ELFDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 11 de 20
Obra Menu

ELFDE HOOFDSTUK

ELFDE HOOFDSTUK

Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken, dat ik

dit hoofdstuk als "essentieel" beschouw, omdat het, naar ik meen,

Havelaar beter doet kennen, en hy schynt nu toch eenmaal de held van de

historie te zyn.

--Tine, wat is dat voor _ketimon_?[77] Lieve meid, doe nooit plantenzuur

by vruchten! Komkommers met zout, ananas met zout, pompelmoes met zout,

al wat uit den grond komt, met zout. Azyn by visch en by vleesch ... er

staat iets van in Liebig ...

--Beste Max, vroeg Tine lachend, hoe lang meen je wel dat we hier zyn?

Die _ketimon_ is van mevrouw Slotering.

En Havelaar had moeite zich te herinneren dat hy pas gister was

aangekomen, en dat Tine met den besten wil nog niets had kunnen regelen

in keuken of huishouding. Hyzelf was reeds lang te _Rangkas-Betoeng_!

Had hy niet den ganschen nacht doorgebracht met lezen in 't archief, en

was er niet reeds te veel door zyn ziel gegaan, dat in-verband stond met

_Lebak_, dan dat hy zoo terstond weten kon dat hy eerst sedert gisteren

dáár was? Tine begreep dit wel: _zy_ begreep hem altyd!

--Ach ja, dat is waar, zeide hy. Maar toch moet je eens wat van Liebig

lezen. Verbrugge, heb _jy_ veel gelezen van Liebig?

--Wie is dat? vroeg Verbrugge.

--Dat is iemand die veel geschreven heeft over 't inleggen van augurken.

Ook heeft hy ontdekt hoe men gras in wol verandert ... je begrypt wel?

--Neen, zeiden Verbrugge en Duclari tegelyk.

--Wèl, de zaak zelf was toch altyd bekend: stuur een schaap 't land in

... en je zult zien! Maar hy heeft de manier nagespoord, waaròp het

geschiedt. Andere wyzen zeggen weer dat hy er weinig van weet. Nu is men

bezig met zoeken naar middelen om 't heele schaap in de bewerking

overteslaan ... O, die geleerden![78] Molière wist het wel ... ik houd

veel van Molière.[79] Als je wilt, zullen we samen een leerkursus

houden, 's avends, een paar maal in de week. Tine doet ook mee, als Max

naar bed is.

Duclari en Verbrugge wilden dit gaarne. Havelaar zei dat hy niet veel

boeken had, maar daaronder waren toch Schiller, Göthe, Heine, Vondel,

Lamartine, Thiers, Say, Malthus, Scialoja, Smith, Shakespeare, Byron ...

Verbrugge zei dat hy geen engelsch las.

--Wat drommel, je bent toch over de dertig! Wat heb je dan al dien tyd

gedaan? Maar dat moet nogal lastig voor je geweest zyn op Padang, waar

zooveel engelsch gesproken wordt. Heb je miss _Mata-api_[80] gekend?

--Neen, ik ken dien naam niet.

--'t Was ook haar naam niet. We noemden haar zoo, in 1843, omdat haar

oogen zoo schitterden. Ze zal wel getrouwd zyn ...'t is al zoo lang

geleden! Nooit heb ik zoo-iets gezien ... ja toch, te Arles ... dáár

moet je eens heen gaan! Dat is 't schoonste wat ik gevonden heb op al

myn reizen. Er bestaat niets, dunkt me, wat je zoo klaar de schoonheid

in 't afgetrokkene voorstelt, als zichtbaar beeld van het _ware_, van 't

_onstoffelyk-reine_, als een schoone vrouw. Gelooft me, gaat eens naar

Arles en Nîmes ...

Duclari, Verbrugge en--ik moet het erkennen!--ook Tine, konden een

luiden lach niet onderdrukken by de gedachte zoo op-eens uit den

westhoek van Java overtestappen naar Arles of Nîmes in 't zuiden van

Frankryk. Havelaar, waarschynlyk in zyn verbeelding op den toren

staande, die door de Saracenen gebouwd is op den omgang van de _arena_

te Arles, had zich eenigszins intespannen, voor hy de oorzaak van dien

lach begreep, en toen ging hy voort:

--Nu ja, ik meen ... als je daar in de buurt komt. Zóó-iets heb ik nooit

ergens meer ontmoet. Ik was gewoon aan teleurstellingen by 't zien van

alles wat zoo hoog wordt opgehemeld. Ziet eens, by-voorbeeld, de

watervallen waarvan men zooveel spreekt en schryft. Wat my betreft, ik

heb weinig of niets gevoeld te Tondano, te Maros, te Schafhausen, by den

Niagara. Men moet zyn boekjen inzien om daarby de vereischte maat zyner

bewondering by de hand te hebben, over "zóóveel voeten vals" en "zóóveel

kubiek-voeten waters in de minuut" en als die cyfers dan hoog zyn, moet

men _hè_ zeggen. Ik wil nooit weer watervallen zien, althans niet als ik

er een omweg voor moet maken. Die dingen zeggen me niets! Gebouwen

spreken me wat luider toe, vooral wanneer 't bladzyden uit de

geschiedenis zyn. Maar hierby spreekt een gevoel van heel anderen aard!

Men roept de vergangenheid op, en laat de schimmen van 't verledene de

revue passeeren. Hieronder zyn zeer afschuwelyke, en dus, hoe belangryk

dit soms wezen moog, men vindt in zyn gewaarwordingen niet altyd

voldoening voor schoonheidsgevoel ... onvermengd althans nooit! En

_zonder_ de geschiedenis er byteroepen, is er wel veel schoons in

sommige gebouwen, maar 't wordt gewoonlyk bedorven door gidsen--van

papier, van vleesch en been ...'t komt overeen uit!--gidsen, die je den

indruk wegstelen door hun eentonig: "deze kapel is opgericht door den

bisschop van Munster in 1423 ... de zuilen zyn 63 voeten hoog, en rusten

op ... ik weet niet wat, en het kan me niet schelen ook. Dat gebabbel is

vervelend, want men voelt dat men dan juist drie-en-zestig voet

bewondering moet gereed hebben, om niet in de oogen van sommigen

doortegaan voor een Vandaal of _geschäfts_-reiziger ... dàt is een ras!

--De Vandalen?

--Neen, die anderen. Nu zou men zeggen, houd dan je gids in den zak, als

hy gedrukt is, en laat hem buiten staan of zwygen in 't andere geval,

maar behalve dat men werkelyk tot eenigszins juist oordeelen, dikwyls

inlichting noodig heeft, zoude men, ook al kon men die inlichting altyd

missen, toch te-vergeefs in eenig gebouw iets zoeken, dat langer dan een

zeer kort oogenblik beantwoordt aan ons verlangen naar het schoone,

omdat het niet _beweegt_. Dit geldt, geloof ik, ook voor beeldhouwwerk

en schilderstukken. Natuur is beweging. Groei, honger, denken, gevoelen,

is beweging ... stilstand is de dood! Zonder beweging, geen smart, geen

genot, geen aandoening! Beproef eens daar te zitten zonder u te

verroeren, ge zult zien hoe spoedig je een spook-achtigen indruk maakt

op ieder ander, en zelfs op je eigen verbeelding. By 't mooiste _tableau

vivant_ verlangt men al gauw naar een volgend nummer, hoe heerlyk ook de

indruk was in 't begin. Daar nu onze schoonheidszucht niet voldaan is

met één blik op iets schoons, maar behoefte heeft aan een reeks van

opvolgende blikken, op de _beweging van het schoone_, lyden wy aan iets

onvoldaans by 't aanschouwen van _die_ soort van kunstwerken, en daarom

beweer ik dat een schoone vrouw--mits geen portretschoonheid die

stilstaat--het naast komt aan het ideaal van 't goddelyke. Hoe groot de

behoefte is aan de beweging die ik bedoel, kan men eenigszins opmaken

uit de walging die een danseres veroorzaakt, al ware zy Elssler of

Taglioni, wanneer ze na een dans op haar linkerbeen staat en 't publiek

toegrynst.

--Dit geldt hier niet, zei Verbrugge, want dat is _absoluut_ leelyk.

--Dat vind ik ook. Maar _zy_ geeft het toch als schoon, en als _climax_

op al 't vorige, waarin werkelyk veel schoons kan geweest zyn. Ze geeft

het als de _pointe_ van 't epigram, als 't _aux armes!_ van de

_marseillaise_ die zy zong met haar voeten, als 't ruischen van de

wilgen op het graf der zoo-even besprongene liefde. O, misselyk! En dat

ook de toeschouwers, die gewoonlyk--zooals wy allen, meer of min--hun

smaak gronden op gewoonte en navolging, dàt oogenblik beschouwen als het

treffendste, blykt hieruit dat men juist dàn uitberst in toejuiching,

alsof men wilde te kennen geven: al het vorige was ook wel heel mooi,

maar _nu_ kan ik 't waarachtig niet langer uithouden van bewondering!"

je zei dat die slot-_pose volstrekt_ leelyk was--ik ook! doch vanwaar

komt dit? Het is omdat de _beweging_ ophield, en daarmee de

_geschiedenis_ die de danseres verhaalde. Geloof me, stilstand is

de dood!

--Maar, bracht Duclari in 't midden, ge hebt ook de watervallen

verworpen als uitdrukking van het schoone. Watervallen _bewegen_ toch!

--Ja, maar ... zonder _geschiedenis_! Ze bewegen, maar komen niet van de

plaats. Ze bewegen zich als een hobbelpaard, minus nog het _va et

vient_. Ze geven geluid, maar spreken niet. Ze roepen: _hrroe.. hrroe

... hrroe ..._ en nooit iets anders! Roep jy eens zesduizend jaar, of

langer: _hrroe, hrroe ..._ en zie eens hoe weinigen je voor een

onderhoudend mensch zullen aanzien.

--Ik zal de proef niet nemen, zei Duclari, Maar ik ben het toch nog niet

met u eens, dat de door u gevorderde beweging zoo volstrekt noodzakelyk

wezen zou. Ik schenk u nu de watervallen, maar een goed _schilderstuk_

kan toch, dunkt me, veel uitdrukken.

--Wel zeker, maar slechts voor één oogenblik. Ik zal trachten myn

meening te verklaren door een voorbeeld. Het is van daag 18 Februari ...

--Wel neen, zei Verbrugge, we hebben nog Januari ...

--Neen, neen, het is heden de 18de Februari 1587, en je bent opgesloten

in 't kasteel Fotheringhay ...[81]

--_Ik_? vroeg Duclari, die meende niet goed verstaan te hebben.

--Ja, gy. Ge verveelt u, en zoekt afleiding. Dáár in dien muur is een

opening, maar zy is te hoog om er doortezien, en dit wil je toch. Ge zet

uw tafel er voor, en daarop een stoel met drie pooten, waarvan één wat

zwak, je zag eens op de kermis een akrobaat die zeven stoelen op elkaar

zette, en zich zelf daarop met het hoofd naar beneden. Eigenliefde en

verveling dringen u iets dergelyks te doen. Ge beklimt waggelend dien

stoel ... bereikt uw oogmerk ... slaat een blik door de opening, en

roept: o, god! En je valt! Weet je me nu te zeggen waarom je: o god!

riep, en gevallen bent?

--Ik denk dat de derde poot van den stoel brak, zei Verbrugge

sententieus.

--Nu ja, die poot brak misschien, maar niet dáárom ben je gevallen. Die

poot is gebroken omdat je gevallen bent. Voor elke andere opening had je

't een jaar lang op dien stoel uitgehouden, en nu _moest_ je vallen, al

waren er dertien pooten onder dien stoel geweest, ja, al had je op den

grond gestaan.

--Ik neem er genoegen mee, zei Duclari. Ik zie dat ge u in 't hoofd hebt

gezet, my _coûte que coûte_ te laten vallen. Ik lig daar nu zoo lang ik

ben ... maar ik weet waarachtig niet waarom?

--Wel, dat is toch zeer eenvoudig! Ge zaagt daar een vrouw, gekleed in

't zwart, die geknield lag voor een blok. En ze boog het hoofd, en blank

als zilver was de hals die afstak by 't zwart fluweel. En daar stond een

man met een groot zwaard, en hy hield het hoog, en zyn blik staarde op

dien blanken hals, en hy zocht den boog dien zyn zwaard beschryven zou,

om dáár ... dáár, tusschen die wervels heen, te worden doorgedreven met

juistheid en kracht ... en toen viel je, Duclari. je viel omdat je dat

alles zag, en dáárom riep je: o god! Volstrekt niet omdat er maar drie

pooten aan je stoel waren. En lang nadat je uit Fotheringhay werd

verlost--op voorspraak van je neef, denk ik, of omdat het de menschen

verveelde je daar langer onverplicht den kost te geven, als een

kanarievogeltje--lang daarna, ja, tot heden toe, droom je wakend van die

vrouw, en in je slaap zelfs schrik je op, en valt met zwaren schok neer

op je legerstede, omdat je den arm wilt grypen van den beul. Is dit

niet waar?

--Ik wil 't wel gelooven, maar bepaald zeker kan ik 't waarlyk niet

zeggen, omdat ik nooit te Fotheringhay door een gat in den muur

heb gezien.

--Goed, goed! Ik ook niet. Maar nu neem ik een schildery die 't

onthoofden van Maria Stuart voorstelt. Laat ons aannemen dat de

voorstelling volmaakt is. Daar hangt ze, in vergulden lyst, aan een rood

koord als je verkiest ... ik weet wat je zeggen wilt, goed! Neen, neen,

ge ziet die lyst niet, ge vergeet zelfs dat ge uw rotting hebt afgegeven

aan den ingang van de schilderzaal ... ge vergeet uw naam, uw kind, het

nieuw-model politiemuts, en dus _alles_, om niet te zien een

_schildery_, maar om werkelyk daarop Maria Stuart te aanschouwen:

_geheel juist_ als te Fotheringhay. De beul staat er volkomen zóó als hy

werkelyk moet gestaan hebben, ja, ik wil zóóver gaan dat je den arm

uitstrekt om den slag afteweren! Zóó ver dat je roept: "laat die vrouw

leven, misschien betert zy zich!" je ziet, ik geef je _beau jeu_ wat de

_uitvoering_ van 't schilderstuk aangaat ...

--Ja, maar wat dan verder? Is dan de indruk niet even treffend, als toen

ik 'tzelfde in werkelykheid zag te Fotheringhay?

--Neen, volstrekt niet, en wel omdat je niet waart geklommen op een

stoel met drie pooten. Je neemt een stoel--met vier pooten ditmaal, en

liefst een fauteuil--je gaat voor de schildery zitten, om goed en lang

te genieten--we _genieten_ nu eenmaal by 't aanschouwen van iets

akeligs--en welken indruk meent ge dat zy op je maakt?

--Wèl, schrik, angst, medelyden, ontroering ... evenals toen ik door de

opening van den muur zag. We hebben gesteld dat de schildery _volmaakt_

is, ik moet dus daarvan geheel denzelfden indruk hebben als van de

werkelykheid.

--Neen! Binnen twee minuten voel je pyn in je rechterarm, uit sympathie

met den beul die zoo lang dat zwaar stuk staal onbewegelyk omhoog moet

houden.

--_Sympathie_ met den _beul_?

--Ja! _evenlydendheid, gelykvoeligheid_, weetje? En tevens met de vrouw

die daar zoo lang in ongemakkelyke houding, en waarschynlyk in

onaangename stemming, voor dat blok ligt. Je hebt nog altyd medelyden

met haar, maar ditmaal niet omdat ze onthoofd moet worden, maar omdat

men haar zoo lang laat wachten vóór ze onthoofd wordt, en als je nog

iets zeggen of roepen zoudt, in 't eind--gesteld dat je aandrift voelt

je met de zaak te bemoeien--zou 't niets anders wezen dan: "sla toch

in-godsnaam toe, man, 't mensch wacht er op!" En wanneer je later die

schildery weerziet, en _meermalen_ weerziet, is zelfs reeds je _eerste_

indruk: "is die historie nog niet afgeloopen? Staat hy, en ligt zy

daar nòg?"

--Maar wat is dan voor beweging in de schoonheid der vrouwen te Arles?

vroeg Verbrugge.

--O, dàt is iets anders! Zy spelen een geschiedenis _uit_ in haar

trekken. Karthago bloeit en bouwt schepen op haar voorhoofd ... hoor den

Hannibals-eed tegen Rome ... daar vlechten zy koorden voor de bogen ...

daar brandt de stad ...

--Max, Max, ik geloof waarlyk dat je te Arles je hart verloren hebt,

plaagde Tine.

--Ja, voor een oogenblik ...maar ik vond het terug: dat zult ge hooren.

Verbeeldt u ... ik zeg niet, daar heb ik een vrouw gezien, die zóó of

zóó schoon was, neen: allen waren zy schoon, en 't was dus een

onmogelykheid daar _pour tout de bon_ verliefd te worden, omdat elke

volgende weer de vorige uit je bewondering verdrong, en ik dacht daarby

waarlyk aan Caligula of Tiberius--van wien vertellen ze 't fabeltje?

--die 't heele menschelyk geslacht maar één hoofd toewenschte.

Zóó namelyk kwam onwillekeurig de wensch in my op, dat de vrouwen

te Arles ...

--Maar één hoofd hadden samen?

--Ja ...

--Om 't afteslaan?

--Wel neen! Om.. het te kussen op 't voorhoofd, wilde ik zeggen, maar

dat is het niet! Neen, om er op te staren, en er van te droomen, en om

... _goed te zyn_!

Duclari en Verbrugge vonden waarschynlyk dit slot weer byzonder vreemd.

Maar Max bemerkte hun verrassing niet, en ging voort:

--Want zóó edel waren de trekken, dat men iets als schaamte voelde,

slechts een mensch te wezen, en niet een vonk ... een straal--neen, dat

waar stof!--een gedachte! Maar ... dan zat daar op-eens een broêr of een

vader naast die vrouwen, en ... godbewaarme, ik heb er een gezien die

haar neus snoot!

--Ik wist wel dat je er weer een zwarten streep over halen zou, zei Tine

verdrietig.

--Kan _ik_ 't helpen? _Ik_ had ze liever dood zien vallen! Mag zulk een

meisje zich profaneeren?

--Maar, mynheer Havelaar, vroeg Verbrugge, als ze nu eens verkouwen is?

--Wèl, ze _moest_ niet verkouwen zyn met zulk een neus!

--Ja, maar ...

Alsof 't booze spel sprak, op-eens moest Tine niezen, en ... voor ze er

aan dacht, had ze haar neus gesnoten!

--Beste Max, wil je er niet boos om worden? vroeg ze met teruggehouden

lach.

Hy antwoordde niet. En, hoe gek het schynt of is ... ja, hy _was_ er

boos om! En, wat óók vreemd klinkt, Tine was bly dat hy boos was, en van

_haar_ vergde meer te zyn dan de Phoceesche vrouwen te Arles[82] al was

't dan ook niet omdat ze reden had grootsch op haar neus te wezen.

Als Duclari nog meende dat Havelaar "gek" was, had men 't hem niet

ten-kwade kunnen duiden wanneer hy zich in deze meening versterkt

voelde, by 't bemerken der korte verstoordheid die er, na en om dat

neussnuiten, op Havelaars gelaat te lezen was. Maar deze was

teruggekeerd van Karthago, en hy las--met de snelheid waarmee hy lezen

_kon_, als hy niet te ver van-huis was met zyn geest--op de gezichten

van zyn gasten, dat zy de twee volgende stellingen opwierpen:

1° _Wie niet wil dat zyn vrouw haar neus snuit, is een gek_.

2° _Wie gelooft dat een in schoone lynen geteekende neus niet mag

gesnoten worden, doet verkeerd dit geloof toetepassen op mevrouw

Havelaar, wier neus een beetje_ en pomme de terre _is_.

De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar ... de tweede!

--O, riep hy, alsof hy te antwoorden had, schoon zyn gasten te beleefd

waren geweest hun stellingen uittespreken, dàt zal ik u verklaren.

Tine is ...

--Beste Max! zeide zy smeekend.

Dit beteekende: "vertel toch niet aan die heeren waarom ik in uw

schatting verheven moest zyn boven verkoudheid!"

Havelaar scheen te verstaan wat Tine meende, want hy antwoordde:

--Goed, kind! Maar weet je wel, heeren, dat men zich dikwyls bedriegt in

't beoordeelen der aanspraken van sommige menschen op stoffelyke

onvolkomenheid?

Ik ben zeker dat de gasten nooit van die aanspraken gehoord hadden.

--Ik heb op Sumatra een meisje gekend, ging hy voort, de dochter van een

_datoe_[83] ... welnu, ik houd het er voor dat _zy_ op die

onvolkomenheid geen recht had. En toch heb ik haar in 't water zien

vallen by een schipbreuk ... evenals een ander. Ik, een mensch, heb haar

moeten helpen om aan land te komen.

--Maar.. had ze dan moeten vliegen als een meeuw?

--Wel zeker, of ... neen, ze had geen lichaam moeten hebben. Wilt ge dat

ik u vertel hoe ik kennis met haar maakte? 't Was in '42. Ik was

kontroleur van Natal ... ben je daar geweest, Verbrugge?

--Ja.

--Welnu, dan weet je dat er peperkultuur in 't Natalsche is. De

pepertuinen liggen te _Taloh-Baleh_, benoorden Natal, aan de kust. Ik

moest ze inspekteeren, en daar ik geen verstand van peper had, nam ik in

de _prahoe_[84] een _datoe_ mee, die er meer van wist. Zyn dochtertje,

toen een kind van dertien jaren, ging mee. We zeilden langs de kust, en

verveelden ons ...

--En toen hebt ge schipbreuk geleden?

--Wel neen, t was mooi weer, al te mooi. De schipbreuk waarop je doelt,

viel veel later voor. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zoo zeilden

we langs de kust, en 't was stikheet. Zoo'n prauw biedt weinig

gelegenheid tot afleiding, en daarby was ik juist in een verdrietige

stemming, waartoe veel oorzaken het hare bydroegen. Ik had, _primo_, een

ongelukkige liefde, ten-tweede, een ... ongelukkige liefde, ten-derde

... nu ja, nòg iets van dien aard, enz. Och, dat hoort er zoo by. Maar

bovendien bevond ik my in een statie tusschen twee aanvallen van

eerzucht. Ik had me koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een

toren geklommen, en weer op den grond gevallen ... ik zal nu maar

overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur

gezicht en slecht humeur, en was, wat de Duitschers noemen:

_ungeniessbar_. Ik vond onder anderen dat het niet te-pas kwam my

pepertuinen te laten inspekteeren, en dat ik lang had moeten aangesteld

zyn tot gouverneur van een zonnestelsel. Hierby kwam het me voor als

zedelyke moord, een geest als den mynen in één prauw te zetten met dien

dommen _datoe_ en zyn kind.

Ik moet je zeggen, dat ik anders de maleische Hoofden wèl lyden mocht,

en goed met hen overweg kon. Zelfs bezitten zy veel dat my hen doet

voortrekken boven de javaansche Grooten. Ja, ik weet wel, Verbrugge, dat

je dit niet met my eens bent, er zyn slechts weinigen die 't me toestemmen

... maar dit laat ik nu dáár.[85]

Als ik dat reisjen op een anderen dag gedaan had--met wat minder

muizenesten in 't hoofd, meen ik--zou ik waarschynlyk terstond met dien

_datoe_ in gesprek zyn gekomen, en misschien had ik gevonden dat hy myn

omgang wel waard was. Wellicht had ik dan ook het meisjen aan 't spreken

gebracht, en dit had my misschien onderhouden en vermaakt, want een kind

heeft meestal iets oorspronkelyks ... schoon ik erkennen moet dat ikzelf

toen nog te veel kind was, om belang te stellen in oorspronkelykheid.

Thans is dit anders. Nu zie ik in elk meisje van dertien jaren een

manuskript waarin nog weinig of niets is doorgestreken. Men verrast den

auteur _en négligé_, en dit is dikwyls aardig.

Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen al haar aandacht daarby

noodig te hebben. Drie rooden, één zwarte ... drie rooden, één zwarte:

't was mooi!

Ze heette _Si Oepi Keteh_. Dit beduidt op Sumatra zooveel als: _kleine

freule_ ... ja, Verbrugge, jy weet het wel, maar Duclari heeft altyd op

Java gediend.[86] Ze heette Si Oepi Keteh, maar in myn gedachten noemde

ik haar "stumpert" of zoo-iets, omdat ik naar myn schatting zoo

hemelhoog boven haar verheven was.

't Werd middag ... avend byna, en de kralen werden opgeborgen. Het land

schoof langzaam naast ons weg, en kleiner en kleiner werd de _Ophir_

rechts achter ons.[87] Links in 't westen boven de wyde, wyde zee, die

geen grens heeft tot waar Madagaskar ligt, en Afrika daar achter, zakte

de zon, en liet haar stralen in gedurig stomper buiging kiskassen[88]

over de golven, en zy zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was ook

weer dat ding?

--Wat voor ding ... de zon?

--Ach, neen ... ik maakte verzen in die dagen! O, verrukkelyk! Hoor

eens:

Ge vraagt waarom toch de O

Die Natals ree bespoelt,

Schoon elders minzaam en gedwee,

Ontstuimig slechts op Natals ree,

Gedurig kookt en woelt?

Ge vraagt, en de arme visschersknaap

Heeft nauw uw vraag verstaan,

Of wenkend met het donker oog,

Wyst hy u aan d'onmeetbren boog

Het verre Westen aan.

Hy wendt den blik van 't donker oog

En staart naar 't Westen heen,

En toont u, daar ge rondsom ziet,

Slechts water, water, in 't verschiet,

En zee, en zee alleen!

En dáárom schuurt hier de Oceaan

Zoo fel het oeverzand:

't Is zee slechts, waar ge rondsom ziet,

En water, water, anders niet,

Tot Madagaskars strand!

En menig offer werd gebracht

Ten zoen voor d'Oceaan!

En menig kreet, in 't nat gesmoord,

Door vrouw, noch kind, noch maag gehoord,

Werd slechts door God verstaan!

En menig hand voor 't laatst gestrekt

Rees opwaarts uit het meer,

En voelde en greep en plaste in 't rond,

En zocht of ze ergens steunsel vond,

En zonk voor eeuwig neer!

En...

--En ... en ... _ik weet de rest niet meer_.

--Die is weertevinden door er om te schryven aan Krygsman, uw klerk te

Natal. Hy heeft het, zei Verbrugge.

--Hoe komt _hy_ daaraan? vroeg Max.

--Misschien uit uw papiermand. Maar zeker is 't, dát hy het heeft! Volgt

er niet de legende van de eerste zonde, die 't eiland zinken deed

waardoor vroeger de reede van Natal werd beschermd? De geschiedenis van

_Djiwa_ met de twee broeders?

--Ja, dàt is waar. Die legende ... was geen legende. Het was een parabel

die ik maakte, en die misschien over een paar eeuwen legende worden zal

als Krygsman dat ding wat veel opdeunt. Zóó begonnen alle mythologien.

_Djiwa_ is: ziel, zooals je weet, _ziel, geest_ of zoo-iets. Ik maakte

er een vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva ...

--Wel, Max, waar blyft onze kleine freule met haar kraaltjes? vroeg

Tine.

--De kralen waren opgeborgen. Het was zes uur, en daar onder de

evennachtslyn--_Natal_ ligt op weinige minuten noord: als ik over-land

naar _Ayer-Bangie_ ging, stapte ik te paard over de linie heen, of

nagenoeg ...'t was om er over te struikelen, waarachtig!--dáár was zes

uur 't sein tot avendgedachten. Nu vind ik dat een mensch 's avends

altyd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan 's morgens, en dit

is natuurlyk. 's Morgens houdt men zich te-zamen--ik weet wel dat dit

een _germanismus_ is, maar hoe moet ik het zeggen in 't _hollandsch_?

--men is ... deurwaarder of kontroleur, of ... neen, dit is genoeg!

Een deurwaarder _hält sich zusammen_ om dien dag eens terdeeg zyn plicht

te doen ... god, welk een plicht! Hoe moet dat _zusammen gehalten_ hart

er uitzien! Een kontroleur--ik zeg dit niet voor u, Verbrugge!--een

kontroleur wryft zich de oogen uit, en ziet er tegen op den nieuwen

adsistent-resident te ontmoeten, die een bespottelyk overwicht wil

aannemen op een paar jaren diensttyd meer, en van wien hy zooveel

zonderlings gehoord heeft ... op Sumatra. Of hy moet dien dag velden

opmeten, en staat in dubio tusschen zyn eerlykheid--jy weet dit zoo niet,

Duclari, omdat je militair bent, maar er zyn werkelyk eerlyke kontroleurs!

--dan staat hy te waggelen tusschen die eerlykheid en de vrees dat _Radhen

Dhemang_, zóó of zóó hem den schimmel zal terugvragen, die zoo goed _telt_.

Of wel, hy moet dien dag kordaat _ja_ of _neen_ zeggen in antwoord op

missive nummer zóóveel. Kortom, 's morgens by 't ontwaken valt je de wereld

op 't hart, en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avends

heeft men een pauze. Er liggen tien volle uren tusschen nu en 't oogenblik

dat men zyn rok weerziet. Tien uren: zes-en-dertig-duizend sekonden om

mensch te zyn! Dit lacht ieder toe. Dit is 't oogenblik waarop ik hoop te

sterven, om ginder aantekomen met een inofficieel gezicht. Dit is 't

oogenblik waarop je vrouw iets weervindt in je gelaat, van wat haar _ving_

toen ze je dien zakdoek behouden liet met een gekroonde _E_ op de punt ...

--En toen ze nog 't recht niet had, verkouwen te wezen, zei Tine.

--Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avends _gemütlicher_

is.

Toen alzoo de zon langzamerhand verdween, ging Havelaar voort, werd ik

een beter mensch. En als eerste blyk van die beterschap moge gelden, dat

ik tot de kleine freule zei:

"Het zal nu gauw wat koeler worden."

"Ja, _toewan_!" antwoordde zy.

Maar ik boog myn hoogheid nog dieper tot die "stumpert" neer, en ving

een gesprek met haar aan. Myn verdienste was te grooter omdat zy heel

weinig antwoordde. Ik had gelyk in al wat ik zei ... dat ook al

vervelend wordt, al is men nòg zoo verwaand.

"Zou je graag een volgenden keer weer meegaan naar _Taloh-Baleh_?" vroeg

ik.

"Zoo als toewan kommandeur[89] beveelt."

"Neen, ik vraag _u_ of _gy_ zoo'n reisjen aangenaam vindt?"

"Als myn vader het verkiest." antwoordde zy.

Zegt eens, heeren, was 't niet om dol te worden? Welnu, ik werd niet

dol. De zon was onder, en ik voelde my _gemüthlich_ genoeg om nòg niet

afgeschrikt te worden door zóóveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik

begon vermaak te scheppen in 't hooren van myn stem--er zyn weinigen

onder ons, die niet gaarne luisteren naar zichzelf--maar na myn

_mutisme_ van den heelen dag, meende ik, nu ik eindelyk aan 't spreken

geraakt was, iets beters te verdienen dan de al te onnoozele antwoorden

van _Si Oepi Keteh_.

Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik, dan hoor ikzelf het

met-een, en ik heb niet noodig dat ze my antwoordt. Nu weet ge dat, even

als by het lossen van een schip de laatst ingeladen _krandjang_

suiker[90] 't eerst weer voor den dag komt, ook wy gewoonlyk die

gedachte of die vertelling 't eerst lossen, die 't laatst is ingeladen.

In het _Tydschrift van Nederlandsch Indie_ had ik kort tevoren een

verhaal gelezen van Jeronimus: _de Japansche Steenhouwer_ ...

Hoort eens, die Jeronimus heeft lieve dingen geschreven! Hebt ge zyn

_Vendutie in een sterfhuis gelezen_? En zyn: _Graven_? En, vooral: de

_Pedatti_?[91] Ik zal 't u geven.

Ik dan had pas _de Japansche Steenhouwer_ gelezen. Ach, nu herinner ik

my op-eenmaal hoe ik zoo-even verdwaald ben geraakt in dat liedje,

waarin ik 't "donker oog" van dien visschersknaap tot scheelwordens toe

"rond-om laat dwalen" in één richting ... heel gek! Dat was een

aaneenschakeling van denkbeelden. Myn verstoordheid van dien dag stond

in verband met het gevaarlyke der Natalsche ree ... je weet, Verbrugge,

dat geen oorlogschip die reede mag aandoen, vooral niet in Juli ... ja,

Duclari, de westmousson is daar in Juli 't sterkst, juist andersom dan

hier.[92] Welnu, 't gevaarlyke van die reede schakelde zich vast aan myn

gekrenkte eerzucht, en die eerzucht hangt weer samen met dat liedjen

over _Djiwa_. Ik had den resident herhaaldelyk voorgesteld te _Natal_

een zeewering te maken, of althans een kunsthaven in de monding van de

rivier, met het doel om handel te brengen in de Afdeeling _Natal_, die

de zoo belangryke Battahlanden met de zee verbindt. Anderhalf millioen

menschen in 't binnenland wisten geen weg met hun produkt, omdat de

Natalsche ree--en terecht!--in zulk een slecht blaadje stond. Welnu,

die voorstellen waren door den resident niet goedgekeurd, of althans hy

beweerde dat de Regeering ze niet zou goedkeuren, en je weet dat

behoorlyke residenten nooit iets voorstellen, dan wat ze vooruit kunnen

berekenen dat aan 't Gouvernement bevallen zal. Het maken van een haven

te _Natal_ streed in principe tegen 't stelsel van afsluiting, en wel

verre van schepen daarheen te lokken, was 't zelfs verboden--tenzy in

geval van _force majeure_--raschepen op de reede _toetelaten_. Als er nu

toch een schip kwam--'t waren meestal Amerikaansche walvischvangers, of

Franschen die peper hadden geladen in de onafhankelyke rykjes op den

noordhoek[93]--liet ik my altyd door den kapitein een brief schryven,

waarin hy verlof vroeg om drinkwater intenemen. De verstoordheid over 't

mislukken myner pogingen om iets ten-voordeele van _Natal_ te bewerken,

of liever de gekrenkte ydelheid ... was 't niet hard voor me, nog zoo

weinig te beteekenen dat ik niet eens een haven kon laten maken waar ik

wilde? Nu, dit alles, in verband met myn kandidatuur voor 't regelen van

een zonnestelsel, had me dien dag zoo onbeminnelyk gemaakt. Toen ik door

't ondergaan der zon eenigszins genas--want ontevredenheid is een

ziekte--bracht juist die ziekte my den _Japanschen Steenhouwer_ voor den

geest, en misschien dacht ik alleen dáárom die geschiedenis overluid,

om, mezelf wysmakende dat ik het deed uit welwillendheid voor dat kind,

ter-sluik den laatsten druppel intenemen van het drankje dat ik voelde

noodig te hebben. Maar zy, dat kind, genas me--voor een dag of wat

althans--beter dan myn vertelling, die ongeveer aldus moet

geluid hebben:

"_Oepi_, er was een man die steenen hieuw uit de rots. Zyn arbeid was

zeer zwaar, en hy arbeidde veel, doch zyn loon was gering, en

tevreden was hy niet.

Hy zuchtte omdat zyn arbeid zwaar was. En hy riep: och, dat ik ryk

ware, om te rusten op een _baleh-baleh_ met _klamboe_ van

roode zyde.[94]

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd

hebt.

En hy wàs ryk. En hy rustte op een baleh-baleh, en de _klamboe_ was

van roode zyde.

En de koning des lands toog voorby, met ruiters voor zyn wagen. En

ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden

_pajong_[95] boven het hoofd van den koning.

En toen de ryke man dit zag, verdroot het hem dat er geen gouden

_pajong_, werd gehouden boven zyn hoofd. En tevreden was hy niet.

Hy zuchtte, en riep: ik wenschte koning te zyn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd

hebt.

En hy wàs koning. En voor zyn wagen reden vele ruiters, en ook waren

er ruiters achter zyn wagen, en boven zyn hoofd hield men den gouden

_pajong_.

En de zon scheen met heete stralen, en verbrandde het aardryk, zoodat

de grasscheut dor werd.

En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht

had boven hem. En tevreden was hy niet.

Hy zuchtte, en riep: ik wenschte de zon te zyn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd

hebt.

En hy wàs de zon. En hy zond zyn stralen naar boven, en naar beneden,

naar de rechterzyde en naar de linkerzyde, en alom.

En hy verschroeide den grasscheut op het aardryk, en het gelaat der

vorsten die op de aarde waren.

En een wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen van

de zon stuitten daarop terug.

En hy werd toornig dat zyner macht weerstaan werd, en hy klaagde dat

die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hy niet.

Hy wilde de wolk zyn, die zoo machtig was.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd

hebt.

En hy werd een wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde, en

ving de stralen op, zoodat het gras groen werd.

En de wolk regende in groote druppen op het aardryk, en deed de

rivieren zwellen, en _banjirs_ voerden de kudden weg.

En hy verwoestte door veel waters het veld.

En hy viel neer op een rots, die niet week. En hy klaterde in groote

stroomen, maar de rots week niet.

En hy werd toornig omdat de rots niet wyken wilde, en omdat de

sterkte van zyn stroomen ydel was. En tevreden was hy niet.

Hy riep: aan die rots is macht gegeven boven my. Ik wenschte die rots

te zyn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd

hebt.

En hy wèrd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het

regende.

En daar kwam een man met houweel, en met puntigen bytel, en met

zwaren hamer, die steenen hieuw uit de rots. En de rots zeide: wat is

dit, dat die man macht heeft boven my, en steenen houwt uit myn

schoot? En tevreden was hy niet.

Hy riep: ik ben zwakker dan deze ... ik wenschte die man te zyn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd

hebt.

En hy was een steenhouwer. En hy hieuw steenen uit de rots, met

zwaren arbeid, en hy arbeidde zeer zwaar voor weinig loons, en hy was

tevreden."

--Heel aardig, riep Duclari, maar nu zyt ge ons nog 't bewys schuldig

dat die kleine _Oepi_ imponderabel had moeten wezen.

--Neen, ik heb u dat bewys niet beloofd! Ik heb alleen willen vertellen

hoe ik kennis met haar maakte. Toen myn verhaaltjen uit was, vroeg ik:

"En jy, _Oepi_, wat zou jy kiezen, als een engel uit den hemel je kwam

vragen wat je begeerde?"

"Voorzeker, mynheer, ik zou hem bidden my meetenemen naar den hemel."

--Is dat niet beeldig? vroeg Tine aan haar gasten, die 't misschien heel

gek vonden ...

Havelaar stond op, en vaagde iets weg van het voorhoofd.

1/1
Menu

Fazer anotação