.
Men vant er geene mans thuys dan vrouwen en kinderen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 84: "Ende soo wie dagelix te wercke ghinc die moeste geven eenen
witten penninc. Die van Brugge en wildet niet geven, die van Ghendt dit
hoorende si en wildet ook niet betalen ende alzoo ooc in dierghelycke alle
die smalle steden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 85: "Dit aenhoorende Guy de St-Pol, dye doe te Cortrycke was, dat
die van Brugge deden contrarie syncler ordonnancien, als van hem den
vierden penninc te geven endat si niet wercken en wilden, hi sandt te
Bruggewaert tonnen met reepen ende coorden, meenende alle dye principaelste
van alle den ambochten te doen hanghen voor hen lieder solderveynsteren."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 86: "Selfs en waeren de soldaeten soo haest niet binnen gekomen
oft sy hadden verscheyde huyse van de vluchtelingen opengebroken, alles
roovende en doodslaende, het geene hun tegenstond."

_Cronycke van Despars._]

16

[Noot 87: "Alle dye ambochtslieden waren meestendeel ghevloden som te
Damme som ter Sluys en t' Ardenburch, die welcke alle vergaderden bi Pieter
die Coninc ende Jan Breydel."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 88: "Dit verwonderde Pieter die Coninc een wevere, een harde
vroet en subtyl man, ende werd daerna rudder om syne vromicheyt, hi vloodt
huut Brugge ende ghinc t'Ardenburch met eene menichte van Ambachtslieden
wel gewapend ende voorzien. Ende ooc diergelycke Jan Breydel een
vleeshouwere, die ghinc ten Damme en by wylent ter Sluys ende te
Ardenburch, en hi hadde bi hem alle maniere van Ambachtslieden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 89: "En si droughen overeen dat si des anderendaegs tsmorgens,
int beginsel van den dage, voor trysen van der soone, vergaderen souden bi
Sinte Kruis kercke, bi Brugge, ende alle welgewapent en voorsien."

_Die excellente Cronike._]

17

[Noot 90: "En Jan Breydel ginc metter ander schare lancx die Speypoorte
aen die Snaggaertsbrugge, want daer omtrent waren ghelogiert Guy de
Saint-Pols lieden van wapenen, ende sine dienlinghen bet dan tot IIII^{m}
mannen, en men hietse die snackers."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 91: "En Pieter dye coninc soude comen metter eender schare ter
cruyspoorte inne, ende alsoo totter maret ende van danen totter vrydaechs
marct."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 92: "En roepen schilt en vriend, wat walsch es valsch eest, slaet
al doot, ende die dat niet en conste segghen die soude men doodslaen sonder
verdrach."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 93: "En Jan Breydel ontrent den drien hueren smorgens soo quam hi
met den sinen in de herberghen van den walen roupende Vlaender dye leeu,
alle die goede Vlamingen syn die volghen mi nae, dat walsch is dats valsch,
slaet al doot. Eeneghe van dien lagen nog op haer bedde en sliepen, andere
stonden oppe en waren nog in hunne wambaysen en men slouch se dood gelyc
kyeckenen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 94: "Den heere van Chatillon hadde hem meenen in defensie te
stellen, maer syn peerd onder hem gedood synde, hadde hy alle moeite om in
het huys van eenen vriend te vluchten."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 95: "Ende Pieter die Coninc ghinc met sinen volcke in de
Steenstrate ende bi Sinte Salvators, in alle die herberghen daer die walen
ghelogiert waren, ende men slouchse allegader doot, men vincker nyement."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 96: "Langs de straten gaende riepen zij geduerig: Vlaenderen den
Leeuw... Het woord van degone die de poorten en andere posten bewaerden was
schild en vriend: het welcke sy buyten andere verkoren hadden om dieswille
dat de Franschen deze woorden niet wel en prononceren en konden: soo dat
alle degone die dat niet recht en seyden, dootgesmeten werden."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 97: "Op dye vrydach waren bedt van V^m walen binnen Brugge
verslegen ende des anderdaechs waren te Gendt ooc bedt dan II^m walen
doorghesleghen, dit gheschiede int jaer ons Heren XIII^C ende twee."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 98: "En ontrent half voor noene Guy de St-Pol [De Chatillon] nam
syn cappellaens cleederen en deedtse aen, ende reedt also achter Sinte
Claren naer de veste en quam also lancx der veste tot by der Smedepoorte
daer hi met sinen peerde vloodt en swam duer die veste in groter vreesen
van verdrincken, want zyn principael lyfcnape bleef daer in de veste en
verdranc."

_Die excellente Cronike._]

18

[Noot 99: "Op den eersten van junius sag men Guido van Namen, sone van
den gevangen Graef Guido, binnen Brugge onthaelt worden met eene ongemeyne
vreugt, om dat hij met een duitsch legerken hun ter hulpe kwam."

_Chronycke van Vlaenderen._]

[Noot 100: "Hy dede vooreerst het vier smijten in het huis en Casteel
van Sysseele, wiens bezitter eenen was der fransche bende ende synen
Grootvader veel nadeel gedaen hadde in den lesten oorlogh."

_Chronyke van Vlaenderen._]

[Noot 101: "Jacques de Chatillon vertrouwde de verdediging van het
kasteel van Kortrijk aan de Kastelein van Lens, dewelke hij dertig ridders
met hun schildknapen en een genoegzaam getal schutters liet, hij gaf
vervolgens het bevel der stad en van het kasteel van Rijsel aan Pierre
Flotte, en vertrok zelf naar Parijs."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 102: "De Graaf d'Artois, die voor een der dapperste en
behendigste krijgers zijns tijds doorging, was de onverzoenlijke vijand der
Vlamingen, aan dewelke hij de dood van zijn zoon, in het gevecht te Veurne
gesneuveld, niet kon vergeven."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 103: "Ende si beval heuren ooms dar men alle de sueghen van
Vlaenderen hare borsten afsnyden en al huere verckenen met sweerden
duerspeten soude, dat waren die vrauwen en kinderen, ende die mans alle
dootslaen, dewelcke si hiet die honden van Vlaenderen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 104: "De Bruggelingen maakten de andere Vlamingen op om in
menigte tegen de Fransen en Fransgezinden op te staan; ook werd er een
groot getal derzelve te Oudenaarde en in de Kastelenij van Kortrijk
vermoord."

Voisin]

[Noot 105:

"Si Scoten ut ende maecten brant
Ende verberde met ere acort
'T scoenste ende 't beste van der Port
Ane die marct een groet vlac,
Se scoten vier, dat gerne ontstac
Met vlieken die gesplinter waren.
Die clincten alse gespannen snaren,
Daer si an de wande vlogen."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 106: Er waren vier edele stammen in Vlaanderen, waarvan de
hoofden de naam van Beers droegen; wanneer de graaflijke stam uitstierf
werd de nieuwe Vorst uit deze Beers gekozen.]

[Noot 107: De geschiedschrijvers verschillen aangaande de macht der
Franse benden; wij hebben tussen de onderscheiden opgaven een middelbaar
getal verkozen.]

[Noot 108: "Zodra Gwyde van Namen de aankomst der Fransen in Vlaanderen
vernam, gaf hij door het ganse Land het bevel om te wapen te lopen en bij
hem te komen. Reeds sedert de 16^e juni was Arnold, zoon van de heer van
Oudenaarde, die met de Graaf in Frankrijk gevangen zat, in de vlakte van
Groeninge (bij Kortrijk) komen legeren... Hij (Gwyde) zond insgelijks een
schildknaap tot zijn neef Willem van Gulik, dewelke, na de Fransen uit
West-Vlaanderen verjaagd te hebben, het kasteel van Kassel belegerde; hij
deed hem de stand der zaken kennen en aanzocht hem het beleg dier plaats te
lichten en te Kortrijk te komen om de gemene vijand te bestrijden."

Voisin.]

20

[Noot 109: Dit waren zekere zware werprustingen, in het beleg der
steden en kastelen gebruikt.]

[Noot 110: "Si gingen al in eenen bilck, aen die zuitsyde en aen die
noortsyde wel begracht ende bevest."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 111: "Alhoewel meer dan vijftig Vlaamse Edelen in de kastelen van
Frankrijk gevangen zaten, en dat anderen, tot de gezindheid der Leliaards
behorende, in het Frans leger gegaan waren om de wapens schandelijk tegen
hun Vaderland te voeren, vochten er nochtans menigvuldige Edellieden onder
de standaard van Vlaanderen en namen een eerlijk deel in de vrijmaking des
Lands."

Voisin.]

[Noot 112: "Die van Veurne en van Veurnes-ambacht, alsook die van de
ganse kust, waren in tamelijk getal onder het geleide van Eustachius
Sporkyn gekomen."

Voisin.]

[Noot 113: "De inwoners van Ieper, alhoewel gedwongen hun eigen stad te
bewaken, hadden ook vijfhonderd mannen, in het rood gekleed, en
zevenhonderd schutters gezonden."

Voisin.]

[Noot 114: "Guilliellemus van Juliers dit verstaen hebbende is
terstont, weynige van syn volck gelaeten hebbende voor het Casteel van
Cassel, met syne troupen naer synen oom Guido gekomen, om met gevoegde magt
de Franschen af te wagten."

_Chronyke van Vlaenderen._]

[Noot 115:

"Binnen desen dat dit gesciede,
soo sende Her Jan van Namen liede,
sine broeders te hulpen dan,
Met platen wel VI hondert man."

_Spiegel Historiael._]

21

[Noot 116:

"Het 's Myn Her Jan van Rinesse;
In die werelt en ess 'er niet sesse,
Omgaens wyt ende breet,
Die het van orloge weet."

_Spiegel Historiael._]

[Noot 117: "Eindelijk zag men komen toegelopen, met vijfduizend
Gentenaars, onder dewelke zevenhonderd zijner magen en vrienden waren, een
der helden van de beruchte slag te Woeringen, de ridder Jan Borluut,
dewelke zich een grote faam van onversaagdheid en kunde had gemaakt."

Voisin.]

[Noot 118: In een oud handschrift, op perkament volgens oorspronkelijke
stukken, in 1482 door Lodewyk van Houtte van Deinze geschreven, hetwelk de
heer Voisin in zijn werk over de slag der gulden sporen aanhaalt, worden
vermeld als hebbende de slag te Kortrijk bijgewoond:--Salomon heer van
Zevekote, die er dood bleef; Arend Drubbel, baljuw van Deinze; de heer van
Zomergem en zijn twee zonen; Jan van Waasberge; de heer Van Maldegem en
zijn zonen; Jan van Deinze, heer van Leerne; de heer Simon Bette van Gent;
de heer Van Severen en zijn zoon die er dood bleef; Jan heer van Aishove;
Jan de Vos, van Gent; Jan heer van Aarsele; Willem van Daknam en zijn
broeder Pieter; Boudewyn Braem, van Gent; de heer van Landegem; de zoon van
de heer van Vinkt; Thomas van Torre, heer van Vorselaar; Hans van Kortrijk;
Philippe Baelde van Ieper; Pieter van Brugge, die er dood bleef; Walter
heer van Merendree; Jacob van Ieper, schildknaap van de Graaf van Namen;
Simon, zoon van de heer van Kaster; Jan heer van Machelen, die er
gevaarlijk gewond werd; Pauwel heer van Knesselare; de heer Frans van
Meulebeke; Amman van Brugge, Pieter Nieuwerkerken, heer van Markegem; Jan
heer van Ingooigem; Pieter Belle van Ieper; Willem en Robrecht Wennemaar,
van Gent; Walter Ryckam van Kortrijk; Jan de Stuuwere en Pieter de Drivere,
van Harelbeke; Jan en Pieter van der Pille en Jan die Bleckere, van
Oudenaarde; Pieter van der Haghen, van Brugge; Jan Willebaert, van Torhout;
Willem de Visschere, van Kortrijk; de heer Lodewyk van der Moere; de heer
van Anzegem; de heer van Nokkere en zijn broeder, de baljuw van Nevele en
Pieter de Schrivere van Tielt.]

[Noot 119: "Guido van Vlaenderen dede alsdan Pieter Deconinck en Jan
Breydel aen het hoofd van 't leger komen, alwaer hy deselve, ten aensien
van een ieder, Ridders geslagen heeft."

_Jaerboeken van Brugge._]

22

[Noot 120: "Ende si lieden te Ryssele comende, so sprak Robrecht van
Artois tot de twee coningen van Mayoorcke en van Melyde: ik duchte dat de
Vlaminghen, die argher syn dan Sarasynen, want si syn vernoyeirde
Kerstenen; eest so dat si ons eenighen oploop doen willen en dat wi se doen
te niete, wi sullen der Gode also lief mede doen ende het wordt ons soo
goede een vaerdt oft wi al Barbaryen metten sweerde wonnen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 121: "Het Franse leger beliep tot boven de vijftigduizend man;
het was nog sterker geworden en had onder zijn gelederen een groot getal
Brabanders ontvangen, te midden derwelke Godfried, oom van de Hertog van
Brabant, zich deed bemerken."

Voisin.]

[Noot 122: Men zie hierna de lijst der ridders welke onder het Franse
vaandel dood bleven, vele dier Leliaards zijn er in vermeld.]

[Noot 123:

"Mijn Her Raneel, die Vlaminc
Wilde oec dienen den Coninc
Hi wilde prys bejagen na der macht
Ende hilt onder Simpoels cracht."

_Spiegel Historiael._]

[Noot 124: Adela, dochter van Raoul de Nesle, was gehuwlijkt met Willem
van Dendermonde, een der zonen van de oude Graaf van Vlaanderen.]

[Noot 125: De Vlaamssprekende volken noemde men in het algemeen Dietse,
hetwelk nu door het woord Nederduits vervangen is.]

[Noot 126: "Men bemerkte er nog de ridder Hugo van Arkel, bijgenaamd
Butterman: met een reusachtige gestalte, was hij begaafd met een
verwonderlijke lichaamskracht. Hij gebood over een bende moedige
wapenlieden en had in den eerste zijn dienst de Koning van Frankrijk
aangeboden, maar alzo hij te hoge betaling eiste, nam men zijn aanbieding
niet aan, en Butterman in een onstuimige spijt, ging over tot de zijde der
Vlamingen alwaar hij met grote vreugde werd ontvangen."

Voisin.]

[Noot 127: "Niettegenstaande kon de hardnekkige tegenweer het kasteel
van Kortrijk niet redden, te meer daar zij gebrek aan levensmiddelen
hadden; waarom de kastelein, het middel gevonden hebbende om een bode naar
de Graaf d'Artois te sturen, hem dringend verzocht zonder uitstel ter
zijner hulp te komen."

Voisin.]

[Noot 128: De verdeling van het Frans leger in tien benden, onder het
bevel der ridders welke als Aanleiders zijn vermeld, komt overeen met de
historische beschrijving welke de heer Voisin ervan geeft.]

[Noot 129: Ziehier hoe de Chronyke van Vlaanderen, te Brugge bij
Andreas Wydts, omtrent het jaar 1725 gedrukt, zich in krachtige stijl over
de wreedheden der Fransen uitdrukt: "Het fransche volk, hetwelk met
ongehoorde razerny gheel het Zuit-Vlaenderen soo doorliepen dat er van
Douai tot Ryssel toe nogte Huis, nogte Casteel, nogte Kerk, nogte boom te
vinden en was. Hetgene de hartneckigste Ketters tot nog toe noyt en hadden
bestaen, scheen hier onder de Fransche toegelaten. Sy en spaerden nog man,
nog vrouw, nog kinderen. De beelden selfs, dewelcke sy in Gods kerken
vonden, en die de gedagtenis der Heiligen van Vlaenderen voorstelden,
hebben sy heyligschendelijk doorsteken. De kloosters wierden verbrandt, de
moningen vermoort, de maegden onteert, geschonden en mishandelt. Nogte men
konde geen verschil maeken tusschen dese hunne vervloekte ongebondentheyt
en de vervolginge van het helsch gespuis."]

[Noot 130: De Graef d'Artois kwam met het dikke van zyn leger en ging
zich neerslagen, op eene halve myl van Kortryk, op den Berg van Weelde,
heden genaemd de Pottelberg, tusschen de Leye en de straet naer Sweveghem.

Voisin.]

23

[Noot 131:

"Die van Ypre een groet deel
Lagen binnen ende hoeden den Casteel
Tot XII hondert, wel te gereken
Met swerten rocken gelike peke."

_Spiegel Historiael._]

[Noot 132: De Groeningebeek, welke in die tijd volgens de kronieken
dertien voet breed was, is heden slechts een geringe waterloop, die,
evenals de Gaverse beek, uit de moerige weiden der pachthoeve _Vierschare
ten ackere_ voortspruit.]

[Noot 133:

"Dus begonden die viande naken
Men sal hier mogen doden maken
Vrouwen Weduwen, Kinder Wezen.
Die Vlamingen stonden in vresen
Jegens die vreselike ontmoet;
Si ne mogen achterwerd niet ontgaen
Ende vore eest vlien gedaen.
D'een ging in den andren dringen."

_Spiegel Historiael._]

[Noot 134: "Een Priester toonde alsdan het Heilig Sacrament aan het
ganse leger en gaf de algemene zegening. Al de soldaten, zich in dit
plechtig ogenblik neerbuigende, namen van de vaderlandse grond een weinig
aarde, hetwelk zij op hun lippen brachten."

Voisin.]

[Noot 135: "Guy seyde lieve broeders ende vrienden! peynst om huwe wyfs
en om huwe kinderen en syt vrome lieden en maect goeden moet en vecht, so
dat ghi hu lant met eere houden meucht; die cracht van victorien comt van
Gode alleenlic denghenen die recht hebben; elc sal spêere yeghen speere
voughen ende pynt altyd omme die peerden te quetsene daer ghi meucht, want
die peerden faelgierende dye lieden syn te wille en moeten vallen ter
eerden; ende als si van den peerden ghevallen syn dat men se allen
dootslae, en niement en vanghe noch en ransoenere, ende dat niement en
roove noch pilgiere, noch en vliede. Want soo wie rooft oft vliet men
sallen selve dootslaen, dus hebt alle gader goeden moet."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 136: "Alle de vlaemsche soldaten wierden in eene slagorder
gestelt, maer seer digte; hetwelke de Franschen verstaen hebbende, hebben
hun volk, hetwelke in negen benden verdeeld was, alleenelyk in dry
slagreken gestelt."

_Chronyke van Vlaenderen._]

[Noot 137: "De eerste ridders welke, in de vlakte komende, over de beek
wilden rijden, zonken tot aan de zadel in het slijk en werden door de
pijlen der Vlaamse schutters doorboord."

Voisin.]

[Noot 138: "Meer andere oversten, die insgelijks de moeilijkheid van de
aanval gezien hadden, deden ook hun aanmerkingen aan de Graaf; die Vorst
wilde naar niets luisteren."

Voisin.]

[Noot 139: "In tussen tijd gingen de schutters vooruit en vonden het
middel om de eerste beek in een andere plaats over te gaan, waar de heer
Jean de Barlas, welke het bevel over hen voerde, hen in een dichte slagorde
schikte."

Voisin.]

[Noot 140:

"Men ginc gene pesen trecken in,
Het was dat vreselycste begin
Dat noyt man met oogen sach.
Die pilen vlogen op genen dach,
Dat men den hemel cume van dien
Van dickeden niet conde gesien."

Van Velthem. _Spiegel Historiael._]

[Noot 141: "Ende dit geschiede op den XI dach van hoymaent (july 1302)
ende was Sinte Benedictus dach, ontrent de VII heuren voor die noene."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 142: "Zij stuwden altijd vooruit, de paarden drongen en stapelden
zich verward opeen; de ruiters vielen neer en werden door die, welke hen
opvolgden, wredelijk verpletterd. Zo stierven er een groot getal, zelfs
vooraleer zij de vijand konden aanvallen."

Voisin.]

[Noot 143:

"D'een liep daer over den andren waden
Te voet, met haren vergouden sporen,
Die onderliegen moesten versmoren
In diepe grachten her ende gens.
Dus goudense swerlike den cheus
Dien si wilden sonder waen
Binnen Vlaenderen doen gaen."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 144: "Daar ontvingen de Vlamingen hen op hun lange speren, en bij
die aanval, alhoewel hun slagorde gebroken was, viel er een menigte paarden
en ridders doorstoken neer."

Voisin.]

[Noot 145:

"Van Brabant Myn Her Godevard
Reet in die Vlaminge selken scart
Dat hi Guelke, eer hy 't weet,
Met tien orsse ter neder reet,
Ende velde ooc sine baniere.
D'ors keerde over die cupiere."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 146:

"Doe werd die wych stare ende groet
Daer was die menich in groeter noet.
Die van den Vrien, hen scoffierden
Die Fransoysen, die niet en vierden
Maer dapperlike der werd traken.
Daer horde men menige glavie craken,
Die van den Vrien lagen neder."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 147:

"Doe dit vernam
Myn Her Jan van Rinesse;
Doe trac hi over tot er perssen
Van achter welvende met sire scaren.
Die Fransoyse worden in varen
Doen si dus belopen waren."

Van Velthem, Spiegel Historiael.]

[Noot 148:

"Sinen Standard droech een Seriant
Grachtelike, een Jan Ferrant.
Dor genen anxt wil di vlien;
Hi was gevelt op ainen cnien
Vier werven al achter een
Ende emmer op sine been."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 149:

"Guelke was vermoet van slagen,
Dat men ne ut moeste dragen;
D'bloet hem uter nese spranc,
So vreselike was geen bedranc."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 150:

"Daer was een Jan die Vlaminc hiet,
Gulers cnape; ende alse hi siet
Dat syn Here dus was vermoyt,
Werd hi gram ende hi vernoyt
Dat tie vianden souden verbliden:
Hi trac wech ten selven tiden,
Ende dede syns Heren wapenen an
Daer maecti menigen bliden man,
Ende riep: noch es Guelken hier!"

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 151: "De twee heren De Nesle sneuvelden; de Vlamingen zouden de
Konstabel gaarne gered hebben, en de ridder Jan Borluut riep hem dat hij
zich zou overgeven, maar de moedige krijger, wiens trouw de Graaf d'Artois
ten onrechte had verdacht, wilde die bloedige dag niet overleven."

Voisin.]

[Noot 152:

"Si sloegen doe achter ende voren;
Ic wane hi noyt en was geboren
Die so vele volx sterven sach.
Als men dede op desen dach."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 153: "De ridder Hugo Butterman van Arkel onderscheidde zich boven
alle anderen en nam de Franse Standaard, zoals hij het de Vlaamse veldheren
voor de slag toegezworen had; maar hij werd zodanig gewond dat hij ervan
stierf."

Voisin.]

[Noot 154:

"Segher Lonke werd oec gevelt.
Dic den Ghenschen standert helt,
Vier werven op sinen cnien;
Dor genen anxt wildi vlien,
Ende ember op, met grote cracht,
Daer men boven syn hovet vacht."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 155:

"Die Vlaminge vele hadden ducht,
Ende traken achter op tie vlucht,
Van den velde heymelike,
Elk liet staen daer sine pike;
Som trocken si in die Port,
Ende some opter Leyen bort,
Desen gingen overswimmen.
Ghi riep met ere luder stemme:
Staet Vlaminch!"

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 156: "Het gheviel dat een Conveers broeder van der Doest, Willem
van Renesse (item omme dat hy lange diende te Castynghe, eer hy conveers
wort te Doest so hiet mene broeder Willem van Castynghe) hoorde dat dye
principaelste ende vroomste van den Noortvrye waren met die van Brugge naer
Cortrycke omme wych te hebbene jeghen die Fransoysen, ende hy hoorde dat
Mer Jan van Renesse, die heere was van den dorpe daer hi geboren was, ende
dat hi was een van den Capiteynen van die van Brugge, hy hadde des
voornoens ghehoyt ende als hy dat verhoort hadde, so ghinc hi ter Doest int
stal ende nam met hem twee meryen, d'eene vercochte hi en gaf se goeden
coop, want hi gaf se om een sweert en een sterke staf, en op d'andere merye
reed hy haestelicke te Cortrycke waert ende hy gerocht er al noch te
tyde... Nochtans soo velde hi er metter hand bet dan sestich ridders die hy
alle dootslouch."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 157: "De Graaf d'Artois dreef zijn onstuimig paard tot bij de
Standaard van Vlaanderen; hij vatte dezelve bij de schacht, en ondanks de
slagen van knotsen en bijlen, welke als een regen op hem vielen, scheurde
hij een stuk eraf."

Voisin.]

[Noot 158:

"Ic hebbe dicke horen tellen,
Dat tie monec Artoyse velde,
Van den Orsse...
Doe wilde hi hem Guelke opgeven,
Ende seide, ic lever u myn swerd,
Ic geve mi op!...
Die Vlamingen riepen: wi ne kennen u niet!
Die Grave riep al in 't fransoys:
Ic ben die Grave van Artoys!
Si riepen hier 's geen edelman,
Noch die u tale verstaen can!"

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 159: "De Franse ridders De Tarcanville, d'Aspremont en de Graaf
Jacques de Chatillon werden te midden van een grote hoop lijken
omvergesmeten. De Kanselier Pierre Flotte vroeg menigmaal om genade doch
kon dezelve niet verkrijgen."

Voisin.]

[Noot 160: "De heer Rodolphe I, heer van Gaucourt, maakte deel van een
uitgelezen bende van achttien ridders, die allen, behalve hij alleen, in de
slag omkwamen."

Voisin.]

[Noot 161: "De dood van de Graaf d'Artois vernemende wilden de Franse
ridders hem wreken of hem niet overleven; zij begonnen dan het gevecht
opnieuw. Een van hen, met name Pieter Lebrum, poogde Guy de St. Pol, die
over de achtertocht gebood, tot de slag te doen gaan, maar het was
tevergeefs dat hij hem zijn lafheid verweet."

Voisin.]

[Noot 162: De plaats welke wij hier de _Bittermeers_ noemen, staat op
de kaart van de slag onder de naam _Bloedmeers_ aangetekend. Zij werd later
zo geheten, ter nagedachtenis van het bloed dat er vergoten werd.]

[Noot 163:

"Si leiden te gader daer haer handen,
En de bilden daer in een naect swerd,
Metten appelen ten vianden werd,
Wi willen, seiden si ons opgeven;
Edele Vlamingen laet ons leven!"

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

24

[Noot 164:

"Het was 't recht van den stride.
Die men niet mach verdriven
Mogen bi den doden bliven
Wachten ende hare baniere opsteken
Oft se yemen wil comen wreken
Tot sander dages terneuwer sonne
Dan mach men secgen: si hebben verwonnen!"

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 165: "Die Casteleyn van Lens diewelcke hilt 't Casteel te
Cortrycke, meenende dat die battaelge ghewonnen was, ende datter dye
Vlaminghen al ghebleven waren, quam uyten Casteele wel met hondert mannen
diewelcke waren alle versleghen van die van Ypre, dye daer ghelegt waren
omme dat te wachtene."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 166:

"Daer bleef die bloeme van Kerstenhede,
Vore volc te voet ende sonder stede.
Het wilde God het moeste wesen!
In horde noyt singen no lesen,
Van selken jammer, alse dit was.
Daer lach van doden menig tas."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 167: Zie hier de namen der voornaamste ridders, welke onder de
Franse vaandels gesneuveld zijn, die lijst is uit het meergemelde werk van
de heer Voisin getrokken. Jean, Kamerheer en Graaf van Tarcanville; Jean de
Ponthieu, Graaf van Aumale; Jacques de Chatillon, heer van Leuse,
Gouverneur Generaal van Vlaanderen, voor de Koning; Hugues de Bruynen,
Graaf de la Marche en van Angoulême; Angelin, Graaf van Vimeu of Vimy;
Louis de Forest, heer van Beaujeu en Dombes; de Graaf van Soissons; de
Graaf van Abbeville; de Graaf van Foix; Alain van Bretagne; Jean I, Vidaem
van Chartres; Froald, Kastelein van Douai; Jean IV, Kastelein van Rijsel;
Henri, heer van Ligny; Renauld I, heer van Longueval: de heer van
Aspremont; de heer van Freane; Raoul, heer van Trier; de heer van Frennes,
Boudewyn d'Henin, heer van Boussu; Jean, heer van Gréqui; Raoul IV, gezegd
de Vlaming, heer van Gany; de heer van Breauté; Farald de Reims; Jean
Brualé; Jan, bijgenaamd zonder genade, zoon van Jan, Graaf van Holland en
van Henegouwen; Godfried van Brabant, oom van de Hertog van Brabant, en
zijn zoon Jan, heer van Vierson, kastelein van Doornik; Arnold IV, heer van
Wezemaal, Maarschalk van Brabant; Hendrik, heer van Boutersem; Arnold, heer
van Wahain, en zijn zoon Laurent; Hugo van Vlanen; Geldof van Wingene;
Arnold van Eyckhoven met zijn zoon Jan; Hendrik van Wilre; Willem van
Redingen, Arnold van Hofstade, met zijn drie neven; Willem, heer van
Craenendonk; Baldard de Parvisien; Jean de Kerly; Baldard de Peruwez;
Fernand d'Araing; Boudard de Pernes; Hercule, heer van Bailleul; achttien
ridders die met een groot getal Brabanders rondom de tent van Godfried van
Brabant sneuvelden; Egide, heer van Antoing; Richard, heer van Falais;
Michel, heer van Harnes; Aelbrecht, heer van Langendale; de heren van
Quesnoy, van Salines, van Rutsefort, van Marlois, van Flines, van Malgy,
van Alengeac, van Bethisy en van Groy; Gilles, heer van Alengy; Robert,
heer van Montfort; Raoul, heer van Nortfort; Jean Cruke; Jean, heer van
Emmery, Kamerheer des Konings; de Graven van Angers, van Champagne, van
Dreux, van Trappe, van Auge, van Los, van Vendôme, van Bourbon, van
Tweessen en van Estampes; de Graaf van Bar, met zijn drie broeders; de
Graaf van Albe, met zijn broeder; de Hertog van Berry; de prins van
Chimpy.]

[Noot 168:

"Daer hadde die menige zoo groeten dorst
Dat hem die mond en tonge borst.
Ende 't bloet hem ut er nese spranc
Dat hi weder van node dranc."

Van Velthem.]

De Leeuw van Vlaanderen

Sinopse

Originele Nederlandstalige tekst van De Leeuw van Vlaanderen, de historische roman van Hendrik Conscience over Vlaanderen en de Guldensporenslag.

Publieke-domeintekst uit Project Gutenberg, beschikbaar gemaakt no Aurora Literunico junto à tradução portuguesa.

De Leeuw van Vlaanderen

Resenhas do livro

0 publicadas

Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.

De Leeuw van Vlaanderen

Trilha sonora oficial

Uma seleção criada para acompanhar a atmosfera, os personagens e os caminhos desta obra.

Abrir no Spotify
Ir para o carrinho
Mercado de De Leeuw van Vlaanderen

Leve um fragmento deste universo

Escolha a arte, confira a disponibilidade e adicione o produto ao carrinho sem sair da experiência.

Nenhum livro físico está disponível neste universo.
Relíquias da Obra

Adquira Relíquias da Obra e deixe sua marca registrada, criando valor ao item!

Aguardando Aprovação do Autor
Aguardando grupo autoral De Leeuw van Vlaanderen Escolha uma Relíquia e envie uma proposta de aquisição, mesmo antes da ativação.
100Relíquias
0Titulares
0 Passagens
Central de RelíquiasDescubra coleções de outros universos e obras.
ver todas
Capítulo 24 carregado no app · 1 livro conectado 1/1
Abrir leitor completo

Capítulos disponíveis para continuar a leitura.

Capítulos de De Leeuw van Vlaanderen

Todos os capítulos 25 disponíveis

Donos de Relíquias

0 titulares

Nenhuma Relíquia desta obra foi adquirida ainda. Seja o primeiro a eternizar seu nome no acervo oficial!

Conhecer as 100 Relíquias

Resenhas do livro

0 publicadas

Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.

Entrar para resenhar

Posses do livro

0 Leitores com posse
0 Unidades registradas

Nenhuma posse foi registrada publicamente para esta edição.

Adicionais do Universo

Visual ClássicoAbra a leitura editorial, no estilo de uma página de livro
ler
Visual AuroraApresentação imersiva do universo da obra
abrir