Universo da obra
Universo da obra
10
_Knechts! waer ben ie? hoor ie dit oft
niet? beziet oft ie wacker ben, ist nacht of ist
dach?--ô juweel van heelder wereld! Peerle
van goude, spiegel mynder zielen! Zoude ie
alzulcken Vrouwe moghen beminnen met
haren dancke?_
OUDE ROMAN
Na de stad Brugge zich gans in de macht der Fransen had overgegeven, begon
De Chatillon ernstig aan de begeerte der Koningin te denken; zij had hem
geboden de jonge Machteld van Bethune naar Frankrijk te doen overvoeren.
Alhoewel het scheen dat niets hem in het volbrengen van dit bevel kon
hinderen, mits zijn krijgsknechten de stad vervulden, werd hij echter nog
door een staatkundig inzicht wederhouden. Hij wilde eerst zijn macht in
Brugge bevestigen, de ambachten verslappen, een kasteel bouwen[66], en dan
zou hij de dochter van de Leeuw van Vlaanderen gevangen nemen en der
Koningin overleveren.
Adolf van Nieuwland was bij de intrede der Fransen met de grootste vrees
bevangen geweest, want hij zag Machteld nu zonder tegenweer aan haar
vijanden blootgesteld. Het dagelijks bezoek en de onophoudende wacht van
Deconinck, konden hem in den eerste niet verzekeren; maar wanneer hij na
enige weken nog niet door de Fransen ontrust was, begon hij te denken dat
zij de Jonkvrouw van Bethune vergeten hadden en niets tegen haar wilden
ondernemen. Zijn sterke lichaamsgesteltenis en de kundige zorgen van
Meester Rogaert hadden zijn wonde geheel genezen, en hij kreeg kleur en
leven weder; maar een diepere wonde bleef hem in het hart, en deze baarde
hem onuitsprekelijke pijnen. De innige liefde, welke hij voor Machteld
gevoelde, vervulde steeds meer en meer zijn boezem, en de rust werd hem
gans benomen. De ongelukkige ridder zag het meisje, dat hij zo heiliglijk
beminde, alle dag bleker worden: mager en krank als een verzengde bloem,
kwijnde Machteld door droeve gedachten gefolterd.--En hij, die aan haar
edelmoedige bewaking het leven verschuldigd was, hij kon ze niet helpen,
niet troosten! Zijn woorden, hoe zoet ook, waren zonder indruk op de
rampzalige Jonkvrouw, die gedurig om haar vader zuchtte en weende. Geen
enkel bericht was haar nog van haar gevangen bloedverwanten toegekomen, en
zij was als voor eeuwig van haar dierbaar huisgezin gescheiden.
Niettegenstaande de zwarte dromen van rampspoed en treurnis, welke haar
steeds omringden, gloeide de vlam der liefde heimlijk in haar. In het
afwezen van Adolf kwam soms een vluchtende glimlach haar bleek gelaat
verlichten, en dan zweefde de beeltenis van de jonge ridder voor haar
ogen;--dan vond zij nog enige troost in het zoete gevoel der min, en
koesterde dit heilzaam vuur totdat een bitter aandenken de glimlach deed
verdwijnen.
Adolf beminde in stilte, en dorst zelfs niet denken dat Machteld hem eens
zou liefhebben, hij kende zijn plichten te zeer om zulks te hopen; daarom
deed hij geen poging om die drift te verdoven. Hij bedekte het vuur dat hem
brandde onder de vorm ener eerbiedige hulde, en dacht dat Machteld zijn
zorg slechts als een bewijs van dankbaarheid zou ontvangen hebben.
Weinig weken na zijn volmaakte genezing verwijderde hij zich met langzame
stappen van de stad, en wandelde mijmerend bij Zevekote[67] door de enge
paden der velden. De zon stond zeer laag op de kim, en het westen kleurde
zich reeds met gloeiende verven. Het hoofd gebogen en vol bitter aandenken
ging Adolf in de baan voort, zonder op zijn voetstappen te letten. Een
droeve traan glimde onder zijn ooglid, en van tijd tot tijd kwam een zucht
uit zijn borst. Op duizenderlei wijzen spande hij zijn geest in om enige
verzachting in het lot der jonge Machteld te kunnen brengen, en iedermaal
werd zijn wanhoop groter, want niets vond hij dat haar mocht troosten. Hij
zag haar alle dagen wenen, hij zag haar kwijnend versterven, en met de
armen toegevouwen moest hij, als een radeloze, die treurnis aanzien. Voor
een moedig ridder als hij, was die onmacht pijnlijk, en soms knarste hij
met inwendige bitsigheid de tanden te samen--maar wat kon dit helpen? Er
bleef hem niets over, dan een smartvolle traan over zijn geliefde te
storten en van betere dagen te dromen.
Wanneer hij reeds ver van de stad was en dat hij, door somber wee vervuld,
onder zijn droeve gedachten was vermoeid, liet hij zich onachtzaam ten
gronde gaan en zette zich bij de boord der baan neder. Met de ogen ter
aarde gewend, ging hij in zijn treurige bedenking voort. Terwijl hij dus
gebogen zat, kwam nog ver van daar een ander mens aangestapt.
Een bruine wollen monnikskolder met een wijde kap, die op de rug neerviel,
was zijn kleedsel, een grijze baard daalde tot op zijn borst, en zijn
zwarte glinsterende ogen waren onder zware wenkbrauwen gezonken; bruin was
zijn benig gelaat en diepe rimpels lagen op zijn voorhoofd. Met lastige
stappen en als een afgematte reiziger, naderde de monnik allengskens de
plaats waar Adolf gezeten was, en bleef plotseling voor hem staan. Een
uitdrukking van hevige blijdschap liep over zijn gelaat, en het was bij
dezelve te denken dat hij Adolf kende. Zijn aanzicht werd echter opnieuw
ernstig en koel alsof hij veinzen wilde.
Adolf, die nu eerst de tegenwoordigheid van de monnik gewaar werd, stond op
en groette hem met hoofse woorden. Zijn stem had nog de treurige toon, die
hij uit zijn mijmering geput had, en hij deed zich geweld aan om te
spreken.
"Mijnheer," antwoordde de monnik, "een verre reis heeft mij afgemat, de
aangenaamheid der plaats die gij verkozen hebt, nodigt mij ook tot rusten.
Ik bid u, laat mij u niet storen."
Hij plaatste zich op het gras, en wees met zijn vinger dat hij hetzelfde
van Adolf eiste. Deze door eerbied of lust gedreven, hernam zijn vorige
plaats, en bevond zich alzo nevens de vreemdeling, Hij was bij de klank
zijner stem zeer ontroerd: het scheen hem dat hij dezelve nog meermalen
gehoord had, doch niet kunnende bedenken waar hij deze Priester mocht
gezien hebben, joeg hij die gissing als vals uit zijn geest.
Na een korte poos, gedurende dewelke de monnik de jonge ridder met
doordringende ogen bezag, vroeg hij: "Mijnheer, het is al een ruime tijd
geleden dat ik Vlaanderen verlaten heb; het zou mij aangenaam zijn uit uw
mond te weten hoe het in onze stad Brugge al gaat. Dat mijn stoutheid u
niet hone."
"O neen, Vader," antwoordde Adolf die zich van geen bedrog mistrouwde, "het
zal mij een geluk zijn u te verplichten.--In onze stad Brugge gaat het
slecht--de Fransen zijn er meester!"
"Dit schijnt u niet te bevallen, Mijnheer? Ik had nochtans vernomen dat de
meeste Edelen hun wettige Graaf verloochend hebben en de vreemde met liefde
hebben ontvangen."
"Eilaas! Dit is maar al te waar, o Vader. De ongelukkige Graaf Gwyde is
door velen zijner onderdanen verlaten, en nog meer zijn er die hun oude
roem vergeten--maar het Vlaamse bloed is niet in aller aderen verbasterd;
er zijn nog harten die de vreemdelingen vijandig zijn."
Bij deze woorden liep een zichtbaar genoegen over de wezenstrekken van de
monnik. Indien Adolf wat meer mensenkennis gehad had, zou hij bespeurd
hebben dat de spraak van de reizende geestelijke gewrongen en gemaakt was,
en dat er iets geveinsds op zijn gelaat zweefde. De monnik antwoordde: "Uw
gevoelens, Mijnheer, zijn loffelijk en verdienen u mijn achting. Het is mij
een ware vreugd nog een edelmoedig mens, in wie alle liefde voor de
rampzalige Landheer Gwyde niet vergaan is, aan te treffen. God lone u om uw
getrouwigheid."
"O Vader," riep Adolf, "zo het u veroorloofd ware, de grond mijns harten te
zien:--indien gij de liefde die ik mijn Meester, de ongelukkige Gwyde, en
zijn huisgezin heb toegewijd, konde kennen!--Ik zweer u, o Priester, dat
het gelukkigste ogenblik mijns levens, dit zijn zou, op hetwelk ik mijn
bloed tot de laatste druppel, voor hen mocht verliezen."
De monnik kende het mensenhart genoeg, om te bespeuren dat de woorden van
de jonge ridder niet geveinsd waren, en dat hij de gevangen Gwyde de
innigste liefde toedroeg. Na een korte wijl zich bedacht te hebben hernam
hij: "Zo ik u de gelegenheid gaf, om de eed die gij zo-even deedt te
volbrengen, zoudt gij dan niet achteruit zien, en zoudt gij als een Man
alle gevaren trotsen?"
"Ik bid u, o Vader," riep Adolf smekend, "ik bid u, twijfel niet aan mijn
trouw--ook niet aan mijn moed! Spreek ras, want uw stilzwijgen pijnigt
mij."
"Luister dan met bedaardheid. Om ontvangen weldaden, ben ik aan het Huis
van Gwyde van Vlaanderen de grootste dankbaarheid verschuldigd; het gevoel
van erkentenis en liefde, dat ik altijd voor mijn genadige Vorst gekoesterd
heb deed mij besluiten hun in deze rampspoed behulpzaam te zijn. Met dit
voornemen verliet ik mijn klooster en begaf mij naar Frankrijk.
Daar heb ik door gebeden, door geld of onder voorwendsel van mijn
priesterschap, al de edele gevangenen mogen bezoeken; ik heb de vader de
woorden zijns zoons overgebracht, en de zoon zijns vaders zegen gedragen.
In de kerker van het Louvre heb ik met de arme Philippa gezucht en geweend.
Aldus heb ik hun pijnen verzacht, en de afstand die hen scheidt
ogenblikkelijk verkort. Ik heb gehele nachten met reizen doorgebracht, en
mijn voeten tot bloedens toe gewond: dikwijls werd ik afgedreven, gehoond
en bespot; maar dit was mij niets bij het geluk van mijn wettige Vorsten in
hun rampen te dienen. Een dankbare traan, welke mijn aankomst over hun
wangen deed rollen, was mij een beloning, die ik tegen al het goud der
wereld niet zou verruild hebben."
"Zij gebenedijd, o edelmoedig Priester," riep Adolf, "u wacht een zalig
leven! Maar, ik bid u hoe vaart Mijnheer Van Bethune?"
"Laat mij voortgaan, ik zal u wat langer over hem spreken. Hij zit in een
duistere toren, te Bourges in het Land van Berry.
Ongelukkiger kon zijn lot wel zijn, want hij is van band en keten vrij. De
Kastelein die hem moet bewaren, is een oude krijgsman die zich in de
oorlog van Sicilië ridderlijk heeft gedragen, en onder de banier van de
zwarte Leeuw heeft gevochten. Ook is hij Mijnheer Robrecht veeleer een
vriend dan een bewaarder."
Adolf luisterde met de grootste nieuwsgierigheid: menigmaal kwamen woorden
van blijdschap op zijn lippen doch hij weerhield zich. De monnik ging
voort: "Zijn gevangenis zou dus geen onlijdelijk verblijf voor hem wezen,
indien zijn hart hem niet elders voerde; maar hij is vader en alle droeve
vooruitzichten martelen zijn hart. Zijn dochter is in Vlaanderen gebleven,
en hij vreest Johanna, de nijdige en wrede Koningin van Navarra, die zijn
kind ook zal vervolgen, en misschien ten grave leiden. Dit smartvol gedacht
foltert de tedere vader, en zijn gevangenis wordt hem ondragelijk: de
bitterste wanhoop vervult zijn ziel, en de dagen zijns levens zijn
pijnlijker dan de dagen ener gedoemde ziel."
Adolf wilde zijn medelijden door woorden te kennen geven en zou gewis van
Machteld gesproken hebben, maar een dwingend teken van de monnik doofde de
stem op zijn lippen.
"Overweeg nu," hernam deze met plechtige toon, "of gij uw leven waarlijk
voor de Leeuw, uw heer, durft wagen. De Kastelein van Bourges wil hem op
zijn erewoord, voor enige tijd in vrijheid stellen; maar een trouwe en
liefderijke onderdaan, moet zich in zijn plaats laten kerkeren."
De jonge ridder viel op zijn beide knieën voor de Priester en kuste wenend
zijn handen.
"O zalig uur!" riep hij. "Zal ik Machteld deze troost verwerven.--Zal zij
haar vader zien, o God! En zal ik die heilige zending volbrengen? Hoe blij
klopt mij het hart! De gelukkigste mens op aarde zit voor uw voeten, o
Priester. Wist gij, wat heilvol ogenblik--wat zuivere vreugd uw woorden mij
doen smaken. Ja, ik zal de keten als een kostelijk halssnoer, met
dankbaarheid ontvangen. Geen goud mag mij zozeer als het ijzer der boeien
behagen.--O Machteld, Machteld! De wind drage u het heuglijk nieuws."
De monnik liet de opgetogenheid van de ridder voorbijgaan, en stond op;
Adolf stapte na hem in de baan en zij gingen beide langzaam naar de stad.
"Mijnheer," hernam de Priester, "uw edele gevoelens verwonderen mij met
rede: ik twijfel geenszins aan uw moed--maar hebt gij wel overwogen, in
welk gevaar gij u gaat stellen? Zodra de list ontdekt wordt, zult gij uw
liefde met de dood boeten."
"Een Vlaamse ridder vreest de dood niet," antwoordde Adolf, "niets kan mij
wederhouden. Indien gij wist dat ik sedert zes maanden, nacht en dag, mijn
inbeelding folter om te vinden hoe mijn leven voor het Huis van Vlaanderen
te wagen, dan zoudt gij mij niet van gevaar en vrees spreken. Nog op het
ogenblik dat ik daar even, mistroostig bij de baan zat, vroeg ik hiertoe de
ingeving des Heren, en gij, o Priester, zijt zijn tolk geweest."
"Het is nodig dat wij deze nacht vertrekken, opdat dit geheim niet ontdekt
worde!"
"Hoe eer hoe liever want mijn gedachten zijn reeds te Bourges bij de Leeuw
van Vlaanderen, mijn heer en Vorst."
"Gij zijt zo jong, heer ridder, uw gelaatstrekken gelijken wel naar die van
Mijnheer Robrecht, maar het verschil van jaren is te groot. Dit kan ons
echter geen beletsel zijn, want mijn kunst zal u de ouderdom die u
ontbreekt, in weinig ogenblikken geven."
"Wat wil dit zeggen, Vader, kunt gij mij ouder maken dan ik ben?"
"Ho neen! Maar ik kan uw gelaat zodanig veranderen dat gij uzelf niet meer
herkennen zoudt. Hiertoe gebruik ik kruiden welkers krachten mij bekend
zijn: denk niet, dat ik mij van enig goddeloos geheim bedien. Maar,
Mijnheer, nu wij de stad Brugge zo nabij zijn, zoudt gij mij kunnen zeggen
waar een zekere Adolf van Nieuwland woont?"
"Adolf van Nieuwland?" riep de ridder. "Hij is degene die u verzelt, ik ben
het!"
De verwondering van de Priester scheen groot; hij bleef in de baan staan en
bezag de Jonker met een geveinsde verbaasdheid.
"Hoe, gij zijt Adolf van Nieuwland, dan is Machteld van Bethune in uw
woning?"
"Die eer is mijn Huis ten lot gevallen," antwoordde Adolf, "Uw komst,
Vader, zal haar grotelijks verblijden: de troost die gij haar brengt, komt
spade, want zij treurt en kwijnt alsof zij sterven wilde."
"Hier is een brief van haar vader, die gij haar geven moogt; want ik hoor
wel dat het u een vreugde zijn zal haar smart hierdoor te verlichten."
Hierbij haalde hij een perkament, hetwelk met een zijden draad en een zegel
gesloten was, uit zijn onderkleed en gaf het de ridder. Deze bezag het
stilzwijgend en met de grootste opgetogenheid. Zijn gedachten voerden hem
reeds voor Machteld, en hij smaakte op voorhand de vreugd die hij uit de
blijdschap der Jonkvrouw moest putten. Nu was de gang van de monnik hem te
langzaam, en hij was altijd een stap vooruit, zozeer dreef hem het
ongeduld.
Wanneer zij in de stad en bij de woning van Adolf waren, bezag de Priester
de bijliggende gebouwen alsof hij dezelve wilde herkennen en sprak:
"Mijnheer Van Nieuwland, ik wens u vaarwel. Deze avond zal ik
wederkomen--misschien wat laat. Doet intussen uw uitrusting klaar maken."
"Zult gij met mij niet tot de Jonkvrouw gaan? Gij zijt zo vermoeid. Laat
mij u de rust met alles wat mijn woning bevat, aanbieden--ik bid u."
"Ik dank u, Mijnheer, mijn plichten als Priester roepen mij elders. Te tien
uur zal ik u wederzien.--God hebbe u onder zijn hoede!"
Bij deze groet verliet hij de verwonderde ridder, en ging tot in de
Wolstraat, alwaar hij in het huis van Deconinck verdween.
Opgetogen van vreugd over dit onverwacht geluk, dat hem als een gulden
droom was toegekomen, klopte Adolf met het grootste ongeduld aan zijn deur.
De brief van Mijnheer Van Bethune was gloeiend in zijn handen; en wanneer
de dienstbode hem opende, liep hij als een zinneloze in de gang.
"Waar is Machteld, waar is de Jonkvrouw Machteld?" vroeg hij op een toon,
die een spoedig antwoord gebood.
"Op de zaal tegen de straat," riep de dienstbode.
De ridder vloog op de trappen en stiet de deur der zaal met onstuimigheid
open.
"O Edelvrouw! Machteld!" riep hij. "Droog uw tranen. Laat de zuiverste
vreugd uw hart vervullen! Onze rampen zijn gedaan!"
De jonge Gravin zat, bij het inkomen van Adolf, aan het venster mistroostig
te zuchten; zij bezag de vervoerde Jonker met een zonderling gelaat, waarop
twijfel en ongeloof te lezen waren.
"Wat zegt gij!" riep zij eindelijk, terwijl zij opstaande haar valk
haastiglijk op de stoel plaatste. "Onze rampen zijn gedaan?"
"Ja mijn edele Jonkvrouw, een beter lot wacht u. Hier is een zalig
schrift.--Zeggen de jagingen uwes harten niet welke dierbare hand ..."
Eer hij deze spreuk kon eindigen, sprong Machteld met hijgende boezem en
als uitzinnig naar het schrift, en rukte het uit zijn handen. Een ongemeen
vuur had haar wangen met rood gekleurd, en tranen van blijdschap barstten
uit haar ogen. Zij scheurde het graaflijke zegel en de zijden draadjes van
de brief en las hem driemaal eer zij er iets scheen van te verstaan;--zij
verstond hem maar al te wel, de rampzalige maagd! Haar tranen hielden niet
op, maar de oorzaak derzelve veranderde; want nu was het geen vreugde meer,
maar bitter wee dat het smartwater uit haar ogen dreef.
"Mijnheer Adolf," riep zij met pijnlijke toon, "uw vreugde verscheurt mijn
hart. Onze rampen zijn gedaan, zegt gij? Daar ... lees, en ween met mij
over mijn ongelukkige vader."
De ridder nam het schrift uit de handen van Machteld, en liet het hoofd bij
de lezing op de borst nederzinken. Hij dacht in den eerste, dat de Priester
hem had bedrogen en tot bode van een schrikkelijk nieuws gebruikt had,
maar wanneer hij de inhoud gans kende, verging dit vermoeden; hij bleef
enige ogenblikken aan zijn onvoorzichtige uitroeping denken, en sprak niet.
Machteld werd voor hem met medelijden ingenomen; de blijdschap, om de
ontvangen boodschap door hem getoond, was een sprekend bewijs zijner liefde
tot haar, en zij had zich hierover geenszins bedrogen. Nu zij hem zo
treurig op het schrift zag staren, verweet zij zich innerlijk de spijtige
woorden, die zij hem had toegestuurd. Zij naderde de peinzende Jonker, en
sprak met een glimlach door haar tranen: "Vergeef mij, Mijnheer Adolf,
bedroef u niet. Denk niet dat ik op u gestoord ben omdat gij mij te veel
heil hebt voorspeld. Ik ken de vurige wensen, die gij voor het geluk ener
arme Jonkvrouw vormt. Geloof, o Adolf, dat mijn hart niet koud blijft bij
uw edelmoedige opoffering."
De ridder liet op dit gezegde de brief uit zijn handen vallen, en zijn
gelaat kreeg een heldere uitdrukking van opgetogenheid en blijdschap.
"O edele Machteld," riep hij, "gewaardigt gij uw dienaar Adolf met zulke
zoete woorden te belonen? Ho, ik smaak reeds het geluk dat mij wacht. Neen
mijn vreugd is niet over: de inhoud van de brief kende ik, maar daarin was
het niet dat ik mij verblijdde. Droog uw tranen, Jonkvrouw; ik herhaal het,
treur niet meer, want gij zult eerlang op de borst uws vaders kunnen
rusten."
"O heil," zuchtte Machteld, "zou dit waar zijn?--Zou ik mijn vader zien en
spreken? Maar waarom pijnigt gij mij, Mijnheer, waarom verklaart gij mij
dit raadsel niet? O spreek, opdat de twijfel uit mij verdwijne."
Een licht misnoegen verduisterde de heldere gelaatstrekken van de Jonker.
Hij zou zo graag aan Machteld de gevraagde verklaring gegeven hebben, maar
zijn edele ziel kon haar eigen verdiensten niet aan de dag brengen; hij
antwoordde op een toon die zijn droefheid hierover te kennen gaf: "Ik smeek
u, doorluchtige Jonkvrouw, neem mijn stilzwijgen niet ten kwade. Wees
verzekerd dat gij uw heer Vader zien zult, en dat hij zijn dierbare dochter
op vaderlandse grond zal mogen spreken en omhelzen; maar het is mij niet
geoorloofd u iets meer te zeggen."
De jonge Gravin liet zich hierdoor niet vergenoegen. Twee gevoelens dreven
haar tot het ontdekken van het raadsel: de vrouwelijke nieuwsgierigheid en
de twijfel die haar nog overbleef; een zichtbare spijt trok haar
roosvervige lippen te samen en zij sprak: "Mijnheer Adolf, och zeg mij de
zaak die gij verbergen wilt.--Denk niet dat ik onbezonnen genoeg zijn zou,
om het ter mijner schade te ontdekken."
"O jonkvrouw, ik mag--ik kan niet."
"Het zou mij zo verblijden, Mijnheer Adolf. Nu geloof ik uw woorden niet:
gij berooft mij van de vreugde welke ik moest smaken.--Zeg het mij toch."
"Ik bid u om verschoning, Edelvrouw, ik kan het niet doen."
De nieuwsgierigheid van Machteld groeide meer en meer bij de woorden van de
ridder; zij vroeg hem nog meermalen naar het geheim, doch alles was
vruchteloos. Eindelijk kwam ongeduld haar vervoeren, en zij sprak met die
strelende grammoed, die zo toverend op het hart der mannen werkt: "Ik dacht
dat gij mij meer beminde, Mijnheer Van Nieuwland!"
Adolf verbaasde zozeer dat zijn adem gans ophield.
"Dat ik haar meer beminde?" was zijn zucht.
"Gij plaagt mij," ging Machteld voort, "en gij blijft onverbiddelijk voor
mijn smeken. Hoe machtig zijt gij toch tegen het gebed ener zwakke vrouw!
Adolf! Adolf! Ik had meer genegenheid van u te verwachten."
Adolf stond verslagen voor haar en antwoordde niet. Dan veranderde zij van
toon en ging voort: "Mijn vriend, verdrijf toch mijn twijfel.--Ik zal u zo
dankbaar zijn."
De Jonkvrouw had bij deze woorden zulke smekende houding, dat Adolf het
niet langer kon uithouden. Hij besloot haar alles te zeggen, wat de
bekentenis zijner opoffering hem ook moest kosten. Machteld bespeurde haar
overwinning op zijn aangezicht en kwam met een minnelijke glimlach bij hem,
terwijl hij dus tot haar sprak: "Luister, Machteld, hoe wonderlijk ik de
brief en de kennis van dit gelukkig nieuws verkregen heb. Ik zat bij
Zevekote, in diepe mijmering verzonken, en bad vuriglijk om de genade des
Heren over mijn ongelukkige Landheer te roepen. Maar hoe groot was mijn
verwondering, wanneer ik het hoofd opheffende een Priester voor mij zag
staan. Ogenblikkelijk dacht ik dat mijn gebed verhoord was, en dat mij door
deze mens enige troost moest toekomen;--het was ook zo, Edelvrouw, want
door zijn hand ontving ik de brief en uit zijn mond vernam ik de zalige
tijding. Uw vader mag zijn gevangenis voor enige dagen verlaten, maar een
ander ridder moet de keten voor hem aannemen."
"Ho blijdschap!" viel Machteld uit. "Ik zal hem zien en spreken! O mijn
vader--mijn dierbare vader, hoe hijgt mijn hart naar uw zoenen. Adolf, gij
vervoert mij van vreugd, uw woorden zijn zo zoet, mijn vriend! Maar wie zal
de plaats van mijn heer Vader nemen willen?"
"Die man is gevonden," was des ridders antwoord.
"De zegen des Heren dale over hem," riep de Jonkvrouw, "hoe edelmoedig is
hij die mijn vader aldus wil verlossen, en mij het leven wedergeeft. O die
mens zal ik altijd beminnen en danken; want hij verdient nog meer."
De ridder luisterde met het innigst genoegen op de blijde uitroepingen der
Jonkvrouw. Zij wist niet dat degeen, die haar vader wilde verlossen voor
haar stond, en zijn beloning reeds genoot. Nadat de uitdrukking harer
dankbaarheid allengskens in zachtere spreuken was geëindigd vroeg zij:
"Maar wie is toch die edelmoedige ridder?"
Adolf boog zijn ene knie voor de Jonkvrouw en riep met vurige drift: "Wie
anders dan uw dienaar Adolf, o edele dochter van de Leeuw, mijn heer?"
Machteld had zich, op het ogenblik dat de ridder voor haar knielde,
grotelijks verschrikt; hevig schaamrood had haar hoofd gekleurd, maar zodra
zij zijn opoffering verstond, verging dit gevoel om haar hart met liefde en
dankbaarheid te laten vervullen; zij vatte de hand van de Jonker en hem
minnelijk van de grond heffende sprak zij: "Adolf, mijn dierbare Adolf, hoe
kan ik u dit betalen? Wat vraagt gij van Machteld om zulke liefde en zulke
trouw te vergoeden?"
"Uw woorden, o Machteld," riep hij, "maken mij reeds zo gelukkig, dat geen
wens meer overblijft."
Terwijl aanzag de Jonkvrouw hem met stijve blikken; en zij bewonderde de
grootheid van degene die zij zo teder beminde.
Zij bracht zijn hand met de hevigste aandoening aan haar ogen, en twee
tranen vielen warm en glinsterend op de vingers van de bevende Jonker.
Het zou moeilijk zijn de vervoerende blijdschap van Adolf te beschrijven.
Hij scheen eer een zinneloos dan een redelijk mens: onstuimig waren zijn
bewegingen, onbekende woorden ontvielen zijn mond en hij vergat zich zo ver
dat hij zijn lippen op de hand van Machteld dorst plaatsen. Alsof hij, door
deze eerste plichtschennis, stouter ware geworden, verlengde hij zijn zoen
en liet de hand der Jonkvrouw niet los dan op het ogenblik dat hij de
huisdeur hoorde opendoen.
Machteld liet zich hijgend in een zetel neerzinken; de onsteltenis ener
zedige schaamte blonk op haar wangen. Niet dat zij zich als plichtig aan
een zondig bedrijf erkende, want haar hart was zuiver, maar de uitdrukking
van Adolfs gelaatstrekken en zijn gloeiende woorden hadden haar iets gezegd
dat haar fel geschokt had.--Evenals een mens die uit een sluimering
ontwaakt, en zich zijn nare of blijde dromen wil herinneren, stond de
ridder met gebogen hoofd voor de Jonkvrouw.
Tussen het zacht genoegen dat zijn hart overstroomde, kwam een bange vrees
zich mengen, en hij wachtte angstig op het vonnis of het genadewoord der
maagd.
Terwijl zij aldus beiden spraakloos in gedachten dwaalden, kwam de
dienstbode de komst van de Priester aankondigen, en deze werd op bevel van
Adolf in de zaal geleid.
"Wees gegroet, doorluchtige dochter van de Leeuw, onze heer," sprak hij,
zich met eerbied buigende, terwijl hij de kap van zijn kolder op de rug
wierp.
Machteld bezag de monnik met een hardnekkige aandacht, en folterde zich het
geheugen om de naam van degene, wiens stem haar zozeer ontroerde, te
kennen. Eensklaps vatte zij hem de hand en riep met hevige drift, terwijl
haar ogen van vreugde blonken: "O God! Ik zie de boezemvriend mijns vaders.
O Diederik! Ik dacht dat allen, behalve Mijnheer Van Nieuwland ons verlaten
hadden; maar nu heb ik de Hemel te danken, dat hij mij een tweede
beschermer heeft toegezonden. En ik,--ik dorst u in mijn geest van ontrouw
beschuldigen! Vergeef die dwaling aan mijn benepen hart, Mijnheer De Vos?"
Diederik stond verslagen, daar een vrouwenoog zijn kunst had doen feilen;
hij deed zijn baard spijtig af en vertoonde zich dan meer kenlijk voor de
Jonkvrouw. Adolf viel in dankzeggingen uit en drukte hem de hand met tedere
vriendschap. Diederik zich tot Machteld kerende sprak: "Voorwaar Mevrouw,
ik moet bekennen dat gij een scherp gezicht hebt, nu ben ik gedwongen mijn
natuurlijke spraak te hernemen. Ik ware nochtans liever onbekend gebleven;
want het masker dat gij doorgrond hebt, is ten hoogste nodig voor het heil
van mijn meester, de Leeuw. Ik bid u derhalve mijn echte naam voor niemand
uit te spreken: dit zou mij wellicht het leven kosten. Uw gelaat,
Jonkvrouw, getuigt uwer lange smart; maar dezelve zal niet blijven duren,
indien onze vooruitzichten zich verwezenlijken. Nochtans, zo de gevangenis
uws vaders zich tegen onze hoop verlengde, gebiedt u de godsdienst, dat gij
op de rechtvaardigheid des Heren betrouwe. Ik heb Mijnheer Van Bethune
gezien en gesproken, zijn lot is door de goedwilligheid van de Kastelein
verzacht,--en hij verzoekt u om zijnentwille niet te wenen."
"Vertel mij toch wat hij gezegd heeft, Mijnheer De Vos? Laat mij weten hoe
zijn kerker is, en wat hij doet, opdat ik mij, bij het horen van zijn
dierbare naam, moge verheugen?"
Diederik de Vos begon een wijdlopige beschrijving van de toren te Bourges
en verhaalde het meisje alles wat hij zelf wist.
Met de grootste dienstwilligheid antwoordde hij op haar minste vragen, en
troostte haar bij gelukkige voorspellingen. Intussentijd was Adolf uit de
zaal gegaan om zijn zuster Maria over zijn vertrek te onderhouden, en had
geboden dat men zijn paard en zijn wapens tot de reis zou klaar maken. Ook
had hij zijn tocht aan een trouwe dienaar bekendgemaakt, opdat hij hetzelve
aan Deconinck en Breydel zou boodschappen, en om hun waakzaamheid over de
jonge Gravin te roepen; dit was echter onnodig, mits Diederik de Vos reeds
met geheime bevelen bij de Deken der wevers geweest was.
Zodra Adolf in de zaal terugkwam, stond Diederik van zijn zetel op en
sprak: "Mijnheer Van Nieuwland, ik mag hier niet lang meer blijven,
derhalve verzoek ik u een weinig geduld om aan uw gelaat de nodige ouderdom
te geven. Vrees niet dat iets u schaden zal, en laat mij zonder stoornis
begaan."
De ridder plaatste zich op een zetel voor Diederik, en liet het hoofd
achterover hellen. Machteld die niet bedenken kon wat dit mocht beduiden,
stond met de ogen opgespalkt en vol verwondering nevens hen, zij volgde
nieuwsgieriglijk de vinger van Diederik, welke op het aanzicht van Adolf
menigvuldige grijze vlekken en zwarte lijnen tekende. Bij elke trek
verstomde het meisje meer en meer, want het wezen van de ridder veranderde,
en kreeg iets dat haar de gelaatstrekken haars vaders herinnerde. Het hart
van de Jonkvrouw klopte onstuimig van dit wonderwerk. Na al de lijnen en
vagen wel getekend waren, bevochtigde Diederik de wangen en het voorhoofd
van Adolf met een blauwachtig water, en gebood hem op te staan.
"Het is gedaan," sprak hij, "gij gelijkt aan Mijnheer Van Bethune alsof
dezelfde vader u beiden had geteeld, en indien ik zelf u zo niet had
veranderd, zou ik u met de doorluchtige naam van de Leeuw begroeten; ja, ik
ben met eerbied voor uw nieuw gelaat ingenomen, geloof mij."
De jonge Machteld stond sprakeloos en als verdwaald voor Adolf: haar ogen
kon zij niet verzadigen, en zij bezag beurtelings de twee ridders, gelijk
iemand die naar het raadselwoord van een onverstaanbare gebeurtenis vraagt.
Nu geleek Adolf zo nauwkeurig aan Mijnheer Van Bethune, dat zij genegen was
te geloven, dat haar vader wezenlijk voor haar stond; zij dorst echter deze
twijfel door woorden noch gebaren te kennen geven, want sedert enige uren
vreesde zij de liefde van Adolf te zeer.
"Heer Van Nieuwland," sprak Diederik de Vos, "indien gij uw edel voornemen
gelukkig wilt volbrengen, is het raadzaam dat wij deze plaats verlaten, en
dat gij spoedig vertrekke; zo een vijand of ontrouw dienaar u onder deze
gedaante ziet, zijt gij in groot gevaar van uw leven zonder vrucht bloot te
stellen."
Adolf begreep de redelijkheid dezer woorden, en staarde met droeve blikken
op Machteld.
"Vaarwel o edele Jonkvrouw!" nep hij, terwijl een warme traan op zijn wang
rolde, "Vaarwel, en denk soms aan uw dienaar Adolf."
Het is onmogelijk te zeggen hoezeer het meisje bij die woorden ontroerd
werd. Wanneer de jonge ridder haar bekendmaakte dat hij naar Bourges zou
gaan, om Mijnheer Robrecht in de kerker te vervangen, had zij slechts de
schoonste zijde; nu zij zag dat de man welke haar zo lief was, haar op
staande voet ging verlaten, beneep haar hart zich met een grievende
wanhoop. Zij riep: "Wat betekent dit! Waartoe dit plechtig vaarwel? Zal ik
u niet meer zien, Adolf--en wilt gij mij doen sterven? O blijf
hier--verlaat mij niet, ik bid u, gij, mijn enige troost, mijn enige vriend
op aarde, aanhoor mijn spreken; want zonder u, Adolf, kon ik niet meer
leven!"
Welke drift was nu de sterkste in het hart des ridders? De vervoerende
blijdschap, welke deze liefdewoorden hem gaven, of de droefheid die hij bij
's meisjes druk gevoelde? Smart en wellust verwisselden zich in hem, en hij
werd door diepe aandoening geschokt; nochtans kon dit hem geen ogenblik aan
zijn aanloffelijk voornemen onttrekken. Hij knielde nogmaals voor de jonge
Gravin en zuchtte: "O Edelvrouw, geloof mij, het pijnt mij evenzeer u te
verlaten. Een groter geluk zou mij ten deel vallen, indien ik mijn leven
als uw dienaar en knecht in uw bijzijn kon verslijten, maar uw heer Vader
mij in de kerker wacht. Vaarwel dan, bedroef u niet in mijn afwezendheid,
zij moet u zoveel zoete vreugd toebrengen."
De wezenstrekken der Jonkvrouw veranderden eensklaps van uitdrukking, en
zij viel uit: "Mijn dienaar en knecht? Gij, o edele Adolf? Neen...!"
Met opgetogenheid en als uitzinnig wierp zij zich vooruit en liet zich
tegen de borst van de Jonker vallen; haar twee armen dan om zijn hals
slaande riep zij: "Ga, mijn lieve Adolf, verdien de achting mijns vaders,
gelijk gij mijn liefde hebt verdiend.--Ja, dit geheim heeft lang onbekend
in mijn hart gewoond; maar nu gij mij verlaat, nu kan ik het niet meer in
mijn boezem besloten houden. Hoor Adolf: ja ik bemin u!--Niet als een
zuster, met meer kracht, met onrustige drift. Deze bekentenis zij u een
beloning, een troost op een eenzame baan, en belette u bij een goed werk te
lijden. Dit is het inzicht dat mij mijn plicht zo ver doet vergeten. Gij
Diederik, ontvang van mij de last dit geheim aan mijn vader bekend te
maken--zeg hem dat ik zijn genade voor dit verbreken met onderwerping
tegemoet zie."
"Gij engellijke Jonkvrouw," zuchtte Adolf met doffe stem, "gij overlaadt
mij met onuitsprekelijke vreugde. Ik kan dit onverhoopt geluk niet dragen;
de krachten ontgaan mij, neen, mijn ziel is niet voldoende voor zulk een
innig genot...."
De Jonker leunde bij dit gezegde met de elleboog op de rug van een zetel.
Hij was waarlijk zodanig ontroerd dat het leven in hem scheen op te houden.
Machteld liet haar handen bevend over zijn wangen gaan, en poogde hem door
meer strelingen te versterken. Opeens barstte een vloed van wellusttranen
uit de ogen van de gelukkige Adolf, en dan eerst kon hij de tedere
Jonkvrouw weder tegen zijn hijgende borst drukken.
Met medelijden en bewondering had Diederik dit toneel van zuivere liefde
aanschouwd. Denkende dat het tijd was om een einde aan die driftige
uitstortingen te stellen sprak hij: "Mijnheer Van Nieuwland, het dunkt mij
dat gij u niet over het lot te beklagen hebt. Hoe zeer het mij pijnt uw
geluk te verstoren, moet ik u echter van elkaar scheuren; want daar hoor ik
de paarden op de voorhof briesen en met de voeten stampen. De tijd
verloopt!"
Machteld ontknoopte de groene sluier die in haar hulsel hing, en gaf
dezelve met een minnelijke glimlach aan de Jonker.
"Daar!" sprak zij, "Dit diene u tot gedachtenis dergene die aan u gedurig
zal denken. Dit is mijn geliefde kleur."
De ridder ontving dit pand op de ene knie gebogen en bracht het met een
dankbare blik aan zijn lippen.
"O Machteld!" riep hij. "Ik heb deze gunsten niet verdiend, maar kome
eenmaal het ogenblik dat mijn bloed voor het Huis van Vlaanderen moge
stromen,--dan zal ik mij uwer waardig maken, of de dood zal mij het
onverdiend geluk ontroven...."
"Mijnheer! Het is tijd, ik bid u, staak uw dankzeggingen," viel Diederik
uit.
Hierbij voegde hij een gebaar dat als een onherroepelijk vonnis de gelieven
met pijn beving. Zij onderwierpen zich aan het lot: "Vaarwel Machteld."
"Vaarwel, mijn Adolf."
En de ridder ging zuchtend uit de zaal. Op de voorhof gekomen zijnde klom
hij en ook Diederik in de zadel;--enige ogenblikken later liepen twee
paarden met weergalmende stappen door de eenzame straten der stad, totdat
zij onder de Gentpoort verdwenen.
* * * * *
Originele Nederlandstalige tekst van De Leeuw van Vlaanderen, de historische roman van Hendrik Conscience over Vlaanderen en de Guldensporenslag.
Publieke-domeintekst uit Project Gutenberg, beschikbaar gemaakt no Aurora Literunico junto à tradução portuguesa.
Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Uma seleção criada para acompanhar a atmosfera, os personagens e os caminhos desta obra.
Escolha a arte, confira a disponibilidade e adicione o produto ao carrinho sem sair da experiência.
Adquira Relíquias da Obra e deixe sua marca registrada, criando valor ao item!
Capítulos disponíveis para continuar a leitura.
Nenhuma Relíquia desta obra foi adquirida ainda. Seja o primeiro a eternizar seu nome no acervo oficial!
Conhecer as 100 RelíquiasAinda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Nenhuma posse foi registrada publicamente para esta edição.
Durante a leitura, abra Menu para ajustar a experiência sem sair do capítulo. As preferências de aparência ficam salvas neste aparelho.
Recursos identificados como “em preparo” aparecem para antecipar a evolução do leitor, mas ainda não executam uma ação.
Posso mostrar leituras em destaque, clássicos e Relíquias disponíveis agora no Literúnico.
Escolha um caminho
Dúvidas desta página
As explicações do Aurélio são respostas cadastradas pelo Literúnico.