TWINTIGSTE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 19 de 20
Obra Menu

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

't Was avend. Tine zat te lezen in de binnengalery, en Havelaar teekende

een borduurpatroon. Kleine Max tooverde een legprent in elkaar, en

maakte zich driftig omdat hy niet vinden kon: "het rooie lyf van die

mevrouw."

--Zou 't nu zóó goed wezen, Tine? vroeg Havelaar. Kyk, ik heb dien palm

wat grooter gemaakt ... 't is nu juist _the line of beauty_ van Hogarth,

niet waar?

--Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.

--Zoo? En die anderen strooken dan? Max, laat me je broekjen eens zien!

Ei, heb je _die_ strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd

hebt, Tine!

--Ik niet. Waar dan?

--'t Was in den Haag, toen Max ziek was en we zoo geschrokken waren

omdat de dokter zei dat hy een zoo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er

zooveel zorg vereischt werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen,

juist in die dagen was je bezig aan die strook.

Tine stond op, en kuste den kleine.

--Ik hèb haar buik, ik hèb haar buik! riep 't kind vroolyk, en de rooie

mevrouw was kompleet.

--Wie hoort daar een _tontong_ slaan? vroeg de moeder.[175]

--Ik, zei kleine Max.

--En wat beduidt dat?

--Bedtyd! Maar ... ik heb nog niet gegeten.

--Eerst kryg je eten, dat spreekt vanzelf.

En ze stond op, en gaf hem zyn eenvoudig maal dat ze uit een goed

gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het

knippen van vele sloten gehoord.

--Wat geef je 'm daar? vroeg Havelaar.

--O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de

suiker is altyd achter slot geweest.

Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren

afgebroken.

--Weet je wel, ging hy voort, dat wy de rekening van dien dokter nog

niet betaald hebben ... o, dat is zeer hard?

--Lieve Max, we leven hier zoo spaarzaam, weldra zullen wy alles kunnen

afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles

geregeld in weinig tyds.

--Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt, zei Havelaar. Ik zou

zoo heel ongaarne _Lebak_ verlaten ... dit zal ik je uitleggen. Geloof

je niet dat we nog meer van onzen Max hielden na zyn ziekte? Nu, zóó ook

zal ik dat arme _Lebak_ liefhebben na de genezing van den kanker waaraan

't lydt sedert zooveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me

schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan den

anderen kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...

--Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je

later _Lebak_ helpen als je Gouverneur-generaal bent.

Daar kwamen woeste strepen in Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in

dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar ...

Tine begreep dat ze iets miszegd had.

--Lieve Max ... begon ze vriendelyk.

--Vervloekt! Wil je die stumperts zóó lang laten hongeren? Kan jy leven

van _zand_?

--Lieve Max!

Maar hy sprong op. Er werd niet meer geteekend, dien avend. Hy ging

toornig op-en-neer in de binnengalery, en eindelyk sprak hy op een toon

die ruw en hard zou geklonken hebben aan iederen vreemde, doch door Tine

heel anders werd opgevat:

--Vervloekt die lauwheid, die schandelyke lauwheid! Daar zit ik nu

sedert een maand te wachten op recht, en intusschen wordt er vreeselyk

geleden door dat arme volk. De Regent schynt er op te rekenen dat

niemand hem aandurft! Zie ...

Hy ging in zyn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een

brief die voor me ligt, lezer!

--Zie, in dezen brief durft hy me voorstellen doen over de _soort_ van

arbeid dien hy wil laten verrichten door de menschen die hy onwettig

heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vèr gedreven?[176]

En weet je wie dat zyn? Dat zyn vrouwen met kleine kinderen, met

zuigelingen, zwangere vrouwen die van _Parang-Koedjang_ zyn gedreven

naar de hoofdplaats om voor hèm te werken! Mannen zyn er niet meer! En

ze hebben niets te eten, en ze slapen op den weg, en eten zand! Kan _jy_

zand eten? Moeten ze zand eten tot ik Gouverneur-generaal ben?

Vervloekt!

Tine wist zeer goed op wien Max eigenlyk boos was, als hy zoo sprak tot

haar die hy zoo liefhad.

--En, ging Havelaar voort, dat loopt alles ter _myner_ verantwoording!

Als er op dit oogenblik van die arme wezens ronddwalen daar buiten ...

als zy 't schynsel zien van onze lampen, zullen zy zeggen: "daar woont

de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hy rustig by vrouw en

kind, en teekent borduurpatroontjes, en wy liggen hier als boschhonden

op den weg verhongeren met onze kinderen!" Ja, ik hoor het wel, ik hoor

het wel, dat roepen om wraak over myn hoofd! Hier, Max, hier!

En hy kuste zyn kind met een wildheid die 't verschrikte.

--Myn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen

moed had om recht te doen ... dat er zooveel moeders zyn gestorven door

myn schuld ... als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader den

zegen wegstal van je hoofd ... o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!

En hy berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zy bracht daarop kleinen

Max naar zyn bedjen--een stroomat--en toen ze terugkwam, vond ze

Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoo-even waren binnen

getreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de

Regeering.

--Ik begryp zeer goed dat de resident in een moeielyken toestand is, zei

Duclari. Hy kan 't Gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw

voorstellen, want dan zou er _te veel_ aan den dag komen. Ik ben reeds

lang in 't _Bantamsche_, en weet er veel van, meer nog dan uzelf,

m'nheer Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan

komt men zaken te weten die de inlander zoo niet durft zeggen aan de

ambtenaren. Maar als nu na een openlyk onderzoek dat alles aan den dag

komt, zal de Gouverneur-generaal den resident ter verantwoording roepen,

en hem afvragen hoe 't komt dat hy in twee jaren niet ontdekt heeft, wat

u terstond in 't oog is gevallen? Hy moet dus natuurlyk trachten zoodanig

onderzoek te verkomen ...

--Ik heb dit ingezien, antwoordde Havelaar, en, wakker gemaakt door zyn

poging om den _Adhipatti_ te bewegen iets tegen my intebrengen--hetgeen

schynt aantetoonen dat _hy_ beproeven wil de kwestie te verleggen, door

by-voorbeeld _my_ te beschuldigen van ... ik weet niet wat--heb _ik_ me

hiertegen gedekt door afschriften van myn brieven rechtstreeks aan de

Regeering te zenden. In een daarvan komt het verzoek voor, ter

verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht worden

voorgegeven dat _ik_ iets misdaan had. Als nu de resident _my_ aantast,

kan daarop in gewone billykheid geen beslissing worden genomen zonder

dat men _my_ vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger

schuldig, en daar _ik_ niets misdaan heb ...

Daar komt de post aan! riep Verbrugge.

Ja, 't was de post! De post, die den volgenden brief meebracht van den

Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie aan den _gewezen_ adsistent-

resident van _Lebak_, Havelaar.

"_Kabinet_. N° 54. _Buitenzorg, 23 Maart 1856_.

De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of

vooronderstelling van kwade praktijken van de Hoofden in de afdeeling

_Lebak_, en de houding daarbij door u tegenover uwen Chef, den

Resident van _Bantam_, aangenomen, hebben in hooge mate mijne

ontevredenheid verwekt.

In uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg,

beleid en voorzichtigheid, zoo zeer vereischt in eenen ambtenaar met

uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (_sic_) als begrippen

van ondergeschiktheid aan uwen onmiddelijken superieur.

Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen

goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (_sic_) den Resident,

het hoofd van het Inlandsch Bestuur te _Lebak_ te maken tot het

doelwit van bezwarende onderzoekingen.

In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uwe

beschuldigingen tegen dat Hoofd door feiten, veel minder bewijzen te

staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een

Inlandsch Ambtenaar van de stempel van den Regent van _Lebak_, een

zestigjarigen doch nog ijverigen Landsdienaar, aan naburige

aanzienlijke Regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wien steeds

gunstige getuigenissen waren uitgebracht, aan eene hem moreel geheel

vernietigende bejegening te onderwerpen.

Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw

voorstellen gereedelijk gevolg te geven geweigerd aan het billijk

verlangen van uwen Chef te voldoen om volle opening te geven van

hetgeen u omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur te

_Lebak_, bekend was.

Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk

gelooven aan _ongeschiktheid_ voor het bekleeden eene betrekking bij

het Binnenlandsch Bestuur.

Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der

betrekking van Adsistent-resident van _Lebak_ te ontheffen.

Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u

ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u

het uitzicht op eene wederplaatsing bij het Binnenlandsch Bestuur te

benemen. Ik heb u daarom voorloopig belast met de waarneming der

betrekking van Adsistent-resident van _Ngawi_.

Van uwe verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen

of gij bij het Binnenlandsch Bestuur zult kunnen geplaatst blijven."

En daaronder stond de naam van den man, op wiens "_yver, bekwaamheid_ en

_goede trouw_" de Koning zeide te kunnen staat-maken, toen hy diens

benoeming tot Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie onderteekende.

[177]

--We gaan van hier, beste Tine, zei Havelaar gelaten, en hy reikte den

kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las tezamen met Duclari.

Verbrugge had tranen in de oogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer

beschaafd mensch, berstte in een wilden vloek uit:

--G.......... ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien ... ze

zyn in eere van hier gegaan, en men schryft aan _U_ zulk een brief!

--'t Is niets, zei Havelaar, de Gouverneur-generaal is een eerlyk man:

hy moet bedrogen zyn ... hoewel hy zich tegen dat bedrog had kunnen

hoeden door my eerst te hooren. Hy is verstrikt in 't web van de

buitenzorgsche ambtenary. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem

aantoonen hoe hier de zaken staan. Hy zal recht doen, ik ben er

zeker van!

--Maar, als ge naar _Ngawi_ gaat ...

--Juist, ik weet dit! Te _Ngawi_ is de Regent verwant aan het Djokjasche

hof. Ik ken _Ngawi_, want ik was twee jaar lang in de _Baglen_, dat in

de buurt is.[178] Ik zou te _Ngawi_ hetzelfde moeten doen wat ik hier

gedaan heb: dat zou nutteloos heen-en-weer reizen zyn. Bovendien, 't is

my onmogelyk dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had!

En eindelyk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei,

geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tusschen de Regeering

en my te veel personen die belang hebben by 't loochenen der ellende van

de bevolking. Er zyn nog meer redenen die my beletten naar _Ngawi_ te

gaan. Die plaats was niet vakant ... ze is voor my open gemaakt, kyk!

En hij toonde in de _Javasche Courant_ die met dezelfde post was

aangekomen, dat inderdaad by 'tzelfde besluit der Regeering waarby hem

het Bestuur van _Ngawi_ werd opgedragen, de adsistent-resident van die

provincie verplaatst werd naar een andere afdeeling die vakant was.

--Weet ge waarom ik juist naar _Ngawi_ moet, en niet naar die vakante

afdeeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van _Madiven_, waaronder

_Ngawi_ behoort, is de _schoonbroeder van den vorigen resident van

Bantam_. Ik heb gezegd dat de Regent vroeger zulke slechte voorbeelden

had gehad ...

--Ah, riepen Verbrugge en Duclari tegelyk. Ze begrepen waarom Havelaar

juist naar _Ngawi_ verplaatst werd om op de proef te dienen, of hy zich

misschien beteren zou!

--En om nòg een reden kan ik niet daarheen gaan, zeide hy. De

tegenwoordige Gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... zyn opvolger

ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt.[179] Om dus nog

tydig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik den tegenwoordigen

Gouverneur spreken voor zyn vertrek, en als ik nu naar _Ngawi_ ging, zou

dat onmogelyk wezen. Tine, hoor eens!

--Lieve Max?

--Je hebt moed, niet waar?

--Max, je weet dat ik moed heb ... als ik by je ben!

--Welnu!

Hy stond op, en schreef 't volgend rekwest, naar myn inzien een

voorbeeld van welsprekendheid.

"_Rangkas-Betoeng, 29 Maart 1856_.

_Aan den Gouverneur-Generaal

van Nederlandsch-Indie_.

Ik had de eer te ontvangen uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23

dezer, N° 54.

Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te

verzoeken my te verleenen een eervol ontslag uit 's Lands dienst.[180]

MAX HAVELAAR."

Er was te _Buitenzorg_ tot het verleenen van 't gevraagd ontslag niet

zoo langen tyd noodig als er scheen vereischt geweest te zyn voor de

beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een

maand gevorderd, en 't gevraagd ontslag kwam binnen weinig dagen te

_Lebak_ aan.

--Goddank, riep Tine, dat je eindelyk jezelf kunt zyn!

Havelaar ontving geen last om 't Bestuur zyner Afdeeling voorloopig

overtegeven aan Verbrugge, en meende dus zyn opvolger te moeten

afwachten. Deze bleef lang uit omdat hy uit een geheel anderen hoek van

Java komen moest. Na byna drie weken wachtens schreef de gewezen

adsistent-resident van _Lebak_, die echter nog altyd als zoodanig was

opgetreden, den volgenden brief aan den kontroleur Verbrugge:

"N° 153 _Rangkas-Betoeng, 15 April 1856_.

_Aan den Kontroleur van Lebak_.[181]

Het is u bewust dat ik by Gouvernements Besluit van den 4den dezer,

N° 4, op myn verzoek eervol ben ontslagen uit 's Lands dienst.

Misschien ware ik in myn recht geweest, na de ontvangst van die

beschikking myn betrekking van adsistent-resident terstond

neerteleggen, daar het een anomalie schynt een funktie te vervullen

zonder ambtenaar te wezen.

Ik ontving evenwel geen aanschryving om myn betrekking overtegeven,

en gedeeltelyk uit besef van de verplichting myn post niet te

verlaten zonder behoorlyk afgelost te zyn, gedeeltelyk uit oorzaken

van ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van myn opvolger af, in

de meening dat die ambtenaar spoedig--althans deze maand--zou

arriveeren.

Thans verneem ik van u dat myn vervanger nog niet zoo spoedig kan

verwacht worden--ge hebt, meen ik, die tyding te _Serang_ gehoord--en

tevens dat het den resident verwonderde dat ik, in de zeer byzondere

pozitie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het Bestuur aan u te

mogen overdragen.

Niets kon my aangenamer zyn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te

verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan

ik hier deed ... ik die voor deze wyze van dienen ben gestraft met

berisping, met een ruïneuze en deshonorante overplaatsing ... met den

last om de arme lieden te verraden die op myn loyauteit vertrouwden

--met de keus alzoo tusschen oneer en broodsgebrek!--dat ik na dit

alles met moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan myn

plicht, en dat de eenvoudigste zaak _my_ zwaar viel, geplaatst als ik

was tusschen myn geweten en de principes van 't Gouvernement waaraan

ik trouw schuldig ben zoolang ik niet ontheven ben van myn ambt.

Deze moeielykheid openbaarde zich vooral by 't antwoord dat ik geven

moest aan _klagers_.

Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rankune

zyner hoofden! Eenmaal had ik--onvoorzichtig genoeg!--myn woord ten

borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't Gouvernement.

De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling

gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met myn

zucht voor recht en menschelykheid.

En men ging met klagen voort!

Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 Maart,

dáár te zitten als vermeende toevlucht, als machtelooze beschermer.

Het was hartverscheurend de klachten aantehooren over mishandeling,

uitzuiging, armoede, honger ... terwyl ikzelf nu met vrouw en kind

honger en armoede te-gemoet ga.

En ook 't Gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme

lieden niet zeggen: "gaat en lydt, want het Bestuur _wil_ dat gy

gekneveld wordt!" Ik mocht myn onmacht niet erkennen, één als ze was

met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van den

Gouverneur-generaal.

Ziehier wat ik antwoordde:

"_Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik

zal den Grooten-Heer spreken over uw ellende_. Hy _is rechtvaardig,

en_ hy _zal u bystaan. Gaat voorloopig rustig naar huis ...verzet u

niet ...verhuist nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop

dat er recht zal geschieden!_"

Zóó meende ik, beschaamd over de schending myner toezegging van hulp,

myn denkbeelden in overeenstemming te brengen met myn plicht omtrent

het Bestuur _dat my nog deze maand betaalt_, en ik zou aldus tot de

komst van myn opvolger zyn voortgegaan, indien niet een byzonder

voorval my heden in de noodzakelykheid bracht aan die dubbelzinnige

verhouding een eind te maken.

Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zy

keerden naar hun woonstede terug. Onder-weg ontmoet hen hun

dorpshoofd. Hy moet ze verboden hebben hun _kampong_ weder te

verlaten, en nam ze--naar men my rapporteert--hun kleederen af, om

hen te dwingen tehuis te blyven. Één hunner ontsnapt, vervoegt zich

_weder_ by my en verklaart: _niet naar zyn dorp te durven terugkeeren_.

Wat ik nu _dien_ man moet antwoorden, weet ik niet!

Ik _kan_ hem niet beschermen ... ik _mag_ hem myn onmacht niet

bekennen ... ik _wil_ 't aangeklaagd dorpshoofd niet vervolgen, daar

zulks den schyn zou meebrengen alsof deze zaak _pour le besoin de ma

cause_ door my was opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen ...

Ik belast u, onder nadere goedkeuring des Residents van _Bantam_,

vanaf morgen-ochtend met het bestuur der afdeeling _Lebak_.

_De Adsistent-resident van Lebak_,

MAX HAVELAAR."

Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van _Rangkas-Betoeng_. Hy

weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd by 't

afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hy op de eerste

wisselplaats eene talryke menigte vond, die weggeslopen was uit

_Rangkas-Betoeng_ om hem daar te begroeten voor het laatst.

Te _Serang_ stapte de familie by den heer Slymering af, die haar met de

gewone indische gastvryheid ontving.[182]

's Avends kwam er veel bezoek by den resident. Men zeide zoo beteekenisvol

mogelyk, gekomen te zyn _om Havelaar te begroeten_, en Max ontving menig

welsprekenden handdruk ...

Maar hy moest naar _Batavia_ om den Gouverneur-generaal te spreken ...

Dáár aangekomen, liet hy om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd

omdat er een fytzweer was aan den voet van zyn Excellentie.

Havelaar wachtte tot die fytzweer genezen was. Toen liet hy andermaal

verzoeken gehoord te worden.

Zyn Excellentie "_had het zoo druk dat zy zelfs aan den Direkteur-generaal

van financien een audientie had moeten weigeren_" en kon dus ook Havelaar

niet ontvangen.

Havelaar wachtte tot zyn Excellentie zou heengeworsteld zyn door die

drukte. Intusschen voelde hy iets als nayver op de personen die aan zyn

Excellentie waren toegevoegd in den arbeid. Want hy werkte gaarne snel

en veel, en gewoonlyk smolten zulke "drukten" weg onder zyn hand.

Hiervan echter was nu natuurlyk geen spraak. Havelaars arbeid was

zwaarder dan arbeid: hy _wachtte_!

Hy wachtte. Eindelyk liet hy op-nieuw verzoeken om gehoord te worden.

Men gaf hem ten-antwoord "_dat zyn Excellentie hem niet kon ontvangen,

wyl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand

vertrek_."

Max beval zich aan in de gunst van zyn Excellentie om één half uur

gehoor, zoodra er een kleine ruimte wezen zou tusschen twee "drukten."

Eindelyk vernam hy dat zyn Excellentie den volgenden dag vertrekken zou!

Dit was hem een donderslag. Nog altyd hield hy zich krampachtig vast aan

't geloof dat de aftredende Landvoogd eerlyk man, en ... bedrogen was.[183]

Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om derechtvaardigheid zyner zaak

te bewyzen, en dit vierendeel uurs scheen men hem niet te willen geven.

Ik vind onder Havelaars papieren de minuut van een brief dien hy aan den

aftredenden Gouverneur-generaal schynt geschreven te hebben op den

laatsten avend voor diens vertrek naar 't moederland. Op den rand staat

met potlood aangeteekend: "_niet juist_" waaruit ik opmaak dat sommige

zinsneden by 't afschryven veranderd zyn. Ik doe dit opmerken, om niet

uit het gemis aan _letterlyke_ overeenstemming van _dit_ stuk, twyfel te

doen geboren worden aan de echtheid der andere _officieele_ stukken die

ik meedeelde, en die allen door een vreemde hand voor _eensluidend

afschrift_ zyn geteekend. Misschien heeft de man aan wien deze brief

gericht was, lust den _volkomen_-juisten tekst daarvan publiek te

maken.[184] Men zou door vergelyking kunnen zien hoever Havelaar is

afgeweken van zyn minuut. _Zakelyk_ korrekt was de inhoud aldus:

"_Batavia, 23 Mei 1856_.

Excellentie! Myn ambtshalve by missive van 28 Februari gedaan verzoek

om aangaande de _Lebaksche_ zaken te worden gehoord, is zonder gevolg

gebleven.

Evenzoo heeft Uwe Excellentie niet gelieven te voldoen aan myn

herhaalde verzoeken om audientie.

Uwe Exellentie heeft dus een ambtenaar die _gunstig by het Gouvernement

bekend stond_--dit zyn uwer Excellentie's eigen woorden!--iemand die

zeventien jaren het Land in deze gewesten diende, iemand die niet alleen

niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede

beoogde en voor eer en plicht alles veil had ... zóó iemand heeft Uwe

Excellentie gesteld beneden den misdadiger. Want dien _hoort_ men

ten-minste.

Dat men Uwe Excellentie omtrent my misleid heeft, begryp ik. Maar dat

Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding

te ontgaan, begryp ik niet.

Morgen gaat uwe Excellentie van hier, en ik mag haar niet laten

vertrekken zonder nog eenmaal gezegd te hebben _dat ik myn_ PLICHT

_heb gedaan_, GEHEEL-EN-AL MYN PLICHT, _met beleid, met bezadigdheid,

met menschlievendheid, met zachtheid en met moed_.

De gronden waarop gebazeerd is de afkeuring in Uwer Excellentie's

kabinetsmissive van 23 Maart, zyn _geheel-en-al verdicht_ en

_logenachtig_.

Ik kan dit _bewyzen_, en dit ware reeds geschied, als Uwe Excellentie

my één half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie één

half uur tyd had kunnen vinden _om recht te doen_!

Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den

bedelstaf gebracht ...

Hierover evenwel klaag ik niet.

Maar Uwe Excellentie heeft _gesanktioneerd_: HET STELSEL VAN MISBRUIK

VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT,

en dáárover klaag ik.

Dàt schreit ten hemel!

Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dùs ontvangen

indisch traktement, Excellentie![185]

Nog éénmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy

het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de

zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid,

die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.

Als uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier

te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by de

overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige,

bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen

wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten

tenopzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking.[186]

MAX HAVELAAR."

Havelaar wachtte dien avend. Hy wachtte den gansche nacht.

Hy had gehoopt dat misschien verstoordheid over den toon van zyn brief

bewerken zou, wat hy vergeefs getracht had te bereiken door zachtheid en

geduld. Zyn hoop was ydel! De Gouverneur-generaal vertrok zonder

Havelaar te hebben gehoord. Er was weder een Excellentie ter-ruste

gegaan in 't moederland!

* * * * *

Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hy zocht ...

Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet

geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb u in 't leven

geroepen ... ik liet u komen van Hamburg ... ik leerde u redelyk goed

hollandsch schryven, in zeer korten tyd ... ik liet u Louise Rosemeyer

kussen, die in suiker doet ... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!

* * * * *

Die Sjaalman en zyn vrouw ...

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary!

Ik heb u geschapen ... ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen

... ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffi en verdwyn!

* * * * *

Ja, ik, Multatuli "die veel gedragen heb" neem de pen op. Ik vraag geen

verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor

ter bereiking van myn doel.

Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats het aanzyn geven aan iets dat als heilige

_poesaka_ zal kunnen bewaard worden door kleinen Max en zyn zusje, als

hun ouders zullen zyn omgekomen van ellende.

Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van myne hand.

En in de tweede plaats:_ik wil gelezen worden_.

Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die

verplicht zyn te letten op de teekenen des tyds.. door letterkundigen,

die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zooveel kwaads

spreekt ... door handelaren, die belang hebben by de koffiveilingen ...

door kameniers, die me huren voor weinige centen ... door

Gouverneurs-generaal in-ruste ... door Ministers in bezigheid[187] ...

door de lakeien van die Excellentien ... door bidpredikers, die _more

majorum_ zullen zeggen dat ik den Almachtigen God aantast, waar ik

slechts opsta tegen 't godje dat zy maakten naar hun beeld ... door

duizenden en tienduizenden van exemplaren uit het droogstoppelras,

die--voortgaande hun zaakjes op de bekende wys te behartigen--'t hardst

zullen meeschreeuwen over de mooijigheid van m'n geschryf[188] ... door

de leden der Volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in

't groote Ryk over zee, dat behoort tot het Ryk van Nederland ...

Ja, ik _zal_ gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te

doen om _goed_ te schryven ... ik wilde zóó schryven dat het gehoord

werd. En, even als iemand die roept: "houdt den dief!" zich weinig

bekommert over den styl zyner geïmprovizeerde toespraak aan 't publiek,

is 't ook my geheel om 't even hoe men de wyze zal beoordeelen waarop ik

_myn_ "houdt den dief" heb uitgeschreeuwd.

"Het boek is bont ... er is geen geleidelykheid in ... jacht op effekt

... de styl is slecht ... de schryver is onbedreven ... geen talent ...

geen methode ...

Goed, goed, alles goed! Maar ... DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!

Want: _wederlegging der_ HOOFDSTREKKING _van myn werk is onmogelyk!_

[189]

Hoe luider overigens de afkeuring van myn boek, hoe liever 't my wezen

zal, want des te grooter wordt de kans _gehoord_ te _worden_. En dit

_wil_ ik!

Doch gy, die ik stoor in uw "drukten" of in uw "rust" gy Ministers en

Gouverneurs-generaal, rekent niet te zeer op de onbedrevenheid myner

pen. Ze zou zich kunnen oefenen, en met eenige inspanning misschien

geraken tot een bekwaamheid die ten-laatste zelfs de waarheid zou doen

gelooven door 't Volk! Dan zou ik aan dat Volk een plaats vragen in de

Vertegenwoordiging[190] al ware 't alleen om te protesteeren tegen

certifikaten van rechtschapenheid, die door Indische specialiteiten

_vice versa_ worden uitgereikt[191] misschien om op 't vreemd denkbeeld

te brengen dat men zelf waarde hecht aan die hoedanigheid ...

Om te protesteeren tegen de eindelooze expeditien en heldendaden tegen

arme ellendige schepsels, die men vooraf door mishandeling dwong

tot opstand.

Om te protesteeren tegen de schandelyke lafhartigheid van cirkulaires

die de eer der Natie schandvlekken door 't inroepen van _publieke

liefdadigheid_ voor de slachtoffers van _kronischen zeeroof_.[192]

't Is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die

zeeroovers zyn weerbare mannen!

En als men my die plaats weigerde ... als men my by voortduring _niet_

geloofde ...

Dan zou ik myn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de

vele talen die ik leeren kan, om te vragen aan Europa, wat ik

vruchteloos zou hebben gezocht in Nederland.

En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen

als dit: _er ligt een roofstaat aan de zee, tusschen Oostfriesland en

de Schelde!_

En wanneer ook dit niet baatte?

Dan zou ik myn boek vertalen in 't _maleisch, javaansch, soendasch,

al-foersch, boegineesch, battaksch_ ...

En ik zou _klewang_-wettende krygszangen slingeren in de gemoederen van

de arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.

Redding en hulp, op wettelyken weg, waar het _kan_ ... op _wettigen_ weg

van geweld, waar het _moet_.

En _dit zou zeer nadeelig werken op de_ Koffiveilingen van de Nederlandsche

Handelmaatschappy![193]

Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige droomer,

zooals de getrapte Havelaar die zyn plicht deed met den moed van een

leeuw, en honger lydt met het geduld van een marmot in den winter.

Dit boek is een inleiding ...

Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het noodig

zal wezen ...

God geve dat het niet noodig zy!

Neen, 't zal niet noodig zyn! Want aan _U_ draag ik myn boek op, Willem

den derden, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins, Groothertog

en Koning ... KEIZER van 't prachtig ryk van INSULINDE dat zich daar

slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd ...

Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't uw keizerlyke wil is:

Dat Havelaar wordt bespat met den modder van _Slymeringen_ en

_Droogstoppels_?

En dat daarginds Uw meer dan _dertig millioenen_ onderdanen worden

MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN _UWEN_ NAAM?[194]

* * * * *

AANTEEKENINGEN EN OPHELDERINGEN

by de

UITGAAF VAN 1875

(Herzien, gewyzigd en aangevuld in 1881)

* * * * *

De vertraging in 't verschynen van dezen druk is aan my te wyten, en

waarlyk niet aan myn zeer voortvarenden uitgever. Het blyft evenwel

twyfelachtig of 't woord: _wyten_ goed gekozen is? Recht tot verwyt

immers veronderstelt _schuld_, en ik vraag of dit van toepassing wezen

kan op myn byna onverwinnelyken tegenzin om, bladzy voor bladzy, woord

voor woord, letter voor letter, op-nieuw het treurig drama te doorleven,

dat aan dit boek het aanzyn gaf? Dit _boek_! Iets anders immers ziet de

lezer er niet in. _My_ evenwel zyn deze bladen 'n hoofdstuk uit m'n

leven ... my was de korrektie 'n marteling, één marteling! Telkens

ontviel de pen m'n hand, telkens schemerde my 't oog by 't herlezen der

--nog altyd onvolmaakte en verzachte!--schets van wat er uit meer dan

vyf-en-twintig jaar geleden voorviel in 't vroeger onbekende plekje

gronds dat _Lebak_ heet. En dieper nog was de indruk van treurigheid by

't bedenken van wat er uit sedert ruim twintig jaren op de uitgaaf van

't _boek Havelaar_ gevolgd is. Gedurig wierp ik de proefbladen terzyde,

en trachtte het oog myner ziel te richten op minder tragische voorwerpen

dan die welke Havelaars tot-nog-toe onbekroond streven my voor den geest

roept. Weken en soms maanden lang--myn uitgever kan 't getuigen!--had ik

den moed niet, de my gezonden proefvellen intezien. By vallen en staan

ben ik nu de korrektie doorgeworsteld, een korrektie die me meer kost

dan 't schryven zelf. In den winter van 1859 immers, toen ik,

gedeeltelyk in een kamertje zonder vuur, gedeeltelyk aan een waggelend

en smerig herbergtafeltje te Brussel, omringd van goedmoedige maar

tamelyk onaesthetische faro drinkers, m'n _Havelaar_ schreef, meende ik

iets te zullen _bewerken_, iets _uitterichten_, iets _tot stand te

brengen_. De hoop gaf me moed, de hoop maakte my hier-en-daar

welsprekend. Nog herinner ik my den indruk die me bezielde toen ik aan

háár schreef: _m'n boek is af, m'n boek is af! Nu zal alles weldra goed

gaan!_ Vier lange, vier moeielyke jaren had ik doorgeworsteld--en

vruchteloos verloren, helaas!--in pogingen om zonder publiciteit, zonder

opzien, zonder schandaal vooral, iets te bewerken dat tot verbetering

zou kunnen leiden van den toestand waaronder de Javaan gebukt gaat. De

ellendige Van Twist die, voor 't minst zoo er eenig besef van eer en

plicht in hem huisde, m'n natuurlyke bondgenoot had moeten zyn, was niet

te bewegen geweest 'n hand uittesteken. De brief dien ik tot hem

richtte, is ontelbare malen gepubliceerd, en bevat nagenoeg alles wat in

de Havelaarszaak de hoofdmomenten uitmaakt. De man heeft nooit

geantwoord, nooit blyk gegeven van welwillendheid om zooveel mogelyk te

herstellen wat door zyn schuld bedorven is. Door die gewetenlooze

lauwheid ten-laatste _gedwongen_ tot publiciteit, tot het kiezen van een

anderen weg dan ik tot dien tyd toe betrad, wees verontwaardiging my

eindelyk de middelen aan om te bereiken wat onbereikbaar scheen: _een

oogenblik gehoor_. Wat de luie Van Twist niet wilde toestaan, wist ik

aftepersen van de Natie: de _Havelaar_ werd _gelezen_, men ... _hoorde_

my. Helaas, hooren en verhooren is twee! Dat boek was "mooi" verzekerde

men, en als de schryver eens weer zoo'n vertellinkje had ...

Zeker, men had zich by de lektuur "geamuzeerd" en dacht er niet aan--of

ontveinsde te begrypen--dat niet _ik_ op middelbaren leeftyd m'n

loopbaan, die schitterend beloofde te worden, opgaf tot vermaak. Dat

niet _ik_ amuzement beoogd had in 't trotseeren van den gifdood voor my,

voor myn trouwe dappere vrouw, en voor ons lief kind. De _Havelaar_ was

zoo'n onderhoudend boek, durfde men my zeggen, en onder zulke

lofredenaars waren er die gillen zouden van angst by 't minste

dagelyksch gevaartje, ik zeg niet voor gezondheid en leven, maar voor 'n

gering deel van hun welstand. De meeste lezers schenen te meenen dat ik

my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun

'n prettig lektuurtje te verschaffen.

Deze dwaling ... doch genoeg hiervan. Zéker is 't, dat ik van zoo'n

naïf-wreede _Jokrissiade_ geen voorgevoel had toen ik zoo verheugd

uitriep _m'n boek is af, m'n boek is af!_ De overtuiging dat ik

_waarheid_ zeide, dat ik _gedaan_ had wat ik bezig was te _schryven_, en

het voorbyzien hoe 't lezend en luisterend Publiek zoo gewoon is geraakt

aan _cant_, aan zinledige praatjes, aan byna doorgaande tegenstelling

van zeggen en doen ... dit alles vervulde my in 1859 met zooveel hoop

als inderdaad _noodig_ was om 't pynlyk schryven van den _Havelaar_

mogelyk te maken. Maar _thans_, nu me twintig jaar later al te voldoende

gebleken is dat de Natie party trekt vóór de Van Twisten en

konsorten--d.i. voor schelmery, roof en moord--tegen my, d.i. tegen

Recht, Menschlievendheid en wèlbegrepen Staatkunde, nu viel my 't

behandelen dezer bladen oneindig zwaarder nog dan in 1859, al zy 't dan

dat ook toen reeds de pynlyke bitterheid herhaaldelyk dreigde de

overhand te nemen. Hier-en-daar komt ze--op bladz. 131, byv. (zie de

alinea die begint met: "Maar weet ge dan niet", M.D.)--hoe gaarne ook

teruggehouden, voor den dag. Wie overigens begeert m'n stemming te

kennen by de oprakeling der herinneringen die 't gebeurde te _Lebak_ en

wat daarop gevolgd is, in my opwekt, wordt verwezen naar m'n eerste

brochure over _Vryen-arbeid_.(*)

(*) Uitgaaf van 1873, blz. 97, vlgg. waar tevens de oorzaak wordt

verklaard die, nà den _Havelaar_, me dwong tot het betreden van breeder

terrein dan de zaken in India.

En ... by al 't verdriet over de aanhoudende mislukking van m'n

pogingen, de smart over 't verlies van háár die aan m'n zyde zoo

heldhaftig den stryd tegen de wereld opnam, en niet dáár wezen zal

wanneer eindelyk het uur van triumf geslagen is!

Het uur van triumf, lezer. Want, het moge u bevreemden of niet,

overwinnen zàl ik! Ten-spyt van 't gekunstel en geknoei der

Staatsmannetjes aan wien Nederland z'n hoogste belangen toevertrouwt.

Ten-spyt onzer zotte Grondwet die premien uitlooft op middelmatigheid of

erger, een instelling die alles weert wat de _nu_ alom erkende

verrotting in ons Staatswezen zou kunnen genezen. Ten-spyt van de velen

die _belang_ hebben by Onrecht. Ten-spyt van laaghartige afgunst op m'n

"schryftalent" ... heet het zoo niet? Ik ben geen schryver, heeren

boekenmakers die volstrekt in my een kollega en konkurrent wilt zien,

gelooft me toch! Ten-spyt van plompen laster die niets te grof en te

ongerymd acht om m'n stem te smoren en m'n invloed te breken. Ten-spyt

eindelyk van de jammerlyke flauwhartigheid der Natie die dat alles by

voortduring blyft gedoogen ... overwinnen zàl ik!

Er zyn in den laatsten tyd schryvers opgestaan, die me verwyten dat ik

niets of niet genoeg heb uitgericht, niets of niet genoeg veranderd,

niets of niet genoeg tot-stand gebracht. Straks zal ik terugkomen op de

bron waaruit zulke beschuldigingen voortkomen. Wat de zaak zelf aangaat

... ik erken volmondig dat er in Indie niets verbeterd is. Maar ...

_veranderd_? De lieden die, eerst onmiddelyk na den _Havelaar_, en

vervolgens uit kracht van ons armzalig grondwettelyk baskule-systeem,

gebruik maken van de door dat boek opgewekte beweging om zich op 't

kussen te zetten, hebben niets gedaan dan _veranderen_. Dit moest immers

wel? Hun staatkunstenmakersmétier bracht het mee. Het gedeeltelyk

onbekwame, gedeeltelyk niet zeer intègre volkje dat na '60 "_naar boven

viel uit gebrek aan zwaarte_" begreep dat er iets _gedaan_ moest worden,

al deden ze liever 't goede niet, dat dan ook--dit erken ik mèt

hen--maar zelfmoord zou gesmaakt hebben. Recht-doen aan den mishandelden

Javaan was gelyk beteekenend met Havelaars verheffing, en dit ware den

meesten een vonnis.(*) Toch moest er schyn geleverd worden van

werkzaamheid in nieuwe richting, en aan 't van verontwaardiging

"rillend" Volk werd gedurig een been toegeworpen, niet waarlyk om den

honger naar verbetering te stillen, maar om de kaken in bezigheid te

houden, al ware 't dan ook maar met vermeend ekonomisch-politisch

gewawel. De regeermannen wierpen aan hun kieskollegien,

krantenfabrikeurs en verder koffihuispubliek successievelyk de kluifjes

toe, die ik eens-voor-al doopte met den naam van _duitenplatery_.

"_Vrye-arbeid_" was jaren lang--en vóór den _Havelaar_ reeds--de

hoofdschotel, de _pièce de résistance_ van 't verraderlyk _menu_. Ter

afwisseling dienden de heeren hun onnoozelen gasten opgeworpen kwestien

over 't Indisch muntstelsel toe. Daarop volgden de kadaster-kwestie, de

Preanger-kwestie, de kultuur- emolument-kwestie, de komptabiliteits-

kwestie, agrarische- wetkwestie, de partikuliere-grondbezitkwestie, en

nog een-en-ander van dien aard. De eene nieuwe wet volgde op de andere,

en telkens wisten de mannen _en place_--behoudend of liberaal, om 't even!

--aan 't Volk diets te maken dat de eenig mogelyke ontknooping van de

_door allen erkende_ moeielykheid nu eigenlyk en eindelyk geheel alleen

in 't allerlaatst voorgesteld heilmiddeltje lag. Heusch, _nu_ zou 't

probaat wezen!

(*) Zeker! Zie de laatste bladzyden van "_Pruisen en Nederland_."

Zoo volgde na elk versleten experiment een nieuw experiment. Na elke

verbruikte kwakzalvery, een nieuwe kwakzalvery. By elk nieuw ministerie

een nieuw arkanum. Voor elk nieuw arkanum nieuwe ministers, bestemd

gewoonlyk meer jaren den overladen pensioenstaat te bezwaren, dan ze

maanden op 't kussen hadden gezeten. En de Tweede-Kamer aan 't

redevoeren! En de kieskollegien aan 't opvyzelen of zwartmaken! En 't

Volk aan 't luisteren! Al die nieuwigheden werden onderzocht, beproefd,

toegepast, ingevoerd. In Indie maakte men de Hoofden, de europeesche

ambtenaren, en vooral de Bevolking _biengoeng_ met de onophoudelyke

_changements-à-vue_ ... en er zou niets _veranderd_ zyn na den

_Havelaar_? Ten-gevolge van den _Havelaar_? _Allons-donc!_ Er is nà en

ten-gevolge van dat boek, in Indie geschied wat er met _Jan Klaassen's_

horloge gebeurde. Men had dien wysgeer de opmerking gemaakt dat het werk

vuil was en daarom verkeerd liep. Fluks wierp hy 't in de goot, en

reinigde het met 'n stalbezem. Volgens andere traditien van de haagsche

poppenkast zette onze politikus er den hak van z'n klomp op. Ik kan den

lezer verzekeren dat er werkelyk veel _veranderd is_ in dat horloge!

* * * * *

Nederland heeft niet verkozen recht te doen in de Havelaarszaak. Zoolang

tweemaal twee vier zal wezen, blyft het zeker dat dit verzuim--dat deze

_misdaad_!--het punt van uitgang worden zal van 't verlies zyner

indische bezittingen. Wie deze voorspelling wantrouwt omdat heden, en

dus slechts twintig jaar na m'n _zeer gedwongen_ optreden, de

hollandsche vlag nog altyd te Batavia waait, verraadt de nauwte van z'n

politieken blik. Meent men dat omkeeringen als die welke Insulinde

te-gemoet gaat, en waarmee faktisch reeds 'n aanvang gemaakt is--ziet ge

dit niet, Nederlanders?--kunnen plaats grypen in 'n bestek als voldoende

wezen zou voor 'n dagelyksch voorvalletjen uit het byzonder leven! In 't

leven der Staten is twintig jaar minder dan 'n oogenblik.

Toch zal de katastroof een betrekkelyk snel verloop nemen. De onbesuisde

oorlog met _Atjeh_ was een der laatste duitenplateryen die 'n minister

noodig had om de aandacht afteleiden van z'n onbekwaamheid, en zal

blyken even noodlottig te zyn van uitslag en invloed, als ze

lichtvaardig en misdadig was van opzet. Het wankelend nederlandsch gezag

is tegen _échecs_ als dáár door ons geleden worden, niet bestand.(*)

Doch reeds vóór de openbaring der gevolgen van wyder strekking, die deze

wreedaardige en dure zotterny na zich slepen _moet_, waar blyft in deze

zaak de zoo hooggeroemde ministerieele verantwoordelykheid. Moet nu de

Natie er maar in berusten, dat zekere _Fransen van de Putte_

goedgevonden heeft haar in 'n toestand te brengen, die--om nu niet te

spreken van 't schromelyk verlies aan _prestige_ in den Indischen

Archipel!--op zóóveel millioenen schats, op zóóveel menschenlevens te

staan komt? Wel zeker! Ook de naam van _dien_ man bekleedt 'n plaats op

den staat van pensioenen. De nederlandsche belastingschuldigen hebben

geld te veel, naar 't schynt.

(*) Dat Atjeh zou _veroverd_ en de Atjinees _overwonnen_ zyn, is 'n

leugen.

Wat overigens den oorlog met _Atjeh_ aangaat, ik zal straks by de

aanteekeningen op den _Havelaar_ wel genoodzaakt wezen daarop nu-en-dan

terug te komen. Nu reeds de opmerking echter, dat me ook in dit opzicht

gebleken is, hoe slordig dat boek gelezen werd. Zelden of nooit ontving

ik blyk dat men den tegenwoordigen oorlog, en myn voorspelling daarvan,

in verband wist te brengen met den inhoud van 't _dertiende_ hoofdstuk.

By de groote verspreiding van den _Havelaar_, is 't inderdaad vreemd

dat, toen in September '72 m'n waarschuwende brief aan den Koning

verscheen, en in 't volgend voorjaar de oorlog verklaard werd, zoo

weinigen zich herinnerden dat ik reeds in '60 op onze gespannen

verhouding met het atjinsche Ryk gedoeld, en bewys geleverd had iets

meer van die zaken te weten dan onze krantenschryvers en Kamerleden.

Ware dit ànders geweest, misschien zou myn welmeenende waarschuwing van

September '72 beter vrucht gedragen hebben! Nog altyd maakt de oude

Jupiter de Koningen en Natien die hy verderven wil, blind doof,

krankzinnig en behoudend of ... liberaal. Want dat komt overeen uit.

Hoofdzaak is en blyft: waarheid _zoeken, 't gewicht der waarheid_

erkennen en vooral _handelen naar de gegevens die men_, aldus te-werk

gaande, _voor_ waar _houden mag_. Wat daarbuiten gaat is uit den booze,

en Holland zal Indie verliezen omdat men my geen recht heeft gedaan in

myn streven om den Javaan te beschermen tegen mishandeling. Er zyn er

nog altyd die 't verband tusschen deze beide stellingen niet vatten,

maar is dit _myn_ schuld? Het smoren van myn klachten is bescherming van

_onwaarheid_, aanmoediging van _leugen_. Is 't nu zoo moeielyk te

begrypen dat het _ommogelyk_ is, by-voortduring die zoo uitgestrekte

bezittingen te beheeren, wanneer men omtrent Land en Bevolking geen

andere dan onware berichten gelieft te ontvangen? Om iets te regelen, te

besturen, te regeeren, behoort men dan toch in de eerste plaats te

_weten_ in welken toestand zich de te behandelen zaken bevinden, en

zoolang men de in den _Havelaar_ verstrekte gegevens ter-zyde schuift,

weet men dit _niet_!

En nog iets. Er blykt uit dat boek dat de bestaande wetten niet worden

gehandhaafd. Eilieve, wat baat het dan of men in den Haag en by

verkiezingen zich aanstelt alsof er aan 't maken van _nieuwe_ wetten

iets gelegen lag? Ik blyf er by dat de oude bepalingen _wat de

hoofdzaken aangaat_ zoo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet

optevolgen. Dáár ligt de kwestie!(*) Daar, en niet in 't eindeloos

redeneeren over onderwerpen van vermeend of voorgewend-politisch

belang, een gekibbel dat wel dienen kan om kranten-schryvers aan

teksten voor hoofdartikels te helpen, om ministers een week langer op 't

kussen, en de geheel overbodige talenterigheid van Kamerdebattisten

bezig te houden, maar geen voetstap nader brengt aan 't eenig ware doel:

_bescherming van den Javaan tegen de hebzucht zyner Hoofden in

medeplichtigheid van een bedorven Nederlandsch Bestuur_.

(*) Zie ter toelichting der karakteristieke frekwentie van dusdanig

misvatten, het aardig voorval op 'n audientie by den Keizer van Rusland,

medegedeeld in m'n brochure over _Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.

* * * * *

Wat nu deze nieuwe uitgaaf betreft, ik stond by de Noten die straks

volgen, gedurig in twyfel over de meer of mindere behoefte aan

toelichting. Dit bezwaar is tweeledig, en betreft zoowel het ophelderen

van 'n maleische of vreemdklinkende uitdrukking, als de _staving der

feiten_ die in den _Havelaar_ worden meegedeeld. Ik weet nog altyd niet

hoe diep het door de Van Twisten uitgestrooid praatje "dat ik maar 'n

roman had geschreven" wortel heeft geschoten? Durft men de door my

overgelegde officieele stukken voor onecht houden? Hiervan is me niets

ter-oore gekomen. Dewyl men echter by-voortduring weigert my de plaats

interuimen die me zou toekomen indien ze voor echt worden erkend, viel

't my moeielyk het juiste midden te vinden tusschen te veel en te weinig

rechtvaardiging. Ik liep telkens gevaar het justificeeren overteslaan

van iets dat in de oogen van sommige lezers bewys kon noodig hebben, en

elders iets met bewyzen te staven dat alle verdere toelichting missen

kon, een fout die me zou blootstellen aan de--gewoonlyk

verkeerde!--toepassing van 't bekende: _qui s'excuse s'accuse_. Te

_excuzeeren_ nu heb ik, die m'n plicht deed, niets. Nederland deed z'n

plicht _niet_, en heeft zich te verontschuldigen dat het tegen

_Havelaar_ party trekt voor schelmery. Zoo is de zaak!

De weifeling dan tusschen te veel of te weinig _justificatie_ der

aangevoerde feiten, hinderde my zeer. Maar zie, tamelyk ver reeds

gevorderd met het afwerken der Noten, bleek me dat ik bezig was de

grenzen der my gegunde ruimte--een ruimte die ik zelf vroeger voldoende

had gerekend--zeer ver te overschryden. Myn aanteekeningen,

toelichtingen en ophelderingen op filologisch, land-en volkenkundig of

historisch terrein, dreigden weldra den oorspronkelyken tekst in

uitgebreidheid te-boven te gaan. Het hierdoor noodzakelyk geworden

knotten was my een verdrietig werk, en ik ben zoo vry te gelooven dat de

lezer er iets by verliest.

De vervloekte puntjes waarmee de heer Van Lennep goedvond m'n werk te

bederven, zyn in deze uitgaaf natuurlyk door _leesbare woorden in

letters_ vervangen. De pseudoniemen _Slymering, Verbrugge, Duclari_ en

_Slotering_ heb ik onveranderd gelaten omdat die namen nu eenmaal

populair zyn geworden. Myn vermoorde voorganger heette _Carolus_. De

namen van den kontroleur _Verbrugge_ en den kommandant _Duclari_ waren

_Van Hemert_ en _Collard_. De Resident van Bantam heette _Brest van

Kempen_, en _Michiels_ was de naam van 't Napoleonnetje te _Padang_. Wat

my bewoog tot verandering dezer namen in 't handschrift dat ik aan den

heer V.L. toevertrouwde? Met verwyzing naar het slot van 't XIXe

hoofdstuk, zy hieromtrent de opmerking voldoende, dat ik den eerlyken

maar niet heldhaftigen kontroleur wilde vrywaren tegen rankune. Al

steunde hy me niet in m'n streven, hy had me dan toch niet tegengewerkt

en zelfs, waar ik 't verzocht, ronde verklaringen afgegeven. Dit was

reeds zeer veel, en zou hem kunnen aangerekend zyn als misdaad. De

benaming Slymering voorts diende my tot het typizeeren van m'n model. En

't veranderen eindelyk van de namen _Carolus_ en _Collard_ in

_Slotering_ en _Duclari_ vloeiden uit de vorige substitutien voort.

Geheimhouding was waarlyk m'n zoeken niet, wat trouwens uit de geheele

strekking van m'n werk blykt, maar ik vond het stuitend bepaalde

personen prys te geven aan het oordeel van 't _gewoon_ lezend Publiek.

In de _officieele_ wereld, meende ik--en háár ging de zaak aan--zou men

wel weten tot wien men zich te richten had om inlichting aangaande de

zaken die ik openbaarde. Dit hééft men dan ook geweten, want na

ontvangst van den _Havelaar_ in Indie, is de Gouverneur-Generaal _Pahud_

terstond naar _Lebak_ gereisd om daar eenige klachten over misbruik te

onderzoeken."

Op den titel van 't boek zal ik in een later aanteekening terugkomen.

Die titel is noch 'n _farce_, gelyk sommigen voorgeven te meenen, noch

'n uithangbord, _ein aushängeschild das in Holland nöthig schien um

Käufer zu locken_, beweerde zeker publicist in de _Deutsche Jahrbücher

für Wissenschaft, Kunst und Politik_. O, neen, die titel is 'n epigram.

Wat de spelling aangaat, even als in m'n andere werken volg ik nagenoeg

de mode van den dag. "_Niet_, zooals ik zeide in 't Voorbericht by den

vyfden druk myner _Ideen, omdat ik den minsten eerbied voel voor de

taalkennis der personen die heden-ten-dage zoo goed als officieel belast

schynen met de bearbeiding van dat veld, doch om niet het oog des lezers

aftestooten door vreemdheid van spelling. De soep zou de kool niet waard

zyn_." Zeker, wezenlyke _taalkunde_ is heel wat anders! Toch heb ik ook

hier de leelyke i-j die door sommigen als y-klank gebruikt wordt, voor

goed _congé_ gegeven. _Tant pis_ voor de Hilaridessen die er om treuren.

Dezelfde soort van lettermannen zullen waarschynlyk geen vrede hebben

met m'n interpunktie. Ik met de hunne niet. Welnu, evenals--ik

meen--Hildebrand ergens, geef ik hun een paar mud komma's ten-geschenke,

om die te plaatsen waar ze goedvinden, tot er de verlangde slymerigheid

en hun voldoening op volgt, amen.

De heer Mr. C. Vosmaer maakt in z'n "_Zaaier_"de opmerking dat de

_Havelaar_ blyken draagt van nog onvolkomen beheersching der taal, en

van 't worstelen om vormen voor de veelvuldige stof. Ik stem dit

volmondig toe. Ook my hinderde onder de korrektie herhaaldelyk iets

gewrongens in den zinbouw, dat waarschynlyk tot de kritiek van den heer

V heeft aanleiding gegeven. Naar m'n beste weten heb ik die fout in de

tegenwoordige uitgaaf verbeterd.

* * * * *

En, alsnu terugkomende op de beschuldiging dat ik tot-nog-toe zoo weinig

heb tot-stand gebracht ... dit verwyt is zoo dom niet. Men wordt _Doctor

in de letteren_ door zulke wapenfeiten. Eilieve, dit heb ik dan toch

bewerkt, niet waar, dat personen die bezig waren met kouvatten uit

verregaande lauwerloosheid, op-eenmaal hun kalen schedel gedekt voelden

met den doktershoed, alleen omdat ze de handigheid hadden gebruikt my 'n

paar kwajongensachtige insolenties te zeggen? In een land waar de

officieele distinkte zóó wordt te-grabbel gegooid ...

Het zy zoo! Wat ik _gedaan_ heb, heeren? Wel, ik dééd wat in den

_Havelaar_ geschreven staat. Is dit niet genoeg? Wat deedt _gy_?

Wat ik _gedaan_ heb, nogeens? Ik ving, geheel alleen staande, in

dreigend levensgevaar en met opoffering van allen welstand, den stryd

aan tegen lieden van _uwe_ soort, d.i. tegen het _Onrecht_. Gaat heen en

doet desgelyks!

Dat overigens m'n streven niet bekroond werd ... dat ik nog altyd het

gemakkelyk te raken--en debiet belovend--mikpunt ben van de eerste de

beste nulliteit die 't ambacht van frazenmaken eenigszins meent te

verstaan--al zy 't dan ook dáármee vaak povertjes gesteld--en dat, wat

meer zegt, de toestand in Indiën ellendiger is dan ooit ... mag men dit

_my_ wyten? Ik deed, meen ik, wat 'n mensch in de gegeven omstandigheden

doen kòn, en zeker meer dan eenig Nederlander. Het schimpen op de

betrekkelyke onvruchtbaarheid van m'n pogen herinnert aan den wrevel der

matrozen van Columbus in September 1492. Ook dàt gepeupel schold z'n

admiraal uit. Of ze doktoren in de letteren geworden zyn, weet ik niet.

Geen vrucht alzoo van m'n werk? Het is hier de plaats niet, den invloed

nategaan dien ik uitoefende op heel ander terrein dan de zaken van

Indie. Ik ben zoo vry te gelooven dat m'n geschriften heilzame beweging

hebben uitgewerkt op zedelyk en godsdienstig ... laat me liever zeggen

op _intellektueel_ gebied. Van vele zyden ontving ik blyken dat ik

menigeen tot denken heb gebracht. Wie 't betwyfelt of ontkent, gelieve

het te zeggen, en noeme evenals de zeer edele heeren A.B. Cohen Stuart

en Van Vloten, z'n naam er by, om behoorlyk de schande te dragen van z'n

platte jalouzie.

Aan afgunst namelyk meen ik voor 'n groot deel den toon te moeten

toeschryven, waarop sedert eenigen tyd sommige publicisten--of luî die

't worden willen--m'n werken en m'n persoon aanvallen. Die toon is

gewoonlyk wat te laag voor 't onderwerp.

Dat ik niet de eenige ben, die by 't lezen van stukken als die van

_Doctor_ Van Vloten aan jaloersheid denk, blykt o.a. uit het hartig

artikel van den heer J. Versluys, in _'t Schoolblad_ van 19 Januari

1875, waar de animoziteit van dien godgeleerde in verband wordt gebracht

met het stuk over _Vrye Studie_ dat in m'n IIIn bundel _Ideen_ voorkomt.

Dat onderwerp namelyk was ook door Dr Van Vl. behandeld, en schynt onder

zyn handen niet veel opgang gemaakt te hebben. Kan _ik_ dit helpen?

Zeker is 't dat ik na 't verschynen _myner_ verhandeling sporen begon

waartenemen van de hatelyke stemming die nu blykt jegens my te bestaan.

Vroeger was ik 't allerliefst gekwalificeerd: "_slachtoffer van indisch

wanbestuur en hollandsche lamlendigheid_." Wat ik nu ben, weet ik niet

recht. Een prulschryver, denk ik, wiens werken moeten verdrongen worden

om wat ruimte te verschaffen aan de hyperaesthetische produkten der pen

van Dr V. Vl. Wie z'n "_Bloemlezing_" onderzoekt, zal deze gissing

nog-al aannemelyk vinden. Op de blykbare oneerlykheid in dat prachtstuk

van letterkundigen arbeid wyst dan ook zeer ten-rechte de heer

_Versluys_. Zelfs Mr Vosmaer--gewis toch een onzer eerste dichters,

als-i niet _de_ eerste is--wordt door den verheven Bloemlezer in den ban

gedaan. Die auteur had zich verstout myn werk in z'n "_Zaaier_" te

pryzen, en mocht dus geen bloemen leveren.

Doch ook zonder eigenlyken _broodnyd_, sedert eenigen tyd is 't schelden

op my 'n _métier_ en 'n _tic_ geworden. Het aantal brochuretjes en

"Overdrukjes" dat aan dusdanige spekulatie z'n aanzyn te wyten heeft, is

legio, en levert een treurig blyk van armoed aan scheppingsvermogen. Wie

niet in-staat is zelf iets degelyks voorttebrengen, tracht evidentie--en

honorarium!--optedoen door 't knagen aan den arbeid van 'n ander. Men

zou haast op 't denkbeeld komen dat ikzelf hiertoe den weg wees in m'n

_Idee_ 219, wanneer men niet wist dat wespen, rupsen, en paalwormen zoo

oud zyn als vruchten, loof en zeeschoejing.

Maar jammer is 't! Dat de Van Vlotens, e.d. zulke manoeuvres noodig

hebben om 'n uitgever te bewegen tot het riskeeren van "Overdrukjes" uit

hun niet zeer verspreide tydschriften, is begrypelyk. Ook vereert het me

zeer, zóóveel opgang te maken dat daarvan nog altyd iets kan afvallen om

'n ander te helpen aan _relief_, al schikt het me niet altyd dat teeren

op afval in de hand te werken door serieuze beantwoording van dergelyk

geschryf. Toch verbind ik me niet tot voortdurend zwygen, maar 't zou me

aangenaam zyn indien anderen de niet moeielyke taak op zich namen ...

het verschil te doen in 't oog vallen tusschen wespen en ooft. _My_

wordt door zulke àl te goedkoope bewysvoering de stemming bedorven, en

dit is jammer voor myzelf en den lezer. Men begrypt immers hoe ik, bezig

met het schetsen van iets liefelyks, met viesheid de pen wegwerp zoodra

my de gedachte overvalt dat wezens als _Van Vloten_ zich gereed maken

m'n werk te bevuilen?(*) Ik meen te goed te zyn om zulk volkjen aan

verkoopbare kopie te helpen, en zeker zou 't my 'n kwart-eeuw geleden,

toen ik den Lebakschen stryd streed, bevreemd hebben indien iemand my

voorspeld had dat er nà 't openbaren van m'n pogen en streven,

aanleiding zou bestaan tot zoo'n verklaring! Het strekt waarlyk 't

lezend Publiek niet tot eer, dat sommigen een toon tegen my durven

aanslaan alsof _Havelaar_ een der hunnen was. Zoolang dit opgaat, beweer

ik dat men--ouder gewoonte--slecht gelezen heeft. Anders toch zou men

niet gedoogen dat 'n stryd die zoo ridderlyk werd aangevangen en

voortgezet, ten-behoeve van zeker soort van belanghebbenden werd

overgebracht op 'n mestvaalt. Hartelyk dank!

(*) Ik kan op m'n woord verzekeren dat dit in de meest letterlyken zin

een der oorzaken is van de herhaalde vertraging in de _Geschiedenis van

Woutertje_.

Volgens de laatste berichten uit Indiën is Lebak een woesteny. Geheele

dorpen zyn uitgestorven.

NIEDER-INGELHEIM

Augustus, 1881.

* * * * *

1. De verdeeling in hoofdstukken is 'n toevoegsel van den heer Van

Lennep. Ikzelf namelyk was, vooral in 1860, niet schryversachtig

genoeg om zooveel reglement te brengen in m'n pleidooi, en blyf

gelooven dat die indeeling, uit 'n letterkundig oogpunt zonder schade

kon gemist worden. Juist in de onafgebroken opvolging der stukken van

Droogstoppel en van Stern, ligt iets pikants dat door 't onverwachte

van den overgang den lezer wakker houdt of ... maakt. Doch de

ondervinding leerde my dat het aanhalen van zekere passages gemakkelyk

wordt gemaakt door de nummering der hoofdstukken, en ik laat daarom

die indeeling bestaan.

2. Het "_Poolsche koffihuis_" was, of is nog, 'n druk bezochte

inrichting in de Kalverstraat te Amsterdam, en vooral 'n

verzamelingspunt voor zekere klassen van beursgangers.

3. "_Dass er_--de jonge Stern--_bei uns speisen kann_." Aldus heeft

zekere _Herr_ Stromer, in z'n zoogenaamde vertaling van den _Havelaar_

deze woorden overgezet. Wanneer men nu nog daarby verneemt dat die

snuggere letterman blyk geeft geen verschil te kennen tusschen de

woorden _pantalon_ en _pantoffel_, dat hy "witte mieren" verandert in

_schweinsnieren_, enz. enz. zal men de waarde van z'n werk kunnen

beoordeelen. Hy heeft bovendien omstreeks 2/5 van 't boek _mir nichts

dir nichts_ doodeenvoudig weggelaten, en alzoo 't heele boek tot onzin

gemaakt. Ik stel voor, hem tot beroemde buitenlandsche schryver

te benoemen.

Ook de fransche vertaling van _Nieuwenhuis_ en _Crisafulli_ laat zeer

veel te wenschen over, maar zóó slecht als de duitsche kon ze nu

eenmaal niet worden. Onbereikbaar!

De engelsche bewerking van myn nobelen Alphons Nahuys daarentegen is

goed, en wordt ook in Engeland geprezen.

4. Het is er ver vandaan dat ik alles zou afkeuren wat ik Droogstoppel

in den mond leg. Hy "hield zich niet op" met versjes van de soort als

hier volgt. Welnu, _ik_ ook niet! 't Verschil ligt in den grond

waaruit zoodanige tegenzin voortspruit. Dat een jong vurig naar

_poëzie_ dorstend hart, misleid door de biologie van opgedrongen

letterkundery, misgrypt in z'n eerste pogingen tot uiting, en voor

iets wezenlyks houdt wat ten-slotte blykt slechts ydele klank te

zyn--"getingel en gejingel" noem ik 't in m'n _Naschrift op de Bruid

daarboven_--dit is te vergeven niet alleen, maar een zeer noodzakelyk

verschynsel. _Il faut passer par là!_ De eikenstam die bestemd is om

gaaf droog hout te leveren moest z'n bestaan aanvangen als sappige

tak. Maar de Droogstoppels hadden nooit sap te veel, en hoefden niet

te veranderen om te worden wat ze zyn: dor en onbruikbaar. Ze staan

niet boven maar beneden de fout van die anderen, en zouden bovendien

terstond waarde gaan hechten aan "versjes en zulke dingen" wanneer die

produktjes genoteerd stonden op de beurs.

Voor-zoo-ver Droogstoppel's realistische ontboezemingen dienen kunnen

om _valsche poëzie_ in de gemoederen onzer jongelingschap te knotten,

beveel ik z'n boutades van harte in de aandacht van ouders, opvoeders

en recensenten aan. Wat _my_ aangaat, als ik kiezen moest tusschen hem

en zeker soort van verzenmakers ... nu, toch koos ik hèm niet! Maar ik

erken dat die rechtvaardigheid me zwaar vallen zou.

5. Welk gedicht kan hier bedoeld zyn? De chronologische volgorde

verbiedt ons hier te denken aan: "_de laatste dag der Hollanders op

Java_", door Sentot, want dat stuk is nà den _Havelaar_ geschreven, en

misschien wel onder den indruk van den _Havelaar_. Daar ik Sjaalmans

pak niet by de hand heb, en toch gaarne den lezer in staat stellen wil

zich 'n denkbeeld te vormen van Droogstoppels verontwaardiging, neem

ik verlof dien arbeid van Sentot aan de Natie voor oogen te leggen.

Het zal den toekomstigen geschiedschryver aangenaam zyn te kunnen

bewyzen dat het niet aan waarschuwingen ontbroken heeft.

Er zyn er die beweren dat myn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga om 't

vervaardigen van dit stuk uit Indie verbannen is. De heer Van der

Wyck, Raad van Indie en als zoodanig een der voorstanders van die

uitzetting, heeft dit ontkend. Ook andere regeeringsmannen loochenen

het verband tusschen _Sentots_ profetengaaf en _Roorda's_ verdrietig

en onverdiend omzwerven. Sommige waren van gedachte dat deze

duisterheid zou opgehelderd worden by de behandeling van Roorda's zaak

in de Tweede Kamer, waar overlegging kon verwacht worden en _geëischt_,

want het Regeerings-Reglement schryft dat overleggen voor van 't besluit

waarby de gezagsdaad was uitgevoerd. Maar de Minister Fransen v.d. Putte

meende te kunnen volstaan met de aanbieding van een _extrakt_ uit die

beschikking, en de leden der Kamer berustten alweer in die onwettigheid.

Vrage: wat stond er in 't achtergehouden deel van dat dokument? Iets over

_Sentot's_ Vloekzang? Misschien die Vloekzang zelf? Bestond er wellicht

zeker schuldbesef dat angstig maakte voor de openbaring van dat stuk?

In dit geval is de toeleg niet gelukt, want--al zy 't dan dat R.V.E. zelf

nooit de hand leende tot de publikatie--het verscheen herhaaldelyk in

druk, en ikzelf vond het meer dan eens opgenomen in provinciale blaadjes.

Zoowel om de edele verontwaardiging die er in schittert, als om de

letterkundige verdiensten, vinde het hier een blyvende plaats. Reeds

elders maakte ik de opmerking dat het in gloed en in kracht van

uitdrukking zegevierend de vergelyking kan doorstaan met de beroemde

imprekatie van Camille.

"DE LAATSTE DAG DER HOLLANDERS OP JAVA

DOOR SENTOT

Zult gy nog langer ons vertrappen.

Uw hart vereelten door het geld,

En, doof voor de eisch van recht en rede,

De zachtheid tergen tot geweld?

Dan zy de buffel ons ten voorbeeld,

Die sarrens moê, de hoornen wet,

Den wreeden dryver in de lucht werpt

En met zyn lompen poot verplet.

Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden,

Dan roll' de wraak langs berg en dal,

Dan styg' de rook uit uw paleizen,

Dan trill' de lucht van 't moordgeschal.

Dan zullen wy onze ooren streelen

Aan uwer vrouwen klaaggeschrei

En staan, als juichende getuigen,

om 't doodsbed van uw dwinglandy.

Dan zullen wy uw kindren slachten

En de onzen drenken met hun bloed

Opdat der eeuwen schuld met rente,

Met woekerwinste word' vergoed.

En als de zon in 't Westen neerdaalt,

Beneveld door den damp van 't bloed,

Ontvangt zy in het doodsgerochel

De laatste Hollandsche afscheidsgroet.

En als de nachtelyke sluier

De rookende aard heeft overdekt,

De jakhals de nog lauwe lyken

Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt...

Dan voeren wy uw dochters henen,

En elke maagd wordt ons een boel,

Dan rusten we aan haar blanke boezems

Van moordgetier en krygsgewoel.

En als haar schand zal zyn voltrokken,

Als wy ons hebben moê gekust,

Als elk tot walgens toe verzadigd,

Het hart van wraak, het lyf van lust...

Dan tygen wy aan 't banketteeren,

En de eerste toast is: "'t Batig Slot!"

De tweede toast: "aan Jezus Christus!"

De laatste dronk: "aan Neêrlands God!"

En als de zon in 't Oosten opdaagt,

Knielt elk Javaan voor Mahomed,

Wyl hy het zachtste volk der aarde

Van Christenhonden heeft gered."

De opmerkzame lezer ziet dat de brave Droogstoppel ongelyk had in z'n

verontwaardiging over dit--of 'n dergelyk--stuk. Ook had Fransen van

de Putte het besluit der Regeering, waarby de heer R.v.E. verbannen

werd, in alle gerustheid integraal kunnen overleggen. _Sentot_ zegt

immers niet dat dit alles zoo wezen zàl. Hy waarschuwt slechts dat het

geschieden _zou_, indien de Hollanders voortgingen hun "_hart te laten

vereelten door 't geld, en den Javaan te vertrappen_." Daar nu dit geval

--vooral na de oprichting der Javaannutmaatschappy en al 't geredekavel

in de Kamer--ondenkbaar is, zal de zaak veel beter afloopen dan Sentot

in 'n wanhopig oogenblik meende.

Voor wien 't niet weet, hier de mededeeling dat de pseudoniem _Sentot_

niet byzonder ongepast de herinnering in 't leven roept aan den

javaschen oorlog. _Sentot_ namelyk was in zeer letterlyken zin de _nom

de guerre_ van Alibassa Prawiro Dirdjo, 't uitstekendst legerhoofd van

de "muitelingen" zooals de party van Diepo Negoro in chauvinistisch

hollandsch genoemd werd, een vertalingsfout waaraan zich ook de

Spanjaarden schuldig maakten jegens de Nederlanders, toen _dezen_ zich

van indelikate vreemdelingen trachtten te ontslaan. De meer of mindere

juistheid van zoodanige uitdrukkingen hangt dikwyls af van geografische

ligging, dagteekening, huidskleur, geloof, en behoefte aan batige saldo's.

De muiters van gister zyn dikwyls de helden en martelaren van vandaag.(*)

(*) De moedige Atjineezen die hun land verdedigen, heetten tegenwoordig

"kwaadwilligen."

Wat overigens die Sentot betreft, men heeft hem na afloop van den

Javaschen oorlog te vriend gehouden. Hy heeft z'n laatste levensjaren

gesleten als gepensionneerde van den nederlandschen Staat, en z'n

krygslieden werden by 't ned. ind. leger ingelyfd, doch niet _en

corps_ ... wat zyn goede reden had. Nog in myn tyd--die wat Indie

aangaat, een aanvang nam in Januari 1839--onderscheidden zich de uit

Sentot's _Barissan_ (geregelde troepen) afkomstige soldaten door goed

gedrag, tucht en militaire houding. Het was niet zeldzaam, by

inspektien of parades, een hoofdofficier, by 't wyzen op 'n flinken

kerel, te hooren zeggen: _Ienie apa lagie orangnja Sentot!_ "Dat is

nog een man van _Sentot_!"

6. _Romancen in 't maleisch_. Ik laat nu daar wat Droogstoppel kan

onder de oogen gehad hebben, doch zeker is 't dat ik den zang van

_Saïdjah_ die in deze uitgaaf voorkomt op blz. 281, (alinea die

begint met: "zie hoe de badjing", M.D.) oorspronkelyk in 't _maleisch_

geschreven heb. Waar dat stuk beland is, weet ik niet, en op dit

oogenblik zie ik geen kans het in die taal te maken. Waarschynlyk ligt

het in een der koffers of pakken papieren die ik na m'n vertrek van

_Lebak_, op m'n verdrietige Odyssee hier-en-daar moest achterlaten, en

wieromtrent ik den lezer verwys naar _Idee_ 951. Ik denk dat bedoeld

stuk voor den dag zal komen na m'n dood, als ik niet meer daar wezen

zal om te vragen hoe men er aan gekomen is? Dat er overigens zal

gespekuleerd worden in nagemaakt-posthume artikelen, spreekt in onze

eeuw van vervalsching vanzelf. En wanneer het te voorzien was dat die

sofistikatie zich bepalen zou tot schryvery, kon men de zaak dragelyk

vinden voor 'n doode. Maar de goocheltoeren die men aan den man brengen

zal omtrent m'n leven, handelwys, karakter! Reeds nu lees en verneem ik

dagelyks voorvallen die _my_ betreffen, gebeurtenissen waarin _ik_ 'n

hoofdrol speel, en die myzelf grooter verrassing baren dan ze ooit

kunnen teweegbrengen by ieder ander. De vertellingen die over my in

omloop zyn--ook de niet boosaardige--loopen voor ieder die me _werkelyk

kent_, in 't koddige ... neen, in _'t idiote_! Geenszins nu ter adstraktie

hiervan, maar alleen om te doen blyken _comment on écrit l'histoire_, hier

de opmerking dat zekere Bloemlezer nu reeds, slechts zeven-en-dertig jaar

na m'n vertrek naar Indie, goedvindt dat vertrek 'n paar jaar te

verschuiven. Vrage welke stiptheid is er te wachten in de chronologische

rangschikking der chinesche dynastien, en vooral welke wetenschappelyke

en moreele integriteit in karakterbeschryving? Toch is er leering te

trekken uit de hier bedoelde fout. Door 't opmerken van zulke _blunders_,

gewenne zich de lezer aan de vraag: "man, bloemlezer, _weet_ je wel wat

je beweert ons te willen leeren? Zoo neen, waar bemoei je je mee?

7. _Voor gelykluidend met het oorspronkelyke geteekend_. Dit is

werkelyk het geval met de bewysstukken die ik zoowel in den _Havelaar_

als in de _Minnebrieven_ overleg, Op gelyke wys heb ik de echtheid van

meer andere stukken doen staven, in de meening dat men eenmaal

daarnaar onderzoek zou doen. Maar nooit heeft iemand die moeite

genomen, wat me zeer karakteristiek voorkomt. Het spreekt vanzelf dat

ik nog altyd bereid ben inzage van bedoelde stukken te geven aan ieder

die blyk zal geleverd hebben dat het hem om waarheid te doen is.

Voorloopig bepaal ik my tot herhaling der sommatie aan _Duymaer van

Twist_ om te beweren dat de door my als echt voorgestelde stukken

verdicht zyn. Zoolang hy dit niet durft, blyf ik eischen _dat er op

die stukken Recht worde gedaan_.

8. _Wettig eigendom van den Havelaar_. Droogstoppel voelde berouw

dat-i den onnoozelen Sjaalman z'n recht op eigen werk niet ontfutseld

had. Waarschynlyk kwam me by 't schetsen van den huichelenden schelm,

deze trek noodig voor. En zie, ik wist niet dat ik hier--in zeer

beperkten zin altoos--profeet was. Juist op de manier die Droogstoppel

hier betreurt niet gevolgd te hebben, is de beschikking over 't boek

_Havelaar_ in andere handen overgegaan. De my aangeboden en eigenlyk

_opgedrongen_ ondersteuning die strekken zou om me zes maanden rust

teverschaffen na m'n ellendig omzwerven, en _om den uitslag van m'n

pleidooi aftewachten_, is gebruikt als voorwendsel om den _Havelaar_

zóó te behandelen dat het pleidooi z'n kracht verloor. En dit

geschiedde _opzettelyk_. In een aan my gerichten "Brief" verklaart de

heer Van Lennep: dat hy 't _populair worden van m'n arbeid wilde

tegengaan_, hy die met zooveel vertoon van vurige sympatie my verzocht

had de uitgaaf daarvan aan hem optedragen! Toch ben ik aan de

rechtvaardigheid verplicht den lezer te waarschuwen tegen zekere

vereenzelviging van den heer V.L. met den afzichtelyken Droogstoppel.

Toen V.L. _begon_ zich met de Havelaarszaak intelaten, was-i oprecht.

Maar gaande-weg begon hy berouw te voelen, en z'n zwakheid nam zóó de

overhand dat-i weldra liever my verraadde--'t moet hem zéér gedaan

hebben, want slecht was-i niet!--dan in zyn kring doortegaan voor den

beschermer eener zaak die, _zeer ten onrechte_, werd uitgekreten voor

iets revolutionnairs. Men zie over dit alles, blz. 17 van _Vrye-arbeid_,

uitgaaf 1873, en de Noot op _Idee_ 289.

9. _Wapen van Bern_. In een aldus genoemd gebouw, staande op 't Spui

te Amsterdam, werden in myn jeugd boekverkoopingen gehouden. Ik weet

niet of dit nog zoo is, en zelfs niet of die inrichting nog bestond in

den tyd waarvan Droogstoppel verondersteld wordt te spreken, d.i. een

paar jaar na den datum der officieele stukken die in den _Havelaar_

opgenomen zyn.

10. _Pandeglang en Lebak_. Hier voor 't eerst had ik 't genoegen een

paar namen voluit te schryven, die in vorige uitgaven met puntjes

verminkt waren. Tot op dit oogenblik toe kende een zeer groot getal

lezers den naam niet van de provincie waar de in _Havelaar_ behandelde

voorvallen plaats grepen. Men moest zich vergenoegen met den klank

_Leb_. En dat zoo'n storende terughouding nadeelig gewerkt heeft,

zoowel op het schilderachtige der voorstelling als op 't betrouwbare

van m'n beweringen, spreekt vanzelf. Dit was dan ook 't doel van dat

verraderlyk kastreeren. Men zie hierover de zoo-even aangehaalde _Noot

op Idee_ 289. De Engelschman Wallace--die _nota bene_ de engelsche

vertaling van den _Havelaar_ niet onder de oogen gehad heeft, want

dáárin staan namen en datums voluit gedrukt--ontzegt aan m'n werk alle

waarde _omdat ik geen plaatsen en dagteekeningen opgeef_.

Men heeft my verzekerd--of 't waar is, weet ik niet--dat de heer Van

Lennep m'n handschrift ten-geschenke heeft gegeven aan de _Maatschappy

der Nederlandsche Letterkunde_ te Leiden. Indien ik hierin wèl

geïnformeerd ben, zou dat Genootschap in de gelegenheid zyn te

onderzoeken of 't _myn_ schuld is, dat in vorige uitgaven de namen van

plaatsen en personen of de dagteekeningen met lafhartige puntjes

gespeld zyn?

11. _Groote weg over Java_. Deze weg loopt van _Anjer_, aan straat

_Soenda_ gelegen en dus een der westelykste punten, tot aan

_Banjoewangie_, dat aan 't Zuidoostelyk uiteinde des lands, tegenover

_Bali_ ligt, en is 270 uur gaans lang. Het aanleggen daarvan was een

reuzenwerk, en kon dan ook slechts ten-einde worden gebracht door 'n

man als Daendels die aan groote wilskracht, verregaande minachting

voor byzondere belangen paarde. De blyken die van z'n ruwheid worden

verteld, loopen in 't ongelooflyke. Toch zyn er in zekere gevallen

menschen van die soort noodig. Ik beweer dat er ook _thans_ behoefte

is aan personen die moed en kracht hebben om op eigen verantwoordelykheid

te breken met den sleur. Waarlyk, er zyn _heden-ten-dage_ in ons Indie

dingen te verrichten, waarby die postweg kinderspel is! Of de Daendels

die daartoe verwacht en gewenscht wordt, zou kunnen volstaan met de

eigenschappen die 'n zeventig jaar geleden aan de eischen beantwoordden,

blyft te betwyfelen. Ik spreek in den tekst van "bezwaren die z'n

tegenstanders in 't Moederland hem in den weg legden." Wat is in ònzen

tyd het lot van iemand die in Indiën iets verbeteren wil? Hoe zwaar

Daendels taak ook moge geweest zyn, hy had _niet_ te worstelen met 'n

wysneuzige Tweede Kamer en de ministerschappen die uit zoo'n

Kamerregeering voortvloeien.

Wat overigens onzen "Maarschalk" aangaat--_maréchal de Hollande_,

namelyk, want na de inlyving werd-i teruggezet tot generaal--ook ten

zynen opzichte is het te betreuren dat wy Hollanders zoo schraal

voorzien zyn van _Mémoire_-litteratuur, een fout die onze Geschiedenis

dor maakt, en slechts begrypelyk voor de zoodanigen die, geen oordeel

genoeg hebbende tot niet-begrypen, volkomen tevreden zyn met

ongerymdheid. De levensloop van Daendels was 'n _drama_. Dit is

optemaken uit het weinige dat officieel van hem bekend is, en uit de

vele vertellingen die in de _Chinesche kerk_ [98] omtrent hem in

omloop zyn. Een goedgeschreven levensgeschiedenis van dien man zou

licht werpen op 'n belangryk tydvak onzer historie van den

patriottentyd af tot de restauratie toe. Op z'n armzalig knoeien by

gelegenheid der inlyving van ons landje, wees ik reeds in m'n _Idee_

515. Wie by 't lezen van die bydrage in 't oog houdt dat onze

"Maarschalk van Holland" een gewezen _patriot_ was--en een van de

vurigsten!--zou verbaasd staan over 's mans verregaande

karakterloosheid, indien niet zyn verbazing uitgeput ware door 't

letten op de algemeenheid van die kwaal. Ook in 't zeer belangryk werk

van den heer Van Lennep (_het leven van Mr. C.v.L. en Mr. D.J.v.L._(*))

vindt men kostbare maar bedroevende bydragen tot deze waarheid. Wie de

Geschiedenis grondiger bestudeert dan uit officieel-goedgekeurde

schoolboekjes mogelyk is, zal erkennen dat men zeer zelden in de rei

der personen die zy ons te aanschouwen geeft, een _karakter_ aantreft.

Toch blyft het de vraag of men Daendels goed zou beoordeelen, indien

men alleen achtsloeg op z'n lamlendig gedrag in de maand Februari

1811. Het wantrouwen waarmee eenige jaren later Willem I hem

onderscheidde, schynt aantetoonen dat men hem tot iets buitengewoons

in-staat achtte. Z'n benoeming tot gouverneur der Bezittingen op de

Goudkust--die heele bezitting stond in belangrykheid beneden menige

kontroleursafdeeling op Java!--die benoeming was 'n soort van

gevangenschap. Ik weet van goederhand dat hyzelf de zaak dan ook als

zoodanig beschouwde. By gelegenheid zal ik eenige staaltjes meedeelen

van z'n inborst. Al verdient hy geen plaats onder _beroemde_ mannen,

een _vreemde_ verschyning was-i zéker. Dit is al _iets_ in onzen tyd

van jammerlyk ordinarisme!

(*)Ziedáár _Mémoires_! Toch blyft het by de onmiskenbare waarde van

dat werk te betreuren dat de schryver gemeend heeft ... hoe zal ik me

uitdrukken? Godbewaarme dat ik schandaal zou aanpryzen, maar de

_menschkundige_ lezer voelt by 't volgen van de biografien der beide

van Lennepen, dat er hier-en-daar iets moet overgeslagen zyn. Hoe

dankbaar ook voor de kostbare bydragen tot de kennis der zeden van

dien tyd, wordt toch het oog vermoeid van de vlekkeloosheid der twee

brave Hendrikken waaraan de auteur 't aanzyn dankt. Het gekste is dat

Jakob van Lennep zelf noch "brave Hendrik" was, noch lust had er voor

doortegaan. Ik gis dus dat de gapingen waarop ik doel, voldoen moesten

aan den smaak en de eischen van zeker soort van Publiek, aan welke

invloed Mr. Jakob V.L. zich--jammer genoeg!--nooit wist te onttrekken.

Juist 'n menschenvrees van zóódanigen aard belette hem de Havelaarszaak

dóórtezetten zooals aanvankelyk inderdaad z'n plan was.

12. _Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_. De drie laatste woorden zyn

de _naam_, de twee eersten drukken den _titel_ uit. Het spreekt vanzelf

dat de juiste vertaling van zoodanigen titel moeielyk is. Toch heeft

het de oude Valentyn in z'n werken over Oost-Indie beproefd. Hy

spreekt van "hertogen" en "graven." Hierin ligt voor iemand die de

Inlandsche Hoofden kent, iets zonderlings. Na de velerlei titels van

meer of min schynbaar-onafhankelyke Vorsten is die van _Pangérang_ de

hoogste. Zoo'n _Pangérang_ zou men met eenigen kans op juistheid,

_Prins_ kunnen noemen, omdat deze rang ontleend is aan verwantschap

met een der regeerende huizen van _Solo_ (Soerakarta) en _Djokja_

(Djokjakarta) schoon hierop, naar ik meen, uitzonderingen bestaan,

waarmee we nu niet te maken hebben. De naastvolgende titel is die van

_Adhipatti_, of voluit: _Radhen Adhipatti_. _Radhen_ alleen duidt 'n

rang van lager orde aan, doch die nog vry hoog boven 't gemeen staat.

Iets lager dan _Adhipatti_ staan de _Tommongongs_.

De adel speelt in de javasche huishouding een groote rol. Het

Gouvernement heeft zich 't recht aangematigd adelyke titels

toetekennen, iets dat eigenlyk met het grondbegrip van onderscheiding

_door geboorte_ in stryd is. Ook in Europa evenwel zien wy 'tzelfde

verschynsel. Stipt genomen kan een Regeering iemand toestaan zekeren

titel te voeren, de voorrechten te genieten die aan zekeren stand

verbonden zyn. maar geen macht ter-wereld kan bewerken dat iemand

wiens voorouders onbekend waren, op-eenmaal de afstammeling wordt van

een geslacht dat reeds eeuwen geleden in aanzien was. Wat Java aangaat,

de gebeneficieerden berusten vry geduldig in 't hun toegeworpen voordeel.

Men beweert echter dat er onder de minder gunstig bedeelden--en misschien

ook onder de Bevolking, die voor echte stamregisters religieuzen eerbied

heeft--plan bestaat om de diplomen welke de oude O.I. Kompagnie uitreikte,

en die welke door de Buitenzorgsche Sekretarie verleend werden, by de

eerste gelegenheid te herzien. Er zyn weinig of geen adelyke geslachten

op Java--de regeerende vorsten van _Solo_ en _Djokja_ niet uitgezonderd

--welker titels en officieele pozitie geen stof leveren zouden tot

kontroverse en verzet. Dit wacht maar op 't breken van een der mazen van

't net waaronder de geheele javaansche huishouding gevangen ligt.

13. _Mechanismus van 't Bestuur_. Jonge lieden die den _Havelaar_ voor

eerst lezen in _deze_ uitgaaf, kunnen zich geen denkbeeld maken, hoe

volstrekt noodig in 1860 de schets was van de inrichting onzer

heerschappy in Indie, die in de volgende bladzyden van den tekst

gegeven wordt. En meer nog: op de hoofdplaatsen in Indie zelf was,

kort geleden nog, 't mechanisme van ons Bestuur een gesloten boek. Van

deze onkunde zou ik vreemdklinkende voorbeelden kunnen aanhalen. Tot

juist begrip evenwel van de zeer kunstige--en toch eenvoudige!--wyze

waarop 't machtig Insulinde door een zwakke natie onder de knie wordt

gehouden, verwys ik naar m'n beide brochures over _Vryen arbeid_.(*)

De fout der Nederlanders is dat ze aan 't vreemde in onze verhoudingen

daarginds zoo gewoon zyn geraakt, dat ze er niets byzonders meer in

zien, en meenen dat alles vanzelf zoo blyven zal.

(*)(Vooral naar de tweede: _Nog eens Vrye-arbeid_, Delft by J. Waltman Jr.)

Wat overigens de inrichting van het _Binnenl. Bestuur_ aangaat, mag ik

niet onvermeld laten dat sedert eenige jaren de Residenten als

Voorzitters van den Landraad vervangen zyn door z.g.n. _rechterlyke

ambtenaren_. Deze splitsing van gezag--ook vooral noodlottig uit 'n

politiek oogpunt--draagt ruimschoots het hare by tot den ellendigen

toestand waarin 't _Inlandsch Rechtswezen_ op Java verkeert.

Veiligheid van personen en goederen heeft sedert dien baarschen

maatregel schrikbarend afgenomen. Het _Ketjoe_-wezen neemt by den dag

in omvang toe.

14. _Nederlandsch Indie_. Sommigen rekenen de eilandengroep die

misschien eenmaal Nieuw-Holland aan de vaste kust van Indie verbond,

mèt dit laatste tot _Australie_. Anderen spreken van _Polynesie_ en

_Melanesie_. Elders weer lezen wy van _Oceanie_. In al deze gevallen

staat het aan ieders willekeur om de toepassing van zulke benamingen

al dan niet uittestrekken tot de _Gezelschaps_-en _Markiezen_-eilanden.

Maar die verdeelingen zyn en blyven konventionneel. Van meer gewicht

is de vraag of onze bezittingen in die streken _Nederlandsch_ zyn?

In politieken zin, ja. In _socialen_ zin echter even weinig als in

geografische beteekenis. Niets is minder _nederlandsch_ dan de bodem,

't klimaat, de _fauna_, de _flora_, van al die eilanden. Niets ook is

minder _nederlandsch_ dan de geschiedenis der bewoners, dan hun

traditien, hun godsdienst, hun begrippen, hun karakter, hun zeden en

... hun belangen. Ook zonder de minste politieke nevengedachte stuitte

my altyd een kwalifikatie die zulke onjuiste denkbeelden in 't leven

roept, en daaraan heeft men de invoering te danken van 't woord

Insulinde, waarmee de lezer nu wel eenigszins gemeenzamer wezen zal

dan Droogstoppel bleek te zyn, toen hy die benaming voor 't eerst

ontmoette in Sjaalmans pak. (blz. 33) (zie de alinea die begint met:

"Over een konstitutie ...", M.D.)

15. _Sawah's, gagah's, tipar's_. Rystvelden, onderscheiden naar ligging

en wyze van bewerking, vooral met het oog op de mogelykheid om ze al of

niet van water te voorzien.

16. _Padie_. Ryst in den bolster.

17. _Dessah_. Dorp. Elders: _negrie_. Ook: _kampong_.

18. _Kultuur-emolumenten_. Deze zyn, wat de europesche ambtenaren

aangaat, afgeschaft. 't Spreekt vanzelf dat ik, die op de noodlottige

werking van deze perspompmekaniek gewezen had, niet genoemd werd by de

beraadslagingen over dat onderwerp. Of de maatregel overigens de

bedoelde verlichting voor den Javaan ten-gevolge heeft, valt te

betwyfelen, daar men verzuimd heeft de vaste inkomsten der europesche

ambtenaren in de binnenlanden te verhoogen. Ze zyn en blyven

_genoodzaakt_ diensten en leveringen van den Javaan te vorderen, die

nergens beschreven staan.

19. _Geheele distrikten uitgestorven van honger_. Waarschynlyk doelde

ik hier op den hongersnood die 't Regentschap _Demak_ en _Grobogan_

ontvolkte. Na '60 evenwel--en thans vooral niet minder dan vroeger--zyn

de berichten omtrent dergelyke kalamiteiten zoo menigvuldig, dat het de

moeite niet loont daarvan geregelde opgave te doen. De bewering dat er

op Java telkens hongersnood heerscht, is 'n _truism_ geworden. Wat

_Lebak_ in 't byzonder aangaat, daar waren ze geregeld-periodisch. Hierop

zal ik terugkomen.

20. _Aloen-aloen. Kraton. Kotta Radja_. De _aloen-aloen_ is 'n

uitgestrekt voorplein voor de groep gebouwen die de woning van 'n

Regent uitmaken. Gewoonlyk staan er op zoo'n plein twee statige

_waringi_-boomen, uit welker ouderdom blykt dat niet zy op den

_aloen-aloen_ geplant zyn, maar dat de regentswoning in hunne

nabyheid, en waarschynlyk juist dáár om die nabyheid, is opgericht.

Daar ik verzuimd heb op blz. 63 (twee alinea's ervoor, M.D.) een noot

te plaatsen by 't woord _Kratoon--Kraton, Kratoen, Keratoe-an_, om 't

even--wil ik die fout hier herstellen te-meer omdat ze my aanleiding

geeft tot het bespreken van zeker bedrog dat onlangs van officieele

zyde weder jegens 't nederlandsche Volk gepleegd is, en nog altyd by

sommigen z'n werking doet. Men heeft, om de atjinesche krygsbedryven

in 'n chauvinistisch licht te stellen, den _Kraton_ des Sultans van

Atjin doen voorkomen als 'n _vesting_ welker verovering zeker

schitterend succes beteekende. Ik gis dat er te Atjin nooit 'n _Kraton_

geweest is, en zelfs dat de Atjinezen dit _woord_ nooit gehoord hadden,

daar de _zaak_ zeer speciaal 'n Javanismus is. Doch ook wanneer ik me

hierin mocht bedriegen, een _vesting_, een "militair punt" is zoo'n

_Kraton_ gewis niet. Het veroveren van een _Kraton_ is 'n wapenfeit,

nagenoeg gelykstaande met het innemen eener omheinde of des-noods

ommuurde hollandsche buitenplaats. Als gewoonlyk hebben de

Bestuursmannen in deze zaak 't Volk weer gepaaid met 'n klank!

Ik bespeur dan ook dat men van-lieverlede 't woord _Kraton_ is gaan

overzetten in _Kotta Radja_, 'n woord dat met wat goeden wil als de

_Maleische_ vertaling van 't _Javaansch_ begrip: _Keratoean_ kan

worden opgevat, mits men niet met de Woordenboeken 't woord _Kotta_

overzette in stad--insulindische "steden" zyn er niet--maar opvatte

als: _woningsgroep_ of iets dergelyks, al of niet op zekere wyze,

_maar niet uit 'n oogpunt van versterkingskunst_, afgesloten. Dat dit

afsluiten soms in oorlogstyd geschiedt, is waar, doch dit maakt

_Kotta's_ en _Kratons_ evenmin tot vestingen als de Buitenplaats

waarvan ik zoo-even sprak. Dat wy, Europeanen, soms aan 'n versterking

in Indie den naam van _Kotta_ geven, is by gebrek aan beter, doch

verandert niets aan de waarheid dat het woord _kotta_ geen _vesting_

beteekent.

Er is dus geen vyandelyke _sterkte_ genomen by 't "betreden"--ik kies

dit woord met opzet--by 't _betreden_ van des Sultans _Kraton_ of,

zooals 't nu heet, z'n: _Kotta Radja_, d.i. z'n _vorstenverblyf_.

Vandaar dan ook de zonderlinge manier waarop die "verovering" plaats

greep. Onze bevelvoerende generaal bevond zich binnen de "versterking"

_zonder het te weten_. Dat de heer Van Swieten dit in een zyner

rapporten met den grootsten eenvoud getuigt, bewyst dat hy niet

medeplichtig was aan 't opzet--en dat hy niet deelde in de

ministerieele behoefte!--om de Natie zand in de oogen te strooien.

Maar uit het gelukken van dat opzet blykt alweer voor de duizendste

maal dat die Natie _niet lezen kan_! Want Van Swieten's oprecht en

zedig rapport werd gepubliceerd, en toch ... tòch moest het heten dat

er 'n _vesting_ veroverd was!

21. _Mantrie_: Inlandsch beambte wiens betrekking nagenoeg door 't

woord _Opziener_ kan worden aangeduid.

22. _Diplomatische voorzichtigheid in den omgang met Inlandsche

Hoofden_. Men vergeet gewoonlyk dat wyzelf voor 'n groot deel oorzaak

zyn van de dubbelhartigheid die wy de javaansche Grooten verwyten.

Onder hen is de spreuk in omloop: _valsch, als 'n Christen_. En deze

kwalifikatie klinkt zoo ongegrond niet, als men de slenters en streken

opmerkt, waarmee we, van Houtman af tot heden toe, ons hebben weten

staande te houden.

Wat my betreft, ik heb over 't algemeen de Inlandsche Hoofden niet

geveinsder gevonden dan Europeanen. En waarom zou dit ook? Het

diplomatisch axioom _que la parole est donnéé à l'homme pour déguiser

sa pensée_, is niet van aziatischen oorsprong. Of 't waar is dat

Talleyrand die bêtise gezegd heeft--_en ne déguisant nullement sa

pensée alors_, en dus nogal dom van z'n eigen standpuntje bezien!

--laat ik daar. De _ware_ diplomatie bestaat in oprechtheid.

23. _Westmoesson_. De regentyd duurt op Java van Oktober tot Maart. In

de Noord van Sumatra evenwel zyn de saizoenen andersom. Daar brengen

stormen uit het Westen hevige regens aan, juist in den tyd dat op Java

de gansche Natuur smacht naar wat vocht. Opmerkelyk is 't, dat de

Regeering te _Buitenzorg_ blyk gaf dit niet te weten. Zy zond de

befaamde eerste expeditie naar _Atjeh_, op 'n tydstip toen Horsburgh's

_Indian Directory_--en elke scheepsjongen van 'n kustvaartuig!--haar

had kunnen zeggen dat de Westkust van Sumatra zeer gevaarlyk was. Al

weer 'n staaltje van de gevolgen der kommiezery. Dat wil oorlog

voeren, en kent de eigenaardigheden van z'n eigen land niet!

Wat overigens dat verschil van saizoenen aangaat, op 't zuidwestelyk

deel van Sumatra schynen de jaargetyden in elkander te loopen. Te

_Padang_, byv. kan men niet op standvastig-periodieke winden, noch

alzoo op de daarvan af hangende regens of droogte staat maken.

24. _Sirie. Pinang. Gambier. Slamat_. De drie eerste woorden duiden de

bestanddeelen aan die, met _tabak_ en _kalk_, den voor den Javaan

onmisbaren _bétel_-pruim vormen. In sommige gewesten van Insulinde

ontmoette ik personen die niet pruimden, maar op Java zelden of nooit,

de vrouwen niet uitgezonderd. Het bruine sap van den tabak, iets

rooder gekleurd nog door de _gambier_, verft aller lippen en tanden.

Fraai staat dit niet, doch 't wordt voor zeer mondzuiverend gehouden.

Het gebruik van _sirie_--met toebehooren dan--is zoo algemeen, dat het

europeesch begrip: _drinkpenning_, in Indie wordt uitgedrukt door 't

woord _wang sirih_, d.i. sirie-geld.

De _Sirie_ is 't blad van een rank, niet veel zwaarder dan onze

erwtenplanten, en die zóó op 'n peperboompje gelykt, dat de onkundige

deze beide gewassen niet gemakkelyk van elkander onderscheiden kan. Ik

geloof dan ook dat ze tot dezelfde botanische familie behooren, al

mocht het zyn dat vakgeleerden die graag wat vreemds verkondigen--een

leeuw is 'n kat, en de walvisch mag geen visch heeten!--in die

overeenkomst reden vinden om _sirie_ en _peper_ heel ver van elkaar

te zetten.

Het verwondert me dat er in de tandheelkunde zoo weinig gebruik van de

_sirie_ gemaakt wordt. Me dunkt dat de zuiverende samentrekkende

werking van dat blad--en de smaak is niet onaangenaam--daartoe

aanleiding geven zou. Ik meen dat men aan de _gambier_ wèl 'n plaatsje

toekent in de europesche pharmakopee, maar weet niet of dit almede 't

geval is met de _pinang_ of _areka_. Dit is 'n noot uiterlyk niet zeer

ongelyk aan de muskaat. Doch de boom waaraan ze groeit, behoort tot de

palmsoorten.

Het woord _slamat_ beteekent: _groet_, en in dit geval het zeer

eigenaardig _kompliment_--samenvouwing--dat in den tekst beschreven

wordt. Vrage: is er verband tusschen 't maleische _slamat, selamat_,

en 't woordeke _Sela_ dat zoo vaak in de psalmen voorkomt? Men weet

dat volgens de riten van het Oosten, godsdienstige oefeningen bestaan

uit gebeden en gezangen, telkens afgebroken door velerlei gebaren en

_komplimenten_. Zoo-iets geschiedde misschien ook by 't voordragen der

psalmen, en deze gissing wordt versterkt door 'n opmerking over de

vermoedelyke nadere beteekenis van 't woord _slamat_ of _selamat_.

In-verband gebracht met _Slam_ of _Islam_--door letterverzetting

verwant met _mosl, muzl_: muzelman--zou misschien de oorspronkelyke

zin kunnen geweest zyn: de _plechtstatige_ of _ritueele_ groet; en dit

zou volkomen beantwoorden aan de beteekenis die 't woord _Sela_ in de

psalmen gevoegelyk kan gehad hebben. Maar ik geef de opmerking om beter.

25. _Maas_: adelyke titel die lager staat dan _Radhen_, doch soms ook

met dat woord tezamen gebruikt wordt: _Radhen Maas_. 't Woord _annak

maas_ beteekent een slaaf die niet gekocht maar in 't huis zyns

meesters geboren is, en heeft dus met den titel _Maas_ niet te maken.

26. _Kidang_: middelsoort hert. Veel kleiner, en niet grooter dan 'n

middelmatige hond, zyn de _kandjiels_, hertjes die uitmunten door

vlugheid en bevalligheid. Men beweert dat ze in opgesloten staat niet

in 't leven kunnen gehouden worden. De _kidang_ echter schynt, evenals

de meeste soorten van onze herten, zich makkelyk te schikken in 'n

omheind kamp.

27. _Pegang koedahnja toewan kommendaan_: hou 't paard van m'nheer den

kommandant vast!

28. _Klapperwater_. Dit is 't vocht dat men in Holland "kokosmelk"

noemt. Het is koel en frisch, maar wordt zelden gedronken. De

_klappa_, _kelappa_ of _kokos_ wordt, meestal geraspt, by 't bereiden

van spys in de keuken hoofdzakelyk echter tot het slaan van olie, maar

zelden als _ooft_, en nooit als _spys_ gebruikt. De vertellingen die

in kinderboekjes en in geleerde verhandelingen van vakmannen (zie

_Album der Natuur_) over den _klapper_ in omloop zyn, klinken koddig

in de ooren van iemand die in Indie geleefd heeft. Of de _kokos_ in

West-Indie 'n andere rol speelt dan in Insulinde, is my onbekend. Met

den _banaan_--insulindisch: _pisang_--is dit zeker 't geval, daar hy

op de surinaamsche plantages aan de negers tot voedsel wordt gegeven.

Dit is dan ook 'n zeer grove soort van 'n paar voet lang. De

middelbare soort in _Oost_-Indie haalt slechts zes duim, en een der

kleinste--de _pisang maas_ of _goud-pisang_, 'n fyn vruchtje--is niet

veel grooter dan een kinderpink, en zeer smakelyk.

29. _Gemberthee_: aftreksel van aan gemberwortel, dat zoo heet mogelyk

moet gedronken worden ... ter verkoeling. In India heerscht de meening

dat koude dranken, en vruchten die _in den mond_ een verfrisschende

werking doen, 't lichaam verhitten. Volgens 'n gelyksoortige stelling

werken de spaansche-pepersoorten _tjabeh_ en _lombok_--westindisch:

_cayenne_--verkoelend. Voor-zoo-ver ik in de praktyk heb kunnen nagaan,

zyn die meeningen niet ongegrond, maar vaak speelt in zulke zaken de

verbeelding haar rol.

30. _Vraag van een inlander aan den luitenant Duclari_. De heer Collard

--thans sedert lang hoofdofficier, en misschien gepensionneerd--zal,

des gevraagd, wel zoo goed zyn te erkennen dat ik ook hier de waarheid

zeg.

31. _Ienie apa toewan-toewan datang_: daar komen de heeren aan! De

_toedoeng_ is het in den vorm van een grooten ronden schotel

gevlochten hoofddeksel van den Javaan, en beschut zoowel tegen de zon,

als tegen den regen waarvoor de inlander bespottelyk bang is. Zeker

soort van tuinhoeden die onlangs by onze dames in de mode waren,

geleken precies op _toedoengs_.

32. _Baboe_: inlandsche kindermeid.

33. _Kondeh_: het op 't achterhoofd in 'n wrong vereenigd haar, dat

echter nooit door 'n afzonderlyk lint of koord wordt samengehouden,

maar steeds in 'n lus of strik van 't haar zelf hangt. Indien 't woord

_chignon_ uitsluitend op _valsch_ haar doelt, is de _kondeh_ géén

_chignon_.

34. _Gouden pajong_. De kleur van 't zonnescherm duidt naar landswys,

doch volgens officieel vastgestelde bepalingen, den rang van 't Hoofd

aan, wien zoodanige _pajong_ wordt nagedragen. Effen verguld is 't

hoogste.

35. _Tandoe_: draagstoel. In andere provincien draagt dit voorwerp den

naam van _Joleh, Djoeli_, of zoo-iets.

36. _De volkstellingen zyn onnauwkeurig_. Ieder hoofd heeft er belang

by, het getal zyner onderhoorigen zoo laag mogelyk te doen schynen,

niet zoozeer om daardoor den druk van verplichte dienst en levering te

verligten, als wel om meer dienst en levering voor zichzelf te kunnen

vorderen. Wie waarheid wil benaderen, kan de officieele opgaven gerust

met 10 percent verhoogen.

37. _Uitgewekenen naar_ Tjikandi _en_ Bolang. De bevolking der

partikuliere landeryen in 't Bataviasche en Buitenzorgsche bestaat

voor 'n groot deel uit lebaksche vluchtelingen. "_Als er in Lebak niet

gekneveld wordt_, heb ik 'n landheer hooren zeggen, _hebben wy gebrek

aan volk_."

38. _Pisang_: banaan. Hoe 't komt dat deze laatste (_west-indische_)

benaming in 't _oost_-indisch Nederland beter bekend is dan 't woord

_pisang_, begryp ik niet. Ook is 't my een raadsel, vanwaar de

engelschen hun woord: _plantain_ halen. Het getal soorten der

_pisangs_ wordt op driehonderd geschat. Zie overigens noot 28.

39. _Hollander_. Ieder blanke heet by den inlander: _orang hollanda,

wolanda, belanda_, om 't even. Op hoofdplaatsen maken ze nu-en-dan een

uitzondering op dezen regel, en spreken van _orang ingris_ of _orang

prantjies_, d.i. engelschen of franschen. De duitscher heet soms:

_orang hollanda goenoeng_, nam. berg-hollander, hollander uit de

binnenlanden.

40. _Opvatting van 't begrip: beschaving_. De Europeaan vergist zich

in de meening dat de hoogere beschaving waarop hy roemt, overal als 'n

axioma wordt aangenomen. Ook hierin dat hy werkelyk in alle opzichten

beschaafder _is_. Ik zou veel voorbeelden kunnen aanhalen, die van

onzen beweerden roem te dezer zake een vraagstuk maken, en enkelen die

hem stempelen tot onwaarheid. Het praedikaat dat liplappen en inlanders

den Europeër geven, is: _ongewasschen_. Men zie hierover blz. 53 van

"_Nog eens Vryen-arbeid_" en _Idee_ 372. Ook _Idee_ 587 (nieuwe nummering)

kan den waarheidsvriend op den weg brengen om te onderzoeken hoeveel

boekerigheid en konventie er schuilt onder onze opvatting van 't woord:

_beschaving_. We gelyken hierin vry nauwkeurig op zekere inlanders, die

zich niet kunnen voorstellen hoe 'n beschaafd mensch genoegen neemt met

witte tanden. _Tjies, selakoe andjing!_ zeggen ze, d.i. "foei, net als 'n

hond!" Elders wordt het voor onbeschaafd gehouden, geen ebbenhouten schyf

in de gespleten onderlip of in de oorlappen en geen ring in 't jukbeentje

van den neus te dragen. Er zyn streken in Insulinde waar de beschaving

zich openbaart ... hoe zal ik my uitdrukken? Komaan, ethnologie mag niet

belemmerd worden door preutsheid! Die mannen dragen in 't uiteinde van

den _penis_ een ebbenhouten dwarsspalk, ten welken einde reeds op zeer

jeugdigen leeftyd dat lichaamsdeel doorboord wordt. By die dwazen gaat

het plegen van den _coïtus_ zònder zoodanig ornament, voor ...

beestachtig door. _Selakoe andjing_ alweer, denk ik. Hoe bespottelyk

dit zy, de onbevooroordeelde moet erkennen dat wy de woorden _dierlyk_

en _beestachtig_ dikwyls even ongepast gebruiken.

41. _Maatschappelyk standpunt van den liplap_. Het is de vraag of

Nederland, nu eens zoogenaamd-politisch gesproken, wysgeerig en

onbekrompen handelen _kan_? Officieele gelykstelling van den liplap

zou misschien 'n bevolking in het leven roepen, die gevaarlyk worden

kon voor 't nederlandsch gezag. Vanhier dan ook 't aanhoudend geknoei

met bepalingen die--hoe ook bemanteld--geen andere strekking hebben

dan om aan 't echt europeesch element den boventoon te verzekeren.

Ik doel hier op de, voor zeeroovers niet onaangename afschaffing der

_Koloniale Marine_. Op 't eindeloos geknutsel met 'n zoogenaamd

_Radikaal_. Op de instellingen van Onderwys in Nederland, en den

daaruit voortvloeienden, door indische ouders al te pynlyk gevoelden

dwang om hun kinderen naar Europa te zenden. En eindelyk: op 't door

dit alles kunstmatig in 't leven gehouden, voor Insulinde zoo hoogst

verderfelyk _absenteïsmus_! Juist dit is de eisch onzer op immoreele

gronden gevestigde overheersching, dat we niet "wysgeerig en

onbekrompen" handelen _kunnen_ zonder ons belang in de waagschaal

te stellen.

_Das eben ist der Fluch der bösen That,

Dass sie fortzeugend Böses muss gebähren_.

42. _Patteh, Kliwon, Djaksa_: inlandsche Hoofden. De _Patteh_ staat

den Regent ter-zyde als sekretaris, boodschapper, faktotum. De

_Kliwon_ is tusschenpersoon tusschen het Bestuur en de dorpshoofden.

Gewoonlyk heeft hy 't opzicht over gemeentelyke publieke werken,

verdeeling van wachtvolk, regeling van heeredienst, enz. De _Djaksa_

is officier van politie en justitie.

43. _Gongs en Gamlang_: muziekinstrumenten. De _Gong_ is 'n zwaar

metalen bekken dat aan 'n koord hangt. Men bespeelt den _Gamlang_ als

onze glasharmonika's of als 't bekende _hout-en-stroo_-instrument.

Ik had op deze plaats in den tekst wel tevens van _Ankloeng_ mogen

spreken, zynde een roosterachtig toestel met bekkens die op gespannen

koorden liggen. Het verdient opmerking dat de benamingen van al deze

instrumenten onomatopeën zyn. De _Gong_ klinkt forsch. _Ankloeng_ en

_Gamlang_ (gamelan) daarentegen zacht en liefelyk, maar zeer

melancholisch.

44. _Ergernis over tegenwerking_. By den Gouverneur der moluksche

eilanden, een zeer verdienstelyk man die in z'n pogingen tot herstel

van 't gefnuikt gezag werd belemmerd door de kommiezery der

Buitenzorgsche sekretarie, wekte deze ergernis noodlottig. Onder de

oogen van den onbekwamen Van Twist, die natuurlyk geheel aan den

leiband liep van die bureaukratie, maakte hy door 'n sprong in den

waterval te _Tondano_ (_Minahassa van Menado_) 'n eind aan z'n leven.

45. _Havelaars officieele loopbaan_. Reeds in Augustus 1851 was ik

aan de Regeering voorgedragen tot Resident. Ook werden de funktien die

ik te _Amboina_ vervulde, weinig tyd na myn vertrek aan 'n _Resident_

opgedragen.

46. Ik verzeker den lezer dat het my thans (1881) meer nog dan vroeger

tegen de borst stuit, my op publiek terrein te bewegen. Toen ik op m'n

veertigste jaar myns ondanks daartoe gedwongen werd, had ik in de hoop

op eenig succes een bondgenoot tegen den afkeer die elke aanraking met

_Publiek_ my veroorzaakt. Na de ervaring van den uitslag myner pogingen

is m'n walg sterker dan ooit.

47. _Herbergiersrekening_. Men mocht aan de Regeering der Vereenigde

Staten 83 nederl. centen daags in rekening brengen voor 't onderhoud

van 'n schipbreukeling, onverschillig of de man Gezagvoerder of

Matroos was. Onder die vermeende schipbreukelingen waren de meesten

niet veel beter dan zeeschuimers. De Amerikanen hebben voortdurend 'n

duizendtal _Whalers_ in de indische zeeën, en de bemanning dezer

schepen is 't uitschot van de Natie.

48. _Overgrootvader myner kinderen_. Z'n naam staat op 't voetstuk van

den Leeuw te Waterloo.

49. _Apanage der Vorsten van Turn en Taxis_. Is na de groote

veranderingen van '66, door de duitsche Ryksregeering voor ettelyke

millioenen afgekocht.

50. _Rêve aux millions_. Nu, 'n _rêve_ was 't eigenlyk niet. De

aanspraak is verjaard, en 't lust me nog altyd niet, den zeer

interessanten familieroman te behandelen, die hiermee samenhangt. Ook

stuit ikzelf, vooral ten-gevolge van den diefstal der bescheiden

waarvan ik in den tekst melding maak, op eenige duisterheden. Toch is

't voor my van belang, hier te doen opmerken dat sommige personen en

familietakken die de hier aangeroerde byzonderheden beter begrypen dan

de gewone lezer, onder de venynigste vervolgers van Havelaar behoorden.

Hun belang bracht mee dat hy niet aan 't woord kwam, of althans niet in

de gelegenheid om zekere mysteriën te ontsluieren.

51. Deze zinsnede is door zekeren Q in de _Arnhemmer Courant_

aangevoerd als bydrage tot de blyken myner onzedelykheid! En die

verraderlyke manoeuvre werd door Dr Van Vloten toegejuicht, evenzeer

als Q's mededeeling dat ik m'n "tyd doorbracht met ... bittertjes

drinken, biljardspelen en 't rooken van geborgde sigaren." Ik vraag of

de _viesheid_ waarvan ik sprak op blz. 350 (zie alinea die begint met:

"Maar jammer is 't!", M.D.), gerechtvaardigd is? Waarmee brengt zùlk

volk z'n tyd door?

52. _Sebah_. De beteekenis blykt uit den tekst. Ik weet niet of 't

woord 'n verbastering is van _pasehbah_, 'n gebouw, dat wel zou kunnen

genomen worden voor de plaats waar men dergelyke vergaderingen houdt.

53. _Bantan-Kidoel_: Zuid-Bantam. De _m_ waarmee wy 't woord _Bantam_

sluiten, is niet korrekt. De naam is: _Bantan_. _Mantrie_: opziener.

_Dhemang_: distriktshoofd. In centraal en oostelyk Java heet deze

beambte _Wedhono_.

De schryver van een fransch werk: _Felix Batel_, waarin de _Havelaar_

wordt nageschreven, en--tegen de bedoeling van den auteur,

voorzeker!--geparodieerd, verraadt o.a. z'n letterdievery door in den

javaschen Oosthoek waar hy z'n stuk spelen laat, van _Dhemangs_ te

spreken. Dit klinkt ongeveer als ... _grietman van Utrecht_. In dat

werk gaat de zon op, _juist zooals dat werd waargenomen door Saïdjah_.

Ook de buffel-epizode wordt letterlyk overgenomen, en de auteur heeft

de goedheid te erkennen dat dit voorval _ook_ door zekeren Multatuli

beschreven werd. Welnu, die _Felix Batel_ is door nederlandsche

recensenten uitvoerig behandeld, doch nergens vindt men 'n spoor van

protest tegen dien onbeschaamden diefstal! Ik noem dit even slecht als

de piraterie zelf. Als 'n vreemdeling zich de eer aanmatigde der

diepzinnige uitvinding van 't haringkaken, zou men moord en brand

schreeuwen, maar de "nationale eer" kan wèl verdragen dat Havelaar

bestolen wordt. Bepaalde zich de oneerlykheid maar tot litteratuur!

Maar ook op maatschappelyk, politisch en wysgeerig terrein loopt ze

tot in 't onbegrypelyke. De natie kan nog altyd niet _lezen_. Of _wil_

ze niet verstaan wat men haar te lezen geeft?

54. _Bandoeng_: afdeeling, regentschap of adsistent-residentie in de

Preanger-regentschappen.

55. _Patjol_: houweelachtige spade.

56. _Banjirs_. Omtrent deze natuurverschynselen verwys ik naar 't

stukje: "_Wijs mij de plaats waar gy gezaaid hebt_" een geschrift dat

aan dezen regel uit den _Havelaar_ z'n naam ontleende.

57. Zie Noot 37.

58. _Dessah_: dorp. Elders: _kampong_ en _negrie_. De inlandsche

oorsprong dezer beide laatste woorden--javaansch, soendasch of

maleisch dan--komt me verdacht voor.

59. _Opstandelingen in de Lampongs_. Er bestaat 'n brochure over de

hier bedoelde expeditie, welker titel ik niet kan opgeven. Ze is

waarschynlyk van '61 of '62, en werd, meen ik, geschreven door den

kommandant onzer troepen. Die schryver loochent dat er veel lebaksche

uitgewekenen waren onder de door hem bevochten opstandelingen. Ik houd

evenwel m'n opgaaf staande, en beroep me op 't getuigenis der

officieren die onder hem aan dien veldtocht deelnamen. Juist door een

hunner heb ik m'n bewering met 'n zeer sterke uitdrukking hooren

bevestigen. Er was 'n tyd dat het ontkennen myner assertien zekere

welgezienheid in den Haag meebracht, en dááraan schreef die officier

toe, wat hy in z'n gewezen kommandant plompweg 'n: "vervloekt gemeene

leugen" noemde. Indien me had mogen blyken dat Nederland belang stelde

in waarheid, zou ik sedert lang bewyzen geleverd hebben. Maar 't is

vervelend pleiten voor 'n rechtbank die verzot is op leugens.

60. _IJd_ en _eit_. Dit Nootjen is van den heer Van Lennep. Als

aardigheid kan het er door, maar in de oogen van 'n volwassen mensch

is dat _purisme_ op 't rym waarlyk komiek. Laat de Zeeuwen op z'n

zeeuwsch, de Friezen op z'n friesch rymen! En wie in 't geheel niet

rymt, doet ook goed, ja ... beter nog! By Göthe en Schiller rymt

_Ritter_ op _Jezuïter_, _ehren_ op _währen_, _Kaiser_ op _weiser_,

_führen_ op _probiren_, enz. Boileau koppelt _audace_ aan _Parnasse_,

_pucelle_ aan _modèle_, e.a. De sop is de kool niet waard. Jammer maar

dat nog altyd zoo velen hun wysheid over dergelyke kinderachtighedens

aan den man weten te brengen als _Letterkunde_ en zelfs als _poëzie_!

61. _Maniessan_: zoetigheid, konfituren. Het gebruiken hiervan by de

thee is van chineschen oorsprong.

62. _Distriktshoofd van Parang-Koedjang_. Hy was schoonzoon en

handlanger van den Regent. Ten zynen huize werd myn voorganger

vergiftigd.

63. _Kleeding van den Djaksa_. Deze inlandsche ambtenaar was 'n

Javaan--geen Soendanees--en daarom eenigszins anders, en opzichtiger,

gekleed dan de Hoofden die te Lebak thuis hoorden.

64. Onder de titels van den Gouverneur-generaal behoort ook die van:

_Opperbevelhebber van Zr Ms Zeemacht beoosten de Kaap de Goede Hoop_.

65. Deze aanspraak aan de Lebaksche Hoofden wordt, naar my van vele

zyden bleek, vry algemeen gewaardeerd. Waarom keurde men dan

Havelaar's _handelingen_ die daarmee stipt overeenstemden, geen

aandacht waard?

Om te beoordeelen in hoever ik by 't benaderend in druk geven van die

ongeschreven toespraak kan afgeweken zyn van _stipt-letterlyke

waarheid_, is 't misschien niet onbelangryk toon en inhoud daarvan te

vergelyken met zeker stuk van eenige jaren tevoren. Ik bedoel de

Publikatie aan de Inl. Hoofden der Minahassa van 1 April 1851, waarin

naar ik meen dezelfde geest heerscht. Het Weekblad "_Oost en West_" en

daarna de _Spectator_ (26 Juli 1879), namen 't over uit de indische

couranten die dat dokument de moeite der reproduktie hadden waard

gekeurd, misschien wel om de velen terecht te wyzen die voorgeven den

_Havelaar_ te ontkrachten door 't boek voor 'n _fiktie_ uittemaken.

Bedoelde Publikatie is 'n _officieel stuk_ en heeft niets te maken met

romanschryvery. Ik noodig den lezer uit, het aangehaalde nummer van

den _Spectator_ intezien, en zich de vraag voorteleggen of 't billyk

is dat ik ruim dertig jaar na 't schryven van de daarin meegedeelde

Publikatie, nog telkens door den eersten den besten kwajongen

straffeloos word uitgescholden? (_Zie voorts over dit onderwerp de

Noten 101 en 115._)

66. _Mintah ampong_: ik vraag verschooning.

67. _Sienjo_, dikwyls verkort tot _njo_: jongeheer. Velen meenen dat

dit woord van portugeschen oorsprong is, vooral ook omdat de

afstammelingen van Portugezen, die nog altyd te Batavia 'n

eigenaardige kaste uitmaken, in de wandeling _Sienjo_'s genoemd

worden. Toch is deze etymologie twyfelachtig.

68. _Verbrugge wist het!_ Nog altyd ben ik in 't bezit van een briefje

dat hy my deed toereiken op 'n oogenblik dat ik met den Regent in

gesprek was, en waarin hy my--onder uitdrukkelyk verzoek hèm niet te

noemen--uitnoodigde dat Inlandsch Hoofd eens onder handen te nemen

over de "misbruiken." Het overbodige van dit verzoek laat ik nu daar.

Er blykt uit:

1) dat myn bezwaren geen gevolg waren van persoonlyke zwartgallige

opvatting.

2) dat myn onderzoekingen zeer omzichtig plaats hadden, zóó zelfs dat

de vreesachtige Verbrugge meende grond te hebben my aantezetten

tot wat yver.

Belangstellenden--zyn er die?--kunnen 't bedoelde briefje van den

kontroleur ter inzage krygen.

69. _Tjiandjoer_. Iets later spel ik dezen naam van de hoofdplaats der

Preanger-regentschappen eenvoudig: _Tjanjor_, zooals 't woord in

dagelyksch spraakgebruik luidt. Ook elders achtte ik my ontslagen van

de poging om by 't spellen van inlandsche namen, het _geschreven_

javaansch of maleisch in onze karakters natebootsen. Ik schryf alzoo

voor: _aoerang, orang_. Voor: _prahoe, prauw_. Voor: _kahin, kain_,

enz. We hebben immers hier niet te doen met puristische _spelling_? De

eisch is 't weergeven--by benadering altyd--van den _klank_ zooals die

onder Europeanen in Indie gebruikelyk is.

70. _Djimats_ zyn briefjes of andere voorwerpen die uit den hemel

vielen om geestdryvers en boerenbedriegers aan 'n geloofsbrief te

helpen. _Tout comme chez nous!_ 't Getal der leveranciers van

Goddelyke Openbaringen is zeer groot, en apostelen en profeten van

deze soort zyn in geheel Azie nog altyd aan de orde van den dag.

't Verschil by vroeger eeuwen is maar dat ze tegenwoordig wegens

landloopery worden gestraft, en wel door dezelfde menschen die hun

voorgangers in vagabondage als Heiligen vereeren. Ziedaar nu 'n

stuitend gebrek aan rym in _myn_ oog!

71. _Garem glap_: smokkelzout. Het maken en verkoopen van zout is in

Indie _regie_. Er werd inderdaad aan de zuidkust van _Lebak_ veel zout

gemaakt, en 't was die arme menschen niet zeer kwalyk te nemen, als

men bedacht dat ze soms vele mylen te loopen hadden om 'n Gouvernements

debietplaats te bereiken, waar ze hoogen prys moesten betalen. My komt

het monopolizeeren van den zoutaanmaak onredelyk voor, en vooral wreed

jegens strandbewoners wien 't zeezout in huis spoelt.

72. Ook de hier bedoelde nota's van m'n vermoorden voorganger zyn nog

altyd in m'n bezit. Nooit vroeg iemand my, die te mogen zien. Me dunkt

toch dat ze, vooral met het oog op z'n dood, zeer treffend zyn. Zou

niet die zaak in elk ander land voor 'n _cause célèbre_ gegolden hebben?

73. Ook de hier bedoelde brieven bezit ik nog, doch slechts in

afschrift, dat evenwel door den toenmaligen klerk te _Lebak_ "_als

eensluidend met het origineel_" gewaarmerkt is.'t Was nooit iemand de

moeite waard er naar te vragen.

74. _Voornemen den Regent z'n voorschot kwytteschelden_. Dit is, na

het door den Gouv. Gen. Pahud ingesteld onderzoek werkelyk geschied.

Ook meen ik dat by die gelegenheid z'n traktement verhoogd is. Men

moet erkennen dat hierin een zonderlinge wys van rechtdoen omtrent

_my_ gelegen was! De gebleken gegrondheid myner aanklacht moest niet

my ten-goede komen, maar den persoon die door my was aangeklaagd.

75. _Abraham Blankaart te hollandsch voor 'n Duitscher_. En ... voor

het tegenwoordig geslacht van Hollanders misschien ook. Hoevelen myner

lezers kennen die aardige figuur uit _Sara Burgerhart_?

76. Deze boutade tegen de orthodoxen mag, dunkt me, aanleiding geven

tot de opmerking dat de modernen, de liberalen, de ... meer

verlichten--en zelfs de _ware_ vrydenkers--wel 'n voorbeeld mochten

nemen aan zekere oprechtheid van geloof, die zich by hun tegenstanders

in _daden_ openbaart. Indien er door sommigen even gul werd bygedragen

tot het verspreiden van licht, als door anderen tot het verdikken van

duisternis, zouden we sedert lang 'n groote schrede verder zyn. Zouden

de _geloovers_ my hebben laten zwerven en derven zooals 't geval

geweest is, indien ik _hun_ denkbeelden had aangehangen en verkondigd?

Immers neen. Hoera voor de oprechte geloovers!

77. _Ketimon_. Augurken, komkommers.

78. _Die geleerden!_ Een der nieuwste snufjes op 't gebied der

chemische voedingsleer, is van professor _Virchow_. Die scheikundige

beweert nu dat er niet de minste voedingskracht in bouillon zit. Ik

stel voor, hem op 'n diëet van uitgekookt vleesch te zetten, waarmee

hy zeer geleerdelyk tevreden wezen moet.

79. _Molière_. Ik stel dezen auteur thans veel minder hoog dan

vroeger, doch bewaar m'n opmerkingen dienaangaande voor 'n monografie

over dramatische litteratuur, waarvoor in deze _Noten_ geen plaats is.

80. _Miss Mata-apie_: juffer vuur-oog.

81. _Fotheringhay_. In sommige vorige drukken staat herhaaldelyk

_Fothineray_, 'n lapsus van den heer Van Lennep. In 't handschrift

stond noch 't een noch 't ander, maar: _Tower_. Dat was 'n lapsus

van _my_.

82. _Arles_ wordt gehouden voor 'n binnenlandsche kolonie van de

Massiliers, en _Massilla (Marseille)_ was door Phoeniciërs gesticht.

Dat de waarlyk typische schoonheid der vrouwen te _Arles_, daar beter

dan te _Marseille_ bewaard bleef, kan liggen aan de mindere vermenging

met vreemden. Op strandplaatsen als _Marseille_ verbasteren de rassen

zeer snel. Of de vrouwen te _Nîmes_--óók 'n marseillaansche faktory

--even schoon zyn als te _Arles_, is my onbekend.

83. _Datoe_: inlandsch Hoofd.

84. _Prahoe_: prauw, schuit, vaartuig, scheepje.

85. De oordeelvellingen over de hoedanigheden der verschillende rassen

die Insulinde bewonen, loopen zeer uit-een. Bevolking en Hoofden op

Sumatra zyn minder gedwee dan de Javaan, doch men vindt daar

mannelyker karakters. Zeker is 't, dat de Javaan niet geacht is op

Sumatra, en dat de echte Maleier die hem verachtelyk: _toekan makan

toekoe_ noemt--vraag de vertaling aan 'n neef uit de Oost--zich ver

boven hem stelt. 't Was 'n fout van den generaal Van Swieten, 'n

Javaan te gebruiken als onderhandelaar met de Atjinezen. Dat de

onverschrokken _Radhen_ die zich hiertoe leende, 't offer worden zou

van z'n bereidwilligheid en trouw, was te voorzien. Het doet me leed

dat z'n naam my ontgaan is.

86. De meeste Europeërs in Indie dragen weinig kennis van taal en

zeden der streken die ze niet bezocht hebben. De uitdrukking _Si Oepi

Keteh_--zooveel als: kleine jonge-juffer--werd door Duclari niet

verstaan. Men vergist zich gewoonlijk in Holland, door aan ieder "die

in de-n-Oost geweest is" algemeene kennis van indische zaken

toeteschryven.

87. _Ophir_. We vinden dezen naam op de meeste landkaarten,

en--waarschynlyk omdat de berg die er mee bedoeld wordt, ver uit zee

te zien is--op alle zeekaarten. Maar 't woord _Ophir_ is by de

inlanders onbekend. Ze noemen den berg die ongeveer in 't midden der

breedte aan 't land, even benoorden de linie ligt: _Goenoeng

Passaman_. Hoe dus de kartografen, die elkaar blykbaar hebben

nageschreven, de benaming _Ophir_ kunnen verantwoorden, begryp ik

niet. Een andere vraag is, of er verband mag gebracht worden tusschen

dezen berg, en de streken vanwaar de tyrische koning Hiram,

ten-behoeve van Salomo's tempelbouw, goud, ebbenhout en edelgesteente

halen liet? (I Kon. IX, 28. X, 11.) Het is zeer gewaagd dit op grond

van 'n enkel woord aantenemen. En bovendien, waar komt het woord

_Ophir_ vandaan? Wie heeft het eerst den _G. Passaman_ aldus genoemd?

De f-klank doet aan Arabieren denken. In de "_arabische vertellingen_"

wordt Sumatra door Sindbad den zeeman bezocht.

88. _Kiskassen_. Of dit woord uitsluitend te Amsterdam gebruikt wordt,

weet ik niet. In die stad beteekent het de eigenaardige huppelende

beweging die 'n zeer plat steentje, behendig geworpen, op de

oppervlakte van 't water maakt. Het beschryft, telkens even op 't

water rustende, al voortspringend een reeks van allengs korter

wordende bogen, en zinkt niet voor de kracht van den horizontalen worp

uitgeput is. De manier waarop sommige zeevogels, na op de golven

gerust te hebben, over 't water schuiven om vlucht te nemen, komt met

dat "kiskassen" overeen. Ook vliegende visschen scheren de oppervlakte

voor ze zich verheffen.

89. _Toewan kommandeur_. Op die plaatsen van Sumatra waar vroeger

engelsche vestigingen bestonden, worden de gezagvoerende beambten nog

altyd kommandeurs--_commodore_--genoemd. _Natal_ ging in den

"engelschen tyd" voor 'n punt van groot belang door, getuige het fort

dat veel te groot was voor de weinige manschap die 't in myn tyd--1842

--heette te bezetten.

90. _Krandjang_. Korf van _bamboe_, waarin de voor Nederland bestemde

suiker verscheept wordt. Tot ver in 't binnenland van Europa, ziet men

tegenwoordig het bamboezen vlechtwerk van die _krandjangs_--meestal

gekoolteerd--gebruikt tot heggen en dergelyke afsluiting.

91. _Pedatti_: javaansche kar. De eigenaardigheid van dit voertuig

was, dat het niet op raderen, maar, en wel op meewentelenden as, op

schyven rolde, die om de onpraktische primitiviteit te volmaken,

gewoonlyk den vorm hadden van 'n zeer onregelmatigen veelhoek. De

"chinesche kerk" te Batavia (_zie Noot 98_) hield den heer W.R. van

Hoevell voor den bekwamen schryver die zich onder den naam _Jeronimus_

niet verborg. Wel jammer dat deze publicist, gedeeltelyk uit gebrek

aan kennis van indische toestanden--by was volbloed Bataviaan--meer

nog misschien uit persoonlyke behoefte aan 'n schelle leus, zich door

den klank van 't woordje: _vry_, verlokken liet tot het ophemelen van

den zoogenaamd-_vryen_ Arbeid. Het wawelen over deze opgedrongen

_topic_ heeft, jaren lang de aandacht afgetrokken van hoofdzaken als

die welke in den _Havelaar_ behandeld worden en nog altyd aan de orde

blyven. Men zie hierover m'n beide brochures over _Vryen-arbeid_.

92. Zie noot 23.

93. _Onafhankelyke Rykjes in den Noordhoek_. Het aantal meer of min

onafhankelyke kleine vorsten in die streken is _legio_. Twee hunner

heb ik persoonlyk gekend, de _Toeankoe's_ of _Radjah's_ van _Troemon_

en van _Analaboe_, die me soms te _Natal_ bezochten, en wel tot groote

ergernis van den _Toeankoe_ dezer afdeeling. Een van die Hoofden

namelyk--'t is me ontgaan, wie van de twee--veroorloofde zich 'n zyden

doek om de lenden te slaan op 'n wyze die volgens de natalsche

heraldiek, 't distinktief was van meer hoogheid dan hem toekwam. Uit

deze en dergelyke kwestien over etikette en voorzitting vloeiden

twisten en vechtpartyen voort, die me soms veel hoofdbreken

berokkenden, daar de volgelingen van 't atjinsche Hoofd redelyk

strydbaar waren, en de Natalezen zeer prikkelbaar zoodra 't den rang

van hun _Toeankoe_ gold.

Over 't geheel werd _Natal_ zeer druk door Atjinezen bezocht, en ik

was ruimschoots in de gelegenheid eenige kennis van hunnen aard

optedoen, te-meer omdat de naïve _Si Oepi keteh_--een myner

menigvuldige eerste liefden--'n _Atjinesche_ was. Toch bezit ik geen

bouwstoffen voor 'n volledige karakterbeschryving, en ik durf alleen

--in tegenspraak met de velen die heden-ten-dage over Atjinezen

meespreken zonder ooit 'n Atjinees gezien te hebben--beweren dat zy

over 't geheel genomen _zeer veel goede hoedanigheden_ bezitten.

Ongetwyfeld namelyk zyn ze hooghartig en dapper. Dat, by gelegenheid

der oorlogsverklaring, 'n minister in de Kamer de Atjinezen heeft

durven afschilderen als schuldig aan _zeeroof_, bewyst slechts voor de

duizendste keer dat sommige sprekers geen laster te plomp keuren om by

dat kollegie hun doel te bereiken. Is de zeeroof in den indischen

Archipel afgenomen, sedert de atjinsche havens geblokkeerd zyn? Immers

neen. Indien ons gouvernement zeeroovers bevechten wil, laat het dan

den oorlog verklaren aan den Sultan der _Soeloe_-eilanden, aan de

_Illanezen_ op _Magindanao_, en eigenlyk aan àlle vorsten en volken

opdat groote eiland. Uit _die_ streken zwermen de vloten uit, die

sedert eeuwen de bezittingen der atjinsche Sultans, niet minder dan de

onze, op 'n brandschatting stellen, weinig minder schandelyk voor wie

ze betaalt dan voor den heffer. Dáár zou iets deugdelyks te doen

vallen voor onze Marine, of liever voor onze Landmacht, want het

beschieten van bamboezen gebouwtjes aan 't strand beteekent niet veel.

Maar de beschuldiging van zeeroof was onze edele staatslieden niet

voldoende. Om den zoo fyn zedelyken Nederlander te bewegen tot de

vereischte oorlogswoede--en fondsen-bewilliging!--werd hem in

diezelfde Tweede-Kamer de Atjinees voorgesteld als zoo heel in 't

byzonder overgegeven aan ... onnatuurlyken wellust! My, die veel met

Atjinezen heb omgegaan, was daarvan nooit iets gebleken, misschien wel

omdat ik nooit in 't belang van carrière of pozitie vuile voorwendsels

noodig had om oorlog te maken. Aan hen die op dit punt zich zooveel

volkenkundiger toonen, vraag ik welke "reden van wetenschap" ze voor

hun liefelyke beschuldiging kunnen aanvoeren? In-allen-geval komt me

zoo'n aantyging tegen 'n vyand die doorslaande blyken geeft van

mannelykheid, nietzeer ... mannelyk voor, en even onsmakelyk als

't bedoeld delikt zelf. Wat te zeggen van 'n Vertegenwoordiging die

millioenen voteert op voorstellen van ministers wien zùlke middeltjes

tot ophitsing niet te verachtelyk zyn? Dat overigens het nederlandsche

Staatsbestuur--een tot in 't merg verrot organismus!--de wapens zou

aangorden _in 't belang der zedelykheid_, is 'n koddig denkbeeld.

Wat eindelyk den tegenwoordigen oorlog aangaat, ik herhaal wat ik

elders zeide: _van Atjeh beging de nederlaag_. De toelichting van deze

stelling ligt _nu_ buiten m'n bestek. Ook lust het me niet, by

voortduring onbeloond les te geven aan de haagsche politici. _Zy_

worden door de Natie betaald om iets van de zaken te weten. Dat nu die

Natie by voortduring genoegen neemt met individuën die aan dezen eisch

niet voldoen, is myn schuld niet. Zéker is 't, dat nog geen enkele

maal de _onvermydelyke gevolgen_ der intrekking van 't geheim artikel

in het traktaat van 1824, ter-sprake gebracht zyn, noch in de talryke

brochures over deze zaak, noch in de tallooze dagbladartikelen die

haar behandelen, noch in de redevoeringen van ministers en "geachte

leden." Al die schryvers en sprekers bleven òf uit onbekendheid met de

toestanden òf om redenen van nog lager soort, voortdurend _à côté de

la question_. O. d. e. t. u. o. s. i. v. m. d. p. o. o. d. o. z. w. v.

m. a. o. f. d. z. t. m. d. k. v. s. t. g. h. d. z. d. d. o. v. a. i.

v. v. d. n. j. z. o. Mocht de lezer klagen dat ik hier in raadsels

spreek, hy bedenke dat m'n _Brief aan den Koning_ van September 1872

_niet_ raadselachtig was, en dat er van dat zeer duidelyk stuk geen

notitie is genomen. Als de minister van Kolonien my zeer beleefd

vraagt wat er ten-gevolge der zotte atjinsche kampagne te voorzien is,

zal ik hem voldoende inlichting geven, onder protest evenwel tegen de

onrechtvaardigheid dat _hy_ en niet _ik_ betaald wordt voor de zorg om

Insulinde voor Nederland te bewaren.

94. _Baleh-baleh_: bamboezen rustbank, brits. _Klamboe_: gordyn.

95. _Pajong_: Zonnescherm, distinktief van rang.

96. _Madame Geoffrin_. In 't handschrift stond: _Madame Scarron_, en

't komt me voor, dat de heer Van Lennep hier ten-onrechte iets

veranderd heeft. _Madame Geoffrin_, zeer ryk zynde, had niet noodig de

schraalte van haar disch aantevullen door vertellingen. Bovendien weet

ik zeker dat sommige schryvers de bekende anekdote op rekening van

_Madame Scarron_ stellen.

97. _Traoessa_: 't hoeft niet!

98. _Chinesche kerk_: het "_tout Paris_" der hoofdplaatsen in Indie.

De oorsprong dezer zegwys schynt te liggen in de _commérages_ die

oudtyds gehouden werden by 't uitgaan der protestantsche kerk in of by

de chinesche kamp te Batavia.

99. "_Wie sommige gebeurtenissen van naby gesien had_." In 1843 liet de

generaal Michiels op in 't oog vallend vexatoire wys de wegen in den

omtrek van Padang verbreeden. Voor niemand was het doel twyfelachtig: hy

had behoefte aan wat krygsroem om zich staande te houden als civiel

Gouverneur. De uitgelokte ontevredenheid openbaarde zich 't eerst te Pau,

in de nabyheid der hoofdplaats. Daar hadden, naar weldra publiek bekend

was, de samenscholingen plaats, waaruit de door ieder voorziene oproerige

bewegingen zouden--en moesten!--voortkomen. Ze werden niet terstond

tegengegaan: de vrucht moest rypen. Op zekeren nacht werd ik gewekt door

een bediende van den kapitein der artillerie J.J.M. de Chateleux. Hy liet

my roepen omdat zyn en myn vriend, de kapitein der infanterie Beyerman,

by hem gekomen was om van hem en my afscheid te nemen. Ik ging, en vond

B. in hoogst ernstige stemming. Geheel onverwacht had hy bevel gekregen

naar Pau opterukken: "om me daar te laten vermoorden" zeide hy. Hy _is_

er vermoord, dienzelfden nacht nog. Toen daarvan den volgenden morgen

bericht kwam, rukte de generaal aan 't hoofd van meer dan voldoende

krygsmacht uit. In 'n ommezien behaalde hy de lauweren en 't certifikaat

van onmisbaarheid waarom hy zoo dringend verlegen was. Arme Beyerman!

Zulk _en scène_ zetten van krygsbedryven door 't vooruitzenden van een

aan den dood gewyde kleine schaar behoorde onder de lyfkunstjes van

Michiels, doch eenig was hy niet in die misdadige kwakzalvery. Ze

speelt in veel veldtochten haar rol, en dit zal wel zoo blyven tot de

_kunst van lezen_ meer algemeen wordt. De koddigheid der advertentien

van goedkoope boeken en allesgenezende pillen zinkt in 't niet, by de

hansworstige leugens waarop sedert eeuwen sommige krygsoversten gewoon

zyn hun betalende kommittenten te onthalen. Terstond zyn er altyd

verzenmakers en geschiedschryvers by de hand om die zotte praatjes met

hun visa, "gezien en opgehemeld" te stempelen, en 'n reeks van

geslachten bauwen den aldus smakelyk gemaakten onzin na. Zie, als 'n

enkel staaltje--ik heb ze voor 't grypen!--m'n opmerkingen over de

hyperkrygskunstige slimmighedens van den prillen prins van Oranje by

_Quatre-Bras_. (IDEE 747, vlgg.)

100. Hier ben ik profeet geweest, helaas! Het grofste, 't onmogelykste

is niet te grof en niet te onmogelyk, zoodra 't dienen kan om iemand

die "uitsteekt" van de baan te dringen. In deze taktiek ontmoeten zich

de middelmatigheden van alle partyen. Er blykt uit den tekst dat ik

hiervan iets wist toen ik den _Havelaar_ schreef, maar toch was ik

niet profeet genoeg om te voorzien dat men de karakterschets van

Publiek, die ik slechts als _boutade_ gaf, maken zou tot _letterlyke_

waarheid. Wanneer ook hier Duclari my in de rede was gevallen met 'n:

"neen, dat is àl te sterk!" zou ik zeker de fout begaan hebben iets te

laten afdingen van m'n bittere opmerking, al bewees dan later de

uitkomst dat ik niet te veel gezegd had.

101. Het was in die dagen (1843) dat ik de "_Bruid daarboven_"

schreef. Dit stuk werd nog onlangs in den Haag, te Rotterdam, en

elders opgevoerd. Een van die voorstellingen woonde ik by, en m'n

aandoeningen waren zeer gemengd. Het wederzien van dien arbeid uit m'n

jeugd, van nu byna veertig jaar geleden, wekte meer herinneringen in

my op dan m'n gemoed verslikken kon. En dan 't nagaan van alles wat er

in en om my voorviel gedurende dat lange tydvak van m'n gevuld leven!

Doch dit gaat den lezer niet aan. Met het oog evenwel op den ouderdom

van dat stuk heb ik 'n vraag te doen die, meen ik, sommige lezers wèl

aangaat. Is de _toon_ dien heden-ten-dage zekere publicisten tegen my

aanslaan, wel in overeenstemming met den eerbied dien we gewoon zyn

toetekennen aan ancienneteit in rang? Vindt men 't getal letter-

vruchten die in onzen stoomtyd meer dan het derde deel eener eeuw

beleven, zóó groot dat elk rekruut my mag toespreken _comme le premier

venu_? Hoe ikzelf over die "_Bruid_" oordeel, is bekend, maar 't stuk

is toch minstens even goed als de _Emilia Galotti_, als de _Kabale und

Liebe_, als de _Minna van Barnhelm_ als de larmoyante komedies en

_Lustspiele_ van Kotzebue, die nog altyd op 't repertoire staan.

In-allen-gevalle blykt er uit, hoe ik m'n tyd doorbracht in de dagen

toen 'n groot deel van hen die me tegenwoordig als hun gelyke meenen

te mogen behandelen, nog--en misschien niet eens nog!--op de schoolbanken

zaten. _Suum cuique_, heeren! (_Zie hierover de noten 65 en 115_.)

1/1
Menu

Fazer anotação