Universo da obra
Universo da obra
9
_Gelyk een rots uit d'afgronds kolken,
Te midden van d'ontembren vloed,
Haer trotsche kruin beurt door de wolken
Wyl stormen breken aen haer voet;
Zoo zag m' u fier het hoofd verheffen,
Ten spyt van 't onbedwingbaer lot._
F. DE VOS
Des anderendaags voor zonsopgang, stond Jan van Gistel met de Leliaren, in
vol harnas, op de Groenselmarkt: een driehonderdtal ruiters en gewapende
dienaars waren er vergaderd. Het grootste stilzwijgen heerste in dit kleine
leger; want om in hun aanslag te gelukken, mochten zij de Burgers van
Brugge niet wekken. Zij wachtten geduldig de eerste stralen der morgenzon
af, om het volk te overvallen en alle wapens uit de huisgezinnen weg te
nemen; vervolgens zouden zij Deconinck en Breydel om hun oproerigheid doen
hangen, en de ambachten tot onderwerping dwingen. Voorzeker wisten zij dat
dit het leven van menig Burger kosten zou; doch zij, die zich alleen de
naam van mens toekenden, bekommerden zich weinig om het leed dat zij het
Grauw konden toebrengen. Ongelukkiglijk voor hen, had de vernuftige
Deconinck hun geheim ontdekt, en zich tot de strijd gereedgemaakt.
Op hetzelfde ogenblik en met dezelfde stilte stonden de wevers en
beenhouwers, met enige andere ambachtsgezellen in de Vlaamsestraat.
Deconinck en Breydel wandelden alleen op een kleine afstand der scharen, en
vormden het ontwerp volgens hetwelk zij wilden te werk gaan. Terwijl de
wevers en beenhouwers op de Leliaards zouden aanvallen, moesten de overige
gezellen zich van de stadspoorten meester maken, en dezelve gesloten
houden, opdat de vijand geen hulp van buiten krege.
Een weinig na dit alzo besloten was, klepte de morgenklok op de
St.-Donaaskerk, en de stappen der paarden van Jan van Gistel weergalmden in
de verte; hierop bewogen zich de scharen der ambachten en togen met de
grootste stilte op de Leliaards aan. Het was juist op de Markt dat de twee
vijandlijke benden elkaar in het gezicht kregen; want de Fransgezinden
kwamen even uit de Breydelstraat, terwijl de ambachten nog in de
Vlaamsestraat waren. Groot was de verbaasdheid der Leliaards, wanneer zij
bemerkten dat hun geheim ontdekt was.
Daarom zagen zij echter van hun ontwerp niet af, want zij waren ridders en
moedige mannen.
Weldra hief de krijgsbazuin haar vervoerende klanken aan, en de paarden
vlogen met hun ruiters tegen de nog in de Vlaamsestraat benepen burgers. De
gevelde speren der Leliaards ontmoetten de Goedendags der wevers die
beweegloos de schok afwachtten. Hoe groot ook de moed en de behendigheid
der ambachtslieden was, konden zij echter uit oorzaak hunner slechte
standplaats, het geweld van die felle aanval niet wederstaan. Vijf uit het
eerste gelid vielen dood of gewond ter aarde, en gaven hierdoor aan de
ruiters het middel om de slagorde te breken; drie scharen weken achteruit
en de Leliaards, die zich reeds meester van het slagveld gisten, hieven de
schreeuw: "Montjoie St.-Denis! Frankrijk! Frankrijk!" in zegepralende
galmen aan. Zij staken en hakten links en rechts op de wevers, en bezaaiden
de plaats waar zij stonden met de lijken der burgers. Deconinck, die
vooraan was, weerde zich dapper met een lange Goedendag en belette voor
enige tijd de verstrooiing der eerste gelederen. Dezen hadden alleen de
ganse macht der Fransgezinden te bevechten; want mits zij in de straten
gesloten waren, konden de achterste gelederen niet in de strijd komen. De
woorden en voorbeelden van de Deken bezwoeren het lot niet lang: de
Leliaards vielen met nieuwe kracht tegen zijn voorste benden, en dreven
dezelve verward op elkander.
Dit was zo spoedig voorgevallen dat er reeds veel gesneuveld waren eer Jan
Breydel, die met zijn ambacht in het diepe der straat stond, het gevecht
kon bemerken. Een beweging, op bevel van Deconinck uitgevoerd, deed de
gelederen opengaan, en stelde hem de toestand en het gevaar der wevers voor
ogen. Hij brulde enige onverstaanbare woorden met hese stem, en zich tot
zijn mannen kerende riep hij: "Vooruit, Macecliers! Vooruit!"
Als razend vloog hij dwars door de wevers heen en liep met al zijn mannen
tegen de ruiters op. De eerste slag zijner bijl ging door de neusplaat en
het hoofd van een paard, en zijn tweede slag velde de ruiter voor zijn
voeten: in een ogenblik trapte hij op vier lijken, en ging verwoed in het
strijden voort; wanneer hij zelf een geringe wonde aan de linkerarm kreeg.
Het zien van zijn eigen bloed maakte hem uitzinnig: schuim kwam op zijn
mond, en de ridder, die hem gewond had, met een vluchtige blik aanziende,
wierp hij zijn bijl weg; zich dan onder de speer van zijn vijand bukkende
sprong hij met razende furie tegen het paard op en klampte zich vast aan
het lichaam van de Leliaard. Hoe sterk deze ook in de zadel zat, moest hij
echter voor het geweld van de dolle Breydel zwichten, en viel, uit de zadel
gerukt, op de grond. Terwijl de Deken der beenhouwers bezig was met zijn
wraak op hem te verzadigen, waren zijn makkers en de overige ambachtslieden
tegelijk op de schaar der Fransgezinden gevallen, en hadden er veel onder
de voet gehaald. Mits de strijdenden lang op dezelfde plaats bleven
vechten, waren de lijken van mensen en paarden dicht gezaaid, en stromen
bloeds verfden de straat met donkerrood.
Nu kon niets meer het geweld der ambachten tegenstand bieden; want daar de
Leliaards achteruit geweken waren, hadden hun vijanden al vechtende zich op
de Markt kunnen uitspreiden. Het was zichtbaar dat zij al de ruiters in een
kring zochten te vangen, en in dit inzicht hun rechtervleugel tot tegen de
Eiermarkt deden strekken. Weldra draaiden de overwonnen ridders hun paarden
om, en vluchtten snellijk om het doodsgevaar te ontkomen. De wevers en
beenhouwers liepen hen met zegepralend geschreeuw na, doch konden hen met
meer achterhalen, dewijl zij op al te goede paarden gezeten waren.
Bij de klank der bazuinen en het gerucht van de strijd was de gehele stad
in rep en roer geraakt, alles was weldra te been.
Duizenden gewapende burgers kwamen uit alle straten toegelopen om hun
broederen te helpen; doch de zege was reeds bevochten. De Leliaards op de
Burcht gevlucht zijnde, werd deze plaats ten allen kanten door de
ambachtsgezellen omsingeld en bewaard.
Terwijl dit bij de Markt aldus gebeurde, berende de Landvoogd De Chatillon
de oproerige stad met vijfhonderd Franse ruiters. Hij had wel voorzien dat
de Bruggelingen, volgens hun oude gewoonte, de poorten zouden gesloten
hebben, en had zich derhalve ook tot het verijdelen van die hinderpaal
bereid gemaakt. Zijn broeder, Guy de St.-Pol, moest hem een talrijk
voetvolk en de nodige werktuigen tot de bestorming aanbrengen. In
afwachting dezer hulp vormde hij reeds het ontwerp der stormloping, en
bespiedde de zwakste zijde der stad.
Alhoewel hij slechts weinig volk op de wallen zag, vond hij het evenwel
niet raadzaam met ruiters alleen iets te ondernemen, want hij wist wat een
ontembaar volk in Brugge woonde. Een halfuur na zijn aankomst verscheen de
stoet van De St.-Pol in de verte: de punten der speren en de helmbijlen
blonken in het verschiet tegen de eerste stralen der zon, en een
ondoordringbaar stof bedekte de paarden die de werktuigen in de baan
voorttrokken.
De weinige Bruggelingen, welke de poort en de wallen bewaarden, zagen dit
talrijk gevaarte niet zonder angst naderen. Wanneer zij de zware balken en
stormtuigen zagen aanbrengen, kregen zij een bang voorgevoel. In weinig
ogenblikken liep de droeve mare rond de stad, en de harten der vrouwen
benepen zich met schrik en wee. De gewapende ambachtslieden waren nog om de
Burcht geschaard, wanneer de tijding van het aankomend stormleger hen in
hun werking verraste. Na enige gezellen ter plaatse gelaten te hebben, om
de uitval der verschanste Leliaards te beletten, liepen zij met allerhaast
naar de vesten en verdeelden zich op de bedreigde muren. Niet zonder voor
hun geboortestad te duchten, zagen zij dat de Franse soldeniers reeds bezig
waren met het ineenvoegen der balken die tot schrikverwekkende werktuigen
moesten opklimmen.
De belegeraars werkten op een ruime afstand der muren en waren niet onder
het bereik der pijlen die hun uit de stad konden toegezonden worden: zij
gingen gerust in hun voorbereidsels voort, terwijl De Chatillon met zijn
ruiters elke uitval der Burgers belette. Het duurde niet lang of hoge
torens met valbruggen verhieven zich in het leger der Fransen; stormrammen
en springalen waren ook bijkans veerdig, en alles voorspelde de
Bruggelingen een akelig lot.
Hoe groot het gevaar ook was, kon men op de aanzichten der ambachtslieden
toch geen laffe vrees herkennen; zij hechtten de ogen stijf en beweegloos
op de vijand, hun boezems klopten zeer, en hun adem werd kort: dit was de
eerste aandoening, die hen bij het gezicht van het dreigend leger trof.
Welhaast, en zonder dat zij de ogen van de vijand gewend hadden, stroomde
het bloed vrijer in hun aderen, een manlijk vuur glimde op hun wangen, en
ieder Burger voelde de vervoering der wraakzucht en des heldentoorns in
zijn hart blaken.
Een enig man stond blij en vrolijk op de wal: het scheen bij zijn onrustige
bewegingen en bij de glimlach van genoegen, die over zijn gelaat liep, dat
hij een gelukkig uur zag naken. Bijwijlen bracht hij zijn vlammend oog van
de vijand op de slachtbijl die in zijn sterke mannenvuist flikkerde, en
streelde het moordstaal met meer liefde, dan of hij zich op de zachte
boezem zijner bruid had verlustigd.--Die man was de onversaagde Jan
Breydel.
De Dekens der ambachten kwamen allen bij Deconinck en bleven stilzwijgend
op zijn raad of zijn bevelen wachten. Volgens zijn gewoonte bedacht de
Deken der wevers zich lange tijd, en blikte mijmerend op het Franse leger.
Deze langdurigheid viel de onrustige Breydel zeer lastig; hij riep met
ongeduld: "Nu dan, meester Deconinck, wat beveelt gij? Zullen wij ter
poorte uitlopen om die Franse snakkers op het lijf te vallen, of zullen wij
ze op onze wallen doodslaan?"
De Deken der wevers antwoordde niet; hij bleef nog in diep gepeins op de
vijandlijke werken staren, en telde nauwkeuriglijk de grote stormtuigen die
in menigte gebouwd werden.
Alhoewel de omstaande ambachtslieden op zijn gelaat de voortekens zijner
woorden poogden te lezen, konden zij niet dan koude bedenking er op vinden.
In het hart van Deconinck was wel zoveel rust en koelheid, maar minder hoop
op geluk: hij begreep dat het onmogelijk was het geweld der vijanden te
wederstaan; want de reuzenstaltige springalen en hoge torens gaven de
Fransen te veel voordeel op de Burgers, die van zulk oorlogstuig niet
voorzien waren. Wanneer hij zich ten volle overtuigd had dat de stad,
indien zij bestormd werd, door het vuur en het zwaard zou vernield worden,
besloot hij een droef middel te gebruiken, en zich tot de Dekens kerende,
sprak hij langzaam: "Makkers, de nood is dwingend! Onze stad, de bloem van
Vlaanderen is verkocht geweest, en wij hebben het niet geweten. In deze
toestand kan de voorzichtigheid alleen ons behulpzaam zijn; hoezeer de
opoffering uwer edele gevoelens u ook pijnen moet, bid ik u, wel te
bedenken dat, zo loffelijk als de held is die zijn bloed voor de rechten
zijner medeburgers stort, zo onwijs is ook de roekeloze die zijn Vaderland
door vermetelheid in gevaar stelt. Hier helpt geen strijden..."
"Wat! Wat?" viel Jan Breydel uit. "Hier helpt geen strijden! Wie duivel
geeft u deze woorden in?"
"De voorzichtigheid en de liefde tot mijn geboortestad," antwoordde
Deconinck. "Wij mogen als Vlamingen, op de rokende puinen onzer stad met
het wapen in de hand sterven; wij kunnen tussen de bloedige lijken onzer
broeders juichend neerzinken--wij zijn mannen. Maar onze vrouwen--onze
kinderen; zouden wij die weerloos en verlaten aan de wulpsheid en
wraakzucht onzer vijanden overleveren? Neen, de moed is de man tot de
bewaarnis zijner zwakkere medemensen geschonken ... Wij moeten de stad
overgeven!"
Even alsof een pletterende donder tussen hen nederviel, verschrikten de
omstaanders op dit gezegde, en bezagen de Deken met nijdige toorn, dit
scheen hun een honende laster: zij riepen tegelijk en met de grootste
verbaasdheid: "De stad overgeven!--Wij?"
Deconinck bleef koel voor hun verwijtende blikken en antwoordde: "Ja
makkers, hoezeer dit ook aan uw vrije harten mishaagt, is dit echter de
laatste toevlucht die ons overblijft, om onze stad van de verwoesting te
redden."
Jan Breydel had, gedurende deze woorden, met bitsig ongenoegen geraasd en
getierd. Wanneer hij bemerkte dat er reeds velen der Dekens wankelden en
tot de onderwerping overhelden, kwam hij driftig vooruit en riep: "De
eerste van Ulieden, die nog van overgeven durft spreken, die strek ik als
een verrader voor mijn voeten! Ik sterf liever lachend op het lijk eens
vijands dan een eerloos leven te behouden. Wat denkt gij dan--dat mijne
Macecliers alzo voor het gevaar beven? Neen, ziet ze daar met hun
opgestroopte mouwen; het hart klopt hun zo fel, zij hijgen zo onrustig naar
de slachterij! En zal ik hun zeggen, geeft de stad over? Ho, die taal
verstaan zij niet. Ik zeg het u, bij Mijnheer Sint-Jan! Wij bewaren onze
vaderstad en wie bang is, ga naar huis bij de vrouwen en kinderen. De hand
die de poort opent, zal nimmermeer weder opgeheven worden, mijn bijl zal
over die lafheid recht doen!"
Vol woede liep hij naar zijn beenhouwers, en wandelde met snelle tred voor
de scharen van het ambacht. "De stad overgeven! Wij de stad overgeven?"
herhaalde hij menigmaal met een uitdrukking van toorn en verachting.
Enige der aanleiders van het ambacht hadden dit gehoord en vroegen hem met
verbaasdheid wat hij zeggen wilde. Dan barstte hij uit: "De Hemel zij ons
genadig, o mannen! Mijn bloed kookt dat de aderen mij gespannen staan.--Ho
laster! Onverdraaglijke laster! Ja, de wevers willen de stad aan de
snakkers overgeven. Maar ik beroep u, broederen, blijft met mij--en wij
zullen allen als echte Vlamingen sterven. Beziet de grond die uw voeten
raakt,--daar sneuvelden de Macecliers, onze vaderen! Zegt nu, dit is mijn
graf! Ja dit zij ons graf en dat der Fransen. Onze dood blijft de laffe
wevers een eeuwige schande. Wie geen beenhouwershart heeft, mag naar huis
gaan.--Laat horen, wie strijdt met mij tot de dood?"
De stemmen der beenhouwers mengden zich in een aaklig gehuil, en driemaal
verlengde zich het holle woord "dood!" Als de zucht die uit de boezem van
de zwangere afgrond opstijgt. "Tot de dood!" was de roep welke uit
zevenhonderd gloeiende borsten opklom, en die bloedige eed versmoorde
tussen het naar gekrijs der slachtbijlen welke op de stalen priem werden
geslepen.
Onderwijl hadden de meeste Dekens, door Deconinck overtuigd, het droeve
middel als heilzaam aangenomen, en zouden de stad wel gaarne overgegeven
hebben; maar nu was dit door Breydels tegenkanting onmogelijk geworden. Op
het gezicht der schrikkelijke stormtuigen die in menigte boven het
vijandlijk leger oprezen, besloten zij, in weerwil van de Deken der
beenhouwers, met de vijand in onderhandeling te treden.
Maar de onrustige Breydel bemerkte hun inzicht. Als een gewonde leeuw
brulde hij van woede in onverstaanbare woorden en liep alzo naar Deconinck.
De beenhouwers, die de toorn van hun Deken verstaan hadden, volgden hem in
wanorde en van wraaklust vol.
"Sla dood! Sla dood!" huilden de scharen als razend. "Sla dood de verrader
Deconinck! Deconinck!!"
Het leven van de Deken der wevers was in groot gevaar; echter zag hij deze
woedende menigte op zich aankomen zonder de minste ontsteltenis op zijn
wezenstrekken te laten blijken. Gelijk iemand die met medelijden op
zinnelozen nederziet, vouwde hij de armen op de borst en staarde koud en
als onverschillig op de aankomende beenhouwers. Te midden uit de golvende
scharen steeg de schrikverwekkende roep: "Slaat hem dood, de verrader!"
Gedurig met meer bitsigheid--en reeds was de bijl niet ver meer van de
schedel des groten mans. Hij stond onwrikbaar, als een reuzeneik die het
geweld der orkanen tart, en van het bolwerk waarop hij zich had geplaatst,
beheerste hij de menigte als een Rechter.
Op dit ogenblik liep een vreemde uitdrukking over het gelaat van Breydel.
Men zou gezegd hebben dat hij eensklaps van gevoel was beroofd; want de
bijl hing onachtzaam nevens zijn zijde. Hij bewonderde de grootheid van de
man wiens raad hij wilde bestrijden; dit duurde niet langer dan het
vluchtend gedacht der mensen. Eensklaps bemerkte hij het gevaar van zijn
vriend, hij wierp de beenhouwer, die zijn bijl reeds boven het hoofd van
Deconinck had geheven, voor zijn voeten op de grond, en schreeuwde: "Houdt
op, mannen! Houdt op!"
Men luisterde in den eerste niet naar dit bevel, want in deze verwarring
van moordkreten was het niet mogelijk de stem van iemand te herkennen.
Breydel plaatste zich dreigend voor de Deken der wolwevers, en zwaaide als
een vervoerde met zijn bijl in het rond. Dan eerst verstonden zijn makkers
dat hij Deconinck wilde beschermen: zij lieten de wapens neergaan en bleven
met dreigende morringen op de uitkomst wachten.
Terwijl Breydel bezig was met hen tot bedaren te brengen, kwam er een
wapenbode uit het Frans leger tot aan de voet van de muur boven dewelke
deze beroerte plaatshad. De aandacht der woelige Bruggelingen werd hierdoor
ogenblikkelijk van Deconinck getrokken en tot de wapenbode gewend. Deze
riep de belegerden aldus toe: "In de naam van onze machtige Vorst Philippe
van Frankrijk, wordt het u, oproerige onderdanen, door mijn Veldheer De
Chatillon gevraagd, of gij de stad op zijn genade wilt overgeven!--Indien
gij na verloop van tien stonden op deze eis niet geantwoord hebt, zal het
geweld der stormtuigen uw vesten omverwerpen, en alles zal door het zwaard
en het vuur vernield worden!"
De ogen van al degenen die deze opeising gehoord hadden, vestigden zich
eenpariglijk op Deconinck, en dezelfde man, die zij zo-even hadden willen
doden, schenen zij nu om raad te smeken. Breydel zelf bezag Deconinck met
ondervragend gelaat, doch niemand kreeg het gewenste antwoord. De Deken der
wolwevers stond stilzwijgend te midden onder hen, en scheen tot de daders
dezer gebeurtenissen niet te behoren.
"Wel, mijn vriend Deconinck, wat raadt gij ons?" vroeg Breydel.
"Dat men de stad overgeve!" was het koele antwoord.
De beenhouwers begonnen opnieuw te morren en te razen, doch een dwingend
teken van Jan Breydel bracht hen tot stilte.
"Denkt gij, Deconinck," vroeg hij, "dat wij met moed, met onversaagdheid de
stad niet kunnen bewaren? Is de hoogste dapperheid hier dan onmachtig?
Rampzalig uur!"
Het was zichtbaar op de wezenstrekken van Breydel hoe hem deze vraag
pijnde. Zozeer als zijn ogen in de lust tot strijden geblaakt hadden,
zozeer waren zij nu verduisterd en beroofd van het heldenvuur dat er
gewoonlijk in gloeide.
Deconinck hief zijn stem boven de omstaande scharen en sprak: "God en gij
allen zijt mij getuigen, dat de liefde tot het Vaderland alleen mij
aandrijft. Voor mijn moederstad heb ik mij aan uw dolle woede blootgesteld,
en alzo zou het mij ook niets kosten door de hand des vijands te sterven;
maar het bewaren der parel van Vlaanderen is mij een heiliger taak; belaadt
mij vrij met laster--hoont en bespot mij als een verrader: ik weet wat
plichten ik te kwijten heb. Niets, hoe pijnlijk ook, kan mij aan het edel
doel onttrekken, en ik zal u eens vrijmaken, al ware het tegen uw dank. Ik
herhaal het nu voor de laatste maal:--het is onze plicht, wij moeten de
stad overgeven."
Wie gedurende deze korte aanspraak het gelaat van Breydel gezien had, zou
verscheidene aandoeningen erop bemerkt hebben: spijt, woede, droefheid
verwisselden zich steeds in hem, en het was aan de wringing zijner vuisten
zichtbaar dat hij tegen zijn eigen driften worstelde. Op het ogenblik dat
de spreuk: "Wij moeten de stad overgeven!" nog eenmaal als een doodvonnis
in zijn oor geklonken had, werd hij door inniger droefheid getroffen, en
bleef een korte wijl, als in gedachten onttogen, staan.
De beenhouwers en andere ambachtslieden lieten hun ogen beurtelings op de
twee Dekens gaan en wachtten in een plechtig stilzwijgen.
"Meester Breydel," riep Deconinck, "zo gij de oorzaak onzes ondergangs niet
zijn wilt, geef dan ras uw jawoord. Ginds komt de wapenbode der Fransen
terug; de tien stonden zijn verlopen."
Breydel rees eensklaps uit de diepe bedenking, en antwoordde met droeve
toon: "Gij wilt het, Meester? Het moet zo zijn? Welnu geef de stad over..."
Bij deze woorden vatte hij de hand van Deconinck en drukte dezelve met
ontroering: twee tranen van innige smart rolden uit zijn blauwe ogen, en
een doffe zucht kwam over zijn lippen.
De twee Dekens bezagen elkander met een dier blikken waarin de ziel zich
gans zien laat. Zij verstonden elkander plotseling, en hun armen
strengelden zich in een omhelzing te samen.
Daar lagen de twee grootste mannen van Brugge, heldenmoed en vernuft, met
borst tegen borst, in wederzijdse bewondering verzonken.
"O dappere broeder," riep Deconinck, "uw ziel is groot! Wat strijd hebt gij
in uw boezem doorstaan! Toch hebt gij u verwonnen."
Op het gezicht van dit roerend toneel, liep een schreeuw van blijdschap
door al de scharen, en de nijd ontvlood de boezem der strijdbare Vlamingen.
Door bevel van Deconinck hief de bazuinblazer der wevers driemaal in
schaterende tonen aan, en riep tot de Franse wapenbode: "Geeft uw Veldheer
vrijgeleide aan onze taalman?"
"Hij geeft vrijgeleide volgens krijgsgebruik en op zijn trouw," was het
antwoord.
De egge werd bij deze verzekering omhoog gehaald en de brug viel neer om
twee Burgers uit de stad te laten. De een was Deconinck en de andere de
wapenbode der ambachten. Wanneer deze in het Frans leger gekomen waren,
werden zij tot in de tent van de Veldheer De Chatillon gebracht. De Deken
der wevers naderde met stout gelaat voor de Landvoogd en sprak: "Mijnheer
De Chatillon, de Poorters der stad Brugge laten u, door mij, hun Gezant,
weten dat zij om het dierbaar mensenbloed niet nutteloos te vergieten,
besloten hebben u de stad over te leveren; daar echter niets dan dit edel
gevoel hen tot onderwerping dwingt, hebben zij u de volgende voorwaarden
doen aanbieden, te weten, dat de kosten der intrede des Konings niet door
een nieuwe belasting op de derde staat zullen geheven worden, dat de
Wethouders zullen worden afgezet, en dat er geen hoegenaamde vervolging ter
oorzake van oproerigheid zal gedaan worden. Gelieve mij te zeggen of gij
deze voorwaarden aanneemt of niet."
De wezenstrekken van de Landvoogd betrokken zich door innige gramschap.
"Wat taal is dit?" riep hij. "Hoe durft gij mij voorwaarden opleggen, daar
ik alleenlijk mijn stormtuigen vooruit te brengen heb om uw muren tot puin
te verbrijzelen?"
"Dit is mogelijk," antwoordde Deconinck, "maar ik zeg het u, en neem mijn
woorden in acht: de grachten onzer stad zullen met de lijken uwer mannen
vervuld worden, eer een Fransman onze wallen beklimme. Wij hebben ook geen
gebrek aan oorlogstuig en de historie is daar, om u te bewijzen dat de
Bruggelingen voor de vrijheid sterven kunnen."
"Ja, ik weet dat de koppigheid uw kenmerk is, maar dit geeft mij weinig;
want de moed der Fransen kent geen hinderpalen. Ik wil de stad op genade en
ongenade hebben,--dit is mijn antwoord."
De Chatillon had bij het zien der ontellijke ambachtslieden en derzelver
trotse houding boven de wallen, een angstig voorgevoel der aanstaande
slachting gekregen. De voorzichtigheid deed hem om de overgaaf der stad
wensen; want hij kende de onversaagdheid der Bruggelingen, en was derhalve
zeer blijde wanneer de komst van Deconinck zijn wens vervulde; maar de
voorwaarden, die men hem aanbood, behaagden hem geenszins. Hij zou dezelve
wel toegestaan hebben, met het staatkundig nagedacht zich op een linkse
wijze aan de uitvoering derzelve te onttrekken; maar hij mistrouwde de
Deken der wevers, en twijfelde aan de echtheid zijner woorden. Willende dan
beproeven of de Bruggelingen waarlijk het voornemen hadden zich tot de dood
te verdedigen, gaf hij met luider stemme het bevel om de werktuigen tot de
stormloping aan te voeren.
Gedurende de onderhandeling had Deconinck met doordringende blikken de
uitdrukking van het gelaat des Veldheers gepeild, en in dezelve veel
weifeling en gemaaktheid gevonden. Dit was hem genoeg om te weten dat De
Chatillon het gevecht niet wenste. Hij hield dan zijn voorwaarden staande,
ondanks de bewegingen die reeds tot het stormlopen gedaan werden.
De koele standvastigheid van Deconinck bedroog de Franse Veldheer; hij
bleef overtuigd dat de Bruggelingen hem niet vreesden, en hun stad met
hardnekkigheid zouden verdedigen. Zijn gans leger en het Land van
Vlaanderen aan die afzonderlijke zaak niet willende wagen, begon hij met
Deconinck over de voorwaarden te twisten. Eindelijk, na lange
woordwisseling, kwamen zij overeen dat de Wethouders in hun ambten zouden
blijven; de andere punten werden de Bruggelingen toegestaan.
De Landvoogd had van zijn kant doen aannemen dat hij zoveel soldeniers als
hem beliefde in de stad mocht leggen.
Zodra de zegelbrief door hen beide vervaardigd en getekend was, keerde de
Deken der wevers met de wapenbode naar de stad terug. De voorwaarden werden
in al de straten uitgeroepen. Een halfuur daarna deed het Franse leger met
klinkende bazuinen en vliegende banieren de zegepralende intrede, en de
ambachtslieden gingen met het hart vol spijt en droefheid naar hun woning
terug. De Wethouders en Leliaards kwamen van de Burg, en de stad verkreeg
een schijnbare rust.
* * * * *
Originele Nederlandstalige tekst van De Leeuw van Vlaanderen, de historische roman van Hendrik Conscience over Vlaanderen en de Guldensporenslag.
Publieke-domeintekst uit Project Gutenberg, beschikbaar gemaakt no Aurora Literunico junto à tradução portuguesa.
Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Uma seleção criada para acompanhar a atmosfera, os personagens e os caminhos desta obra.
Escolha a arte, confira a disponibilidade e adicione o produto ao carrinho sem sair da experiência.
Adquira Relíquias da Obra e deixe sua marca registrada, criando valor ao item!
Capítulos disponíveis para continuar a leitura.
Nenhuma Relíquia desta obra foi adquirida ainda. Seja o primeiro a eternizar seu nome no acervo oficial!
Conhecer as 100 RelíquiasAinda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.
Nenhuma posse foi registrada publicamente para esta edição.
Durante a leitura, abra Menu para ajustar a experiência sem sair do capítulo. As preferências de aparência ficam salvas neste aparelho.
Recursos identificados como “em preparo” aparecem para antecipar a evolução do leitor, mas ainda não executam uma ação.
Posso mostrar leituras em destaque, clássicos e Relíquias disponíveis agora no Literúnico.
Escolha um caminho
Dúvidas desta página
As explicações do Aurélio são respostas cadastradas pelo Literúnico.