DERTIENDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 13 de 20
Obra Menu

DERTIENDE HOOFDSTUK

DERTIENDE HOOFDSTUK

--En mag men nu weten waarom ge eigenlyk gesuspendeerd waart? vroeg

Duclari.

--O ja, gaarne! Want daar ik alles wat ik u hiervan te zeggen heb, voor

wáár geven en zelfs nog gedeeltelyk bewyzen kan, zult ge daaruit zien

dat ik niet lichtvaardig handelde toen ik myn verhaal over dat vermiste

kind, de praatjes van _Padang_ niet verwierp als volstrekt ongerymd. Men

zal ze zeer geloofbaar vinden, zoodra men onzen dapperen generaal leert

kennen in de zaken die _my_ betreffen.

Er waren dan in myn kasrekening te _Natal_ onnauwkeurigheden en

verzuimen. Ge weet hoe elke onnauwkeurigheid op nadeel uitloopt: nooit

heeft men door slordigheid geld over. De chef van de komptabiliteit te

_Padang_--die nu juist myn byzondere vriend niet was--beweerde dat er

duizenden te-kort kwamen. Maar let wel dat men my, zoolang ik te _Natal_

was, daarop niet had opmerkzaam gemaakt. Geheel onverwachts ontving ik

een overplaatsing naar de Padangsche bovenlanden. Je weet, Verbrugge,

dat op Sumatra een plaatsing in de bovenlanden van _Padang_ als

voordeeliger en aangenamer wordt beschouwd dan in de noordelyke

residentie. Daar ik nog slechts weinig maanden vroeger den Gouverneur by

my had gezien--straks zult ge hooren waarom, en hoe?--en omdat er

gedurende zyn verblyf te _Natal_, en zelfs in myn huis, zaken waren

voorgevallen waarin ik meende my al zeer flink gedragen te hebben, nam

ik die overplaatsing als een gunstige onderscheiding op, en vertrok van

_Natal_ naar _Padang_. Ik deed de reis met een fransch schip, de

_Baobab_ van Marseille, dat te Atjeh peper had ingeladen, en ...

natuurlyk te _Natal_ "gebrek had aan drinkwater." Zoodra ik te _Padang_

aankwam, met het doel vandaar terstond naar de binnenlanden te

vertrekken, wilde ik volgens gebruik en plicht den Gouverneur bezoeken,

maar hy liet me zeggen dat hy me niet ontvangen kon, en tevens dat ik

myn vertrek naar myn nieuwe standplaats moest uitstellen tot nader

bevel. Ge begrypt dat ik hierover zeer verwonderd was, te-meer daar hy

te _Natal_ my verlaten had in een stemming die me deed meenen nogal goed

by hem aangeschreven te staan. Ik had slechts weinig kennissen

te _Padang_, maar van deze weinigen vernam ik--of liever ik bemerkte het

aan hen--dat de generaal zeer verstoord op me was. Ik zeg dat ik 't

_bemerkte_ omdat op een buitenpost als _Padang_ toen was, de

welwillendheid van velen dienen kon als graadmeter der genade die men

gevonden had in de oogen des Gouverneurs. Ik gevoelde dat er een storm

in aantocht was, zonder te weten uit welken hoek de wind komen zou. Daar

ik geld noodig had, verzocht ik dezen en genen me daarmee te-hulp te

komen, en ik stond werkelyk verbaasd dat men my overal een weigerend

antwoord gaf. Op _Padang_, niet minder dan elders in Indie, waar over 't

geheel het krediet een zelfs _te_ groote rol speelt, was de stemming op

dat stuk anders vry ruim. Men zou in elk ander geval met genoegen eenige

honderden guldens hebben voorgeschoten aan een kontroleur die op reis

was en tegen verwachting ergens werd opgehouden. Doch my weigerde men

alle hulp. Ik drong by sommigen op 't noemen der oorzaken van dit

wantrouwen aan, en _de fil en aiguille_ kwam ik eindelyk te weten dat

men in myn geldelyk beheer te _Natal_ fouten en verzuimen had ontdekt,

die me verdacht maakten van ontrouwe administratie. Dat er fouten in myn

administratie waren, bevreemdde me volstrekt niet. Juist het tegendeel

zou me verwonderd hebben, maar wel vond ik 't zonderling dat de

Gouverneur, die persoonlyk getuige was geweest hoe ik gedurig ver van

myn bureau had te kampen gehad met de ontevredenheid der bevolking en

aanhoudende pogingen tot opstand ... dat hy die zelf my geprezen had

over wat hy "kordaatheid" noemde, aan de ontdekte fouten den naam geven

kon van ontrouw of oneerlykheid. Niemand beter toch dan hy kon weten dat

er in deze zaken nooit spraak kon zyn van iets anders dan van

_force majeure_.

En, al loochende men deze _force majeure_, al wilde men my

verantwoordelyk stellen voor fouten die begaan waren op oogenblikken dat

ik--in levensgevaar dikwyls!--ver van de kas en wat er naar geleek, het

beheer daarvan moest toevertrouwen aan anderen, al zou men eischen dat

ik, het eene doende, het andere niet had mogen nalaten, dan nòg zou ik

alleen schuldig geweest zyn aan een slordigheid die niets gemeens had

met "ontrouw." Er bestonden bovendien, in die dagen vooral, talryke

voorbeelden dat de Regeering deze moeielykheid der pozitie van de

ambtenaren op Sumatra inzag, en 't scheen dan ook in grondbeginsel

aangenomen by zulke gelegenheden iets door de vingers te zien. Men

vergenoegde zich met van de betrokken ambtenaren de terugbetaling van 't

ontbrekende te vorderen, en er moesten al zeer duidelyke bewyzen zyn

voor men 't woord "ontrouw" uitsprak of zelfs daaraan dacht. Dit was dan

ook zóó als regel aangenomen, dat ik te _Natal_ den Gouverneur zelf

gezegd had bevreesd te zyn dat ik, na 't onderzoeken van myn

verantwoording op de bureaux te _Padang_ veel zou te betalen hebben,

waarop hy schouder-ophalend antwoordde: "och ... die geldzaken!" als

gevoelde hyzelf dat het mindere voor 't meerdere wyken moest.

Nu erken ik dat geldzaken gewichtig zyn. Maar hoe gewichtig ook, ze

waren in dit geval onderschikt aan andere takken van zorg en bezigheid.

Als er door slordigheid of verzuim eenige duizenden te-kort waren in myn

beheer, noem ik dit _op-zichzelf_ geen kleinigheid. Maar als deze

duizenden ontbraken ten-gevolge van myn gelukte pogingen om den opstand

te voorkomen, die de landstreek van _Mandhéling_ dreigde in vuur en vlam

te zetten, en de Atjinezen te doen terugkeeren in de oorden waaruit wy

hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan

vervalt het gewicht van zoodanig te-kort, en 't werd zelfs reeds

eenigszins onbillyk de terugbetaling daarvan opteleggen aan iemand die

oneindig grooter belangen gered had.

En toch had ik vrede met zoodanige terugbetaling. Want door die niet te

vorderen, zou men een te wyde deur openstellen voor oneerlykheid.

Na dagen toevens--ge begrypt in welke stemming!--ontving ik van de

sekretarie des Gouverneurs een brief, waarin men my te kennen gaf dat ik

van ontrouw werd verdacht gehouden, met last my te verantwoorden op een

tal van aanmerkingen die er gevallen waren op myn beheer. Enkelen

daarvan kon ik terstond ophelderen. Voor anderen evenwel had ik inzage

van zekere stukken noodig, en vooral was 't voor my van belang die zaken

natesporen te _Natal_ zelf, om by myn geëmployeerden naar de oorzaken

der gevonden verschillen onderzoek te doen, en waarschynlyk zou ik dáár

geslaagd wezen in myn pogingen om alles tot klaarheid te brengen. Het

verzuim eener afschryving by-voorbeeld van naar _Mandhéling_ gezonden

gelden--je weet, Verbrugge, dat de troepen in 't binnenland uit de

Natalsche kas worden betaald--of iets dergelyks, dat me hoogstwaarschynlyk

terstond zou gebleken zyn als ik onderzoek had kunnen doen op de plaats

zelf, had misschien tot die verdrietige fouten aanleiding gegeven. Maar

de generaal wilde my niet naar _Natal_ laten vertrekken. Deze weigering

deed my te meer letten op 't vreemde der wyze waarop die beschuldiging

van ontrouw tegen my was ingebracht. Waarom toch was ik van _Natal_

onverwachts overgeplaatst, en wel onder verdenking van ontrouw? Waarom

deelde men my dit onteerend vermoeden eerst mede, toen ik ver van de

plaats was waar ik gelegenheid zou gehad hebben my te verantwoorden?

En bovenal, waarom tegen my die zaken zoo terstond in het ongunstigst

daglicht gesteld, in tegenspraak met de aangenomen gewoonte en de

billykheid?

Voor ik nog al die aanmerkingen, zoo goed me zonder archief of

mondelinge inlichtingen mogelyk was, beantwoord had, vernam ik zydelings

dat de Generaal zoo verstoord op me was: "_omdat ik hem te Natal zoo

gekontrarieerd had, waaraan ik dan ook, voegde men er by, zeer verkeerd

had gedaan_."

Toen ging er een licht voor my op. Ja, ik had hem gekontrarieerd, maar

in 't naïf denkbeeld dat hy me daarom achten zou! Ik hàd hem

gekontrarieerd, maar by zyn vertrek had niets me doen gissen dat hy

daarover verstoord was! Dom genoeg had ik de gunstige overplaatsing naar

_Padang_, aangenomen als een bewys dat hy myn "kontrarieeren" schoon

gevonden had. Ge zult zien, hoe weinig ik hem toen kende.

Maar zoodra ik vernam dat dit de oorzaak was van de scherpte waarmee men

myn geldelyke administratie beoordeeld had, was ik in vrede met myzelf.

Ik beantwoordde punt voor punt zoo goed ik kon, en eindigde myn

brief--ik bezit daarvan nog de minuut--met de woorden:

"_Ik heb de op myn administratie gevallen aanmerkingen, zoo goed het my

zonder archief of lokale nasporing mogelyk was, beantwoord. Ik verzoek

Uhoogedelgestrenge my van alle welwillende konsideratiën te verschoonen.

Ik ben jong, en onbeduidend in-vergelijking, met de macht der

heerschende begrippen waartegen myn principes me noodzaken optestaan,

maar blijf niettemin trotsch op myn zedelyke onafhankelykheid, trotsch

op myn eer_."

Den volgenden dag was ik gesuspendeerd wegens "ontrouwe administratie."

Den Officier van justitie--we zeiden nog _fiskaal_ in dien tyd--werd

gelast omtrent my "ambt en plicht" te betrachten.

En zoo stond ik dus daar te _Padang_, nauw drie-en-twintig jaren oud, en

staarde de toekomst aan, die my eerloosheid brengen zou! Men raadde my

aan, me te beroepen op myn jonge jaren--ik was nog onmondig toen de

voorgegeven vergrypen hadden plaats gehad--maar dit wilde ik niet. Ik

had immers reeds te veel gedacht en geleden, en ... ik durf zeggen: te

veel reeds gewerkt, dan dat ik me verschuilen zou achter myn jeugd. Ge

ziet uit het zoo-even aangehaald slot van dien brief, dat ik niet wilde

behandeld zyn als een kind, ik die te _Natal_ tegenover den generaal myn

plicht had gedaan als een man. En tevens kunt ge uit dien brief zien hoe

ongegrond de beschuldiging was, die men tegen my inbracht. Waarlyk, wie

schuldig is aan lage vergrypen, schryft anders!

Men nam me niet gevangen, en dit had toch moeten geschieden als het

ernst ware geweest met die krimineele verdenking. Misschien echter was

dit schynbaar verzuim niet zonder grond. Den gevangene immers is men

onderhoud en voedsel schuldig. Daar ik _Padang_ niet verlaten kon, was

ik in werkelykheid tòch een gevangene, maar een gevangene zonder dak en

zonder brood. Ik had herhaaldelyk, doch telkens zonder baat, aan den

Generaal geschreven dat hy myn vertrek van _Padang_ niet beletten mòcht,

want dat, al ware ik schuldig aan 't allerergste, geen misdaad mocht

gestraft worden met _hongerlyden_.

Nadat de rechtsraad, die blykbaar met de zaak verlegen was, den uitweg

had gevonden zich onbevoegd te verklaren, omdat vervolgingen wegens

misdryf in dienstbetrekking, niet mogen plaats hebben dan op machtiging

van de Regeering te _Batavia_, hield my de generaal, zooals ik zeide,

negen maanden te _Padang_. Hy ontving eindelyk van-hooger-hand den last

me naar _Batavia_ te laten vertrekken.

Toen ik een paar jaren daarna wat geld had--beste Tine, _jy_ hadt het me

gegeven!--betaalde ik eenige duizenden guldens om de Natalsche

kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken, en toen zeide my

iemand[103] die geacht kon worden de Regeering van Nederlandsch-Indie

voortestellen: "dat had ik in uw plaats niet gedaan ... ik zou een

wissel op de eeuwigheid gegeven hebben." _Ainsi va le monde!_

* * * * *

Juist wilde Havelaar een aanvang maken met het verhaal dat zyn gasten

van hem wachtten, en dat ophelderen zou waarin en waarom hy den Generaal

Vandamme te _Natal_ zoo "gekontrarieerd" had, toen mevrouw Slotering

zich in de voorgalery van haar woning vertoonde, en den politie-oppasser

wenkte, die naast Havelaars huis op een bank zat. Deze begaf zich tot

haar, en riep daarop iets tot een man die zoo-even het erf betreden had,

waarschynlyk met het doel om zich naar de keuken te begeven die achter

't huis gelegen was. Ons gezelschap zou hierop waarschynlyk niet gelet

hebben, wanneer niet Tine dien middag aan tafel gezegd had dat mevrouw

Slotering zoo schuw was, en een soort van toezicht scheen uitteoefenen

over ieder die 't erf betrad. Men zag den man die door den oppasser

geroepen was, tot haar gaan, en 't scheen wel dat ze hem in een verhoor

nam dat niet in zyn voordeel afliep. Althans hy wendde zyn schreden en

liep naar-buiten terug.

--'t Spyt me wel, zei Tine. Dat was misschien iemand die kippen te-koop

had, of groente. Ik heb nog niets in huis.

--Wel, laat dan daartoe maar iemand uitzenden, antwoordde Havelaar. Je

weet dat inlandsche dames gaarne gezag oefenen. Haar man was vroeger de

eerste persoon hier, en hoe weinig een adsistent-resident eigenlyk

beduidt, in zyn afdeeling is hy een kleine koning: zy is nog niet gewoon

aan de onttrooning. Laat ons die arme vrouw dit klein genoegen niet

ontnemen. Houd je maar alsof je 't niet bemerkte.

Dit nu viel Tine niet zwaar: _zy_ hield niet van gezag.

Een uitweiding is hier noodig, en zelfs wil ik eens uitweiden over

uitweidingen. Het valt een schryver soms niet gemakkelyk, juist

doortezeilen tusschen de twee klippen van het te-veel of te-weinig, en

deze moeielykheid wordt te grooter als men toestanden beschryft, die den

lezer verplaatsen moeten op onbekenden bodem. Er is een te nauw verband

tusschen plaatsen en gebeurtenissen, dan dat men de beschryving van die

plaatsen geheel zou kunnen ontberen, en 't vermyden de beide klippen

waarop ik doelde, wordt dubbel moeielyk voor iemand die Indie tot

tooneel zyner vertelling gekozen heeft. Want waar een schryver die

europesche toestanden behandelt, veel zaken als bekend kan

veronderstellen, moet hy die zyn stuk in Indie spelen laat, zich gedurig

vragen of de niet-Indische lezer deze of gene omstandigheid juist

opvatten zal? Wanneer de europesche lezer zich mevrouw Slotering

voorstelt als "logeerende" by de Havelaars, zooals dit zou plaats-vinden

in Europa, moet het hem onbegrypelyk voorkomen dat ze niet tegenwoordig

was by 't gezelschap dat de koffi gebruikte in de voorgalery. Wel heb ik

reeds gezegd dat zy een afzonderlyk huis bewoonde, doch tot juist begrip

hiervan en tevens van latere gebeurtenissen, is 't inderdaad noodig dat

ik hem Havelaars huis en erf eenigszins doe kennen.

De beschuldiging die zoo vaak wordt ingebracht tegen den grooten meester

die den _Waverley_ schreef, dat hy dikwyls van 't geduld zyner lezers

misbruik maakt door te veel bladzyden aan plaatsbeschryving te wyden,

komt me ongegrond voor, en ik geloof dat men zich tot het beoordeelen

van de juistheid eener zoodanige aanmerking, eenvoudig de vraag hebbe

voorteleggen: was deze beschryving noodig tot juist opvatten van den

indruk dien de schryver u wilde meedeelen? Zoo ja, men duide dan hèm

niet ten-kwade dat hy van u de moeite verwacht te _lezen_ wat hy zich de

moeite gaf te _schryven_. Zoo neen, dan werpe men 't boek weg. Want de

schryver die ledig genoeg van hoofd is, om _zonder noodzaak_ topografie

te geven voor denkbeelden, zal zelden de moeite van 't lezen waard zyn,

ook daar waar ten-laatste zyn plaatsbeschryving een eind neemt. Maar men

vergete niet dat het oordeel van den lezer over 't al of niet

noodzakelyke eener afwyking, dikwyls valsch is, omdat hy vóór de

katastrofe niet weten kan wat al of niet vereischt wordt tot geleidelyke

ontwikkeling der toestanden. En wanneer hy nà de katastroof 't boek

weder opneemt--van boeken die men slechts éénmaal leest, spreek ik

niet--en zelfs dan nog meent dat deze of gene afwyking wel had kunnen

gemist worden zonder schade voor den indruk van 't geheel, blyft het

altyd de vraag of hy van 't geheel denzelfden indruk zou verkregen

hebben, wanneer niet de schryver op meer of min kunstige wyze hem

daartoe gebracht had, juist door de afwykingen die den oppervlakkig

oordeelenden lezer overtollig voorkomen.

Meent ge dat Amy Robsart's dood U zoo treffen zou, als ge vreemdeling

waart geweest in de hallen van Kenilworth? En gelooft ge dat er geen

verband is--verband door tegenstelling--tusschen de ryke kleeding waarin

de onwaardige Leicester zich aan haar vertoonde, en de zwartheid zyner

ziel? Gevoelt ge niet dat Lester--ieder weet dit, die den man kent uit

andere bronnen dan uit den roman alleen--dat hy oneindig lager stond dan

hy geschetst wordt in den _Kenilworth_? Maar de groote romanschryver die

liever boeide door kunstige rangschikking van kleuren dan door grofheid

van kleur, achtte het beneden zich zyn penseel te doopen in al het slyk

en in al het bloed dat er kleefde aan den onwaardigen gunsteling van

Elizabeth. Hy wilde slechts één stip aanwyzen in den poel van vuil, maar

verstond het, zulke stippen te doen in 't oog vallen door de tinten die

hy in zyn onsterfelyke geschriften daarnáást legde. Wie nu al dat

daarnaast gelegde als overtollig meent te kunnen verwerpen, verliest

geheel uit het oog dat men dan, om effekt te-weeg te brengen, zou moeten

overgaan tot de school die sedert 1830 zoolang in Frankryk gebloeid

heeft, schoon ik ter-eere van dat land zeggen moet dat de schryvers die

in dit opzicht het meest zondigden tegen den goeden smaak, juist in 't

buitenland, en niet in Frankryk zelf, den grootsten opgang maakten. Die

school--ik hoop en geloof dat ze uitgebloeid heeft--vond het gemakkelyk

met volle hand te grypen in plassen van bloed, en daarmee groote kladden

te werpen op de schildery, dat men die zien zou in de verte! Ze zyn dan

ook met minder inspanning te schilderen, die ruwe strepen van rood en

zwart, dan de fyne trekken te penseelen die er staan in den kelk eener

lelie. Dáárom dan ook koos die school meestal koningen tot helden van

haar verhalen, liefst uit den tyd toen de volkeren nog onmondig waren.

Zie, de droefheid des konings vertaalt men op 't papier in volksgehuil

... _zyn_ toorn biedt den schryver gelegenheid tot het dooden van

duizenden op 't slagveld ... _zyn_ fouten geven ruimte tot het

schilderen van hongersnood en pest ... dat alles geeft werk aan grove

penseelen! Als ge niet getroffen zyt door de stomme akeligheid van een

lyk dat daar ligt, er is plaats in myn verhaal voor een slachtoffer dat

nog stuiptrekt en gilt! Hebt ge niet geweend by die moeder, vruchteloos

zoekend naar haar kind ... wèl, ik toon u een andere moeder die haar

kind ziet vierendeelen! Bleeft ge ongevoelig by den marteldood van dien

man ... ik vermenigvuldig uw gevoel honderdmalen door negen-en-negentig

andere mannen te laten martelen naast hem! Zyt ge verstokt genoeg om

niet te yzen by 't zien van den soldaat die in een belegerde vesting uit

honger zyn linkerarm verslindt ...

Epikurist! Ik stel u voor, te kommandeeren: "rechts en links, formeert

den kring! Ieder ete den linkerarm op van zyn rechternevenman ... marsch!"

Ja, zóó gaat de kunst-akeligheid over in zotterny ... wat ik in 't

voorbygaan bewyzen wilde.[104]

En dáárin toch zou men vervallen door te spoedig een schryver te

veroordeelen, die u geleidelyk wilde voorbereiden op zyn katastroof

zònder zyn toevlucht te nemen tot die schreeuwende kleuren.

Het gevaar evenwel aan den anderen kant is nòg grooter. Ge veracht de

pogingen der grove letterkunde die met zoo ruwe wapenen op uw gevoel

meent te moeten instormen, maar ... als de schryver in 't ander uiterste

vervalt, als hy zondigt door _te veel_ afwyking van de hoofdzaak, door

_te veel_ penseel-gemanierdheid, dan is uw toorn nog sterker, en

te-recht. Want dan heeft hy u verveeld, en dit is onvergeeflyk.

Wanneer wy tezamen wandelen, en ge wykt telkens af van den weg, en roept

my in 't kreupelhout, alleen met het doel om de wandeling te rekken,

vind ik dit onaangenaam, en neem me voor, in 't vervolg alleen te gaan.

Maar als ge me daar een plant weet aantewyzen die ik niet kende, of

waaraan voor my iets te zien valt dat vroeger myn aandacht ontsnapte ...

als ge my van-tyd tot-tyd een bloem toont, die ik gaarne pluk en

meedraag in 't knoopsgat, dan vergeef ik u dat afwyken van den weg, ja,

ik ben er dankbaar voor.

En, zelfs zonder bloem of plant, zoodra ge my ter-zyde roept om me door

't geboomte heen het pad te wyzen, dat we straks zullen betreden, doch

dat nu nog verre voor ons ligt in de diepte, en als een nauw merkbaar

streepje zich slingert door 't veld daar-beneden ... ook dan neem ik u

de afwyking niet euvel. Want als wy eindelyk zóó ver zullen gekomen zyn,

zal ik weten hoe zich onze weg heeft gekronkeld door 't gebergte, wat de

oorzaak is dat wy de zon die zoo-even dáár stond, nu links van ons

hebben, wáárom die heuvel nu achter ons ligt, welks top we vroeger vóór

ons zagen ... zie, dan hebt ge my door die afwyking 't _begrypen_ myner

wandeling gemakkelyk gemaakt, en begrypen is genot.

Ik, lezer, heb u in myn verhaal dikwyls op den grooten weg gelaten, schoon

't my moeite kostte u niet meetevoeren in 't kreupelhout. Ik vreesde dat

de wandeling u verdrieten zou, daar ik niet wist of ge vermaak zoudt

scheppen in de bloemen of planten die ik u wyzen wilde. Maar omdat ik

geloof dat het u later genoegen zal doen, het pad gezien te hebben dat we

straks zullen betreden, voel ik me nu genoopt u iets te zeggen van Havelaars

huis.

Men zou verkeerd doen, zich van een huis in Indie een voorstelling te

maken naar europesche begrippen, en zich daarby een steenmassa te denken

van op-elkander gestapelde kamers en kamertjes, met de straat er voor,

rechts en links buren wier huisgoden tegen de onzen aanleunen, en een

tuintje met drie bessenboompjes er achter. Op weinig uitzonderingen na,

hebben de huizen in Indie geen verdieping. Dit komt den europeschen

lezer vreemd voor, want het is een eigenaardigheid van beschaving--of

van wat hiervoor doorgaat--alles vreemd te vinden wat natuurlyk is. De

indische huizen zyn geheel anders dan de onzen, doch niet _zy_ zyn

vreemd, _onze_ huizen zyn vreemd. Wie 't eerst zich de weelde kon

veroorloven niet in één kamer te slapen met zyn koeien, heeft de tweede

kamer van zyn huis niet _op_, maar _naast_ de eerste gezet, want het

bouwen gelykvloers is eenvoudiger en biedt ook meer gemak aan in 't

bewonen. Onze hooge huizen zyn geboren uit gebrek aan ruimte: we zoeken

in de lucht wat er op den grond ontbreekt, en zoo is eigenlyk elk

dienstmeisje dat 's avends het venster sluit van 't dakkamertje waar ze

slaapt, een levend protest tegen de overbevolking ... al denkt zyzelf

aan iets anders, wat ik wel gelooven wil.

In landen dus, waar beschaving en overbevolking nog niet door

samenpersing beneden, 't menschdom naar-boven hebben opgeknepen, zyn de

huizen zonder verdieping, en dat van Havelaar behoorde niet tot de

weinige uitzonderingen op dezen regel. By 't binnentreden ... doch neen,

ik wil een bewys geven dat ik afstand doe van alle aanspraken op

schilderachtigheid. _Is gegeven_: een langwerpig vierkant dat ge wel

wilt verdeelen in een-en-twintig vakken, drie breed, zeven diep. We

nummeren die vakken, beginnende van den linker-bovenhoek rechts-uit,

zoodat _vier_ onder _één_ kome, _vyf_ onder _twee_, en zoo vervolgens.

De eerste drie nummers tezamen vormen de voorgalery die aan drie kanten

open is, en welker dak aan de vóórzyde op zuilen rust. Van daar treedt

men door twee dubbeldeuren in de binnengalery die door de drie volgende

vakken wordt voorgesteld. De vakken 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16 en 18 zyn

kamers, waarvan de meesten door deuren met de daarnaast liggenden in

verbinding staan ... De drie hoogste nummers vormen de open achtergalery,

en wat ik oversloeg is een soort van ongesloten binnengalery, gang of

doorloop. Ik ben recht grootsch op deze beschryving.

Het is moeielyk te zeggen welke uitdrukking in Nederland het denkbeeld

teruggeeft, dat men in Indie aan 't woord "erf" hecht. Erf is dáár noch

tuin, noch park, noch veld, noch bosch, maar òf iets daarvan, òf alles

tezamen, òf niets van dat alles. Het is de grond die tot het huis

behoort, voor zoo-ver die niet door dat huis bedekt is, zoodat in Indie

de uitdrukking: "tuin _en_ erve" zou doorgaan voor een pleonasmus. Er

_zyn_ daar geen of weinige huizen zonder zoodanig erf. Sommige erven

bevatten bosch en tuin en weiland, en doen aan een park denken. Anderen

zyn bloemtuinen. Elders weer is 't geheele erf één groot grasveld. En

eindelyk zyn er die, al zeer eenvoudig, geheel-en-al zyn gemaakt tot een

gemacadamiseerd plein, dat misschien minder aangenaam is voor 't oog,

doch de zindelykheid in de huizen bevordert, omdat veel insekten-soorten

door gras en boomen worden aangetrokken.

Havelaars erf nu was zeer groot, ja, hoe vreemd het klinke, aan een der

zyden kon men 't oneindig noemen, daar het aan een ravyn grensde die

zich uitstrekte tot aan de oevers van den _Tjioedjoeng_, de rivier die

_Rangkas-Betoeng_, in een zyner vele bochten omsluit. [105] Het viel

moeielyk te bepalen waar 't erf van de adsistent-residents-woning

ophield, en waar de gemeentegrond aanving, daar 't groot verval van

water in den _Tjioedjoeng_ die dan eens zyn oevers een gezichtsverheid

terugtrok, en dan weer den ravyn vulde tot zeer naby Havelaars huis,

gedurig de grenzen veranderde.

Deze ravyn was dan ook altyd een doorn geweest in de oogen van mevrouw

Slotering, wat zeer begrypelyk is. De plantengroei, reeds overal elders

in Indie zoo snel, was op die plaats door de telkens achtergelaten slib

byzonder welig, zóó zelfs dat, al had het op- of afloopen des waters

plaats gehad met een kracht die 't kreupelhout ontwortelde en meevoerde,

er maar zeer weinig tyds noodig was om den grond weer te bedekken met al

de ruigte die 't reinhouden van het erf, ook in de onmiddellyke nabyheid

van 't huis, zoo moeielyk maakte. En dit veroorzaakte geen gering

verdriet, zelfs aan wie geen huismoeder was. Want zonder te spreken van

allerlei insekten, die gewoonlyk des avends om de lamp vlogen in zoo

groote menigte dat lezen en schryven onmogelyk werd--iets wat op véél

plaatsen in Indie lastig is--hielden zich in dat kreupelhout een tal van

slangen en ander gedierte op, dat zich niet bepaalde by den ravyn, maar

telkens ook in den tuin naast en achter 't huis werd gevonden, of in het

grasperk op 't voorplein.

Dit plein had men recht vóór zich als men in de buiten galery met den

rug naar 't huis gekeerd stond. Links daarvan lag het gebouw met de

bureaux, de kas en de vergaderzaal waar Havelaar dien morgen de Hoofden

had toegesproken, en daar-achter breidde zich de ravyn uit, dien men

overzag tot aan den _Tjioedjoeng_ toe. Juist tegenover de bureaux stond

de oude adsistent-residents-woning die nu tydelyk door mevrouw Slotering

bewoond werd, en dewyl de toegang van den grooten weg tot het erf plaats

had door twee wegen die langs beide zyden van 't grasveld liepen, volgt

hieruit vanzelf dat ieder die het erf betrad om zich naar de achter het

hoofdgebouw gelegen keuken of stallen te begeven, òf de bureaux òf de

woning van mevrouw Slotering moest voorbygaan. Terzyde van 't

hoofdgebouw en daarachter, lag de vry groote tuin die de vreugde van

Tine had opgewekt door de vele bloemen die ze daar vond, en vooral omdat

kleine Max daar zoo dikwyls spelen zou.

Havelaar had zich by mevrouw Slotering laten verontschuldigen dat hy

haar nog geen bezoek had gebracht. Hy nam zich voor, den volgenden dag

daarheen te gaan, maar Tine was er geweest en had kennis gemaakt. We

vernamen reeds dat die dame een zoogenaamd "inlandsch kind" was, die

geen andere dan de maleische taal sprak. Ze had haar verlangen te kennen

gegeven haar eigen huishouding te blyven voeren, waarin Tine gaarne

berustte. En niet uit ongastvryheid kwam deze berusting voort, doch

voornamelyk uit de vrees dat zy, pas te _Lebak_ aangekomen, en dus nog

niet "op orde" mevrouw Slotering niet zoo goed zou kunnen ontvangen als

wenschelyk gemaakt werd door de byzondere omstandigheden waarin deze

dame verkeerde. Wel zou ze--geen hollandsch verstaande--niet "gedeerd"

worden door de vertellingen van Max, zooals Tine 't genoemd had, maar zy

begreep dat er meer noodig was dan de familie Slotering niet te _deren_,

en de schrale keuken in-verband met de voorgenomen zuinigheid deden haar

werkelyk 't voornemen van mevrouw Slotering zeer verstandig vinden. Of

nu overigens, wanneer de omstandigheden anders waren geweest, de omgang

met iemand die slechts één taal sprak, waarin niets gedrukt is dat den

geest beschaaft, geleid zou hebben tot wederzydsch genoegen, blyft

twyfelachtig. Tine zou haar zoo goed mogelijk gezelschap gehouden, en

veel met haar gesproken hebben over keukenzaken, over _sambal-sambal_[106]

over 't inmaken van _ketimon_--zonder Liebig, o goden!--maar zoo-iets

blyft toch altyd een opoffering, en men vond het dus zeer goed dat de

zaken door mevrouw Sloterings vrywillige afzondering geschikt waren op

een wyze die aan beide partyen volkomen vryheid liet. Zonderling echter

was het, dat die dame niet alleen geweigerd had deeltenemen aan de

gemeenschappelyke maaltyden, maar dat zy zelfs geen gebruik maakte van

't aanbod om haar spyzen te doen gereed maken in de keuken van Havelaars

huis. "Deze bescheidenheid, zei Tine, was wat ver gedreven, want de keuken

was ruim genoeg."

1/1
Menu

Fazer anotação