VIERDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 5 de 20
Obra Menu

VIERDE HOOFDSTUK

VIERDE HOOFDSTUK

Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het

is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy

_schwärmt_. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem

aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in den hollandschen styl. Ik

ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie

zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor den jongen Stern,

meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevischt. Een

fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik_!

Den dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik

Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet

weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en

zedelykheid. Welnu, den vorigen avend, juist toen ik myn eerste peer had

geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat

vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding

geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en

dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben,

die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat

fraaie stuk van den laatsten avend voorleggen, en ik vond heel spoedig

den regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken

van een kind dat aan de borst van de moeder ligt--dit kan er dóór--maar:

"dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit

vond ik niet goed--om daarover te _spreken_, meen ik--en myn vrouw ook

niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan

huis niet gesproken, ook niet van den _Volewyk_, maar zóó de zaken by

den naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zoo op zedelykheid

gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal "uitwendig wist"

zooals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou

--althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen

jonge meisjes komen--en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers

meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat

aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen

kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie,

daar viel myn oog op een bundel: "_Verslag over de Koffikultuur in de

Residentie Menado_."

Myn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffi ben--_Lauriergracht, N°

37_--en _Menado_ is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke

onzedelyke verzen maakte, had ook in koffi gewerkt. Ik zag nu 't pak met

een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle

begreep, maar die werkelyk kennis van zaken aantoonden. Er waren staten,

opgaven, berekeningen met cyfers, waaraan geen rym te bekennen was, en

alles was met zulk een zorg en nauwkeurigheid bewerkt, dat ik, ronduit

gezegd--want ik houd van de waarheid--op het denkbeeld kwam dat die

Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel--wat gebeuren kan, daar hy oud

en stuntelig wordt--heel goed diens plaats zou kunnen innemen. Het

spreekt vanzelf dat ik eerst informatiën nemen zou naar eerlykheid,

geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor ik dáárvan

zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gy hebt het gezien uit myn

brief aan Ludwig Stern.

Ik wilde voor Frits niet weten dat ik eenig belang begon te stellen in

den inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd my inderdaad

duizelig, toen ik zoo den eenen bundel vóór, den anderen na, opnam, en

de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder, maar ik

vond veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verscheidenheid der

behandelde onderwerpen. Ik erken--want ik houd van de waarheid--dat ik,

die altyd in koffi gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles te

beoordeelen, maar, ook zonder deze beoordeeling, de lyst der opschriften

alleen was reeds kurieus. Daar ik u de geschiedenis van den Griek verteld

heb, weet ge reeds dat ik in myn jeugd eenigszins ben gelatinizeerd

geworden, en hoezeer ik my in korrespondentie onthoud van alle citaten

--wat op een makelaars kantoor ook niet te-pas komen zou--dacht ik echter

by het zien van dat alles: _multa, non multum_. Of: _de omnibus aliquid,

de toto nihil_.

Maar dit was eigenlyk meer uit een soort van wrevel, en uit zekeren

aandrang om de geleerdheid die voor my lag, in 't latyn aantespreken,

dan wel omdat ik het precies meende. Want, waar ik 't een of ander stuk

wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op

de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een groote soliditeit

in zyn redeneeringen aan den dag legde.

Ik vond daar verhandelingen en opstellen:

_Over het_ SANSKRIT, _als moeder van de germaansche taaltakken_.

_Over de strafbepalingen op kindermoord_.

_Over den oorsprong van den adel_.

_Over het verschil tusschen de begrippen_: ONEINDIGE TYD _en_:

EEUWIGHEID.

_Over de kansrekening_.

_Over het boek van_ JOB. (Ik vond nog iets over _Job_, maar dat waren

verzen.)

_Over proteïne in de athmospherische lucht_.

_Over de staatkunde van Rusland_.

_Over de klinkletters_.

_Over cellulaire gevangenissen_.

_Over de oude stellingen omtrent het_: HORROR VACUI.

_Over de wenschelykheid der afschaffing van strafbepalingen op

laster_.

_Over de oorzaken van den opstand der Nederlanders tegen Spanje_,

NIET _liggende in de begeerte naar godsdienstige of

staatkundige vryheid_.

_Over het_ PERPETUUM MOBILE, _de cirkelkwadratuur en den wortel van

wortellooze getallen_.

_Over de zwaarte van het licht_.

_Over den achteruitgang der beschaving sedert het ontstaan des

Christendoms_. (Hè?)

_Over de yslandsche Mythologie_.

_Over den_ EMILE _van_ ROUSSEAU.

_Over de Civiele Rechtsvordering, in zaken van koophandel_.

_Over_ SIRIUS _als middelpunt van een zonnestelsel_.

_Over Inkomende-Rechten als ondoeltreffend, onkiesch, onrechtvaardig,

en onzedelyk_. (Daarvan had ik nooit iets gehoord.)

_Over verzen als oudste taal_. (Dat geloof ik niet.)

_Over witte mieren_.

_Over het tegennatuurlyke van School-Inrichtingen_.

_Over de prostitutie in het huwelyk_. (Dat is een schandelyk stuk.)

_Over hydraulische onderwerpen in verband met de rystkultuur_.

_Over het schynbaar overwicht der westersche beschaving_.

_Over kadaster, registratie en zegel_.

_Over kinderboekjes, fabels en sprookjes_. (Dit wil ik wel eens

lezen, omdat hy op waarheid aandringt.)

_Over bemiddeling, in den handel_. (Dit bevalt me volstrekt niet. Ik

geloof dat hy de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch

ter-zyde gelegd, omdat er een-en-ander in voorkomt, dat ik gebruiken

kan voor myn boek.)

_Over successierecht, een der beste belastingen_.

_Over de uitvinding der kuisheid_. (Dit begryp ik niet.)

_Over vermenigvuldiging_. (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er

staat veel in dit stuk, waaraan ik vroeger niet gedacht had.)

_Over zeker soort van geest der Franschen, een gevolg der armoede van

hun taal_. (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede ... hy kan

het weten.)

_Over het verband tusschen de romans_ van AUGUST LAFONTAINE _en de

tering_. (Dit wil ik eens lezen, omdat er van dien _Lafontaine_

boeken op zolder liggen. Maar hy zegt, dat de invloed zich eerst

openbaart in het tweede geslacht. Myn grootvader las niet.)

_Over de macht der Engelschen buiten Europa_.

_Over het Godsgericht in de middeleeuwen, en thans_.

_Over de rekenkunde by de Romeinen_.

_Over armoede aan poëzie by toonzetters_.

_Over pietistery, biologie en tafeldans_.

_Over besmettelyke ziekten_.

_Over den moorschen bouwtrant_.

_Over de kracht der vooroordeelen, blijkbaar uit ziekten die door

tocht veroorzaakt heeten te zyn_. (Heb ik het niet gezegd, dat de

lyst kurieus was?)

_Over de duitsche eenheid_.

_Over de lengte op zee_. (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal

wezen als op 't land.)

_Over de plichten van de Regeering omtrent publieke

vermakelijkheden_.

_Over de overeenstemming tusschen de schotsche en friesche talen_.

_Over prozodie_.

_Over de schoonheid der vrouwen te Nîmes en te Arles, met een

onderzoek naar het stelsel van kolonisatie der Phoeniciërs_.

_Over landbouwkontrakten op Java_.

_Over het zuigvermogen van een nieuw-modelpomp_.

_Over legitimiteit van dynastien_.

_Over de volksletterkunde in Javaansche rhapsoden_.

_Over de nieuwe wyze van reven_.

_Over de perkussie, toegepast op handgranaten_. (Dit stuk dateert van

1847, dus van vóór Orsini.)

_Over het begrip van eer_.

_Over de apokriefe boeken_.

_Over de wetten van_ SOLON, LYKURGUS, ZOROASTER _en_ CONFUCIUS.

_Over de ouderlyke macht_.

_Over_ SHAKESPEARE _als geschiedschryver_.

_Over de slaverny in Europa_. (Wat hy hiermee bedoelt, begryp ik

niet. Nu, zoo is er meer!)

_Over schroefwatermolens_.

_Over het souverein recht van gratie_.

_Over de chemische bestanddeelen der ceylonsche kaneel_.

_Over de tucht op koopvaardyschepen_.

_Over de opiumpacht op Java_.

_Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif_.

_Over het doorgraven der landengten van Suez, en de gevolgen

daarvan_.

_Over de betaling, van landrenten in naturâ_.

_Over de koffikultuur te Menado_. (Dit heb ik al genoemd.)

_Over de scheuring van het romeinsche ryk_.

_Over de_ GEMÜTHLICHKEIT _der Duitschers_.

_Over de skandinavische_ EDDA.

_Over den plicht van Frankryk, om in den indischen Archipel zich een

tegenwicht tegen Engeland te verschaffen_. (Dit was in 't fransch, ik

weet niet waarom?)

_Over het azyn maken_.

_Over de vereering van_ SCHILLER _en_ GÖTHE _in den duitschen

middenstand_.

_Over de aanspraken van den mensch op geluk_.

_Over het recht van opstand by onderdrukking_. (Dit was in 't

javaansch. Ik ben dien titel eerst later te weten gekomen.)

_Over ministerieele verantwoordelykheid_.

_Over eenige punten in de krimineele rechtsvordering_.

_Over het recht van een volk, te eischen dat de opgebrachte belasting

ten-zynen-behoeve worde aangewend_. (Dat was weer in 't javaansch.)

_Over de dubbele_ A _en de grieksche_ ETA.

_Over het bestaan van een onpersoonlyken God in de harten der

menschen_. (Een infame leugen!)

_Over den styl_.

_Over een konstitutie voor het Ryk INSULINDE_. (Ik heb nooit van dat

Ryk gehoord.)

_Over het gebrek aan ephelkustiek in onze taalregels_.

_Over pedanterie_. (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken

geschreven is.)

_Over de verplichting van Europa aan de Portugezen_.

_Over boschgeluiden_.

_Over brandbaarheid van water_. (Ik denk dat hy sterk water bedoelt.)

_Over de melkzee_. (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schynt iets in

de nabyheid van Banda te zyn.)

_Over zieners en profeten_.

_Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week yzer_.

_Over ebbe en vloed der beschaving_.

_Over epidemisch bederf in staathuishoudingen_.

_Over bevoorrechte Handelmaatschappyen_. (Hierin komt een-en-ander

voor, dat ik noodig heb voor myn boek.)

_Over etymologie als hulpbron by ethnologische studien_.

_Over de vogelnestklippen aan de javasche Zuidkust_.

_Over de plaats waar de dag aanvangt_. (Dit begryp ik niet.)

_Over persoonlyke begrippen als maatstaf der verantwoordelykheid in

de zedelyke wereld_. (Bespottelyk! Hy zegt dat ieder zyn eigen

rechter moet wezen. Waar zou dat heen?)

_Over galanterie_.

_Over den versbouw der Hebreën_.

_Over de_ CENTURY OF INVENTIONS _van den Markies van Worcester_.

_Over de niet-etende bevolking van het eiland Rotti by Timor_. (Het

moet daar goedkoop leven zyn.)

_Over het menschen-eten der Battah's, en het koppensnellen der

Alfoeren_.

_Over het wantrouwen op de publieke zedelykheid_. (Hy wil, geloof ik,

de slotenmakers afschaffen. Ik ben er tegen.)

_Over_ "het recht" _en de_ "rechten."

_Over_ BÉRANGER _als wysgeer_. (Dit begryp ik weer niet)

_Over den afkeer der Maleiers van den Javaan_.

_Over de onwaarde van het onderwys op de zoogenaamde hoogescholen_.

_Over den liefdeloozen geest onzer voorouders, blykbaar uit hun

begrippen omtrent God_. (Alweer een goddeloos stuk!)

_Over den samenhang der zintuigen_. ('t Is waar, toen ik hem zag,

rook ik rozenolie.)

_Over den puntwortel van den koffiboom_. (Dit heb ik ter-zy gelegd

voor myn boek.)

_Over gevoel, gevoeligheid_, SENSIBLERIE, EMPFINDELEI, _enz_.

_Over het verwarren van Mythologie en Godsdienst_.

_Over de saguweer in de Molukken_.

_Over de toekomst van den nederlandschen handel_. (Dit is eigenlyk 't

stuk dat me bewogen heeft, myn boek te schryven. Hy zegt dat er niet

altyd zulke groote koffiveilingen zullen gehouden worden, en ik leef

voor myn vak.)

_Over Genesis_. (Een infaam stuk!)

_Over de geheime genootschappen der Chinezen_.

_Over het teekenen als natuurlyk schrift_. (Hy zegt dat een

pasgeboren kind teekenen kan!)

_Over waarheid in poëzie_. (Wel zeker!)

_Over de impopulariteit der ryst pelmolens op Java_.

_Over het verband tusschen Poëzie en mathematische wetenschappen_.

_Over de Wajangs der Chinezen_.

_Over den prys van de Java-koffi_. (Dit heb ik ter-zy gelegd.)

_Over een europeesch muntstelsel_.

_Over besproejing van gemeene velden_.

_Over den invloed van de vermenging, van rassen op den geest_.

_Over evenwicht in den handel_. (Hy spreekt daarin van wisselagio. Ik

heb het ter-zy gelegd voor myn boek.)

_Over het standhouden van aziatische gewoonten_ (Hy beweert dat _Jezus_

een tulband droeg.)

_Over de denkbeelden van_ MALTHUS _omtrent het cyfer der bevolking,

in verband met de onderhoudsmiddelen_.

_Over de oorspronkelyke bevolking van Amerika_.

_Over de havenhoofden te Batavia, Samarang en Soerabaja_.

_Over bouwkunde, als uitdrukking van denkbeelden_.

_Over de verhouding der europesche ambtenaren tot de Regenten op

Java_. (Hiervan komt een-en-ander in myn boek.)

_Over het wonen in kelders, te Amsterdam_.

_Over de kracht der dwaling_.

_Over de werkeloosheid van een Opperwezen, by volmaakte

natuurwetten_.

_Over het zoutmonopolie op Java_.

_Over de wormen in den sagopalm_. (Die worden, zegt hy, gegeten ...

bah!)

_Over de Spreuken, den Prediker, het Hooglied, en de_ PANTOENS _der

Javanen_.

_Over het_ JUS PRIMI OCCUPANTIS.

_Over de armoede der schilderkunst_.

_Over de onzedelykheid van het hengelen_. (Wie heeft ooit daarvan

gehoord?)

_Over de misdaden der Europeërs buiten Europa_.

_Over de wapenen der zwakkere diersoorten_.

_Over het_ JUS TALIONIS. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een

gedicht voor, dat ik zeker allerschandelykst zou gevonden hebben, als

ik 't uitgelezen had.)[5]

En dit was nog niet alles! Ik vond, om van de verzen niet te spreken--er

waren er in velerlei talen--een aantal bundeltjes waaraan het opschrift

ontbrak, romancen in het maleisch[6] krygszangen in het javaansch, en

wat niet al! Ook vond ik brieven, waarvan velen in talen die ik niet

verstond. Sommigen waren aan hem geschreven, of liever het waren slechts

afschriften, doch hy scheen daarmee zeker plan te hebben, want alles was

door andere personen geteekend voor: _gelykluidend met het oorspronkelyke_.

[7] Dan vond ik nog uittreksels uit dagboeken, aanteekeningen en losse

gedachten ... sommigen werkelyk heel los.

Ik had, zooals ik reeds zeide, eenige stukken ter-zy gelegd, omdat ze my

toeschenen in myn vak te-pas te komen, en voor myn vak leef ik. Maar ik

moet erkennen dat ik met de rest verlegen was. Hem het pak terugzenden,

kon ik niet, want ik wist niet waar hy woonde. Het was nu eenmaal open.

Ik kon niet loochenen dat ik 't had ingezien, en dit zou ik ook niet

gedaan hebben, omdat ik zoo van de waarheid houd. Ook gelukte 't me niet

het weer zóó te sluiten dat er van 't openen niets blyken kon. Bovendien

mag ik niet ontveinzen dat eenige stukken die over koffi handelden, my

belang inboezemden, en dat ik gaarne daarvan gebruik maken zou. Ik las

dagelyks hier-en-daar eenige bladzyden, en ik kwam hoe langer hoe

meer--Frits zegt: "_hoe langs zoo meer_" maar dit doe ik niet--_hoe_

meer, zeg ik, tot de overtuiging dat men makelaar in koffi moet wezen,

om zóó juist te weten te komen wat er in de wereld omgaat. Ik ben

overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit zoo-iets onder

de oogen hebben gehad.

Nu vreesde ik dat die Sjaalman op-eens weer voor me zou staan, en dat hy

me weer iets te zeggen hebben zou. Het begon me nu te spyten dat ik dien

avend de Kapelsteeg was ingegaan, en ik zag in, dat men nooit den

fatsoenlyken weg verlaten moet. Natuurlyk had hy my om geld gevraagd, en

van zyn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven, en als hy my

dan den volgenden dag die massa schryvery had toegezonden, ware het myn

wettig eigendom geweest.[8] Ik zou dan de tarwe hebben kunnen scheiden

van het kaf, ik had er de nummers uitgehouden, die ik noodig had voor

myn boek, en de rest verbrand, of in de papiermand geworpen, hetgeen ik

nu niet doen kon. Want als hy terugkwam, zou ik het moeten leveren, en

hy, ziende dat ik belang stelde in een paar stukken van zyn hand, zou

zeker te veel daarvoor vorderen. Niets geeft den verkooper meer

overwicht, dan de ontdekking dat de kooper om zyn waar verlegen is. Zulk

een pozitie wordt dan ook door een koopman die zyn vak verstaat, zooveel

mogelyk vermeden.

Een ander denkbeeld--ik sprak er reeds van--dat bewyzen moge hoe

ontvankelyk het bezoeken van de beurs iemand laten kan voor

menschlievende indrukken, was dit. Bastiaans--dit is de derde bediende

die zoo oud en stuntelig wordt--was den laatsten tyd, van de dertig

dagen zeker geen vyf-en-twintig binnen geweest, en àls hy aan 't kantoor

komt, doet hy nog dikwyls zyn werk slecht. Als eerlyk man ben ik

tegenover de firma--_Last & Co_, sedert de Meyers er uit zyn--verplicht

te zorgen dat ieder zyn werk doe, en ik mag niet uit verkeerd begrepen

medelyden of overgevoeligheid, het geld van de firma wegwerpen. Zóó is

myn principe. Ik geef liever dien Bastiaans uit myn eigen zak een

driegulden, dan dat ik voortga hem de zevenhonderd gulden 's jaars

uittebetalen die hy niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man

sedert vier-en-dertig jaren, aan inkomen--zoo van _Last & Co_, als

vroeger van _Last & Meyer_, maar de Meyers zyn er uit--de som van byna

vyftien duizend gulden genoten heeft, en dit is voor een burgerman een

aardig sommetje. Er zyn er weinig in dien stand, die zooveel bezitten.

Recht tot klagen heeft hy dus niet. Ik ben op deze berekening gekomen

door dat stuk van Sjaalman over de multiplikatie.

Die Sjaalman schryft een goede hand, dacht ik. Bovendien, hy zag er

armoedig uit, en wist niet hoe laat het was ... hoe zou 't wezen, dacht

ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem in dat geval

zeggen dat hy my "m'nheer" moest noemen, maar dit zou hyzelf wel

begrypen, want een bediende kan toch zyn patroon niet by den naam

aanspreken, en hy ware misschien voor zyn leven geholpen. Hy zou kunnen

beginnen met vier- of vyfhonderd gulden--onze Bastiaans heeft ook lang

gewerkt voor hy tot zevenhonderd opklom--en ik had een goede daad

gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hy wel kunnen beginnen, want daar

hy nooit in zaken geweest is, zou hy de eerste jaren als leertyd kunnen

beschouwen, wat dan ook billyk is, want hy kan zich niet gelyk-stellen

met menschen die veel gewerkt hebben. Ik ben zeker dat hy met tweehonderd

gulden tevreden zou zyn. Maar ik was niet gerust over zyn gedrag ... hy

had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hy woonde.

Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een

boekverkooping geweest in _het Wapen van Bern_.[9] Ik had Frits verboden

iets te koopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met eenige

prullen t'huis. Dit is zyn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hy

Sjaalman gezien had, die by de verkooping geëmploieerd scheen. Hy had de

boeken uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven

naar den afslager. Frits zei dat hy zeer bleek zag, en dat een heer die

daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hy een paar

jaargangen van de _Aglaia_ had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig

vind, want dit is een allerliefste verzameling van dames handwerken. Marie

heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit ...

uit de _Aglaia_ meen ik. Maar onder dat kyven had Frits gehoord dat hy

vyftien stuivers daags verdiende. "Denk je dat ik van plan ben vyftien

stuivers daags aan jou weg te gooien?" had die heer gezegd. Ik rekende uit,

dat vyftien stuivers daags--ik denk dat de zon-en feestdagen niet meetellen,

anders had hy een maand of jaargeld genoemd--tweehonderd vyf-en-twintig

gulden 's jaars uitmaken. Ik ben snel in myn besluiten--als men zoo lang

in zaken is, weet men altyd terstond wat men te doen heeft--en den volgenden

morgen vroeg was ik by Gaafzuiger. Zoo heet de boekhandelaar die de

verkooping gehouden had. Ik vroeg naar den man die de _Aglaia_ had laten

vallen.

--Die heeft zyn congé, zei Gaafzuiger. Hy was lui, pedant en ziekelyk.

Ik kocht een doosjen ouwels, en besloot terstond het met onzen Bastiaans

nog wat aantezien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man zoo op-straat

te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zachtmoedig, is altyd myn

principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te vernemen wat te-pas kan

komen in de zaken, en daarom vroeg ik aan Gaafzuiger waar die Sjaalman

woonde? Hy gaf my 't adres, en ik schreef het op.

Ik peinsde gedurig over myn boek, maar daar ik van waarheid houd, moet

ik ronduit zeggen dat ik niet wist, hoe ik 't daarmee zou aanleggen. Eén

ding staat vast: de bouwstoffen die ik in Sjaalman's pak gevonden had,

waren belangryk voor de makelaars in koffi. De vraag was maar, hoe ik

handelen moest om die bouwstoffen behoorlyk te schiften en by-een te

brengen. Ieder makelaar weet van hoeveel gewicht een goede sorteering

der kavelingen is.

Maar ... schryven--buiten de korrespondentie met de principalen--ligt

zoo niet in myn kring, en toch voelde ik dat ik schryven moest, omdat

misschien de toekomst van 't vak er van afhangt. De inlichtingen die ik

in de bundels van Sjaalman vond, zyn niet van dien aard, dat _Last & Co_

het nut daarvan voor zich alleen kunnen houden. Als dit zoo ware,

begrypt ieder dat ik niet de moeite zou nemen een boek te laten drukken

dat Busselinck & Waterman ook te lezen krygen, want wie een konkurrent

op den weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Neen, ik

zag in dat er een gevaar dreigt, dat de heele koffimarkt bederven zou,

een gevaar dat alleen door de vereende krachten van alle makelaars kan

worden afgeweerd, en zelfs is 't mogelyk dat deze krachten daartoe niet

eens voldoende zyn, en dat ook de suikerraffinadeurs--Frits zegt:

_raffineurs_, maar ik schryf _nadeurs_. Dit doen de Rosemeyers ook, en

die _doen_ in suiker. Ik weet wel dat men zegt: _geraffineerde_ schelm,

en niet: _geraffinadeerde_ schelm, maar dit is omdat ieder die met

schelmen te doen heeft, zich zoo kort mogelyk van de zaak afhelpt--dat

ook de raffinadeurs dan, en de handelaren in indigo er by noodig zullen

wezen.

Als ik zoo al schryvende nadenk, komt het me voor, dat zelfs de

scheepsreederyen er eenigszins in betrokken zyn, en de koopvaardyvloot

... zeker, dit is waar! En de zeilenmakers ook, en de minister van

finantien, en de armbesturen, en de andere ministers, en de pasteibakkers,

en de galanteriekramers, en de vrouwen, en de scheepsbouwmeesters, en de

groothandelaars, en die in 't klein verkoopen, en de huisbewaarders, en

de tuinluî.

En--zonderling toch, hoe de gedachten onder 't schryven in iemand opkomen

--myn boek gaat ook de molenaars aan, en de dominees, en hen die Holloway-

pillen verkoopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers, en de menschen

die van staatsschuld leven, en de pompenmakers, en de touwslagers, en de

wevers, en de slachters, en de klerken op een makelaarskantoor, en de

aandeelhouders van de Nederlandsche Handelmaatschappy, en eigenlyk, wel

beschouwd, alle anderen ook.

En den koning ook ... ja, den Koning vooral!

Myn boek _moet_ de wereld in. Hiertegen is niets te doen! Laat dan

Busselinck & Waterman het ook te lezen krygen ... afgunst is myn zaak

niet. Maar knoeiers en onderkruipers zyn ze, dit zeg _ik_! Ik heb 't

vandaag nog aan den jongen Stern gezegd, toen ik hem in _Artis_

introduceerde. Hy mag 't gerust schryven aan zyn vader.

Zoo zat ik dan voor een paar dagen nog vreeselyk in den brand met myn

boek, en zie, Frits heeft my op den weg geholpen. Ik heb dit hemzelf

niet gezegd, omdat ik niet goed vind, iemand te laten merken dat men

verplichting aan hem heeft--dit is een principe van me--maar wáár is

het. Hy zei dat Stern zoo'n knappe jongen was, dat hy zulke snelle

vorderingen in de taal maakte, en dat hy duitsche verzen van Sjaalman

in 't hollandsch vertaald had. Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn

huis: de _Hollander_ had in 't duitsch geschreven, en de _Duitscher_

vertaalde in 't hollandsch. Als ieder zich by zyn eigen taal had

gehouden, zou er moeite gespaard zyn. Maar, dacht ik, als ik myn boek

door dien Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf

ikzelf van-tyd tot-tyd een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hy heeft een

lystje van woorden die met twee _e_'s geschreven worden, en Marie kan

alles in 't net schryven. Dit is met-één voor den lezer een waarborg

tegen alle onzedelykheid. Want dit begrypt ge toch, dat een fatsoenlyk

makelaar aan zyn dochter niets in handen geven zal, wat niet strookt met

zeden en fatsoen.

Ik heb toen de beide jongens over myn plan gesproken, en ze vonden het

goed. Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich

heeft--zooals veel Duitschers--stem te willen hebben in de wyze van

uitvoering. Dit beviel me nu wel niet zeer, maar omdat de voorjaarsveiling

op-hand is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders heb, wilde ik hem niet

te sterk kontrarieeren. Hy zei dat: "als de borst hem gloeide van gevoel

voor het ware en schoone, geen macht ter-wereld hem beletten kon de tonen

aanteslaan, die met zulk een gevoel overeenstemmen, en dat hy veel liever

zweeg, dan zyn woorden omklemd te zien door de onteerende kluisters der

alledaagsheid."--Frits zegt: _scheid_, maar dit doe ik niet. 't Woord is

lang genoeg zoo.--Ik vond dit nu wel heel gek van Stern, maar myn vak gaat

me vóór alles, en de Oude is een goed huis. We stelden dus vast:

1° Dat hy alle weken een paar hoofdstukken zou leveren voor myn boek.

2° Dat ik in zyn geschryf niets zou veranderen.

3° Dat Frits de taalfouten verbeteren zou.

4° Dat ik nu-en-dan een hoofdstuk schryven zou, om aan 't boek een

soliede voorkomen te geven.

5° Dat de titel zou wezen: _de koffiveilingen der Nederlandsche

Handelmaatschappy_.

6° Dat Marie het net afschrift zou maken voor den druk, maar dat men

geduld met haar hebben zou, als de wasch kwam.

7° Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op den krans zouden

worden voorgelezen.

8° Dat alle onzedelykheid zou worden vermeden.

9° Dat myn naam niet op den titel zou staan, omdat ik makelaar ben.

10° Dat Stern een _duitsche_, een _fransche_, en een _engelsche_

vertaling van myn boek zou mogen uitgeven, omdat--zoo beweerde

hy--zulke werken beter in 't buitenland worden begrepen dan by ons.

11° (_Hierop drong, Stern zeer sterk aan_) Dat ik Sjaalman een riem

papier, een gros pennen, en een kruikjen inkt zenden zou.

Ik nam met alles genoegen, want er was groote haast by myn boek. Stern

had den volgenden dag zyn eerste hoofdstuk gereed, en ziedaar, lezer,

de vraag beantwoord, hoe 't komt dat een makelaar in koffi--_Last & Co,

Lauriergracht N° 37_--een boek schryft, dat op een roman gelykt.

Nauwelyks echter was Stern aan zyn werk begonnen, of hy stuitte op

moeielykheden. Buiten de zwarigheid om uit zooveel bouwstoffen het

noodige uittezoeken en te rangschikken, kwamen er gedurig in de

handschriften woorden en uitdrukkingen voor, die hy niet begreep, en die

ook mij vreemd waren. Het was meestal javaansch of maleisch. Ook waren

hier-en-daar verkortingen aangebracht, die moeielyk te ontcyferen waren.

Ik zag in, dat we Sjaalman noodig hadden, en daar ik het voor een jong

mensch niet goed vind, dat hy verkeerde konnexien aanknoopt, wilde ik

noch Stern noch Frits daarheen zenden. Ik nam suikergoed mee, dat

overgebleven was van den laatsten krans-avend--want ik denk altyd aan

alles--en ik zocht hem op. Schitterend was zyn verblyf niet, maar de

gelykheid voor alle menschen, dus ook wat hun woningen aangaat, is een

hersenschim. Hyzelf had dit gezegd in zyn verhandeling over de

aanspraken op geluk. Bovendien, ik houd niet van menschen die altyd

ontevreden zyn.

Het was in de Lange-leidsche-dwarsstraat, op een achterkamer. In 't

onderhuis woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht, kopjes,

schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en

zoo al meer. Ik was zeer bang iets te breken, want in zoo'n geval

vorderen de menschen altyd meer geld voor de zaken, dan ze waard zyn.

Een klein meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of

m'nheer Sjaalman daar woonde? Ze liep weg, en de moeder kwam.

--Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 'et eerste

pertaal, en dan de trap na 'et tweede pertaal, en dan nog 'en trap, en

dan is uwee-d-er, want uwe komt er vanzelf. Myntje, ga 'es eefe segge

datter 'en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer?

Ik zei dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, van de

Lauriergracht, maar dat ik mezelf wel zou aandienen. Ik klom zoo hoog

als gezegd was, en hoorde in het derde portaal een kinderstem zingen:

_strakjes komt vader, die zoete papa_. Ik klopte, en de deur werd

geopend door een vrouw of dame--ik weet zelf niet recht wat ik van haar

maken moest. Ze zag zeer bleek. Haar trekken droegen sporen van

vermoeidheid, en deden me denken aan myn vrouw als de wasch beredderd

is. Ze was gekleed in een wit lang hemd, of jak zonder schoot, dat haar

tot de knieën hing, en aan de voorzyde met een zwart speldje was

vastgemaakt. In plaats van een behoorlyke japon of rok, droeg ze

daaronder een stuk donker gebloemd lynwaad, dat eenige malen om het lyf

gewikkeld scheen, en hare heupen en knieën vry nauw omsloot. Er was geen

spoor van plooien, wydte of omvang, zooals dit by een vrouw toch

behoort. Ik was bly dat ik Frits niet gezonden had, want haar kleeding

kwam me zeer onkiesch voor, en het vreemde daarvan werd nog verhoogd

door de losheid waarmee ze zich bewoog, als vond ze zich heel goed zoo.

Het mensch scheen volstrekt niet te weten dat ze er niet uitzag als

andere vrouwen. Ook kwam het me voor, dat ze volstrekt niet verlegen was

over myn komst. Ze verborg niets onder de tafel, verschoof de stoelen

niet, en deed niets van wat toch het gebruik is, als er een vreemdeling

komt van een deftig voorkomen.

Ze had, als een Chinesche, de haren achterover gekamd, en die achter het

hoofd in een soort van strik of knoop saamgebonden. Later heb ik

vernomen dat haar kleeding een soort van _indische dracht_ is, die ze

daar-te-lande _sarong_ en _kabaai_ noemen, maar ik vond het heel leelyk.

--Is u juffrouw Sjaalman? vroeg ik.

--Wien heb ik de eer te spreken? zeide zy, en wel op een toon waarin

iets lag, alsof ook ik wat _eer_ had moeten brengen in myn vraag.

Nu, van komplimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders,

en ik ben te lang by de zaken, om myn wereld niet te kennen. Maar om

daar veel omslag te verkoopen op een derde verdieping, vond ik niet

noodig. Ik zei dus kort-af, dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in

koffi, _Lauriergracht, N° 37_, en dat ik haar man spreken wilde. Wel ja,

waarom zou ik omslag maken?

Ze wees my een matten stoeltjen aan, en nam een klein meisje op den

schoot, dat op den grond zat te spelen. De kleine jongen dien ik had

hooren zingen, zag me strak aan, en bekeek me van 't hoofd tot de

voeten. Die scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van

een jaar of zes, ook al vreemd gekleed. Zyn wyd broekje reikte

ter-nauwernood tot de helft van de dy, en de beentjes waren bloot van

daar tot aan den enkel. Heel indecent, vind ik. "Kom je om papa te

spreken?" vroeg hy op-eens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van

dat knaapje veel te wenschen overliet, anders had hy: "komt u" gezegd.

Maar omdat ik met myn houding verlegen was, en wel wat praten wilde,

antwoordde ik:

--Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hy spoedig komen, denk

je?

--Dat weet ik niet. Hy is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te

koopen. (Frits zegt: _verwdoos_, maar dit doe ik niet. _Verf_ is _verf_,

en geen _verw_.)

--Stil, myn jongen, zei de vrouw. Speel wat met je prenten of met de

chinesche speeldoos.

--Je weet immers dat die m'nheer gister alles heeft meegenomen.

Ook zyn moeder noemde hy: _je_, en er scheen een "heer" geweest te zijn,

die alles "meegenomen had" ... een vroolyk bezoek! De vrouw scheen ook

niet opgeruimd, want ter-sluik wischte zy haar oog af, terwyl zy 't

kleine meisje by haar broertje bracht. "Dáár, zeide zy, speel wat met

Nonni." Een rare naam. En dit deed hy.

--Wel juffrouw, vroeg ik, verwacht u spoedig uw man?

--Ik kan 't niet bepalen, antwoordde zy.

Daar liet op-eens de kleine jongen, die met zyn zusje _schuitjevaren_

gespeeld had, deze in den steek, en vroeg my:

--M'nheer, waarom zeg je tegen mama: _juffrouw_?

--Hoe dan, kereltje, zei ik, wat moet ik dan zeggen?

--Wel ... zooals andere menschen! De _juffrouw_ is beneden. Ze verkoopt

schotels en priktollen.

Nu ben ik makelaar in koffi--_Last & Co, Lauriergracht, N° 37_--we zyn

met ons dertienen op 't kantoor, en als ik Stern meereken, die geen

salaris ontvangt, zyn er veertien. Welnu, _myn_ vrouw is: _juffrouw_, en

moest ik nu tegen dàt mensch: _mevrouw_ zeggen? Dit ging toch niet!

Ieder moet in zyn stand blyven, en wat meer is, gister hadden de

deurwaarders den boel weggehaald. Ik vond myn: _juffrouw_ dus wèl, en

bleef er by.

Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet by my had aangemeld om zyn pak terug

te halen? Ze scheen er van te weten, en zei, dat zy op-reis waren

geweest, en wel naar Brussel. Dat hy daar voor de _Indépendance_ gewerkt

had, maar dat hy er niet had kunnen blyven, omdat zyn artikels oorzaak

waren dat het blad aan de fransche grenzen zoo dikwyls werd afgewezen.

Dat ze sedert eenige dagen in Amsterdam teruggekeerd waren, omdat

Sjaalman hier een betrekking zou krygen ...

--Zeker by Gaafzuiger? vroeg ik.

Ja, dat was het! Maar dit was tegengeloopen, zeide zy. Nu, hiervan wist

ik meer dan zyzelf. Hy had de _Aglaia_ laten vallen, en was lui, pedant

en ziekelyk ... precies, dáárom was hy weggejaagd.

--En, ging ze voort, dat hy zeker dezer dagen by my komen zou, en

misschien wel juist naar my toe was, om antwoord te vragen op 't verzoek

dat hy my gedaan had.

Ik zei dat Sjaalman maar eens komen zou, maar dat hy niet moest schellen,

want dit is zoo lastig voor de meid. Als hy wat wachtte, zei ik, zou de

deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging ik heen, en

nam myn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het beviel me daar

niet. Ik voelde me niet op myn gemak. Een makelaar is toch geen kruier,

dunkt me, en ik beweer dat ik er fatsoenlyk uitzie. Ik had mijn jas met

bont aan, en toch zat ze daar zoo eenvoudig, en praatte zoo kalm met haar

kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien ze scheen geschreid te hebben, en

ontevreden menschen kan ik niet verdragen. Ook was 't er koud en ongezellig

--zeker omdat de boel weggehaald was--en ik houd veel van gezelligheid in

een kamer. Onder het naar-huis gaan besloot ik het met Bastiaans nog eens

aantezien, omdat ik niet gaarne iemand op-straat zet.

Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in

voorkomt, dat my niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel _twee_,

en de Rosemeyers hebben 't goed gevonden. Ik geloof, dat ze Stern in de

hoogte steken, omdat hy een oom heeft te Hamburg die in suiker doet.

Sjaalman was er inderdaad geweest. Hy had Stern gesproken, en aan dezen

eenige woorden en zaken uitgelegd, die hy niet begreep. Die Stern niet

begreep, meen ik. Ik verzoek nu den lezer de volgende hoofdstukken

doortebyten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer solieden aard,

van _my_, Batavus Droogstoppel, makelaar in koffi: _Last & Co,

Lauriergracht, N° 37_.

VYFDE HOOFDSTUK

Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op den grooten weg

die de afdeeling _Pandeglang_ verbindt met _Lebak_[10] "Groote weg" is

misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid

en by-gebrek aan beter, de "weg" noemde. Maar als men met een vierspannig

rytuig vertrok van _Serang_, de hoofdplaats der residentie _Bantam_, met

het voornemen zich te begeven naar _Rangkas-Betoeng_, de nieuwe hoofdplaats

van 't _Lebaksche_, kon men nagenoeg zeker zyn, te-eeniger-tyd daar

aantekomen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in den modder,

die in de _Bantamsche_ laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was

men telkens genoodzaakt de hulp interoepen van de bewoners der naastby

gelegen dorpen--ook al waren ze niet zéér naby, want de dorpen zyn niet

menigvuldig in die streken--maar als men er dan eindelyk in geslaagd was,

een twintigtal landbouwers uit den omtrek by-een te krygen, duurde het

gewoonlyk niet zeer lang, voor men paard en wagen weder op vasten grond

had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de loopers--in Europa zou

men, geloof ik, zeggen "palfreniers" of liever, er bestaat in Europa niets

wat met deze loopers overeenkomt--die onvergelykbare loopers dan, met hun

korte dikke zweepjes, huppelden weer aan de zyde van het vierspan, kreschen

onbeschryfelyke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder

den buik. Zóó hoste men dan eenigen tyd voort, tot het verdrietig oogenblik

weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in den modder. Dan begon

het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en ...

sukkelde verder.

Dikwyls, als ik dien weg langs ging, was 't my als zou ik hier of daar

een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in den modder

gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik

veronderstel dus dat allen die ooit dezen weg langs kwamen, eindelyk zyn

aangeland waar ze wezen wilden.

Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van den geheelen grooten

weg op Java, een denkbeeld vormde naar den maatstaf van dien weg in

't _Lebaksche_. De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de

maarschalk Daendels met groote opoffering van volk deed aanleggen[11]

is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de

geestkracht van den man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders

en tegenstanders in 't moederland hem in den weg legden, den onwil der

bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets

tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iederen bezoeker

opwekt en verdient.

Geen paardenpostery dan ook in Europa--zelfs niet in Engeland, Rusland

of Hongarye--kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hooge

bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte

reiswagen in één galop voort. De koetsier zit als op den bok genageld,

uren, ja, gansche dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren

arm. Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden

moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan

dien hoek ...

--Myn God, de weg is ... weg! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren

reiziger, daar is geen weg ... daar is de diepte!

Ja, zoo schynt het. De weg kromt zich, en juist als één galopsprong

verder, vasten grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de

paarden, en slingeren het voertuig den hoek om. Ze vliegen de berghoogte

op, die ge een oogenblik vroeger niet zaagt, en ... de afgrond ligt

achter u.

Er zyn, by zulke gelegenheid, oogenblikken dat de wagen alleen rust op

de raderen aan de buitenzyde van den boog dien ge beschryft: de

middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van den grond geheven.

Er behoort koelbloedigheid toe, de oogen niet te sluiten, en wie voor

't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in

levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om

dien angst.

Het is myn doel niet, vooral niet in het begin van myn vertelling, den

lezer lang bezig te houden met het beschryven van plaatsen, landschappen

of gebouwen. Ik vrees te zeer hem afteschrikken door wat zweemen zou

naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hy voor my

gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin

die ergens van 't balkon eener vierde verdieping springt, hem belang

inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der

zwaartekracht, haar zweven tusschen hemel en aarde, tot ik myn hart heb

lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het

landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schynt geplaatst te zyn om

een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzydig vertoog over

middeleeuwsche architektuur. Al die kasteelen gelyken op elkaar.

Onveranderlyk zyn ze van heterogeene bouworde. Het _corps de logis_

dagteekent altyd van eenige regeeringen vroeger dan de aanhechtsels die

onder dezen of genen lateren koning daarby zyn gevoegd. De torens zyn in

vervallen staat ...

Waarde lezer, er zyn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom,

een ideaal, een verzinsel, onverdragelyke grootspraak! Er zyn halve

torens, en ... torentjes.

De geestdryvery die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die

opgericht werden ter-eere van dezen of genen heilige, duurde niet lang

genoeg om ze te voleinden, en de spits die de geloovigen naar den hemel

moet wyzen, rust, gewoonlyk een paar omgangen te laag, op de massieve

bazis, 'tgeen denken doet aan den man zonder dyen op de kermis. Alleen

_torentjes, kleine naaldjes_ op dorpskerken, zyn afgewerkt.

Het is waarlyk niet vleiend voor de westersche beschaving, dat zelden

het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg

heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu

niet van ondernemingen welker afwerking noodig was om de kosten te

dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga den Dom te Keulen zien. Hy

geve zich rekenschap van de grootsche opvatting van dat gebouw, in de

ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl ... van 't geloof in de harten

des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aantevangen en voorttezetten

... van den invloed der denkbeelden die zùlk een kolos noodig hadden om

als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig

gevoel ... en hy vergelyke deze overspanning met de richting, die eenige

eeuwen later het oogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk staakte.

Er ligt een diepe kloof tusschen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters!

Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen

bouwt men weder aan den Dom. Maar zal men den afgebroken draad weer kunnen

aanhechten? Zal men terugvinden in _onze_ dagen, wat _toen_ de kracht

uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te

bekomen zyn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan den kunstenaar

betalen, die een plan ontwerpt, en den metselaar die de steenen legt. Maar

niet voor geld te-koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat

in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid

sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat dáár stond als een

onbewegelyk voortdurend eeuwig gebed.

Op de grens tusschen _Lebak_ en _Pandeglang_ dan, was op zekeren morgen

een ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden bedekten den weg, en

duizend menschen voor 't minst--wat veel was voor die plek--liepen in

bedryvig wachten heen-en-weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en

de distriktshoofden uit het _Lebaksche_, allen met hun gevolg, en te

oordeelen naar den schoonen bastert-arabier die in zyn ryk tuig op den

zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hoogeren rang op

deze plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De Regent van _Lebak_,

_Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_[12] had met groot gevolg

_Rangkas-Betoeng_, verlaten, en ondanks zijn hoogen ouderdom de twaalf

of veertien palen afgelegd, die zyn woonplaats scheiden van de grenzen

der naburige afdeeling _Pandeglang_.

Er werd een nieuwe adsistent-resident verwacht, en het gebruik, dat in

Indie meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met

het bestuur eener afdeeling belast is, feestelyk worde ingehaald by zyn

aankomst. Ook de kontroleur, een man van middelbaren leeftyd, die sedert

eenige maanden na den dood van den vorigen adsistent-resident, als

eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar tegenwoordig.

Zoodra het tydstip der komst van den nieuwen adsistent-resident bekend

was, had men in-aller-yl een _pendoppo_ doen oprichten, een tafel en

eenige stoelen daarheen gebracht, en eenige ververschingen gereed gezet.

In deze _pendoppo_ wachtte de Regent met den kontroleur de aankomst van

den nieuwen chef af.

Na een hoed met breeden rand, een regenscherm, of een hollen boom, is

een _pendoppo_ zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld:

_dak_. Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in den grond geslagen, die

aan de boveneinden met elkander verbonden zyn door andere bamboes,

waarop een deksel is vastgehecht van de lange bladen van den waterpalm,

die in deze streken _atap_ heet, en ge zult u dusdanige _pendoppo_

kunnen voorstellen. Het is, zooals ge ziet, zoo eenvoudig mogelyk, en

het moest hier dan ook slechts dienen als _pied à terre_ voor de

europesche en inlandsche beambten die daar hun nieuw opperhoofd kwamen

verwelkomen aan de grenzen.

Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik den adsistent-resident

het opperhoofd, ook van den Regent, noemde. Een uitweiding over 't

mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist begrip

van hetgeen volgen zal, noodzakelyk.[13]

Het dusgenaamd _Nederlandsch Indie_--'t adjektief _nederlandsch_ komt me

eenigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangenomen[14]--is,

wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te

splitsen in twee zeer verschillende hoofddeelen. Een gedeelte bestaat

uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappy van Nederland

als _suzerein_ erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeksch

bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren

Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe--met een zeer kleine, wellicht

maar schynbare, uitzondering--geheel Java behoort, is rechtstreeks

onderworpen aan Nederland. Van cyns of schatting of bondgenootschap is

hier geen spraak. De _Javaan_ is _nederlandsch onderdaan_. De Koning van

Nederland is zyn koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en

heeren zyn _nederlandsche_ beambten. Ze worden aangesteld, verplaatst,

bevorderd, door den Gouverneur-generaal die in-naam van den _Koning_

regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnisd naar een wet die

van 's Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan opbrengt,

vloeit in de schatkist van _Nederland_.

Van dit gedeelte slechts der nederlandsche bezittingen, dat alzoo

inderdaad deel uitmaakt van het _Koningryk der Nederlanden_, zal in deze

bladen hoofdzakelyk sprake zyn.

Den Gouverneur-generaal staat een Raad ter-zyde, die echter op zyn

besluiten geen _beslissenden_ invloed heeft. Te Batavia zyn de

onderscheidene bestuurstakken verdeeld in "departementen" aan welker

hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die den schakel uitmaken tusschen het

opperbestuur van den Gouverneur-generaal en de Residenten in de

provincien. By behandeling evenwel der zaken van _politieken aard_,

wenden zich deze beambten rechtstreeks tot den Gouverneur-generaal.

De benaming _Resident_ is herkomstig uit den tyd toen Nederland nog

slechts _middelyk_ als _leenheer_ de bevolking beheerschte, en zich

aan de hoven der nog regeerende Vorsten door _Residenten_ liet

vertegenwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de residenten

zyn, als gewestelijke Gouverneurs of _Praefecten_, bestuurders van

landschappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam

is gebleven.

Het zyn deze residenten, die eigenlyk het nederlandsch gezag tegenover

de javaansche bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch den

Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indie, noch, de Direkteuren te

Batavia. Het kent slechts den _Resident_, en de beambten die onder hem

het besturen.

Een dusdanige residentie--er zyn er, die byna een millioen zielen

bevatten--is verdeeld in drie, vier of vyf afdeelingen of

regentschappen, aan welker hoofd _Adsistent-Residenten_ geplaatst zyn.

Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs,

opzieners en een tal van andere beambten die noodig zyn voor de inning

der belastingen, voor het toezicht over den landbouw, voor het oprichten

van gebouwen, voor de waterstaats-werken, voor de policie en voor het

rechtswezen.

In elke afdeeling staat een inlandsch hoofd van hoogen rang met den

titel van _Regent_, den adsistent-resident ter-zyde. Zoodanig Regent,

hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van

een _bezoldigd beambte_, behoort altyd tot den hoogen adel des lands, en

dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de

nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzoo

gebruik gemaakt van hun alouden feodalen invloed--die in Azie over 't

geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als punt van

godsdienst wordt aangemerkt--dewyl door het benoemen dezer hoofden tot

beambten, een hierarchie wordt geschapen, aan welker spits het

nederlandsch gezag staat, dat door den Gouverneur-generaal wordt

uitgeoefend.

Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de _Ryks-, Mark-, Gau-_, en

_Burggraven_ van het duitsche Ryk evenzoo door den Keizer aangesteld, en

meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over den oorsprong

des adels, die geheel in de natuur ligt, wensch ik toch plaats te geven

aan de opmerking hoe in òns werelddeel en ginds in 't verre Indie,

dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verren

afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten noodig, die 't

centraaal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire

willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de _Praefecten_, in den aanvang

gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden

ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: _provincien_, dat

is: _win_gewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitschen Ryks

behoefte voelde, eenig ver gelegen volk aan zich te binden op andere

wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zoodra een verwyderde streek

werd beschouwd als door gelykheid in afkomst, taal en gewoonten tot het

Ryk te behooren, deed zich de noodzakelykheid gevoelen, iemand met de

leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet

alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken

verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers,

gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem

die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan

tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger

ten-laste der algemeene staatskas, of, zooals meestal geschiedde,

ten-laste van de gewesten zelf, die door zoodanig leger moesten bewaakt

worden. Zoo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands,

en strikt genomen is dus 't woord _graaf_ geen adellyke titel, doch

slechts de benaming van een met zeker _ambt_ belasten persoon. Ik geloof

dan ook dat in de middeleeuwen de meening gold, dat de duitsche Keizer

wel 't recht had, graven, d.i. _landschapsbestuurders_, en hertogen,

d.i. _heiraanvoerders_, te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat

hun geboorte aangaat, aan den Keizer gelyk te zyn en alleen van God

aftehangen, behoudens de verplichting den Keizer te dienen, voor-zoo-ver

deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf

bekleedde een _ambt_ waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron

beschouwde zich als baron "_door de genade Gods_." De graven

vertegenwoordigden den Keizer, en voerden als zoodanig _diens_ banier,

d.i. den Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder

zyn eigen vaan, als _baanderheer_.

De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen

werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in

de schaal legden by den invloed dien zy aan hun geboorte ontleenden, en

hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelykheid dezer

betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, dien deze

titels hadden boven dien van baron. Nog heden-ten-dage zou menige

vryheerlyke familie--zonder keizerlyk of koninklyk patent, dat is een

zoodanige familie, die haren adel afleidt van het ontstaan des lands,

die _altyd_ van adel was _omdat_ ze van adel was--_autochthoon_--een

verheffing tot den gravenstand, als derogeerend afwyzen. Er zyn

voorbeelden van.

De personen die met het bestuur van zoodanig graafschap belast waren,

trachtten natuurlyk van den Keizer te verkrygen dat hun zoons, of,

by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden

opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat

ooit het recht op deze opvolging _organisch_ is erkend geworden, althans

wat deze beambten in de _Nederlanden_ aangaat, by-voorbeeld, de graven

van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant,

Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte,

en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet.

Nagenoeg op gelyke wyze--wat de keus der personen aangaat, daar hier

geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht

zekere overeenstemming in 't oog valt--staat aan het hoofd eener

afdeeling op Java, een inlandsch beambte die den hem door het

gouvernement gegeven rang met zijn _autochthoonen_ invloed verbindt,

om aan den europeschen ambtenaar die 't _nederlandsch_ gezag

vertegenwoordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de

erfelykheid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte

geworden. Reeds by het leven van den Regent is deze zaak meestal

geregeld, en 't geldt als een belooning voor dienstyver en trouw, indien

men hem de toezegging geeft dat hy in zijn betrekking door zyn zoon zal

worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige redenen bestaan, voor er

van dezen regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht,

kiest men toch gewoonlyk den opvolger uit de leden van dezelfde familie.

De verhouding tusschen europesche ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste

javaansche grooten, is van zeer kieschen aard. De adsistent-resident

eener afdeeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktien,

en wordt verondersteld het hoofd der afdeeling te zyn. Dit belet echter

niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboorte, door invloed

op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hiermede overeenstemmende

levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als

vertegenwoordiger van 't _javaansch element_ eener landstreek, en

verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer duizend

zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de oogen van 't Gouvernement

een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige _europesche_ beambte,

wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem

vele anderen in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van

een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand.

Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlyk de

_mindere_ den _meerdere_ beveelt. De adsistent-resident gelast den

Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het

arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen.

Hy roept hem op, zitting te nemen in den landraad, waarin hy

adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan

plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelyk

gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch hartelykheid,

noch, waar 't noodig blyken mocht, strengheid behoeven uittesluiten en

ik geloof dat de toon die in deze verhouding heerschen moet, vry wel

wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaangaande: de

_europesche_ ambtenaar hebbe den _inlandschen_ beambte die hem ter-zyde

staat, te behandelen als zyn _jonger broeder_.

Maar hy vergete niet dat deze _jonger broeder_ by de ouders zeer bemind

--of gevreesd--is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meerdere jaren

zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen

dat hy zyn _jonger broeder_ niet met meer inschikkelykheid of takt

behandelde.

De aangeboren hoffelykheid van den javaanschen groote--zelfs de geringe

Javaan is veel beleefder dan zyn europesche standgenoot--maakt evenwel

deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou.

De Europeaan zy wel-opgevoed en kiesch, hy gedrage zich met vriendelyke

waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't

bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm

geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte,

rykdom, wordt uitgewischt door den Regent zelf, die den Europeaan, als

vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en

ten-slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest

te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer.

Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom den voorrang hadden

boven den europeschen ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Europeaan, als

hy geroepen wordt tot het besturen eener provincie die in oppervlakte

met vele duitsche hertogdommen gelyk staat, is gewoonlyk iemand van

middelbaren of meer dan middelbaren leeftyd, gehuwd en vader. Hy

bekleedt een ambt _om den broode_. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en

zelfs vaak _niet_ voldoende, om aan de zynen het noodige te verschaffen.

De Regent is: _Tommongong, Adhipatti_, ja zelfs _Pangerang_, d.i.

javaansch prins. De vraag is voor hem niet dat hy leve, hy moet zóó

leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de

_Europeaan_ een huis bewoont, is dikwyls _zyn_ verblyf een _Kratoon_,

met vele huizen en dorpen daarin. Waar de _Europeaan_ ééne vrouw heeft

met drie, vier kinderen, onderhoudt _hy_ een tal van vrouwen met wat

daarby behoort. Waar de _Europeaan_ uitrydt, gevolgd door eenige

beambten, niet meer dan er by zyn inspektiereis noodig zyn tot het geven

van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden

die tot het gevolg behooren, dat in de oogen des volks onafscheidelyk is

van zyn hoogen rang. De _Europeaan_ leeft burgerlyk, de Regent leeft

--of wordt verondersteld te leven--als een vorst.

Doch dit alles moet _betaald_ worden. Het nederlandsch bestuur dat zich

op den invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is

dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte

die den _niet_-Indier overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden

voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van

zoodanig inlandsch Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten

die twee-ja driemaal honderd duizend gulden 's jaars inkomen hebben, in

geldverlegenheid te zien verkeeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't

ware vorstelyke, onverschiligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen,

hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en

_vooral_ het misbruik--dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt

door Europeanen.

De inkomsten der javaansche Hoofden zou men in vier deelen kunnen

splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som

als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't

nederlandsch bestuur. Ten-derde, een belooning in evenredigheid met de

hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffi,

suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de willekeurige beschikking

over den arbeid en de eigendommen hunner onderhoorigen.

De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen eenige opheldering. De

Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren

werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en

vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner

rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden

zyner _sawah's_ en _gagah's_ en _tipar's_[15] vergezelt reeds op zeer

jeugdigen leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in

den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het

bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent den

tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis

onder de makkers die met hem _padie_ sneden[16] hy zoekt zyn vrouw onder

de meisjes der _dessah_[17] die 's avends onder vroolyk gezang de ryst

stampen om ze te ontdoen van den bolster ... het bezit van een paar

buffels die zyn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht ...

kortom, de rystbouw is voor den Javaan, wat in de Rynstreken en in het

zuiden van Frankryk, de wynoogst is.

Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van

het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den

bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn

tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst

zouden afwerpen op de markten van _Europa_. Om den geringen man hiertoe

te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde noodig. Hy

gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door

hun een gedeelte van de winst toetezeggen, en ... het gelukte volkomen.

Als men let op de ontzettende massa javasche produkten die in Nederland

worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende

dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen

of de landbouwer zelf eene met deze uitkomst evenredige belooning

geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regeering

verplicht hem op _zyn_ grond aantekweeken wat _haar_ behaagt, ze straft

hem wanneer hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy

buiten háár, en _zyzelf_ bepaalt den prys dien ze hem daarvoor

uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van

een bevoorrecht handelslichaam, _zyn_ hoog. De aan de Hoofden toegelegde

aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen den inkoopprys, en ... daar

toch ten-slotte de geheele zaak winst afwerpen _moet_, kan deze winst

niet anders worden gevonden dan door juist zóóveel aan den javaan

uittebetalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende

kracht der natie verminderen zou.

Ook aan de europesche beambten wordt een belooning uitbetaald in

evenredigheid met de opbrengst.[18]

Wel wordt dus de arme Javaan voorgezweept door dubbel gezag, wel wordt

hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak 't

gevolg van deze maatregelen, doch ... vroolyk wapperen te Batavia, te

Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te

Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen

worden met de oogsten die Nederland ryk maken.

_Hongersnood_? Op het ryke vruchtbare gezegende Java, _hongersnood_?

Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van

honger.[19] Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders

hebben hun kinderen gegeten ...

Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen

der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de

toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding

der dusgenaamde _europesche-marktprodukten_ voortaan niet weder zou

voortzetten tot hongersnood toe ...

Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke

zaken kon neerschryven _zonder_ bitterheid?

My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der

inkomsten van inlandsche hoofden: het willekeurig beschikken over

personen en eigendommen hunner onderhoorigen.

Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azie, behoort de onderdaan

met al wat hy bezit, aan den vorst. Dit is ook op Java het geval, en de

afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik

van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar

_Tommongong_ of _Adhipatti_ of _Pangerang_ thans een _bezoldigd

ambtenaar_ is die zyn eigen en hare rechten voor een bepaald inkomen

verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of

suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door

de heeren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus

gewoner dan dat honderde huisgezinnen van verren afstand worden

opgeroepen om _zonder betaling_ velden te bewerken, die den Regent

toebehooren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van

levensmiddelen ten-behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer

die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de

dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men 't ongehoord vinden,

als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde.

Er zyn Regenten, die van zoodanige willekeurige beschikkingen een matig

gebruik maken, en niet meer van den geringen man vorderen, dan tot het

ophouden van hun rang volstrekt noodig is. Anderen gaan iets verder, en

geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk

ja onmogelyk, zoodanig misbruik _geheel_ uitteroeien, daar het diep

geworteld is in den aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan

is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid

aan zyn Hoofd, aan den afstammeling van hen wien zyn vaderen gehoorzaamden.

Ja, hy zou meenen te-kort te doen aan den eerbied dien hy aan zyn erfelyken

heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens _kratoon_ betrad.

Zulke geschenken zyn dan ook dikwyls van zoo weinig waarde, dat het afwyzen

iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzoo deze gewoonte

eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot den vader

tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan optevatten

als schatting aan dwingelandsche willekeur.

Maar ... aldus wordt door een _lief gebruik_, de afschaffing van _misbruik_

belemmerd. Indien de _aloen-aloen_[20] voor de woning van den Regent in

verwilderden staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover beschaamd

wezen, en er ware veel gezags noodig om haar te _beletten_ dat plein van

onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met den rang des

Regents overeenstemt. Hiervoor eenige betaling te geven, zou algemeen als

een beleediging worden aangemerkt. Maar naast dien _aloen-aloen_, of elders,

liggen _Sawah's_ die op den ploeg wachten, of op een leiding die het water

daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver ... deze _Sawah's_ behooren den

Regent. Hy roept, om _zyn_ velden te bewerken of te besproeien, de bevolking

van gansche dorpen op, wier eigen _Sawah's_ evenzeer behoefte hebben aan

bearbeiding ... ziedaar het _misbruik_.

Dit is aan de Regeering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de

wetten, instruktien en handleidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht

de menschlievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben

voorgezeten. Alom wordt den Europeaan, met gezag in de binnenlanden

bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de

bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en de hebzucht

der Hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting voorteschryven

_in 't algemeen_, er wordt nog van de _adsistent-residenten_, by de

aanvaarding van 't bestuur eener afdeeling, een _afzonderlyke eed_

gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen

als een eersten plicht.

Dit is voorzeker een schoone roeping. Rechtvaardigheid voortestaan, den

geringe te beschermen tegen den machtige, den zwakke te beschutten tegen

de overmacht van den sterke, het ooilam van den arme terug te vorderen

uit de stallen des vorstelyken roovers ... zie, 't is om 't hart te doen

gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zóó

schoons! En wie in de javasche binnenlanden soms ontevreden moge zyn met

standplaats of belooning, hy sla het oog op den verheven plicht die op

hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de vervulling van _zulk_ een plicht

met zich brengt, en hy zal geen andere belooning begeeren.

Maar ... gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te

beoordeelen, waar het _gebruik_ heeft opgehouden om voor _misbruik_

plaats te maken? En ... waar het misbruik _bestaat_, waar inderdaad roof

of willekeur gepleegd _is_, zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan

medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees,

hetzy uit wantrouwen op den wil of de macht der persoon die hen

beschermen moet. Ieder weet dat de _europesche_ beambte elk oogenblik

kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de _Regent, de

machtige Regent_, dáár blyft. Voorts zyn er zoo véél manieren om zich

het eigendom van een arm onnoozel mensch toeteëigenen! Als een

_mantrie_[21] hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg

dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van den

Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen

was--o, zeker!--daarvoor een hoogen prys te betalen ... te-eeniger-tyd.

Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd, zonder daarvoor

betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet

geschieden ten _zynen_ behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun

den oogst overtelaten uit de menschlievende berekening dat zyn grond

beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder

beloonen zou?

Bovendien, vanwaar haalt de europesche beambte de getuigen die den moed

hebben een verklaring te doen tegen hun heer, den gevreesden Regent? En,

waagde hy een beschuldiging, _zonder die te kunnen bewyzen_, waar blyft

dan de verhouding van _ouder broeder_, die in zulk geval zyn _jongeren

broeder_ zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de

gunst van de Regeering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat

brood opzegt, hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hy een zoo

hooggeplaatst persoon als een _Tommongong, Adhipatti_ of _Pangerang_ had

verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid?

Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat

de neiging der inlandsche Hoofden om de grens van 't geoorloofd

beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhoorigen te overschryden,

overal volmondig erkend wordt ... dat alle adsistent-residenten den eed

doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en ... dat toch slechts

_zeer_ zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik

van gezag.

Er schynt dus wel een byna-onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om

gevolg te geven aan den eed: "_de inlandsche bevolking te beschermen

tegen uitzuiging, en knevelary_."

1/1
Menu

Fazer anotação