Leia agora
De Leeuw van Vlaanderen

Universo da obra

De Leeuw van Vlaanderen

Capítulo 15 · De Leeuw van Vlaanderen

Hoofdstuk 15

15 de 25 ≈ 32 min de leitura

Hoofdstuk 15

15

_Doch waer toe dient heur tegenstand
By snooden moordnaersslach?
Wat kan een swakke vrouwenhand
By d'ongelyken slag?_

JM DAUTZENBERG

Gedurende de acht dagen die op deze voorvallen volgden, verlieten nog meer
dan drieduizend Burgers de stad Brugge, en begaven zich te Aardenburg bij
Deconinck, ofte Damme bij de Deken der beenhouwers. Door de verwijdering
dezer strijdbare mannen verstout zijnde, gaven de Fransen zich aan alle
losbandigheden over, en behandelden de overgebleven inwoners als gekochte
slaven[82]. Nochtans waren er veel Bruggelingen, welke door de Fransen niet
gehinderd werden en met hen spraken en vrolijk waren, alsof zij met
broeders hadden omgegaan; doch dit waren Vlamingen, die hun vaderland
verloochend hadden, en de gunst der vreemden door laagheid poogden te
verkrijgen: zij roemden op de schandnaam van Leliaard als op een erewoord.
De anderen waren Klauwaards, echte zonen van Vlaanderen, die het juk met
ongeduld droegen; maar het goed dat zij bij het zweet huns aanschijns
vergaderd hadden, was hun te dierbaar, om het weerloos in de handen der
uitheemse plunderaars over te laten.

Op deze Klauwaards en op de vrouwen en kinderen der gebannenen was het, dat
de Fransen hun kleinhartige dwingelandij uitoefenden. Niets kon hen thans
in hun lage wraak wederhouden; zij ontroofden vrijelijk alles wat hun
beliefde, haalden de waren met geweld uit de winkels, en betaalden dezelve
met scheldwoorden en lasteringen. Dit verbitterde de verdrukte Burgers
zozeer dat zij niets meer in hun winkels te koop hingen, en gezamenlijk
weigerden de Fransen nog een stuk vlees of een bete broods te verkopen. Zij
verborgen de levensmiddelen in de grond, om dezelve aan de opzoeking des
vijands te onttrekken; in vier dagen tijds waren de mannen der bezetting
zodanig uitgehongerd dat zij bij hopen in de velden rondliepen om iets te
vinden[83]. Gelukkiglijk voor hen werd hierin ten dele door de zorg der
Leliaards voorzien; des niettegenstaande bleef er een lastige schaarsheid
in de stad heersen. De huizen der Klauwaards waren gesloten, niemand dreef
enige koophandel, en alles, behalve de roerige soldeniers en laffe
Leliaards, alles scheen in de stad voor eeuwig te slapen. De ambachtslieden
zonder werk zijnde, konden de schattingen niet opbrengen, en waren
genoodzaakt zich te verbergen om de vervolgingen van de Tolheer Jan van
Gistel te ontgaan. Wanneer de bedienden van de Tol des zaterdags rondgingen
om de witte penning te ontvangen, vonden zij nooit een man thuis; het was
dan alsof al de Bruggelingen de stad verlaten hadden. Veel ambachtslieden
klaagden bij Jan van Gistel dat zij, niets winnende, de tol niet konden
betalen; maar de verbasterde Vlaming luisterde niet naar deze rede, en
wilde de schatpenningen met geweld doen lichten: een groot getal Burgers
werden in de gevangenissen gesmeten, anderen ter dood gebracht.

Mijnheer De Mortenay, de Franse Stadsvoogd en overste der bezetting, min
wreed dan de Tolheer, wilde in deze uiterste toestand de lasten doen
verminderen, en zond met dit inzicht een bode naar Kortrijk, om de Veldheer
De Chatillon de hongersnood en de aaklige gesteltenis der bezetting te
klagen, en hem tot het afschaffen van de witte penning te doen overgaan.
Jan van Gistel, die door zijn landgenoten als een bastaardvlaming verfoeid
en gehaat was, nam deze gelegenheid waar om de Veldheer De Chatillon tot
strengheid aan te drijven. Hij schetste de wederspannigheid der
Bruggelingen in zwarte kleuren af, en riep om wraak over hun koppigheid;
voorgevende dat zij niet werken wilden, om de witte penning met enige
schijn van reden te kunnen weigeren.

Bij het ontvangen dezer boodschap ontvlamde De Chatillon in hevige toorn;
hij zag met pijn dat al zijn moeite, aangewend om des Konings bevelen te
volvoeren, nutteloos waren, want het Vlaamse volk was ontembaar. In alle
steden waren dagelijks beroerten; de haat tegen de Fransen barstte overal
uit, en in sommige plaatsen, als in Brugge, werden de dienaren van Koning
Philippe le Bel zowel bedektelijk als bij klare dag om hals gebracht[84].
De omgestorte torens van Male waren ook nog niet koud, en het bloed der
gesneuvelde Fransen was nog niet van derzelver puinen verdwenen.

De bron, uit dewelke deze voor Frankrijk zo bittere beek over gans
Vlaanderen vloeide, ontsprong in Brugge: daar was het dat het vuur des
oproers zich eerst had vertoond. Breydel en Deconinck waren de hoofden des
draaks die zich niet onder de staf van Philippe le Bel wilde buigen. Bij
deze overweging besloot De Chatillon een krachtdadige poging te doen, en de
vrijheid van Vlaanderen in het bloed der wederspannelingen te versmoren;
die schreeuwende straf wilde hij als een schrikwekkende gesel
gebruiken.--Hij vergaderde spoedig zeventienhonderd ruiters uit
Henegouwen, Picardië en Waals-Vlaanderen; hierbij voegde hij een grote
bende voetknechten en toog, vol woede, met dit leger naar Brugge.

Tussen de levensmiddelen en andere goederen welke dit gevaarte vergezelden,
waren ook enige grote vaten met koorden en stroppen gevuld; deze bestemde
De Chatillon tot een wreed en schrikkelijk werk. Deconinck, Breydel, en al
hun gezellen moesten aan dezelve gehangen worden[85].

Om de Klauwaards geen tijd tot voorafgaande muiterijen te laten, had de
Franse Landvoogd zijn komst bedektelijk aan Mijnheer De Mortenay kenbaar
gemaakt; niemand dan de Stadsvoogd wist iets van de schriklijke wraakneming
die er moest gebeuren.

De 18 mei 1302, om negen uur des morgens, kwam het leger der Fransen met
vliegende vaandels in de stad. De Chatillon reed aan het hoofd zijner
zeventienhonderd ruiters, zijn blikken waren dreigend en wreed; ook
bevingen zich de harten der Burgers met een pijnlijk angstgevoel en reeds
voorzagen zij een gedeelte der rampen die hen moesten treffen. De
Klauwaards kon men aan de uitdrukking dezer aandoening herkennen: hun
hoofden hingen gebogen en de diepste droefheid schetste zich op hun gelaat,
nochtans dachten zij niet dat hun iets meer dan de afeising van de witte
penning en een sterkere verdrukking zou geschieden.

De Leliaards hadden zich op de Vrijdagmarkt bij de bezetting in een hoop
geschaard. Hun was de komst van de landvoogd zeer aangenaam, want hij moest
ook hen over de verachting der Klauwaards wreken. Zodra De Chatillon hen
genaakte, riepen die laffe bastaarden met herhaalde galmen: "Heil
Frankrijk! Heil de Landvoogd!"

Door nieuwsgierigheid gedreven, was het volk in menigte bijeengelopen, en
had het zich in een dikke schaar tegen de Vrijdagmarkt vergaderd. Op alle
wezenstrekken stond een onzeglijke uitdrukking van vrees en benauwdheid. De
vrouwen drukten hun kinderen stilzwijgend tegen de borst, en menigen
ontviel een traan, zonder dat zij derzelver oorzaak verstonden. Hoe bang
zij allen ook voor de wraak des Landvoogds waren, riep echter geen van hen:
"Heil Frankrijk!" Schoon nu onmachtig, gloeide de haat tegen de verdrukkers
van Vlaanderen in hun harten, en tussen hun droefheid kwam soms nog een
dreigende blik, als een vluchtige straal, uit hun ogen glimmen; dan dachten
zij aan Deconinck en Breydel en droomden van een bloedige weerwraak.

Terwijl zij op de bewegingen der Fransen staarden, had De Chatillon zijn
mannen in dezer voege op de plaats geschikt: een lange rij ruiters stond
aan weerszijde; een vendel soldeniers raakte aan beide kanten in het diepe
der markt tegen deze ruiters, en alzo was dit deel der plaats gesloten; de
andere zijde werd met inzicht opengelaten, opdat de Burgers mochten zien
wat er ging gebeuren. Wanneer die schikkingen genomen en uitgevoerd waren,
zond men de overige ruiters en soldeniers bedektelijk naar de stadspoorten
om dezelve te sluiten en te bewaren.

Mijnheer De Chatillon stond, met enige oversten, te midden zijner ruiters.
De Kanselier Pierre Flotte, de Stadsvoogd De Mortenay en Jan van Gistel, de
Leliaard, schenen met hem over een zeer aanbelangend voorwerp te handelen;
want hun gebaren toonden de uiterste drift. Alhoewel zij zacht genoeg
spraken om niet van de Burgers gehoord te worden, konden de Franse Oversten
er soms wel iets van verstaan; meer dan een brave ridder bezag het bange
volk met medelijden en de verrader Van Gistel met verachting,--want deze
sprak tot de Landvoogd: "Geloof mij, Mijnheer, ik ken mijn koppige
landgenoten: uw genade zou hun trotsheid vermeerderen. Warm toch de slang
niet die u moet steken. Ik weet het bij ondervinding, de Bruggelingen
zullen de nek niet buigen, zolang de opstokers onder hen wonen; dit onkruid
moet men versmachten of men wordt het nooit meester."

"Het schijnt mij," viel de Kanselier grimlachend in, "dat Mijnheer Van
Gistel zijn landgenoten niet zeer bemint; want zo helpe mij God, indien men
hem geloven wilde, zou er morgen geen levend mens meer in Brugge zijn."

"Voorwaar, Mijne heren," hernam Van Gistel, "het is de liefde tot mijn
Koning die mij deze woorden inboezemt. Ik herhaal het, de dood van de
belhamels alleen kan het vuur des oproers in onze stad dempen. De lijst der
hardnekkigste Klauwaards heb ik in mijn geheugen; zolang deze muiters in
Brugge vrijelijk mogen wandelen is de rust onmogelijk."

"Tot wat getal beloopt die lijst?" vroeg De Chatillon.

"Tot omtrent de veertig," was het koele antwoord.

"Hoe?" viel De Mortenay met verontwaardiging uit. "Gij zoudt veertig dezer
Burgers doen hangen? Het zijn deze niet die zulke wrede straf verdiend
hebben; maar wel de gebannenen welke zich te Damme ophouden. De belhamels
Deconinck en Breydel met hun aanhangers zijn het die zich der dood schuldig
gemaakt hebben; maar niet die zwakke Burgers, welke gij om eigen wraak wilt
gehangen zien."

"Mijnheer De Mortenay," bemerkte De Chatillon, "gij hebt mij geboodschapt
dat zij uw soldeniers geen eten meer wilden verkopen: is dit niet genoeg?"

"Het is waar, Landvoogd, zij hebben die weigering ten onrechte gedaan; het
was hun plicht als onderdanen te gehoorzamen; maar mijn soldeniers hebben
in zes maanden nog geen betaling ontvangen, en de Vlamingen willen niets
dan tegen klinkend geld verkopen. Het zou mij in der waarheid spijten,
indien mijn zendbrief zulke beklagelijke gevolgen moest hebben."

"Deze vrees kan de Kroon van Frankrijk zeer schadelijk zijn," sprak Van
Gistel. "Het verwondert mij, dat Mijnheer De Mortenay de oproerige
Bruggelingen voorstaat!"

De Mortenay werd bij dit verwijt zeer toornig, want Van Gistel had aan deze
woorden een honende klem gegeven. De edelmoedige Stadsvoogd bezag de
Leliaard met verachting en antwoordde: "Indien gij uw Vaderland bemindet,
zoudt gij de dood uwer ongelukkige broederen niet eisen, en ik, Fransman,
zou hen niet moeten verdedigen.--En luister! Ik zeg het, dat de Landvoogd
het hore: de Bruggelingen zouden ons geen levensmiddelen geweigerd hebben,
indien gij de witte penning niet zo onredelijk en zo dwingend had afgeëist.
U zijn wij deze onrusten schuldig, want gij zoekt niets dan uw landgenoten
te verdrukken, en gij boezemt hun een bittere haat tegen ons in."

"De Heer zij mij getuige dat ik de bevelen van Mijnheer De Chatillon
trouwelijk volbracht heb."

"Dit was in het geheel uw inzicht niet," hernam De Mortenay, "maar gij hadt
u over de verachting der Bruggelingen te wreken. Een grote dwaling van de
Koning onze meester is, dat hij een man, die door iedereen verfoeid wordt,
als Tolmeester over Vlaanderen heeft aangesteld."

"Mijnheer De Mortenay," riep Van Gistel met drift, "gij zult mij rekenschap
over deze woorden geven."

"Mijne heren," viel de Landvoogd terug in, "ik verbied u elkander in mijn
tegenwoordigheid nog te spreken; uw degens zullen uw twist beslissen. Ik
zeg u, Mijnheer De Mortenay, dat uw redenering mij mishaagt, en dat de
Tolmeester volgens mijn wil heeft gehandeld; de Kroon van Frankrijk moet
gewroken worden, en indien de belhamels de stad niet verlaten hadden,
zouden er meer galgen dan kruisstraten in Brugge zijn. In afwachting dat ik
de ambachten te Damme ga straffen, wil ik deze oproerige stad een streng
voorbeeld geven.--Mijnheer Van Gistel, noem mij de acht koppigste
Klauwaards, opdat er een spoedig recht gedaan worde."

Ten einde zijn wraak niet te missen liet Van Gistel zijn ogen over het
verbaasde volk dwalen en zocht acht der tegenwoordige mannen uit de
menigte; vervolgens noemde hij dezelve aan de Landvoogd. Hierop werd een
wapenbode voor het volk gezonden. Na hij met zijn bazuin ieder tot
stilzwijgen had vermaand, riep hij: "In de naam des machtigen Konings
Philippe, onze heer en meester, worden op staande voet voor mij, Veldheer
De Chatillon, geroepen en gedaagd, de Burgers welkers namen ik zal
afkondigen. Die zich niet zouden aanbieden, zullen met de dood gestraft
worden, zonder uitstel en zonder genade!"

De list gelukte ten volle, want naarmate de namen afgeroepen werden, kwamen
de Klauwaards uit de menigte op de markt, en begaven zich zonder
achterdocht voor De Chatillon; zij wisten wel dat zij niets goeds te
verwachten hadden, en zouden zich wellicht door de vlucht gered hebben,
ware dit mogelijk geweest. De meesten onder hen waren mannen van rondom de
dertig jaar; een enige grijsaard naderde met langzamer schreden en met
gebukt hoofd. Een stille verduldigheid blonk op zijn gelaat, zonder dat de
minste vrees op hetzelve merkbaar was. Hij bleef voor De Chatillon staan en
bezag hem met ondervragende blikken, alsof hij zeggen wilde: wat eist gij?

Zodra de laatste der geroepenen genaderd was, deed de Landvoogd een teken,
en de acht Klauwaards werden ondanks hun tegenstand met koorden
gebonden.--Een klagend gemor ontstond onder het volk, maar een deel
ruiters, die zich dreigend bij de menigte schikten, deden dit gerucht
welhaast verdoven. In weinig ogenblikken werd er een brede galg op de Markt
gerecht en een Priester bij de veroordeelden gebracht. Op het gezicht van
het schriklijk moordtuig, huilden de vrouwen of broeders der ongelukkige
Klauwaards om genade, en het volk dreef zich onstuimig opeen. Een suizende
zucht, met verwensingen en wraakkreten gemengd, kwam uit de schaar der
Burgers en liep als een voorbode des oproers over de Markt. Weldra kwam er
een bazuinblazer vooruit en riep: "Het zij u kond gedaan, opdat gij het
wetet!--De wederspannige, die het recht van Mijn heer de Landvoogd door
roepen of anderszins durft storen, zal aan dezelfde galg nevens deze
muitelingen gehangen worden!"

Bij die afkondiging stierven de klachten op alle monden, en de stilte des
doods omving het bange volk. De vrouw weende met de ogen hemelwaarts, en
smeekte degene, die alleen de mensen nog verstaat en hoort, alsdan dat een
dwingeland hun de spraak ontneemt: de mannen vervloekten hun onmacht en
blaakten in een koortsige woede. Zeven Klauwaards werden beurtelings aan de
galg gehangen en stierven in het gezicht hunner stadgenoten. De droefheid
der benauwde Burgers veranderde in wanhoop: iedermaal dat er een van de
ladder gestoten werd, bogen hun hoofden zich te gronde, en zij wendden alzo
hun ogen van dit ijslijk schouwspel. Gewis waren er velen die deze plaats
zouden verlaten hebben, indien zij zich hadden durven roeren; maar dit was
hun verboden, en bij de minste beweging welke onder hen omging, kwamen er
soldeniers met bloot zwaard om hen tot stilstaan te dwingen.

Nog een Klauwaard stond bij Mijnheer De Chatillon, zijn beurt om gehangen
te worden was gekomen, hij had gebiecht en zich bereid gemaakt; echter
haastte men zich niet met hem; de Landvoogd had het bevel nog niet gegeven.
Onderwijl was De Mortenay bezig met de genade van de grijze Vlaming te
verzoeken, maar Van Gistel, die deze Klauwaard een bijzondere haat
toedroeg, gaf voor dat hij een der belhamels was en zich het meest tegen de
Franse beheersing verzet had. Op bevel des Landvoogds sprak hij de oude
Vlaming in dezer voege aan: "Gij hebt gezien hoe uw Makkers om hun
wederspannigheid gestraft zijn, gij zijt evenals zij veroordeeld; nochtans
heeft de Landvoogd, uit eerbied tot uw grijze haren, u genadig willen
behandelen. Hij schenkt u het leven, op voorwaarde dat gij u voortaan als
een nederige dienaar van Frankrijk onderwerpt.--Red u met de roep: heil
Frankrijk!"

De grijsaard wierp een blik vol verachting en toorn op de bastaard, en
antwoordde met een bittere grimlach: "Ik zou dit roepen indien ik u geleek;
indien ik mijn witte haren door laagheid kon bezoedelen. Maar neen, ik,
martelaar, veracht en trots u tot in de dood.--Gij, verrader, gelijkt de
slang die in het ingewand harer moeder knaagt; want gij levert de vreemden
het land dat u gevoed heeft.--Beef, ik heb nog zonen die mij wreken zullen,
en gij--gij zult op uw bed niet sterven! Gij weet dat een mens in zijn
stervensuur niet liegen kan."

Jan van Gistel verbleekte bij de plechtige voorzegging des grijsaards. Nu
berouwde hem de wraak, en zijn hart beneep zich met somber aandenken; want
een verrader vreest de dood als de wraakbode des Heren. De Chatillon had op
de wezenstrekken van de Klauwaard genoeg kunnen bespeuren dat hij
hardnekkig bleef.

"Wel, wat zegt die muiter? vroeg hij.

"Mijnheer," antwoordde Van Gistel, "hij hoont mij en veracht uw genade."

"Dat men hem hange!" was het bevel van de Landvoogd.

De soldenier, die het beulenambt bekleedde, nam de grijsaard bij de arm, en
deze volgde hem gehoorzaamlijk tot aan de voet der ladder, het duurde nog
enige ogenblikken eer de strop goed aan zijn hals gehecht was. Hij ontving
de laatste zegening van de Priester, en plaatste eindelijk zijn voet op de
ladder om tot de galg op te klimmen.

Maar eensklaps, en in weerwil der wachten, kwam er een onstuimige golving
onder het volk. Door een onweerstaanbare drukking bewogen, deinsden enigen
tegen de muur der huizen, anderen werden vooruitgestoten,--en een jongeling
met blote armen drong door de menigte tot op de markt; zijn aangezicht
droeg de kentekens der diepste ontroering, der hevigste woede en der
zorgelijkste vrees. Zodra hij zich van tussen de dichtgesloten Burgers had
losgemaakt, wierp hij een wilde blik over de markt, sprong als een pijl
vooruit en riep: "Mijn vader! O mijn vader, gij zult niet sterven!"

Op het ogenblik dat hij die weinige woorden uitgalmde, toog hij zijn
kruismes uit de schede en stiet het tot aan de hecht in de boezem van de
beul. Deze viel met een pijnlijke schreeuw voor de ladder, en rolde
stervend in zijn bloed; terwijl omvatte de jonge Klauwaard zijn vader, hief
hem van de grond en liep met die heilige last tussen het volk. De Fransen
waren als verstomd, beweegloze aanschouwers van dit toneel geweest, doch
dit duurde niet lang. De Chatillon wekte hen weldra uit de verbaasdheid.
Eer de jongeling tien stappen verder gelopen was, hadden meer dan twintig
soldeniers hem ingehaald; hij plaatste zijn vader op de grond en met het
nog rokende mes bedreigde hij zijn vijanden. Een vijftigtal andere
Vlamingen stonden voor hem, want hij was te midden onder het volk, in dier
voege dat de soldeniers tussen de menigte dringen moesten om hem te vangen.
Hoe groot werd de woede der Fransen niet, wanneer zij hun twintig makkers
een voor een te gronde zagen vallen. De messen glinsterden opeens in de
handen der omstaande Klauwaards, en de soldeniers werden onbarmhartiglijk
gestoken en gekerfd, terwijl er ook al menige Vlaming het leven liet.

De ganse ruiterij bewoog zich eensklaps en rende met furie naar het
vluchtende volk, de grote slagzwaarden dreven de scharen weldra uiteen, en
de voeten der paarden vertrapten de weerspannigen in een ogenblik. Zij
waren nochtans niet zonder wraak gestorven, want zij hadden zich een bed
van geslachte Fransen voorbereid. De vader en de zoon lagen op elkander,
eenzelfde dolk had hen doorstoken, en hun zielen hadden zich op de laatste
reis niet verlaten. Het volk vlood als een rollende stroom, met bang gehuil
door al de straten heen: ieder begaf zich in aller ijl naar zijn woning;
deuren en vensters werden gesloten, en enige stonden later zou men gedacht
hebben dat de stad geen inwoners meer bezat.

Verwoed en razend om de dood hunner makkers, en uit de natuur tot
gewelddadigheden genegen, liepen de soldeniers bij hopen met het zwaard in
de vuist door de volkloze straten en deden zich de huizen der Klauwaards
door de Leliaards aanwijzen. Zij stampten de deuren en vensters aan
stukken, roofden geld en goed en verbrijzelden alles wat hun niet kostelijk
genoeg of te zwaar voorkwam. De wenende maagden, die men in kelders of
andere bergplaatsen kon aantreffen, werden wredelijk onteerd: de mannen,
die hun echtgenoten of hun zusters wilden verdedigen, waren weldra door dit
razend rot overrompeld en vermoord. Hier en daar, voor de deuren der
geplunderde huizen, lagen verminkte lijken tussen het verbrijzelde
huisraad; niets hoorde men dan de woedekreten der soldeniers en het gehuil
der rampzalige vrouwen. De plunderaars kwamen lachend uit de verwoeste
woningen--de handen vol geroofd goud en vol Vlaams bloed! Wanneer enigen,
verzadigd van moord en buit, vertrokken, werden zij door anderen nog
boosaardiger opgevolgd, en alzo bleven de Fransen een ruime tijd aan dit
schandelijk werk: de hele reeks der euveldaden welke een losgebroken
krijgsknecht plegen kan, werd door hen uitgeput[86].

In de woning van Pieter Deconinck bleef geen stuk geheel, de muren zelf
zouden niet recht gebleven zijn, indien de plunderaars de tijd niet tot
meer misdaden hadden gespaard. Een andere hoop liep rechtstreeks naar het
huis van de Deken Breydel. In weinig ogenblikken werd de deur op de vloer
geworpen en twintig soldeniers traden vloekend in de winkel; zij ontmoetten
niemand, alhoewel zij al de vertrekken doorzochten. De kasten werden
gebroken, het goud en geld geroofd en dan alles tot gruis
vermorzeld.--Wanneer zij afgemat en moede, met een boos genoegen op de
puinhopen staarden, kwam een hunner makkers de trap af en sprak: "Ik heb
iets op de zolder gehoord, voorzeker schuilen er Vlamingen onder het dak.
Ik geloof dat wij daar een betere buit vinden zullen, want het is denkelijk
dat zij hun geld met zich hebben."

De soldeniers wendden zich met haast naar de trap: ieder wilde eerst de
hand aan de roof slaan, maar de stem van hun makker weerhield hen.

"Wacht, wacht!" riep hij. "Gij kunt er niet aan; de val van de zolder staat
tien voet hoog en de ladder hebben zij opgetrokken. Maar dit is niets, ik
heb een ladder in de hof zien staan.--Beidt een weinig, ik ga ze halen."

Hij kwam weldra met het werktuig terug en klom met zijn makkers naar boven.
De ladder werd onder de val gericht en men poogde dezelve op te heffen,
maar dit gelukte niet;--een sterke grendel belette hun dezelve te bewegen.

"Welaan," riep een van hen, terwijl hij een zwaar stuk hout van de vloer
opnam, "mits zij niet gewillig opendoen, zullen wij een ander middel
zoeken."

Hiermede sloeg hij geweldig tegen de val doch zij bleef even vast en
onwrikbaar. Een akelige klacht, een zucht zo pijnlijk alsof het leven met
dezelve uit een borst ontvlogen was, galmde op de zolder.

"Ha, ha!" riepen de soldeniers. "Zij liggen op de val!"

"Wacht!" sprak een andere stem. "Ik zal ze welhaast doen verhuizen, wilt
mij slechts een weinig helpen."

Zij namen een zwaardere balk en hieven hem gezamenlijk in de hoogte; dan
stieten zij met zoveel kracht tegen de val dat de planken losbraken en
beneden vielen. Met razend gejuich brachten zij spoedig de ladder aan, en
liepen allen naar boven. Hier bleven zij plotseling staan: het scheen dat
een zeldzaam en plechtig toneel hun harten had vermurwd, want de vloeken
vergingen op hun mond en zij bezagen elkander met twijfel.

In het diepe van de zolder stond een kind, niet boven de veertien jaar oud,
met een slachtbijl in de hand; bleek van angst en bevend hield hij dit
wapen op de Fransen gericht, zonder dat het minste geluid uit zijn borst
opkwam: uit zijn blauwe ogen schoten stralen van wanhoop en heldenmoed. Het
was zichtbaar dat een diepe zielroering hem vervoerde, want de spieren
zijner tedere wangen trokken zich te samen en gaven hem een ijslijke
uitdrukking.--Hij geleek een marmeren Griek, in zulke smalle maat
gebeeld.--Achter de jonge beenhouwer zaten twee vrouwen op de vloer
geknield: een oude grijze moeder met de handen gevouwen en de ogen ten
hemel, en een tengere maagd met hangende haren. Het bange meisje had haar
aangezicht in de klederen harer moeder verborgen, de armen had zij als in
stervensnood om haar geslagen. In deze houding zat zij roerloos en als
zonder leven;--zij zuchtte noch klaagde.

Wanneer de soldeniers van hun eerste verbaasdheid waren teruggekomen
naderden zij onstuimiglijk bij deze ongelukkige en barstten in
scheldwoorden tegen haar uit. Zij meenden de handen aan haar te slaan, want
dit kind boezemde hun geen de minste vrees in.--Hoe werden zij door toorn
vervoerd, wanneer de jonge beenhouwer zijn linkervoet achteruit plaatste,
en in die vastere houding met de bijl wanhopig rondzwaaiende, hun van
schrik deed achteruit wijken. Een ogenblik werden zij in hun misdadige
aanslagen verhinderd, totdat eindelijk een van hen op het kind aanviel en
hem meende te doorsteken; maar de beenhouwer weerde de degen af, en hakte
met wanhopige kracht in de schouder van zijn vijand. Deze deinsde wankelend
en viel in de armen zijner makkers. Alsof die slag het vermogen van de
jongeling had uitgeput, stortte hij achterover te gronde en bleef
gevoelloos nevens de vrouwen liggen. De soldeniers hadden zich
ogenblikkelijk om hun gewonde makker geschaard en ontkleedden hem tussen
ijslijke wraakkreten en verwensingen. Terwijl weende de oude vrouw in de
grootste benauwdheid, en smeekte in de Franse taal om genade.

"O Mijne heren!" riep zij met de armen uitgereikt. "Hebt toch medelijden
met ons, arme schepsels als wij zijn! Moordt ons niet om de liefde des
Heren!--Aanziet toch mijn tranen en ontfermt u over ons lijden.--Wat geeft
u de dood van twee weerloze vrouwen?"

"Het is de moeder van die beenhouwer, die zoveel Fransen te Male vermoord
heeft," riep een der soldeniers. "Bij de duivel, zij zal sterven!"

"Och neen! Neen, Mijnheer!" hernam de oude vrouw. "Doop uw handen niet in
mijn bloed--ik smeek u, bij de bittere passie onzes Zaligmakers, laat ons
leven! Neem alles wat wij bezitten tot u."

"Uw geld! Uw goud!" galmde een stem.

Op deze woorden vatte de vrouw een kistje dat achter haar stond en wierp
het naar de soldeniers.

"Daar, Mijne heren," sprak zij, "dit is alles wat ons in de wereld
overblijft--ik schenk het u gewilliglijk."

Het kistje viel open en een menigte gouden geldstukken met de kostelijkste
juwelen rolden op de vloer. Terwijl de soldeniers elkander wegstieten om de
buit te grijpen was er een die het aangezicht van het meisje had gezien;
want de beweging der moeder had hetzelve ontdekt. Bij het aanschouwen dier
bekoorlijke wezenstrekken drong een boosaardige minnelust in zijn boezem;
hij sprong driftig vooruit, omvatte de maagd met een arm, terwijl hij in de
andere hand een degen hield, en rukte zijn slachtoffer uit de armen der
huilende vrouw.

"Moeder, o moeder!" zuchtte de maagd met stervende stem. Die klacht, op
haar lippen vergaande, viel haar hoofd achterwaarts, en haar lichaam hing
slap over de arm van de schaker. Door wanhoop en liefde tot haar kind
zinneloos geworden, werd de moeder bij een razende furie ontheven: haar
ogen zonken diep onder de geholde wenkbrauwen, en vlamden daar als de ogen
eens wolfs in de duisternis: haar lippen hieven zich stuiptrekkend op en
ontdekten de tanden, alsof de moeder in dit aaklig ogenblik, de inborst
ener tijgerin verkregen had. Zij sprong woedend op de soldenier, en sloeg
haar armen om zijn hoofd; dan zijn wang in haar hand, als in een klauw,
grijpende, dreef zij haar nagelen in zijn aangezicht, en neep hem de wang
te pletten: bloeddruppels lekten reeds op zijn kin.

"Mijn kind!" huilde zij. "Mijn kind, o booswicht!"

De nijpingen der razende moeder veroorzaakten de soldenier onverdraaglijke
martelpijnen; zijn wezenstrekken gaven dit genoeg te kennen, want de ogen
kwamen hem uit het hoofd.--Het meisje niet willende verlaten, bracht hij
zijn degen tegen de borst der moeder, en boorde wredelijk door haar boezem.
De ongelukkige vrouw loste alsdan de boze vijand, en leunde wankelend tegen
het dak: bloed liep over haar klederen, haar ogen verflauwden, haar
wezenstrekken verstierven, en haar handen zochten dwalend naar een steun.

De soldenier, die haar dochter in de armen hield, wierp op dit ogenblik het
haar van de wangen der maagd,--plaatste zijn mond op haar ontverfd gelaat
en zoende haar zo driftig, dat de oren der stervende moeder het geluid
ervan ontvingen. Op het gezicht dier schennis kreeg zij het leven terug:
zij stond recht zonder ergens tegen te leunen.--Met een vervaarlijke
uitdrukking van blijdschap, stak zij haar bevende hand tussen haar
klederen, en sprak met doffe stem, terwijl zij naar de soldenier liep: "Gij
zult mijn kind niet onteren! Haar ziel zal mij zuiver ten Hemel
verzeilen... Daar zie booswicht--nu hebt gij een lijk ..."

Zij stiet het mes dat zij uit haar tas getrokken had, bij herhaalde malen
in de borst harer dochter--en meende haar nog eens stervend te omhelzen,
maar nu ontgingen haar de krachten met het leven: zij stortte zwaar op het
lichaam van haar kind.

Om dit zieldrukkend toneel in al zijn delen te beschrijven, heeft het
verhaal langer dan de daad zelf geduurd. Al deze voorvallen begonnen en
eindigden in enige ogenblikken; in dier voege dat de andere soldeniers nog
bezig waren met het bijeenrapen der juwelen, wanneer de moeder en de
dochter deze aarde voor een betere wereld verlieten.

Zodra de uitheemse plunderaars alles wat op de zolder van enige waarde was,
geroofd hadden, gingen zij ten huize uit en liepen naar andere plaatsen
dezelfde verwoesting hervatten.--De rampzalige Burgers die nu uit hun
woningen verjaagd waren, of in dezelve niet meer dorsten blijven, doolden
als verloren in de straten en werden door de Fransen met alle smaadwoorden
bejegend.--Hoe pijnlijk moest toch de onmacht en de wanhoop voor deze
Vlaamse harten zijn! Hoe bitter en hoe nijdig vervloekten zij de naam der
Fransen!

Omtrent de middag renden een groot getal ruiters door de stad om de
soldeniers weder te roepen; want Mijnheer De Chatillon had geoordeeld dat
de Kroon van Frankrijk nu genoeg gewroken was. Er werd uitgeroepen dat men
de lijken mocht begraven, en dat iedereen naar zijn woning mocht
terugkeren.

Enige Klauwaards, die in het huis van de Deken Breydel gegaan waren, hadden
de lichamen der twee vrouwen van de zolder gehaald en vervoerden dezelve op
een draagbaar tot aan de Dampoort. Hier was nog een treurig toneel te zien,
dat het hart fel mocht schokken. Duizend wenende vrouwen, huilende kinderen
en stramme grijsaards baden geknield om de stad te mogen verlaten; doch de
soldeniers, wie het bevolen was de poorten gesloten te houden, luisterden
naar geen smeken, en antwoordden met bittere scherts op de tranen der
benauwde Burgers. Wanneer zij aldus een ruime tijd nutteloos gebeden
hadden, kreeg een der vrouwen het gelukkig gedacht haar juwelen aan de
wachten te geven. Door vele anderen werd zij hierin nagevolgd, en weldra
lagen er kostelijke halssnoeren, haken en oorbellen, met andere rijke
sieraden, in een hoop voor de poort.

De soldeniers grepen met drift naar die zinnenstrelende voorwerpenpen
beloofden de poorten te openen, indien men hun al de juwelen wilde
schenken.--Met haastigheid wierpen de vrouwen geld en goed te gronde, en de
poort werd geopend.

Een blij gejuich begroette deze gelukkige verlossing: de moeders namen hun
kinderen op de arm, de zoon ondersteunde zijn vader, en zo liepen zij
stromend door de poort.--De mannen die de lijken der moeder en der zuster
van Jan Breydel droegen, volgden de anderen in de vlucht;--en achter hen
sloot zich de stad weder toe.

* * * * *

De Leeuw van Vlaanderen

Sinopse

Originele Nederlandstalige tekst van De Leeuw van Vlaanderen, de historische roman van Hendrik Conscience over Vlaanderen en de Guldensporenslag.

Publieke-domeintekst uit Project Gutenberg, beschikbaar gemaakt no Aurora Literunico junto à tradução portuguesa.

De Leeuw van Vlaanderen

Resenhas do livro

0 publicadas

Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.

De Leeuw van Vlaanderen

Trilha sonora oficial

Uma seleção criada para acompanhar a atmosfera, os personagens e os caminhos desta obra.

Abrir no Spotify
Ir para o carrinho
Mercado de De Leeuw van Vlaanderen

Leve um fragmento deste universo

Escolha a arte, confira a disponibilidade e adicione o produto ao carrinho sem sair da experiência.

Nenhum livro físico está disponível neste universo.
Relíquias da Obra

Adquira Relíquias da Obra e deixe sua marca registrada, criando valor ao item!

Aguardando Aprovação do Autor
Aguardando grupo autoral De Leeuw van Vlaanderen Escolha uma Relíquia e envie uma proposta de aquisição, mesmo antes da ativação.
100Relíquias
0Titulares
0 Passagens
Central de RelíquiasDescubra coleções de outros universos e obras.
ver todas
Capítulo 15 carregado no app · 1 livro conectado 1/1
Abrir leitor completo

Capítulos disponíveis para continuar a leitura.

Capítulos de De Leeuw van Vlaanderen

Todos os capítulos 25 disponíveis

Donos de Relíquias

0 titulares

Nenhuma Relíquia desta obra foi adquirida ainda. Seja o primeiro a eternizar seu nome no acervo oficial!

Conhecer as 100 Relíquias

Resenhas do livro

0 publicadas

Ainda não há resenhas para esta obra. A primeira leitura comentada pode começar aqui.

Entrar para resenhar

Posses do livro

0 Leitores com posse
0 Unidades registradas

Nenhuma posse foi registrada publicamente para esta edição.

Adicionais do Universo

Visual ClássicoAbra a leitura editorial, no estilo de uma página de livro
ler
Visual AuroraApresentação imersiva do universo da obra
abrir