VEERTIENDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 14 de 20
Obra Menu

VEERTIENDE HOOFDSTUK

VEERTIENDE HOOFDSTUK

Ge weet, begon Havelaar, hoe de nederlandsche bezittingen ter Westkust

van Sumatra aan de onafhankelyke ryken in den noordhoek grenzen, waarvan

_Atjeh_ het aanzienlykste is. Men zegt dat een geheim artikel in het

traktaat van 1824, ons jegens de Engelschen de verplichting oplegt, de

rivier van _Singkel_ niet te overschryden. De generaal Vandamme, die met

een _faux-air Napoléon_ gaarne zyn gouvernement zoo vèr mogelyk

uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelyken

hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel gelooven,

omdat het me anders bevreemden zou dat de Radjahs van _Troeman_ en

_Analaboe_, wier provincien niet zonder gewicht zyn door den peperhandel

die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder nederlandsche

souvereiniteit zyn gebracht. Ge weet hoe gemakkelyk men een voorwendsel

vindt om zulke landjes den oorlog aantedoen, en zich daarvan meester te

maken. Het stelen van een landschap zal altyd makkelyker blyven dan van

een molen. Ik geloof van den generaal Vandamme, dat hy zelfs een molen

zou weggenomen hebben als hy daarin lust gevoeld had, en begryp dus niet

dat hy die landschappen in de Noord zou hebben verschoond, wanneer niet

daarvoor steviger gronden hadden bestaan dan recht en billykheid.[107]

Hoe dit zy, hy richtte zyn veroveraarsblikken niet Noord- maar

Oostwaarts. De landstreken _Mandhéling_ en _Ankola_--dit was de naam der

adsistent-residentie die gevormd was uit de pas tot rust gebrachte

Battahlanden--waren wel nog niet gezuiverd van atjineschen invloed--want

waar dweepzucht eens wortel schiet, is 't uitroeien moeielyk--maar de

Atjinezen zelf waren er toch niet meer. Dit was evenwel den Gouverneur

niet genoeg. Hy breidde zyn gezag tot aan de oostkust uit, en er werden

nederlandsche beambten en nederlandsche garnizoenen gezonden naar _Bila_

en _Pertibie_, welke posten echter--zooals je weet, Verbrugge--later

weer ontruimd zyn.

Toen er op Sumatra een Regeeringskommissaris[108] aankwam, die deze

uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wyl ze in

stryd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland

zoozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Vandamme dat die

uitbreiding geen bezwarenden invloed behoefde te hebben op de

begrooting, want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen

waarvoor toch reeds gelden waren toegestaan, zoodat hy een zeer groote

landstreek onder nederlandsch bestuur had gebracht, zonder dat hieruit

geldelijke uitgaven waren voortgevloeid. En wat voorts het gedeeltelyk

ontblooten van andere plaatsen aanging, voornamelyk in 't

Mandhélingsche, meende hy genoeg te kunnen rekenen op de trouw en de

aanhankelykheid van _Jang di Pertoean_, 't voornaamste hoofd in de

Battahlanden, om hierin geen bezwaar te zien.[109]

Met weerzin gaf de Regeeringskommissaris toe, en wel op de herhaalde

betuigingen van den generaal dat hy _persoonlijk_ zich tot borg stelde

voor _Jang di Pertoean's_ trouw.

Nu was de kontroleur die vóór my de afdeeling _Natal_ bestuurde, de

schoonzoon van den adsistent-resident in de Battahlanden, welke

ambtenaar met _Jang di Pertoean_ in onmin leefde. Later heb ik veel

hooren spreken van klachten die tegen dien adsistent-resident waren

ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloof-slaan aan deze

beschuldigingen, omdat ze grootendeels uit den mond kwamen van _Jang di

Pertoean_, en wel op een oogenblik toen deze zelf van veel zwaarder

vergrypen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noopte zyn verdediging

te zoeken in de fouten van zyn beschuldiger ... wat meer gebeurt. Hoe

dit zy, de gezaghebber van _Natal_ omhelsde de party van zyn schoonvader

tegen _Jang di Pertoean_, en dit te vuriger misschien omdat die

kontroleur zeer bevriend was met zekeren _Soetan Salim_, een natalsch

Hoofd dat ook zeer op den battakschen chef gebeten was. Sedert lang

heerschte er een veete tusschen de familien dezer beide hoofden. Er

waren huwelyksvoorstellen afgeslagen, er bestond yverzucht over invloed,

trots aan den kant van _Jang di Pertoean_ die van beter geboorte was, en

meer andere oorzaken nog liepen samen om _Natal_ en _Mandhéling_ tegen

elkander opgezet te houden.

Op-eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in _Mandhéling_ een

komplot was ontdekt, waarin _Jang di Pertoean_ zou betrokken wezen, en

dat ten-doel had de heilige vaan des opstands uittesteken en alle

Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te _Natal_

plaats gehad, wat natuurlyk is, daar men in nabyliggende provincien

altyd beter van den stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats

zelf, dewyl velen die te-huis door vrees voor een betrokken Hoofd zich

laten weerhouden van de openbaring eener hun bekende omstandigheid, die

vrees eenigermate overwinnen zoodra ze zich op een grondgebied bevinden

waar dat Hoofd geen invloed heeft.

Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de

zaken van _Lebak_, en dat ik redelyk veel wist van wat hier omgaat, voor

ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't

_Krawangsche_, en heb veel rondgedwaald in de _Preanger_ waar ik reeds

in 1840 _Lebaksche_ uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met

sommige eigenaren van partikuliere landen in 't Buitenzorgsche en in de

Bataviasche ommelanden, en ik weet hoe van-oudsher die landheeren

verheugd zyn over den slechten toestand dezer Afdeeling, omdat dit hun

landeryen bevolkt.[110]

Zóó ook zou dan te _Natal_ de samenzwering ontdekt wezen, die--_als_ ze

bestaan heeft, wat ik niet weet--_Jang di Pertoean_ deed kennen als

verrader. Volgens door den kontroleur van Natal afgenomen verklaringen

van getuigen, zou hy gezamenlyk met zyn broeder _Soetan Adam_ de

battaksche Hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bosch waarin zy

zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der "christenhonden"

in _Mandhéling_ vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hy hiertoe een

ingeving van den hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit by zulke

gelegenheden nooit uitblyft.[111]

Of nu inderdaad dit voornemen by _Jang di Pertoean_ bestaan heeft, kan

ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge

zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelyk geloof mag

worden geslagen. Zéker is 't dat de man, wat zyn islamsche dweepzucht

aangaat, wel tot zoo-iets kan in-staat geweest zyn. Hy was, met de

geheele battaksche bevolking, eerst kort te voren door de _Padries_

overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zyn gewoonlyk

fanatiek.[112]

Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat _Jang di

Pertoean_ door den adsistent-resident van _Mandhéling_, werd gevangen

genomen en naar _Natal_ gezonden. Hier sloot de kontroleur hem

voorloopig in 't fort op, en liet hy hem met de eerste geschikte

scheepsgelegenheid gevankelyk naar _Padang_, vervoeren. Het spreekt

vanzelf dat men den Gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zoo

bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de

genomen maatregelen moesten wettigen. Onze _Jang di Pertoean_ was dus

van _Mandhéling_, vertrokken als een _gevangene_. Te _Natal_ was hy

_gevangen_. Aan-boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hy

ook natuurlyk een _gevangene_. Hy verwachtte dus--schuldig of niet, dit

doet niets tot de zaak, daar hy in wettigen vorm en door bevoegde

autoriteit was beschuldigd van hoogverraad--ook te _Padang_, als een

gevangene te zullen aankomen. Wèl moet hy dus zeer verwonderd hebben

gestaan, by de ontscheping te vernemen dat hy _vry_ was niet alleen,

maar dat de generaal, wiens rytuig hem by 't aan wal stappen opwachtte,

het zich tot een eer rekenen zou hem by zich aan huis te ontvangen en te

herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer

verrast geworden. Kort hierop werd de adsistent-resident van

_Mandhéling_, in zyn betrekking geschorst wegens allerlei vergrypen die

ik hier niet beoordeel. _Jang di Pertoean_ echter, na op _Padang_,

eenigen tyd ten-huize van den generaal te hebben vertoefd, en na door

dezen met de meeste onderscheiding te zyn behandeld, keerde over _Natal_

naar _Mandhéling_ terug, niet met het zelfgevoel van den onschuldig-

verklaarde, maar met den trots van iemand die zóó hoog staat dat hy geen

verklaring van onschuld noodig heeft. Immers, _onderzocht_ was de zaak

niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor

valsch hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereischt,

teneinde de valsche getuigen te straffen, en vooral hen die blyken

zouden zoodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schynt dat de

generaal zyn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaats hebben. De

tegen _Jang di Pertoean_ ingebrachte aanklacht werd beschouwd als _non

avenu_, en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder

de oogen der Regeering te _Batavia_ gebracht zyn.

Kort na _Jang di Pertoean's_ terugkeer kwam ik te _Natal_ aan om 't

bestuur van die afdeeling overtenemen. Myn voorganger verhaalde me

natuurlyk wat er kort geleden in 't Mandhélingsche was voorgevallen, en

gaf my de noodige inlichting over de staatkundige verhouding tusschen

die landstreek en myn Afdeeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hy

zich zeer beklaagde over de zyns inziens onrechtvaardige behandeling die

zyn schoonvader ten-deel viel, en over de onbegrypelyke bescherming die

_Jang di Pertoean_ van den generaal bleek te genieten. Noch hy noch ik

wisten op dàt oogenblik dat de opzending van _Jang di Pertoean_ naar

_Batavia_, een vuistslag in 't gelaat van dien generaal zou geweest zyn,

en dat deze--persoonlyk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan

--gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrywaren tegen

een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor den generaal des te

belangryker, omdat inmiddels de zoo-even bedoelde Regeeringskommissaris

zelf Gouverneur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschynlyk uit

zyn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't

ongegrond vertrouwen op _Jang di Pertoean_, en over de hierop steunende

hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de Oostkust

verzet had.

"Doch, zei myn voorganger, wat ook den generaal moge bewegen al de

beschuldigingen tegen myn schoonvader voetstoots aantenemen, en de veel

zwaarder grieven tegen _Jang di Pertoean_ niet eens een onderzoek

waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te _Padang_, zooals

ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders

dat niet vernietigd worden _kan_."

En hy toonde my een vonnis van den Rappat-raad te _Natal_[113] waarvan

hy voorzitter was, houdende: VEROORDEELING VAN ZEKEREN _Si Pamaga_ TOT

DE STRAF VAN GEESELING EN BRANDMERK, EN--ik meen--TWINTIGJARIGEN

DWANGARBEID, WEGENS POGING TOT MOORD OP DEN TOEANKOE VAN NATAL.

"Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting, zei myn voorganger,

en beoordeel dan of myn schoonvader niet zal geloofd worden te

_Batavia_, als hy dáár _Jang di Pertoean_ aanklaagt van hoogverraad!

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en "_de bekentenis

van den beklaagde_" was _Si Pamaga_ omgekocht om te _Natal_ den

_Toeankoe_, diens pleegvader _Soetan Salim_ en den gezaghebbenden

kontroleur te vermoorden. Hy had zich, om dit opzet uittevoeren, naar de

woning van den _Toeankoe_ begeven, en daar met de bedienden die op den

trap der buitengalery zaten, een gesprek aangeknoopt over een

_Sewah_[114] met het doel zyn tegenwoordigheid te rekken tot hy den

_Toeankoe_ zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van

eenige verwanten en bedienden, vertoonde. _Pamaga_ was met zyn _Sewah_

op den _Toeankoe_ losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zyn

moorddadig opzet niet kunnen volvoeren. De _Toeankoe_ was verschrikt uit

het venster gesprongen, en _Pamaga_ nam de vlucht. Hy verschool zich in

't bosch, en werd eenige dagen later door de natalsche policie opgevat.

"Aan den beschuldigde gevraagd: _wat hem tot dezen aanslag en den

voorgenomen moord op_ Soetan Salim _en den kontroleur van Natal had

bewogen_?" antwoordt hy: "DAARTOE TE ZYN OMGEKOCHT DOOR SOETAN ADAM, UIT

NAAM VAN DIENS BROEDER JANG DI PERTOEAN VAN MANDHÉLING."

"Is dit duidelyk of niet? vroeg myn voorganger. Het vonnis is na _fiat

exekutie_ van den resident, ten-uitvoer gelegd wat de geeseling en 't

brandmerk aangaat, en _Si Pamaga_ is op weg naar _Padang_, om vandaar

als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelyk met hem komen de

processtukken van de zaak te _Batavia_, en dan kan men dáár zien wie de

man is, op wiens aanklacht myn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat

vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hy."

Ik nam het bestuur der natalsche afdeeling over, en myn voorganger

vertrok. Na eenigen tyd ontving ik bericht dat de generaal met een

oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook _Natal_ bezoeken zou. Hy

stapte met veel gevolg ten-mynen huize af, en verlangde oogenblikkelyk

de oorspronkelyke processtukken te zien van: "den armen man dien men zoo

vreeselyk mishandeld had."

"Zyzelf hadden een geeseling en een brandmerk verdiend!" voegde hy er

by.

Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van den stryd over _Jang di

Pertoean_ waren my toen nog onbekend, en 't kon dus niet in myn

gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en wetens een

onschuldige zou veroordeeld hebben tot zóó zware straf, als dat de

generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig

vonnis. Ik ontving den last, _Soetan Salim_ en den _Toeankoe_ te doen

gevangen nemen. Daar de jonge _Toeankoe_ by de bevolking zeer bemind

was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik den

generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan.

Doch voor _Soetan Salim_, den byzonderen vyand van _Jang di Pertoean_,

was geen genade. De bevolking was in groote spanning. De Natallers

vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van

mandhélingschen haat, en 't was in _die_ omstandigheden dat ik van-tyd

tot-tyd iets doen kon, wat hy "kordaat" vond, vooral daar hy de weinige

macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement

mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan _my_ afstond ter

bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb by

die gelegenheid opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor

zyn eigen veiligheid, en 't is dáárom dat ik zyn roem van dapperheid

niet onderschryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.

Hy vormde in groote overhaasting een Raad, dien ik _ad hoc_ zou kunnen

noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de

officier van Justitie of fiskaal, dien hy van _Padang_ had meegenomen,

en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder

myn voorganger 't proces tegen _Si Pamaga_ was gevoerd geworden. Ik

moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe

noodig waren. De generaal, die natuurlyk vóórzat, ondervroeg en de

proces-verbalen werden geschreven door den fiskaal. Daar evenwel deze

beambte weinig maleisch verstond--en volstrekt niet het maleisch dat in

de Noord van Sumatra wordt gesproken--was 't dikwyls noodig hem de

antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf

deed. Uit de zittingen van dien Raad zyn stukken voortgekomen, die

ten-duidelykste schynen te bewyzen: dat _Si Pamaga_ nooit het voornemen

gekoesterd had iemand, wien het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch

_Soelan Adam_, noch _Jang di Pertoean_ ooit had gezien of gekend. Dat hy

_niet_ op den _Toeankoe_ van _Natal_ was toegesprongen. Dat deze _niet_

uit het venster gevlucht was ... en zoo voort! Verder: dat het vonnis

tegen den ongelukkigen _Si Pamaga_ was geslagen onder de pressie van den

voorzitter--myn voorganger--en van 't Raadslid _Soetan Salim_, welke

personen de voorgewende misdaad van _Si Pamaga_ hadden verzonnen om aan

den gesuspendeerden adsistent-resident van _Mandhéling_ een wapen ter

zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun

haat jegens _Jang di Pertoean_.

De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken

aan de whistparty van zekeren keizer van Marokko die zyn partner

toevoegde: "speel harten, of ik sny je den hals af." Ook de vertalingen,

zooals hy die den fiskaal in den pen gaf, lieten veel te wenschen over.

Of nu _Soetan Salim_ en myn voorganger pressie hebben uitgeoefend op den

natalschen Rechtsraad om _Si Pamaga_ schuldig te verklaren, is my

onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft

uitgeoefend op de verklaringen die 's mans _onschuld_ moesten bewyzen.

Zonder op dat oogenblik nog de strekking daarvan te begrypen, heb ik me

tegen die ... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zóó ver gegaan is dat ik

heb moeten weigeren eenige verbalen mede te onderteekenen, en ziedaar nu

de zaak waarin ik den generaal zoo "gekontrarieerd" had. Ge begrypt nu

ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de

aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden

waarin ik verzocht van alle welwillende konsideratien verschoond

te blyven.

--Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren, zei

Duclari.[115]

--Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is 't, dat de generaal Vandamme niet

aan zoo-iets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak

veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, _berouwd_

heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou

bepaald hebben tot eenvoudig protesteeren tegen de wys waarop de

generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner

handteekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat

ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf

vastgestelden toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de

generaal, overtuigd van _Si Pamaga's_ onschuld, zich liet meesleepen

door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden

van de gevolgen eener rechtsdwaling, voor-zoo-ver dit na de geeseling en

't brandmerk nog mogelyk was. Deze meening deed my wel in verzet komen

tegen valsheid, maar ik was daarover niet zóó verontwaardigd als ik zou

geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om

een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om

ten-koste van de eer en 't welzyn myns voorgangers, de bewyzen te

vernietigen die de politiek van den generaal in den weg stonden.

--En hoe ging 't verder met uw voorganger? vroeg Verbrugge.

--Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal

te _Padang_, terugkeerde. Hy schynt zich by de Regeering te _Batavia_ te

hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De

resident van _Ayer Bangie_ die op 't vonnis _fiat exekutie_ verleend

had, werd ...

--Gesuspendeerd?

--Natuurlyk! Ge ziet dat ik niet zoo heel onrecht had, in myn puntdicht

te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.

--En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?

--O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in

hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke

ambten bekleed.[116]

--En _Soetan Salim_?

--De generaal voerde hem gevankelyk mede naar _Padang_, en vandaar werd

hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te _Tjanjor_ in de

Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek

gebracht. Weet je nog wat ik te _Tjanjor_ kwam doen, Tine?

--Neen, Max, dat is me glad ontgaan.

--Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heeren!

--Maar, vroeg Duclari, daar ge nu toch aan 't vertellen zyt, mag ik

vragen of 't waar is dat ge te _Padang_ zoo dikwyls geduelleerd hebt?

--Ja, zeer dikwyls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat

de gunst van den Gouverneur op zoodanigen buitenpost de maatstaf is,

waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor my

zeer _on_-welwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van myn kant

was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de

"zotterny van iemand die 't wil opnemen tegen den generaal" een

toespeling op myn armoede, op myn hongerlyden, op 't slechte voedsel dat

er scheen te liggen in zedelyke onafhankelykheid ... dit alles, begrypt

ge, maakte my bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de

generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand

die zoo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus myn gevoeligheid

met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander dien ik voor

verongelykt hield. Hoe dit zy, het duel was daar in dien tyd aan de orde

van den dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had

op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelyks in het duel, vooral met

de sabel, of "op" de sabel, zooals ze 't noemen ... ik weet niet waarom.

Ge begrypt echter dat ik nu zoo-iets niet meer doen zou, ook al ware

daartoe zooveel aanleiding als in die dagen ... kom eens hier,

Max--neen, vang dat beestje niet--kom hier? Hoor eens, je moet nooit

kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst langen tyd als rups op een

boom rondgekropen, dat was geen vroolyk leven! Nu heeft het pas

vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich

vermaken, en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed ...

kyk, is 't niet veel aardiger het daar zoo te zien rondfladderen?

Zoo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des

rechtvaardigen over zyn vee, op het dieren plagen, op de _loi Grammont_,

op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de

republiek, en op wat niet al!

Eindelyk stond Havelaar op. Hy verontschuldigde zich by zyn gasten, wyl

hy bezigheden had. Toen de kontroleur hem den volgenden morgen op zyn

kantoor bezocht, wist hy niet dat de nieuwe adsistent-resident den

vorigen dag na de gesprekken in de voorgalery, was uitgereden naar

_Parang-Koedjang_--het distrikt der "_verregaande_ misbruiken"--en eerst

dien ochtend vroeg van daar was teruggekeerd.

* * * * *

Ik verzoek den lezer te gelooven dat Havelaar te wellevend was om aan

zyn eigen tafel zooveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb

opgegeven, en waardoor ik op hem den schyn laad alsof hy zich meester

zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarloozing der plichten van

een gastheer, die voorschryven aan zyn gasten de gelegenheid te laten of

te verschaffen "zich te doen uitkomen." Ik heb uit de vele bouwstoffen

die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de

tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't

afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde

voldoende wezen zal om eenigermate de beschryving te rechtvaardigen, die

ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer

niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem

en de zynen wachtten te _Rangkas-Betoeng_.

De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwyls over-dag uit,

en bracht halve nachten op zyn bureau door. De verhouding tusschen hem

en den kommandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook

in den huiselyken omgang met den kontroleur was geen spoor te ontdekken

van 't rangverschil dat anders in Indie zoo vaak het verkeer styf en

vervelend maakt, terwyl bovendien Havelaars zucht om hulp te verleenen

waar hy maar eenigszins kon, dikwyls den Regent te-stade kwam, die dan

ook zeer met zyn "ouderen broeder" was ingenomen. En ten-slotte bracht

de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam

verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de

Inlandsche Hoofden. De dienstkorrespondentie met den resident te

_Serang_ droeg blyken van wederzydsche welwillendheid, terwyl de bevelen

van den resident, met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd.

Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de

meubels van _Batavia_ aangekomen, en waren _ketimon's_ in zout gelegd,

en als Max aan-tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet

meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altyd de

levenswys van 't klein gezin duidelyke blyken droeg dat de voorgenomen

spaarzaamheid zeer werd in acht genomen.

Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts eenige

malen de thee by de familie Havelaar in de voorgalery. Ze sprak weinig,

en bleef altyd een wakend oog houden op ieder die hare of Havelaars

woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar

_monomanie_ begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer.

Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't

vergelykenderwyze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op

een niet aan den grooten weg gelegen binnenpost onvermydelyk zyn. Daar

er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het

van _Serang_ kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te

hoog. Max wist zoo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden

waren om zònder betaling brood naar _Rangkas-Betoeng_ te laten brengen,

maar _onbetaalde arbeid_, die Indische kanker, was hem een gruwel. Zoo

was er veel te _Lebak_, dat wel door gezag te verkrygen was om-niet maar

niet te-koop voor billyken prys, en onder zulke gegevens schikten zich

Havelaar en zyn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere

ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht

aan-boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan

't scheepsdek zonder andere beschutting tegen zonnehitte en

westmoessonsbuien, dan een tafeltje tusschen welks pooten ze zich moest

vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een

klein rantsoen droge ryst en vuil water? En was ze niet in die en vele

andere omstandigheden altyd tevreden geweest, als ze maar mocht samen

wezen met haar Max?

Eén omstandigheid echter was er te _Lebak_, die haar verdriet

berokkende: kleine Max kon niet in den tuin spelen omdat daar zooveel

slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich by Havelaar

beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prys uit voor elke slang die

ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hy zóóveel aan

premien dat hy zyn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in

gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zoo noodzakelyke

zuinigheid, zou die betaling spoedig zyn middelen zyn te-boven gegaan.

Er werd alzoo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou

verlaten, en dat hy zich, om frissche lucht te scheppen, vergenoegen

moest met spelen in de voorgalery. In-weerwil van deze voorzorg was Tine

toch altyd angstig, en vooral 's avends, daar men weet hoe slangen

dikwyls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de

slaapkamers verbergen.

Slangen en dergelyk ongedierte vindt men wel-is-waar in Indiën overal,

maar op de grootere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander

woont, komen zy natuurlyk zeldzamer voor dan in meer wilde streken,

zooals te _Rangkas-Betoeng_. Indien echter Havelaar had kunnen besluiten

zyn erf van onkruid te doen reinigen tot aan den rand van den ravyn toe,

zouden toch wel de slangen zich van-tyd tot-tyd in den tuin vertoond

hebben, maar niet in zóó grooten getale als dit nu 't geval was. De

natuur dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven

't licht van open plaatsen, zoodat, als Havelaars erf zindelyk ware

gehouden, de slangen niet dan als 't ware haars ondanks en verdwaald, de

ruigte in den ravyn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was

niet zindelyk, en ik wensch de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een

blik te meer doet slaan op de misbruiken die byna alom in de

nederlandsch-indische bezittingen heerschen.

De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gronden die

aan de gemeenten toebehooren, voor-zoover men van gemeente-eigendom

spreken kan in een land waar de Regeering zich alles toeëigent. Genoeg,

dat die erven niet toebehooren aan den ambtelyken bewoner zelf. Deze

toch zou, als dit het geval ware, zich wachten een grond te koopen of te

huren, waarvan 't onderhoud boven zyn krachten ging. Wanneer nu het erf

van de hem aangewezen woning te groot is om behoorlyk te worden

onderhouden, zou dit, by den weligen tropischen plantengroei, binnen

weinig tyds in een wildernis ontaarden. En toch ziet men zelden of nooit

zoodanig erf in slechten staat. Ja dikwyls zelfs staat de reiziger

verbaasd over 't schoone park dat een residentswoning omringt. Geen

beambte in de binnenlanden heeft inkomen genoeg om den hiertoe noodigen

arbeid te doen verrichten tegen behoorlyke betaling, en daar nu toch een

deftig aanzien van de woning des gezaghebbers een vereischte is, opdat

niet de bevolking die zooveel hecht aan uiterlykheden, in slordigheid

grond vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel

bereikt wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te

beschikken over eenige ketting-gangers, dat zyn: elders veroordeelde

misdadigers, een soort van werklieden echter dat in _Bantam_ om meer of

min geldige redenen van politieken aard niet aanwezig was. Doch ook op

plaatsen waar zich wel zoodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal,

vooral met het oog op de behoefte aan anderen arbeid, zelden in

evenredigheid met het werk dat zou vereischt worden tot het goed

onderhouden van een groot erf. Er moeten dus andere middelen gevonden

worden, en de oproeping van arbeiders tot het verrichten van

_heeredienst_ ligt voor-de-hand. De Regent of de _Dhemang_ die zoodanige

oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hy weet zeer

goed dat het den gezaghebbenden ambtenaar die van dat gezag misbruik

maakt, later moeielyk vallen zou een inlandsch Hoofd te bestraffen over

een gelyke fout. En alzoo strekt het vergryp van den een tot vrybrief

voor den ander.

Het komt my echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber _in

sommige gevallen_ niet al te streng, en vooral niet naar europesche

begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou

't--misschien uit ongewoonte--zeer vreemd vinden als hy _altyd_ en _in

alle gevallen_ zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor

zyn erf bestemde heeredienstplichtigen voorschryven, daar er

omstandigheden kunnen voorkomen die by deze bepalingen niet waren

voorzien. Maar zoodra eenmaal de grens van 't strikt wettige is

overschreden, wordt het moeielyk een punt vasttestellen, waarop

zoodanige overschryding zou overgaan in misdadige willekeur, en vooral

wordt groote omzichtigheid noodig zoodra men weet dat de Hoofden alleen

wachten op een slecht voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding

natevolgen. De vertelling over zekeren koning die niet wilde dat men de

betaling verzuimde van één korrel zout die hy by zyn eenvoudig maal

gebruikt had, toen hy aan 't hoofd zyns legers het land doortrok--omdat,

naar hy zeide, dit het begin was van een onrecht dat ten-laatste zyn

geheel ryk zou vernietigen--hy moge dan _Timoerleng_, _Noereddien_ of

_Djengis-Khan_ geheeten hebben, zeker is òf die fabel, òf als 't geen

fabel is, het voorval zelf, van aziatischen oorsprong. En even als 't

aanschouwen van zeedyken aan de mogelykheid van hoog water doet

gelooven, mag men aannemen dat er neiging bestaat tot _zulke_ misbruiken

in een land waar _zulke_ lessen worden gegeven.

Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht,

konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zyn erf, in de

onmiddellyke nabyheid der woning, van onkruid en kreupelhout vryhouden.

Het overige was binnen weinig weken een volslagen wildernis. Havelaar

schreef aan den resident over de middelen om hierin te voorzien, hetzy

door een geldelyke toelage, hetzy door aan de Regeering voortestellen

even als elders kettinggangers in de residentie _Bantam_ te doen

arbeiden. Hy ontving hierop een weigerend antwoord, met de opmerking dat

hy immers 't recht had de personen die door hem by policievonnis waren

veroordeeld tot "arbeid aan den publieken weg" op zyn erf te-werk te

stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem meer dan voldoende

bekend dat zoodanige beschikking over gekondemneerden overal de

gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hy, noch te

_Rangkas-Betoeng_ noch te _Amboina_, noch te _Menado_, noch te _Natal_,

van dat vermeend recht willen gebruik maken. Het stuitte hem, zyn tuin

te laten onderhouden als boete voor kleine vergrypen, en meermalen had

hy zich afgevraagd hoe de Regeering bepalingen kon laten bestaan, die

den ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten

te straffen, niet in evenredigheid met het vergryp, maar met den

toestand of de uitgestrektheid van zyn erf? Het denkbeeld alleen dat de

gestrafte, ook zelfs hy die rechtvaardig gestraft was, vermeenen zou dat

er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hy

straffen moest, altyd de voorkeur geven aan de anders zeer

afkeurenswaardige opsluiting.[117]

En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in den tuin, en dat

ook Tine van de bloemen niet zooveel genoegen smaakte als ze zich had

voorgesteld op den dag van haar aankomst te _Rangkas-Betoeng_.

Het spreekt vanzelf dat deze en dergelyke kleine verdrietelykheden geen

invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zooveel bouwstoffen

bezat om zich een gelukkig huiselyk leven te verschaffen, en 't was dan

ook niet toeteschryven aan zulke kleinigheden, wanneer Havelaar soms met

een bewolkt voorhoofd binnentrad, by het terugkeeren van een uitstap, of

na 't aanhooren van dezen en genen die verzocht hadden hem te spreken.

We hebben uit zyn toespraak aan de Hoofden gehoord dat hy zyn plicht

wilde doen, dat hy onrecht wilde te-keer gaan, en tevens hoop ik dat de

lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leeren kennen als

iemand die wel in-staat was iets uittevinden en tot klaarheid te

brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't duister lag. Er

was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in _Lebak_ omging

zyn aandacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hy vele jaren vroeger op die

afdeeling gelet had, zoodat hy reeds den eersten dag, toen Verbrugge hem

ontmoette in de _pendoppo_ waar myn verhaal aanvangt, toonde in zyn

nieuwen werkkring geen vreemdeling te zyn. Hy had door nasporing op de

plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hy vroeger vermoedde, en

vooral uit het archief was hem gebleken dat de landstreek waarvan het

bestuur aan zyn zorg was toevertrouwd, werkelyk in een hoogsttreurigen

toestand verkeerde.

Uit brieven en aanteekeningen van zyn voorganger bemerkte hy dat deze

dezelfde opmerkingen gemaakt had. De korrespondentie met de Hoofden

bevatte verwyt op verwyt, bedreiging op bedreiging, en deden zeer goed

begrypen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich

rechtstreeks tot de Regeering te zullen wenden indien niet aan dien

stand van zaken een einde werd gemaakt.

Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geantwoord dat zyn

voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de adsistent-resident

van _Lebak_ in geen geval den resident van _Bantam_ mocht voorbygaan, en

hy had daarby gevoegd dat dit ook door volstrekt niets zoude gewettigd

zyn, daar het toch niet te denken was dat die hooge beambte party zou

trekken voor afpersing en knevelary.

Zoodanig partytrekken was dan ook waarlyk niet te veronderstellen in den

zin zooals Havelaar 't bedoelde, niet namelyk alsof den resident eenig

voordeel of gewin zou ten-deel vallen van die vergrypen. Doch wèl

bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de

klachten van Havelaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe

die voorganger meermalen met den resident over de heerschende misbruiken

had gesproken--_geaboucheerd_, zei Verbrugge--en hoe weinig hem dit

gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom

een zoo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de geheele residentie

evenzeer als de adsistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was

te zorgen dat er recht geschiedde, byna altyd reden meende te hebben om

den loop van dat recht te stuiten.[118]

Reeds te _Serang_, toen Havelaar daar ten-huize van den resident

vertoefde, had hy dezen over de Lebaksche misbruiken gesproken, en

hierop ten-antwoord bekomen: "dat dit alles in meer of mindere mate

overal 't geval was." Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou

beweren een land te hebben gezien waar niets verkeerds geschiedt? Maar

hy meende dat dit geen beweegreden was om misbruiken, waar men die vond,

te laten bestaan, vooral niet wanneer men uitdrukkelyk tot het tegengaan

daarvan geroepen was, en tevens dat, na al wat hy van _Lebak_ wist, hier

geen spraak was van _meer of mindere_, doch van _zeer groote_ maat,

waarop de resident hem onder anderen antwoordde: "dat het in de afdeeling

_Tjiringien_--ook tot _Bantam_ behoorende--nog erger gesteld was."

Wanneer men nu aanneemt, zooals men aannemen kan, dat een resident geen

rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken

over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zoovelen beweegt in

tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder

daarvan aan de Regeering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet

het al zeer vreemd vinden dat men zoo koelbloedig 't bestaan van die

misbruiken erkent, als ware er spraak van iets dat buiten bereik of

bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen.

In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tydingen iets

onaangenaams, en 't schynt wel of er van den ongunstigen indruk dien ze

veroorzaken, iets blyft kleven op wien de verdrietige taak te-beurt viel

zulke tydingen meetedeelen. Wanneer nu dit alleen reeds voor sommigen

een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets

ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer

men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op den hals te halen die

nu eenmaal 't lot schynt des overbrengers van slechte berichten, doch

tevens als de _oorzaak_ te worden aangezien van den ongunstigen toestand

dien men plichtshalve openbaart.

De Regeering van Nederlandsch Indie schryft by-voorkeur aan haar

meesters in 't moederland dat alles naar wensch gaat. De residenten

melden dit gaarne aan de Regeering. De adsistent-residenten, die zelf

van hun kontroleurs byna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden

ook op hun beurt liefst geen onaangename tydingen aan de residenten.

Hieruit wordt in de officieele en schriftelyke behandeling der zaken een

gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de

waarheid, maar ook met de eigen meening van die optimisten zelf, zoodra

zy dezelfde zaken mondeling behandelen, en--nog vreemder!--dikwyls zelfs

in tegenspraak met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel

voorbeelden kunnen aanhalen van rapporten die den gunstigen toestand van

een residentie ten-hoogste verheffen, doch te-gelyker-tyd, vooral waar

de _cyfers_ spreken, zichzelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden,

als niet de zaak om de eindelyke gevolgen te ernstig ware, aanleiding

geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naïveteit waarmee

vaak in zoodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en

aangenomen, al biedt dan ook de schryver zelf weinig zinsneden verder de

wapens aan waarmee die onwaarheden te bestryden zyn. Ik zal me tot een

enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer velen zou kunnen vermeerderen.

Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een

residentie. De resident roemt den handel die daar bloeit, en beweert dat

in de geheele landstreek de grootste welvaart en bedryvigheid worden

waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende over de geringe

middelen die hem ten-dienste staan om sluikery te weren, wil hy terstond

den onaangenamen indruk wegnemen, die op de Regeering zou worden te-weeg

gebracht door de meening dat er dus in die residentie veel Inkomend-Recht

wordt ontdoken. "Neen, zegt hy, dáárvoor behoeft men niet bezorgd te zyn!

Er wordt in myn residentie weinig of niets ingevoerd ter-sluik, want ...

er gaat in deze streken zóó weinig om, dat niemand hier zyn kapitaal in

den handel wagen zou."

Ik heb een dergelyk verslag gelezen dat aanving met de woorden: "in 't

afgeloopen jaar is de rust rustig gebleven." Zulke zinsneden getuigen

wel van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelykheid van de

Regeering voor ieder die haar onaangename tydingen spaart, of die,

zooals de term luidt: "haar niet bemoeielykt" met verdrietige berichten!

Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toeteschryven aan onjuistheid

der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stygen, maakt

men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lagen aanslag den

landbouw aantemoedigen, die zich juist _nu_ gaat ontwikkelen, en

weldra--liefst als de berichtgever zal afgetreden zyn--onbegrypelyke

vruchten moet afwerpen. Waar onordelykheid heeft plaats gehad die niet

verborgen blyven _kon_, was dit het werk van eenige weinige

kwalykgezinden die voor 't vervolg niet meer te vreezen zyn daar er een

_algemeene_ tevredenheid heerscht. Waar gebrek of hongersnood de

bevolking heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte,

regen of zoo-iets, nooit van wanbestuur.

De nota van Havelaars voorganger, waarin deze "het verloop van volk uit

het distrikt _Parang-Koedjang_ toeschreef aan _verregaand_ misbruik"

ligt voor my.[119] Deze nota was _in_-officieel, en bevatte punten

waarover die ambtenaar met den resident van _Bantam_ te _spreken_ had.

Maar vergeefs zocht Havelaar in 't archief naar een blyk dat zyn

voorganger diezelfde zaak ruiterlyk by den waren naam had genoemd in een

_openbare dienstmissive_.

Kortom, de officieele berichten van de beambten aan het Gouvernement, en

dus ook de daarop gegronde rapporten aan de Regeering in 't moederland,

zyn voor het grootste en belangrykste gedeelte: _onwaar_.

Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en

voel me volkomen in-staat haar met bewyzen te staven. Wie verstoord

mocht zyn over dit onbewimpeld uiten myner meening, bedenke hoeveel

millioenen schats en hoeveel menschenlevens er zouden gespaard zyn aan

Engeland, indien men dáár tydig de oogen der natie voor de ware

toedracht der zaken in Britsch-Indie geopend had, en hoe groote

dankbaarheid men zou schuldig geweest zyn aan den man die den moed had

getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't

verkeerde te herstellen op minder bloedige wyze dan nu wel noodzakelyk

geworden was.

Ik zeide, myn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't noodig is, zal ik

aantoonen dat er vaak hongersnood heerschte in streken die geroemd

werden als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevolking die

als rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uittebersten in

woede. Het is myn voornemen niet deze bewyzen te leveren in _dit_ boek,

schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te

gelooven dat ze bestaan.

Voor 't oogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het

belachelyk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door

ieder, hy zy dan al of niet bekend met de zaken van Indie, gemakkelyk

zal kunnen begrepen worden.

Ieder resident dient maandelyks een opgaaf in van de ryst die in zyn

landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. By deze opgave

wordt dat vervoer in twee deelen gesplitst, naarmate het zich bepaalt

tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de

hoeveelheid ryst welke volgens die opgaven is overgevoerd _uit_

residentien op Java _naar_ residentien op Java, zal men bevinden dat

deze hoeveelheid vele duizende pikols _meer_ bedraagt dan de ryst die,

volgens dezelfde opgaven, _in_ residentien op Java _uit_ residentien op

Java is ingevoerd.

Ik ga nu met stilzwygen voorby, wat men te denken hebbe van het

doorzicht der Regeering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil

den lezer alleen opmerkzaam maken op de _strekking_ van deze valsheid.

De procentsgewyze belooning aan europesche en inlandsche beambten voor

produkten die in Europa moeten verkocht worden, had den rystbouw

zoodanig op den achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een

hongersnood geheerscht heeft, die niet voor de oogen der natie

weggegoocheld worden kòn. Ik heb reeds gezegd dat er toen voorschriften

zyn gegeven, de zaken niet weder te laten komen tot zóó ver. Tot de vele

uitvloeisels van deze voorschriften behoorden ook de door my genoemde

opgaven van uit-en ingevoerde ryst, opdat de Regeering voortdurend het

oog houden kon op de ebbe en den vloed van dat levensmiddel. _Uitvoer_

uit een residentie stelt welvaart voor, _Invoer_: betrekkelyk gebrek.

Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelykt, blykt daaruit dat de

ryst overal zóó overvloedig is, _dat alle residentien tezamen meer ryst

uitvoeren dan er in alle residentien tezamen wordt ingevoerd_. Ik

herhaal dat hier geen spraak is van uitvoer over zee, waarvan de opgaaf

afzonderlyk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerymde

stelling: _dat er op Java meer ryst is dan er ryst is_. Dàt is

toch welvaart!

Ik zeide reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de

Regeering meetedeelen, zou overgaan in 't belachelyke, als niet de

gevolgen van dit alles zoo treurig waren. Welke verbetering immers is er

te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen bestaat,

in de berichten aan 't bestuur alles omtebuigen en te verdraaien? Wat is

er by-voorbeeld te verwachten van een bevolking die, uit den aard zacht

en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over onderdrukking, als zy den

eenen resident vóór, den anderen nà ziet aftreden met verlof of met

pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat er _iets_ geschied

is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! Moet niet de gebogen

veer eindelyk terugspringen? Moet niet de zoolang onderdrukte

ontevredenheid--onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan ze te

loochenen!--eindelyk overslaan in woede, in wanhoop, in razerny? Ligt

er niet een _Jacquerie_ op 't eind van dezen weg?

En waar zullen dan de beambten zyn, die sedert jaren elkander opvolgden,

zonder ooit op 't denkbeeld te zyn gekomen dat er iets hoogers bestaat

dan de "gunst der Regeering?" Iets hoogers dan de "tevredenheid van den

Gouverneur-generaal?" Waar zullen zy dan wezen, de flauwe-berichten-

schryvers die de oogen van 't Bestuur door hun onwaarheden verblindden?

Zullen dan zy die vroeger den moed misten om een kordaat woord op 't

papier te stellen, te-wapen vliegen en de nederlandsche bezittingen

behouden voor Nederland? Zullen zy aan Nederland de schatten weergeven

die er zullen noodig wezen tot demping van oproer, tot het voorkomen van

omwenteling? Zullen zy 't leven weergeven aan de duizenden die er vielen

door hùn schuld?

En die ambtenaren, die kontroleurs en residenten, zyn niet de _meest_

schuldigen. Het is de Regeering zelf die, als geslagen met onbegrypelyke

blindheid, het indienen van gunstige berichten aanmoedigt, uitlokt en

beloont.[120] Vooral is dit het geval, waar spraak is van onderdrukking

der bevolking door inlandsche Hoofden.

Door velen wordt dit beschermen van de Hoofden toegeschreven aan de

onedele berekening dat zy, pracht en praal moetende ten-toon spreiden om

op de bevolking den invloed uitteoefenen dien de Regering noodig heeft

om háár gezag staande te houden, daartoe een veel hooger bezoldiging

zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de

vryheid liet het ontbrekende aantevullen door onwettige beschikking over

de bezittingen en den arbeid van 't volk. Hoe dit zy, de Regeering gaat

niet dan noode over tot het toepassen der bepalingen die den Javaan

tegen afpersing en roof heeten te beschermen. Meestal weet men in

onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde,

een oorzaak te vinden om _dien_ Regent of _dat_ Hoofd te sparen, en 't

is dan ook in Indie een tot spreekwoord geykte meening dat het

Gouvernement liever tien residenten zou ontslaan dan één Regent. Ook die

voorgewende politieke redenen--als ze op _iets_ gevestigd zyn--steunen

gewoonlyk op valsche opgaven, daar ieder resident belang heeft by 't

verheffen van den invloed zyner Regenten op de bevolking, om daarachter

zich te verschuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te

groote inschikkelykheid omtrent die hoofden.[121]

Ik ga nu de afschuwelyke huichelary voorby van de menschlievend-

luidende bepalingen--en van de eeden!--die den Javaan tegen willekeur

beschermen ... op 't papier, en verzoek den lezer zich te herinneren hoe

Havelaar by 't naspreken van die eeden iets te kennen gaf dat denken

deed aan minachting. Voor 't oogenblik wil ik alleen wyzen op het

moeielyke van den toestand des mans die, geheel ànders dan uit kracht,

eener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zyn plicht.

En voor hem was deze moeielykheid grooter nog dan ze voor sommige

anderen zou geweest zyn, omdat zyn gemoed zacht was, geheel in

tegenspraak met zyn doorzicht dat de lezer nu wel als vry scherp zal

hebben leeren kennen. Hy had dus niet alleen te stryden met vrees voor

menschen of met de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen

met de plichten die hy als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hy

moest een vyand overwinnen in zyn eigen hart. Hy kon niet zonder lyden

leed zien, en 't zou my te ver leiden als ik de voorbeelden wilde

aanvoeren hoe hy immer, ook waar hy gekrenkt en beleedigd was, de party

van een tegenstander beschermde tegen zichzelf. Hy verhaalde aan Duclari

en Verbrugge hoe hy in zyn jeugd iets aantrekkelyks had gevonden in het

duel met den sabel, 't geen de waarheid was ... doch hy zeide er niet by

hoe hy na 't wonden van zyn tegenparty gewoonlyk schreide, en zyn

gewezen vyand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik

zou kunnen verhalen hoe hy te _Natal_ den kettingganger die op hem

geschoten had[122] by zich nam, den man vriendelyk toesprak, hem voeden

liet en vryheid gaf boven alle anderen, omdat hy meende te ontdekken dat

de verbittering van dien veroordeelde 't gevolg was van een, elders

geslagen, te streng vonnis. Gewoonlyk werd de zachtheid van zyn gemoed

òf ontkend, òf belachelyk gevonden. Ontkend door wie zyn hart verwarde

met zyn geest. Belachelyk gevonden door wie niet begrypen kon hoe een

verstandig mensch zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastgeraakt

was in het web eener spin. Ontkend weder door ieder--buiten Tine--die hem

daarna hoorde schimpen op die "domme dieren" en op de "domme natuur" die

zulke dieren schiep.

Maar nog een andere wyze bestond er om hem neertehalen van 't voetstuk

waarop zyn omgeving--men mocht hem beminnen of niet--wel gedwongen was

hem te plaatsen. "Ja, hy _is_ geestig, maar ... er is vluchtigheid in

zyn geest." Of: "hy _is_ verstandig, maar ... hy gebruikt zyn verstand

niet goed." Of: "ja, hy _is_ goedhartig, maar ... hy koketteert er mee!"

Voor zyn geest, voor zyn verstand, trek ik geen party. Maar zyn hart?

Arme spartelende vliegjes die hy redde als hy geheel alleen was, wilt

_gy_ dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?

Maar ge zyt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gy die

niet weten kondet dat hy eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis!

Was 't koketterie van Havelaar, toen hy te _Natal_ een hond--_Sappho_

heette het dier--nasprong in de riviermonding, omdat hy vreesde dat het

nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwyken die

daar zoo menigvuldig zyn? Ik vind zulk koketteeren met goedhartigheid

moeielyker te gelooven dan de goedhartigheid zelf.

Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt--wanneer ge niet

verstyfd zyt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of

verdroogd door de hitte daarginds onder de linie!--ik roep u op om

getuigenis te geven van zyn hart, gy allen die hem hebt gekend! Thans

vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer noodig hebt te

zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neertehalen van welke

luttele hoogte ook.[123]

Intusschen, hoe bont het schyne, zal ik hier plaats geven aan eenige

regels van zyn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken.

Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hy had haar in Indie

moeten achterlaten, en bevond zich in Duitschland. Met de vlugheid die

ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht

willen aantasten, maakte hy zich meester van de taal des lands waar hy

eenige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die te-gelyker-tyd de

innigheid schetsen van den band die hem aan de zynen hechtte.

--Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!

Der Nachtwind säuselt, und die Luft wird kühl,

Zu kühl für dich vielleicht: dein Stirnchen glüht!

Du hast den ganzen Tag so wild gespielt,

Und bist wohl müde, komm, dein _Tikar_ harret.[124]

--Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick!

Es is so sanft zu ruhen hier... und dort,

Da drin auf meiner Matte, schlaf' ich gleich,

Und weiss nicht einmal was ich träume! Hier

Kann ich doch gleich dir sagen was ich träume.

Und fragen was mein Traum bedeutet... hör,

Was war das?

--'s War ein _Klapper_ der da fiel.[28]

--Thut das dem Klapper weh?

--Ich glaube nicht.

Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefühl.

--Doch eine Blume, fühlt die auch nicht?

--Nein,

Man sagt, sie fühle nicht.

--Warum denn, Mutter,

Als gestern ich die _Pukul ampat_ brach[125]

Hast du gesagt: es thut der Blume weh?

--Mein Kind, die _Pukul ampat_ war so schön

Du zogst die zarten Blättchen roh entzwei,

Das that mir für die arme Blume leid.

Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefühlt,

_Ich_ fühlt' es für die Blume, weil sie schön war.

--Doch, Mutter, bist du auch schön?

--Nein, mein Kind,

Ich glaube nicht.

--Allein _du_ hast Gefühl?

--Ja, Menschen haben's... doch nicht allen gleich.

--Und kann _dir_ etwas weh thun? Thut dir's weh,

Wenn dir im Schooss so schwer mein Köpfchen ruht?

--Nein, _das_ thut mir nicht weh!

--Und, Mutter, ich...

Hab' _ich_ Gefühl?

--Gewis! Erinn're dich

Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein

Dein Händchen hast verwundet, und geweint.

Auch weintest du, als _Saudien_ dir erzählte[126]

Dass auf den Hügeln dort, ein Schäflein tief

In eine Schlucht hinunter fiel, und starb.

Da hast du lang geweint... das war Gefühl.

--Doch, Mutter, ist Gefühl denn Schmerz?

--Ja, oft!

Doch... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst,

Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift,

Und krähend dir 's Gesichtchen nahe drückt,

Dann lachst du freudig, das ist auch Gefühl.

--Und dann mein Schwesterlein... es weint so oft,

Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefühl?

--Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht,

Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.

--Doch, Mutter... höre, was war das?

--Ein Hirsch

Der sich verspätet im Gebüsch, und jetzt

Mit Eile heimwärts kehrt, und Ruhe sucht

Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.

--Mutter,

Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich?

Und eine Mutter auch?

--Ich weiss nicht, Kind.

--Das würde traurig sein, wenn's nicht so wäre!

Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im Strauch?

Seh' wie es hüpft und tanzt... ist das ein Funk?

--'s Ist eine Feuerfliege.

--Darf ich 's fangen?

--Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart,

Du wirst gewiss es weh thun, und sobald

Du 's mit den Fingern all zu roh berührst,

Ist 's Thierchen krank, und stirbt, und glänzt nicht mehr.

--Das wäre Schade! Nein, ich fang' es nicht!

Seh', da verschwand es... nein, es kommt hierher...

Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort,

Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe!

Da fliegt es... hoch! Hoch, oben... was ist das,

Sind das auch Feuerflieglein dort?

--Das sind

Die Sterne.

--Ein, und zehn, und tausend!

Wieviel sind denn wohl da?

--Ich weiss es nicht

Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezählt.

--Sag', Mutter, zählt auch _Er_ die Sterne nicht?

--Nein, liebes Kind, auch _Er_ nicht.

--Is das weit,

Dort oben wo die Sterne sind?

--Sehr weit!

--Doch haben diese Sterne auch Gefühl?

Und würden sie, wenn ich sie mit der Hand

Berührte, gleich erkranken, und den Glanz

Verlieren, wie das Flieglein?--Seh', noch schwebt es!

Sag, würd' es auch den Sternen weh thun?

--Nein,

Weh thut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit

Für deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.

--Kann _Er_ die Sterne fangen mit der Hand?

--Auch _Er_ nicht: das kann Niemand!

--Das ist Schade!

Ich gäb so gern dir einen! Wenn ich gross bin,

Dann will _ich so dich lieben das ich's_ kann.

Das Kind schlief ein. Ihm träumte von Gefühl,

Von Sternen die es fasste mit der Hand....

Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch träumte

Auch sie, und dacht' an den der fern war...

Ja, op 't gevaar af van bont te schynen, heb ik aan die regels hier

plaats gegeven. Ik wensch geen gelegenheid te verzuimen om den man te

doen kennen die de hoofdrol vervult in myn verhaal, opdat hy den lezer

eenig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken

over zyn hoofd.

VYFTIENDE HOOFDSTUK

Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hooge

ongenade van de Regeering eenigszins scheen gevreesd te hebben--de man

had veel kinderen, en geen vermogen--had alzoo liever met den resident

_gesproken_ over wat hyzelf _verregaande_ misbruiken noemde, dan die

ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident

niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft

liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt

op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeeling hem

zonder gevaar de keus laat tusschen 't al of niet gevolg geven aan een

klacht. Zulke mondelinge mededeelingen hadden gewoonlyk een onderhoud

ten-gevolge met den Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen

aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad

zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van den _Adhipatti_, baden

zy om verschooning. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze

geloofden wel dat daarvoor een dubbelen prys zou betaald worden." "Neen,

ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden

in de _Sawahs_ van den Regent, ze wisten zeer goed dat de _Adhipatti_

hen later ruim zou beloond hebben." "Ze hadden hun aanklacht ingebracht

in een oogenblik van ongegronden wrevel ... ze waren waanzinnig geweest,

en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande

oneerbiedigheid!"

Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te

denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schoone gelegenheid

om den Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename

taak bespaard de Regeering te "bemoeielyken" met een ongunstig bericht.

De roekelooze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent

had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met

het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zoo goed "geschipperd" te hebben.

Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als den volgenden dag weer

andere klagers zich by hem aanmeldden? Of--en dit geschiedde

dikwyls--als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken?

Moest hy _weder_ die zaak op zyn nota schryven, om _weder_ daarover te

spreken met den resident, om _weder_ dezelfde komedie te zien spelen,

alles op 't gevaar af van in het eind doortegaan voor iemand die--dom en

boosaardig dan--telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten

worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zoo noodige

vriendschappelyke verhouding tusschen 't voornaamst Inlandsch Hoofd en

den eersten europeschen ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te

geven aan valsche aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er

van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de

macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als

uitvoerder van des Regents willekeur?

Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Dáárom zwierven

er zooveel Bantammers in de naburige provincien! Dáárom waren er zooveel

bewoners van _Lebak_ onder de opstandelingen in de _Lampongsche_

distrikten! Dáárom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden

gevraagd: "wat is dit, dat er zooveel huizen ledig staan in de dorpen,

en waarom verkiezen velen de schaduw der bosschen elders, boven de

koelte der wouden van _Bantan Kidoel_?"

Doch niet ieder _kon_ vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier

afdreef, nadat hy den vorigen avend, in 't geheim, schoorvoetend,

angstig, verzocht had om gehoor by den adsistent-resident ... hy had

geen behoefte meer aan vlucht.[127] Misschien ware het als

menschlievendheid te achten, hem door oogenblikkelyken dood te

onttrekken aan nog eenigen tyd levens. Hem bleef de mishandeling

gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen

die de straffe zyn voor al wie een oogenblik meenen kon geen beest te

wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een

aanval van dwaasheid geloofd had dat er _Recht_ in 't land was, en dat

de adsistent-resident den wil had, en de macht, om dat Recht te

handhaven ...

Was 't, niet inderdaad beter dien man te beletten den volgenden dag by

den adsistent-resident terugtekeeren--zooals deze hem 's avends zeggen

liet--en zyn klachte te smoren in 't gele water van den _Tjioedjoeng_,

dat hem zachtkens zou afvoeren naar hare monding, gewoon als ze was

overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in

't binnenland aan de haaien in zee?

En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging

by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor

verantwoordelyk was aan een hoogere macht dan de macht van een Regeering

die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even

gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd

door twyfel, niet aan wàt hem te doen stond, maar aan de _wyze waarop_

hy te handelen had?[128]

Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot den _Adhipatti_ gesproken

als: "ouder broeder" en wie meenen mocht dat ik, ingenomen met den held

myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven

maat, hoore hoe eens na zoodanig onderhoud, de Regent zyn _Patteh_ tot

hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe

nog lang daarna die _Patteh_, sprekende met den kontroleur

Verbrugge--nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van _Lebak_

te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vreezen was--hoe

die _Patteh_ by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: "nog

nooit heeft eenig heer gesproken als hy!"[129]

Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had

medelyden met den Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken,

vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van

verschooning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op

grooten voet leefde in naburige provincien, waar veel koffi geoogst en

dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in

levenswys zoo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten?

Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerscht, by 't klimmen zyner

jaren het heil van zyn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en

voor aalmoezen aan gebedzingende leegloopers te kunnen inkoopen. De

ambtenaren die Havelaar in _Lebak_ waren voorafgegaan, hadden niet altyd

goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der

_Lebaksche_ familie van den Regent, die geheel ten-zynen laste leefde,

hem het terugkeeren tot den goeden weg moeielyk.

Zóó zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uittestellen, en

nog-eens en nòg-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met

zachtheid.

En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de

fouten herinnerde waardoor hy zoo arm gemaakt was, schoot hy den Regent

gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al

te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zich zelf

zóó ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt noodige te

bekrimpen, om den Regent ter-hulpe te komen met het weinige dat hy nog

van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen.

Indien 't nog noodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewyzen

waarmee Havelaar zyn moeielyken plicht vervulde, zou dit bewys kunnen

gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy den kontroleur

opdroeg, toen deze eens naar _Serang_ zou vertrekken: "zeg den resident,

dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet geloove

dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond

officieele melding omdat ik den Regent, met wien ik medelyden heb,

wensch te bewaren voor te groote strengheid, daar ik eerst beproeven wil

hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen."[130]

Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men

hem meestal in de kamer die wy op onzen platten grond vinden voorgesteld

door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de

personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy

daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer

daarnaast ophield. Want zóó innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy

bezig was met eenigen arbeid die aandacht en inspanning vorderde,

gedurig behoefte voelde haar te zien of te hooren. Het was dikwyls

koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten

over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder

te weten wat hy behandelde, den zin van zyn meening wist te vatten, die

hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy

wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over

eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide

iets onvriendelyks tot haar ... die toch geen schuld had aan zyn

ontevredenheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer

was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van

berouw over zoodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de

andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving

gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn

eigen hoofd.

Zy kende hem dan ook zoo goed, dat ze juist wist wanneer ze dáár moest

zyn om hem een oogenblik verpoozing te verschaffen ... juist, wanneer hy

behoefte had aan haren raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen

moest laten.

In die kamer zat Havelaar op zekeren morgen toen de kontroleur by hem

binnentrad, met een zoo-even ontvangen brief in de hand.

--Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar, zeide hy onder 't

binnentreden. Zeer moeielyk!

Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om

optehelderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van

houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur

Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te

voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in

't beantwoorden van die eenvoudige vraag.

Voor eenige jaren was er te _Rangkas-Betoeng_ een gevangenis gebouwd. Nu

is 't van algemeene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van

Java de kunst verstaan gebouwen opterichten die duizenden waard zyn,

zonder meer dan even zooveel honderden daarvoor uittegeven. Men verkrygt

daardoor den roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het

verschil tusschen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor

verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalden

arbeid. Sedert eenige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden.

Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regeering

zelf _wil_ dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend

werken zou op de begrooting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel

gaan zooals met veel andere voorschriften die er zoo menschlievend

uitzien op 't papier.

Nu moesten er te _Rangkas-Betoeng_ nog veel andere gebouwen worden

opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe

belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der

arbeidsloonen en materialen. Havelaar had den kontroleur belast met een

nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen optegeven

naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen

Verbrugge aan dezen last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet

overeen kwamen met de opgaven van eenige jaren vroeger. Van dit verschil

nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zoo moeielyk. Havelaar,

die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak

schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid

schriftelyk zou meedeelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken

een afschrift van den brief die 't gevolg schynt van deze toezegging.

Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korrespondentie

over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft,

moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak

is van geheel iets anders, _van den toestand namelyk der ambtelyke

Indische huishouding_, en dat de brief dien ik meedeel niet alleen een

straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik

gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te

kampen had die zooals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg

wilde gaan.

"N° 114 _Rangkas-Betoeng_, 15 Maart 1856.

_Aan den Kontroleur van Lebak_.

Toen ik den brief van den Direkteur der Openbare-Werken, van den

16den Februari l.l., N° 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht

het daarby gevraagde, na overleg met den Regent, te beantwoorden met

in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer N° 97.

Die missive bevatte eenige algemeene wenken omtrent hetgeen als

billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van

materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van,

het Bestuur.

By uwe missive van 8 dezer, N° 6, hebt ge daaraan--en naar ik geloof,

volgens uw beste weten--voldaan, zoodat ik, vertrouwende op uw lokale

kennis en die des Regents, die opgaven, zooals ze door u waren

gesteld, den resident heb aangeboden.

Daarop volgde eene missive van dien hoofdambtenaar, van 11 dezer,

N° 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het

verschil tusschen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853

en 1854 by het opbouwen eener gevangenis besteed werden?

Ik stelde natuurlyk dien brief in uwe handen, en gelastte u

mondeling, alsnu uwe opgave te justificeeren, hetgeen u te minder

moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften

u in myn schryven van den 5en dezer gegeven, en die we mondeling

meermalen uitvoerig bespraken.

Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk.

Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met den gerenvoieerden

brief des residents in de hand, en begon te spreken over de

moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde

by u wederom zekeren schroom om sommige zaken by den waren naam te

noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder

anderen onlangs in tegenwoordigheid van den resident, iets wat ik ter

bekorting _halfheid_ noem, en waartegen ik u reeds dikwyls

vriendschappelyk waarschuwde.

Halfheid leidt tot niets. _Half_-goed is niet goed. _Half_-waar is

_on_-waar.

Voor vol traktement, voor vollen rang, na een duidelyken _volledigen_

eed, doe men zyn vollen plicht.

Is er soms moed noodig dien te volvoeren, men bezitte dien.

Ik voor my zou den moed niet hebben dien moed te missen. Want,

afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van

plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker

omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeerte

om te "schipperen" meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op

den rechten weg ontmoeten zal. Gedurende den loop eener zeer

belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en

waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u

stilzwygend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van-tyd

tot-tyd daarop gezinspeeld.

Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en

hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop

schreef: "_dit alles moge de waarheid zyn, het is niet_ al _de waarheid,

noch de_ voornaamste _waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper_" stemde gy

dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn _recht_, te eischen

dat ge dan ook die hoofdwaarheid _noemen_ zoudt.

Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder anderen deze,

dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van _U_ te vorderen, wat vele

anderen in uw plaats evenmin zouden presteeren, _U_ te dwingen zoo

op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en menschenvrees vaarwel

te zeggen, die niet zoozeer _uw_ schuld is als wel die der leiding

welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven

hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht _geheel_ te

doen dan _half_."

Thans echter, nu ik de eer heb u weder zooveel dagen langer onder myn

bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde,

principes te leeren kennen die--tenzy ik dwaal--ten-laatste zullen

zegevieren[131] wenschte ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet

ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er

noodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er

te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet dien onmannelyken

schroom om flink voor een zaak uittekomen.

Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar _volledige_ opgave van wat u

voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tusschen _nu_ en

1853 of 1854.

Ik hoop ernstig dat gy geen enkele zinsnede van dezen brief zult

opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw

dat ge my genoeg hebt leeren kennen om te weten dat ik niet meer of

minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten-overvloede de

verzekering dat myn opmerkingen eigenlyk minder _U_ betreffen, dan de

_school_ waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zyt.

Deze _circonstance atténuante_ zou echter vervallen wanneer ge,

langer met my omgaande en 't Gouvernement onder myn leiding dienende,

voortgingt den slender te volgen waartegen ik my verzet.

Ge hebt opgemerkt dat ik my van het "_Uweledelgestrenge_" heb

ontslagen: 't verveelde my. Doe het ook, en laat onze "weledelheid"

en waar 't noodig is onze "gestrengheid" elders en vooral ànders

blyken, dan uit die vervelende, zinstorende titulatuur.

_De Adsistent-resident van Lebak_

MAX HAVELAAR."

Het antwoord op dezen brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers,

en bewees dat hy niet zoo onrecht had, toen hy de "_slechte voorbeelden

van vroegeren tyd_" mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter

verschooning van den Regent.

Ik ben in 't meedeelen van dezen brief den tyd vooruitgeloopen, om reeds

nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van den kontroleur

te verwachten had, zoodra geheel andere, meer belangryke, zaken zouden

moeten genoemd worden by den rechten naam, wanneer reeds deze ambtenaar

die zonder twyfel een braaf mensch was, zóó moest worden toegesproken om

de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der pryzen van hout,

steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzoo dat hy niet alleen te

stryden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdryf,

maar tevens met de beschroomdheid dergenen die--hoezeer dat misdryf

evenzeer afkeurende als hy--zich niet geroepen of geschikt achtten

daartegen met den vereischten moed optetreden.

Misschien ook zal men na 't lezen van dien brief, eenigszins terugkomen

van de minachting voor de slaafsche onderworpenheid van den Javaan die

in tegenwoordigheid van zyn Hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe

gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zooveel

oorzaak was tot vreeze, zelfs voor den europeschen beambte, die dan toch

geacht kon worden iets minder bloottestaan aan wraak, wat wachtte dan

den armen landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats

geheel-en-al in de macht zyner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is

't wonder dat die arme menschen, verschrikt over de gevolgen van hun

stoutheid, die gevolgen zochten te ontwyken of te verzachten door

deemoedige onderwerping?

En 't was niet alleen de kontroleur Verbrugge, die zyn plicht deed met

een schuwheid als voegen zou aan plichtverzuim. Ook de _Djaksa_, 't

Inlandsch Hoofd dat by den Landraad het ambt van publieke aanklager

vervult, trad liefst 's avends, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars

woning. Hy, die diefstal moest tegengaan, dien 't was opgedragen den

sluipenden dief te betrappen, hy sloop, als ware hyzelf de dief die

betrapping vreesde, met zachten tred het huis aan de achterzyde in, na

zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later

hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting.

Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit

noodig had zyn kamer binnentetreden om hem optebeuren, als ze zag hoe hy

daar zat met de hand onder 't hoofd?

En toch was voor hem 't grootst bezwaar niet gelegen in de

schroomvalligheid van wie hem ter-zyde stonden, noch in de medeplichtige

lafhartigheid van wie zyn hulp hadden ingeroepen. Neen, geheel alleen

des-noods zou hy recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja,

_tegen_ allen, al ware 't ook tegen henzelf die behoefte hadden aan dat

recht! Want hy wist hoe hy invloed had op het Volk, en hoe--als eenmaal

de arme onderdrukten, opgeroepen om luide en voor 't gerecht te herhalen

wat ze hem 's avends en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid

--hy wist hoe hy de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de

kracht zyner woorden sterker zyn zou dan de angst voor wraak van

Distriktshoofd of Regent. De vrees dat zyn beschermelingen zouden

afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus niet. Maar 't kostte hem

zooveel dien ouden _Adhipatti_ aanteklagen: dàt was de reden van zyn

tweestryd! Want ook aan den anderen kant mocht hy niet toegeven in dezen

weerzin, daar de geheele bevolking, afgescheiden nog haar goed recht,

evenzeer aanspraak had op medelyden.

Vrees voor eigen leed had geen deel in zyn twyfel. Want al wist hy hoe

ongaarne in 't algemeen de Regeering een Regent ziet aanklagen, en

hoeveel gemakkelyker 't sommigen valt den europeschen beambte broodeloos

te maken dan een Inlandsch Hoofd te straffen, hy had een byzondere reden

om te gelooven dat er juist op dit oogenblik by de beoordeeling van

zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheerschen.

Het is waar dat hy, ook zonder deze meening, evenzeer zyn plicht zou

gedaan hebben, te liever zelfs als hy 't gevaar voor zich en de zynen

grooter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeielykheid hem

aantrok, en hoe hy dorstte naar opoffering. Doch hy meende dat de

aanlokkelykheid van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde--als hy

in 't eind zou moeten overgaan tot ernstigen stryd tegen 't onrecht--zich

te moeten spenen van 't ridderlyk genoegen dien stryd te hebben aangevangen

als de zwakste.

Ja, dit _vreesde_ hy. Hy meende dat er aan 't hoofd van de Regeering een

Gouverneur-generaal stond die zyn bondgenoot wezen zou, en 't was een

eigenaardigheid te meer in zyn karakter, dat deze meening hem van

strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou

weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aantegrypen op een

oogenblik dat hy 't Recht voor sterker hield dan gewoonlyk. Ik zeide

immers reeds in de proeve der beschryving van zyn inborst, dat hy naïf

was by al zyn scherpte?

Laat ons trachten optehelderen hoe Havelaar tot die meening gekomen was.

* * * * *

Zeer weinig europesche lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van

de hoogte waarop een Gouverneur-generaal staan moet als mensch, om niet

beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en 't gelde dan ook niet

als een te streng oordeel wanneer ik de meening aankleef dat zeer

weinigen, geenen misschien, aan zóó zwaren eisch hebben kunnen

beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen

die daartoe noodig zyn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende

hoogte waarop zoo eensklaps de man wordt geplaatst, die--gisteren nog

eenvoudig burger--heden macht heeft over millioenen onderdanen. Hy die

voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven

uittesteken in rang of gezag, voelt zich op-eenmaal, onverwachts meestal,

opgeheven boven een menigte, oneindig grooter dan de kleine kring die hem

vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten-

onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan

de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan

de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van

diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zyn de zenuwen van

gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone

sterkte.

Indien alzoo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-generaal

veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van denzulken die

uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van

personen die reeds vóór die benoeming leden aan veel gebreken? En al

stellen we voor een oogenblik dat de Koning altyd goed is voorgelicht,

als hy zyn hoogen naam teekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te

wezen van de "_goede trouw, den yver en de bekwaamheden_" des benoemden

Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en

bekwaam is, dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die

_bekwaamheid_, by hem bestaat in eene _maat_, hoog genoeg verheven boven

_middelmatigheid_, om aan de eischen van zyn roeping te voldoen.

Want de vraag kan niet zyn of de man die te 's Gravenhage voor 't eerst

als Gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dàt

oogenblik de bekwaamheid bezit die noodig zal wezen voor zyn nieuw ambt

... dit is _onmogelyk_! Met de betuiging van vertrouwen op zyn

bekwaamheid kan slechts de meening bedoeld zyn dat hy in een geheel

nieuwen werkkring, op een gegeven oogenblik, by ingeving als 't ware,

weten zal wat hy te 's Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere

woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en

kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zyn zeldzaam, zelfs onder

personen die in gunste staan by koningen.[132]

Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil over slaan wat er zou

te zeggen vallen van zoo menigen Landvoogd. Ook zou 't me stuiten in myn

boek bladzyden intevoegen die 't ernstig doel van dit werk zouden

blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de

byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorby maar als

_algemeene_ ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-generaal, meen ik te

mogen opgeven: _eerste stadium_. Duizeling. Wierook-dronkenschap.

Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van

"oudgasten." _Tweede stadium_. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging

tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op den Raad van Indie.

Afhankelykheid van de Algemeene Sekretarie. Heimwee naar een hollandsche

buitenplaats.

Tusschen deze beide stadien in, en als overgang--misschien zelfs als

oorzaak van dien overgang--liggen dyssenterische buikaandoeningen.

Ik vertrouw dat velen in Indie me dankbaar zullen wezen voor deze

diagnose. Ze is nuttig toetepassen, want men kan voor zeker houden dat

de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een

mug, later--na de buikziekte!--zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of,

om duidelyker te spreken, dat een beambte die "_geschenken aanneemt,

niet met het doel zich te verryken_"--by-voorbeeld een bos _pisang_

ter-waarde van eenige duiten--met smaad en schande zal worden weggejaagd

in de _eerste_ periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft

het _laatste_ tydperk aftewachten, zeer gerust en zonder eenige vrees

voor straf, zich zal kunnen meester maken van den tuin waar de _pisang_

groeide, met de tuinen die daarnaast liggen er by ... van de huizen die

in den omtrek staan ... van wat er in die huizen is ... en van nog

een-en-ander meer, _ad libitum_.[133]

Ieder doe met deze pathologisch-wysgeerige opmerking zyn voordeel, en

houde myn raad geheim, ter voorkoming van te groote mededinging.

Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich moeten

kleeden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om

begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld

myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen

van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te

zoeken by _Figaro_ of _Polichinel_?

Styl ... ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is Styl die

aantoonde dat er een _mensch_ in de buurt was, een _mensch_ wien het de

moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die styl den

armen Havelaar gebaat? _Hy_ vertaalde zyn tranen niet in gegryns, _hy_

spotte niet, _hy_ zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door

de grappen van den uitroeper voor de kermistent ... wat heeft het hem

gebaat?

Kon ik schryven zooals hy, ik zou ànders schryven dan hy.

Styl? Hebt ge gehoord hoe hy sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem

gebaat?

Kon ik spreken zooals hy, ik zou ànders spreken dan hy.

Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid,

duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius'

_justum ac tenacem_! Trompetten hier, en scherp gekletter van

bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en

hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar,

onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit?

Styl? _Hy_ had styl! Hy had te veel ziel om zyn gedachten te verdrinken

in de "ik heb de eers" en de "edelgestrengheden" en de "eerbiedig-in-

overweging-gevingen" die den wellust uitmaken van de kleine wereld waarin

hy zich bewoog. Als hy schreef, doordrong u iets by 't lezen, dat u

begrypen deed hoe er wolken dreven by dat onweder, en dat ge niet het

gerammel hoorde van een blikken tooneeldonder. Als hy vuur sloeg uit zyn

denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzy men geboren kommies

was, of Gouverneur-generaal, of schryver van 't walgelykst verslag over

"rustige rust." En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord--en verstaan vooral!--moet ik ànders

schryven dan hy. Maar _hoe_ dan?

Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat _hoe_? en daarom heeft myn

boek een zoo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later

zal ik u geel of blauw of rood geven naar uwen wensch.

Havelaar had de Gouverneurs-ziekte reeds zoo dikwyls waargenomen by zoo

véél lyders--en vaak _in animâ vili_, want er zyn analogische residents-,

kontroleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in verhouding staan

als mazelen tot pokken, en eindelyk: hyzelf had aan die ziekte geleden!

--reeds zóó dikwyls had hy dat alles waargenomen, dat hy de verschynselen

daarvan vry-wel kende. Hy had den tegenwoordigen Gouverneur-generaal in

't begin van de ongesteldheid minder duizelig gevonden dan de meeste

anderen, en hy besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een

andere richting nemen zou.

Het was om deze reden dat hy vreesde de sterkste te zullen zyn, wanneer

hy in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der

inwoners van _Lebak_.

1/1
Menu

Fazer anotação