ZEVENDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 7 de 20
Obra Menu

ZEVENDE HOOFDSTUK

ZEVENDE HOOFDSTUK

De resident van _Bantam_ stelde den Regent en den kontroleur aan den

nieuwen adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten

hoffelyk. Den kontroleur--er is altyd iets pynlyks in de ontmoeting van

een nieuwen chef--zette hy door eenige vriendelyke woorden op zyn gemak,

als wilde hy terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die

't verkeer zou gemakkelyk maken. Met den Regent was zyn ontmoeting

zooals dit behoorde met een persoon die den gouden _pajong_ voert[34]

maar die te-gelykertyd zyn "jonger broeder" wezen zou. Met deftige

minzaamheid berispte hy hem over zyn te vurigen dienstyver, die in zùlk

een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeeling gevoerd had, 'tgeen dan

ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had

behoeven te doen.

--Waarlyk, mynheer de _Adhipatti_, ik ben boos op u dat ge u zooveel

moeite gegeven hebt om-mynentwil! Ik dacht u eerst te _Rangkas-Betoeng_

aantetreffen.

--Ik wenschte den heer adsistent-resident zoo spoedig mogelyk te zien om

vriendschap te sluiten, zei de _Adhipatti_.

--Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand

van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te-paard nogal!

--Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog

altyd vlug en sterk.

--Dit is te veel van uzelf gevergd! Niet waar, resident?

--De heer _Adhipatti_. Is. Zeer.

--Goed, maar er is een grens.

--Yverig, sleepte de resident achterna.

--Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nogeens zeggen, als om 't

vorige terugteslikken. Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats

in den wagen maken. De _baboe_ kan hier blyven, we zullen haar een

_tandoe_[35] zenden van _Rangkas-Betoeng_. Myn vrouw neemt Max op den

schoot ... niet waar, Tine? En dan is er plaats genoeg.

--Het. Is. My.

--Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in ...

--Wèl! zei de resident.

--Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te-paard door den modder

zoudt klepperen ... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan

met-een terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel

schikken? Hier, Max ... kyk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig

kereltje? Dat is myn kleine jongen ... dat is Max!

De resident had met den _Adhipatti_ in de _pendoppo_ plaats genomen.

Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wien die schimmel behoorde met

roode schabrak? En toen Verbrugge naar den ingang van de _pendoppo_

trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy dezen de hand op den

schouder, en vroeg:

--Is de Regent altyd zoo dienstyverig?

--'t Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat

hy gaarne een goeden indruk op u maken zou.

--Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord ... hy is

beschaafd, niet waar?

--O ja ... En hy heeft een groote familie?

Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy dezen overgang niet. Dit was

dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeielyk. De vlugheid van zyn

geest deed hem in gesprekken meermalen eenige schakels der redeneering

overslaan, en hoe geleidelyk ook deze overgang plaats vond in _zyn_

gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan

zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid

hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: ben je gek ...

of hoe is het?

Zoo-iets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest

de vraag herhalen, vóór hy antwoordde:

--Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie.

--En zyn er _Medjiets_ in aanbouw in de afdeeling? ging Havelaar voort,

alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf,

scheen aanteduiden dat er verband bestond tusschen die _moskeën_ en de

"groote familie" van den Regent.

Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeën gearbeid werd.

--Ja, ja, dat wist ik wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, of er veel

achterstand is in de betaling van de landrenten?

--Ja, dat kon wel beter zyn ...

--Juist, en vooral in het distrikt _Parang-Koedjang_, zei Havelaar, als

vond hy 't makkelyker zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit

jaar? ging hy voort, en bemerkende dat Verbrugge eenigszins weifelde,

als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in

één adem aldus vervolgde:

--Goed, goed, ik weet het al ... zes-en-tachtig duizend en eenige

honderden ... vyftien duizend meer dan in 't vorige jaar ... doch maar

zesduizend boven '45. We zyn sedert '43 maar achtduizend vooruit

gegaan ... en ook de bevolking is zeer schraal ... nu ja, Malthus! In

twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag,

want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig ... en nog! Van '50 op

'51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit ...

dat is een slecht teeken, Verbrugge![36] Wat drommel, zie dat paard eens

springen, ik geloof dat het koldert ... kom eens kyken, Max!

Verbrugge bemerkte dat hy den nieuwen adsistent-resident weinig zou te

leeren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door "lokale

ancienneteit" wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.

--Maar 't is natuurlyk, ging Havelaar voort, terwyl hy Max op den arm

nam. In het _Tjikandische_ en _Bolangsche_ zyn ze er heel bly om ... en

de opstandelingen in de _Lampongs_ ook.[37] Ik beveel me zeer aan voor

uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en

dus moeten we ... zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd?

Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid

verdient ... de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zoo

achterlyk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blyven.

Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkeerende

naar de tafel waar de resident, de _Adhipatti_ en mevrouw Havelaar

gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf minuten vroeger, dat "die

Havelaar zoo gek niet was" als de kommandant meende. Verbrugge was

volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeeling _Lebak_

kende, nagenoeg zoo goed als een zoo groote landstreek, waar niets

gedrukt wordt, door één persoon gekend worden kàn, begon intezien dat er

toch verband was tusschen de schynbaar niet samenhangende vragen van

Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsistent-resident, hoezeer hy nooit

de afdeeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy

nog altyd die vreugde niet over de armoede in _Lebak_, maar hy drong

zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel,

toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en

edels er was in die vreugde.

Havelaar en Verbrugge namen plaats by de tafel, en onder 't gebruiken

van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso den

resident kwam berichten dat de versche paarden waren voorgespannen. Men

pakte zich zoo goed mogelyk in den wagen, en reed heen. Door 't hotsen

en stooten viel 't spreken moeielyk. Kleine Max werd rustig gehouden met

_pisang_[38] en zyn moeder die hem op den schoot had, wilde volstrekt

niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van den

zwaren jongen te ontlasten. In een oogenblik van gedwongen rust in een

moddergat, vroeg Verbrugge den resident, of hy met den nieuwen

adsistent-resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering?

--M'nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd.

--Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou

niet gaarne ...

--Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite by.

--Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in háár

omstandigheden! Zoo-iets spreekt vanzelf ... niet waar, Tine?

Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.

--U heeft twee huizen te _Rangkas-Betoeng_, zei Verbrugge. Er is ruimte

in overvloed voor twee familien.

--Maar, al was dit zoo niet.

--Ik. Durfde. Het. Haar.

--Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, er is geen twyfel aan!

--Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.

--Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen by ons.

--Een. Groote. Last. En. Zy. Is.

--Maar het reizen in haar pozitie is onmogelyk, resident!

Een hevige schok van den wagen die ontmodderd werd, zette een

uitroepingsteeken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was

voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke _hè_! geroepen, dat

op zulk een stoot volgt, Max had in den schoot zyner moeder de _pisang_

weergevonden, die hy door den schok verloor, en reeds was men een heel

eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident

besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er bytevoegen:

--Een. Inlandsche. Vrouw.

--O, dit is volkomen hetzelfde, trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar

te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus

geregeld was, en daar het spreken zoo moeielyk viel, brak men 't

gesprek af.

Die Mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee

maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorloopig belast met

het ambt van adsistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende

dien tyd de ruime woning te betrekken, die te _Rangkas-Betoeng_, zooals

in elke afdeeling, van-landswege voor 't hoofd van het gewestelyk

bestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk

misschien uit vrees dat hy te spoedig op-nieuw zou moeten verhuizen,

gedeeltelyk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen

overtelaten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry

groote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde "erf"

nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in-weerwil van

den eenigszins bouwvalligen staat, nog altyd zeer geschikt was ter

bewoning.

Mevrouw Slotering had den resident verzocht haar voorspraak te zyn by

den opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te

bewonen tot na haar verlossing, die zy over eenige maanden te-gemoet

zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zoo gereedelyk

was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvry en

hulpvaardig waren zy in de hoogste mate.

We hoorden den resident zeggen dat mevrouw Slotering een "inlandsche

vrouw" was. Dit vereischt voor niet-indische lezers eenige opheldering,

daar men al licht tot de onjuiste meening geraken zou hier met een

eigenlyk-javaansche te doen te hebben.

De europesche maatschappy in Nederlandsch Indiën is vry scherp in twee

deelen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die--hoezeer

wettelyk in geheel denzelfden rechtstoestand verkeerende--niet in

Europa geboren zyn, en min of meer inlandsch bloed in de aderen hebben.

Ter-eere der begrippen van menschelykheid in Indie, haast ik me hier

bytevoegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in 't maatschappelyk

verkeer wordt getrokken tusschen de twee soorten van individuën, welke

tegenover den inlander gelykelyk den naam van _Hollander_[39] dragen,

deze afscheiding evenwel geenszins 't barbaarsch karakter vertoont, dat

in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er

nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft

bestaan, en dat het woord _liplap_ my meermalen in de ooren klonk als

een bewys hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving

verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by-uitzondering in

gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van

een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: "niet voor vol wordt

aangezien" maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting

hooren voorstellen en verdedigen als een _grondbeginsel_. Het staat

natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men

mag het den eigenlyken Europeaan niet euvel duiden, wanneer hy den

omgang met lieden van zyn landaard voortrekt boven 't verkeer met

personen die--hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waarde in

't midden gelaten--zyn indrukken en denkbeelden niet deelen, of--en dit

is misschien by vermeend verschil van _beschaving_, zeer dikwyls de

hoofdzaak--wier _vooroordeelen een andere richting hebben genomen_ dan

de zyne.[40]

Een _liplap_--om den term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden,

zou ik moeten zeggen een "_dusgenaamd inlandsch kind_" maar ik vraag

vergunning my te houden aan 't spraakgebruik dat uit allitteratie

geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beleedigends

bedoel, en wat beteekent het woord dan ook?--een liplap heeft veel

goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds,

en ook hierin alzoo gelyken zy op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde

dat aan beiden eigen is loopt te veel uit elkander, dan dat hun

verkeering over 't algemeen tot wederzydsch genoegen kan strekken.

Bovendien--en hieraan heeft de Regeering veel schuld--is de liplap

dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen

zou, als hy zoo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn

ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelyke

ontwikkeling van den liplap _in 't algemeen_ zyn gelykstelling met den

Europeaan in den weg staat, ook dáár waar hy _als individu_ in

beschaving, wetenschap of kunst, misschien den voorrang boven een

bepaalden europeschen persoon verdienen zou.

Ook hieraan is weder niets nieuws. Het lag ook, byv. in de staatkunde

van Willem den Veroveraar, om den minstbeduidenden Normandier te

verheffen boven den beschaafdsten Sakser, en elke Normandier beriep zich

gaarne op 't overwicht der Normandiers _in het algemeen_, om zyn persoon

ook dáár te doen gelden, waar hy de minste zou geweest zyn _zonder_ den

invloed zyner stamgenooten als bovenliggende party.

Uit zoo-iets wordt natuurlyk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren.

die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgeerige onbekrompen inzichten

en maatregelen van het bestuur.[41]

Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan den winnenden kant is,

zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelyk schikt, spreekt

vanzelf. Maar dikwyls is 't koddig, iemand die zyn beschaving en taal

grootendeels opdeed in de rotterdamsche _Zandstraat_, den liplap te

hooren uitlachen omdat deze een _glas water_ en 't _gouvernement_,

mannelyk-, of _zon_ en _maan_ onzydig maakt.

Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd--er zyn er

zoo!--zoodra de Europeaan, die zich ziek hield om achterteblyven van 't

schip waarop hy borden waschte, en die zyn aanspraken op beleefdheid

bazeert op "uwee" en "verexkuseer" aan het hoofd staat van de

handelsonderneming die zoo "enorm" gewonnen heeft op de indigo in 1800

zooveel ... neen, lang vóór hy de "_toko_" bezat, waarin hy hammen en

jachtgeweren verkoopt--wanneer zoo'n Europeaan opmerkt dat de

beschaafdste liplap moeite heeft de _h_ en de _g_, uit elkaar te houden,

lacht hy over de domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is

tusschen een _gouden hek_ en een _houten gek_.

Maar om hierover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het arabisch

en maleisch de _cha_ en de _hha_ door één karakter worden uitgedrukt,

dat _Hieronymus_ viâ _Geronimo_ in _Jérôme_ overgaat, dat we van

_huano_, _guano_ maken, dat een _want_ een _handschoen_ is, dat _kous_

van _hose_ afstamt, en dat we voor _Guild Heaume_ in 't hollandsch

_Huillem_ of _Willem_ zeggen. Zooveel eruditie is te veel gevergd van

iemand die zyn fortuin maakte "in" de indigo, en z'n beschaving haalde

uit het welgelukken van dobbelary ... of erger!

En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap!

Ik begryp hoe _Willem_ van _Guillaume_ komt, en moet erkennen dat ik,

vooral in de Molukken, zeer dikwyls "liplappen" heb leeren kennen, die

me deden verbaasd staan over den omvang hunner kennis, en die my op 't

denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook

ten-dienste stonden, dikwyls--en niet vergelykender-wyze alleen--verre

ten-achteren staan by de arme pariah's die van de wieg af hadden te

stryden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en 't zot vooroordeel

tegen hun kleur.

Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fouten in 't

hollandsch, omdat ze nooit anders dan maleisch sprak. We zullen haar

later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleinen Max

thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residents-woning te

_Rangkas-Betoeng_, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stooten,

eindelyk behouden aankwam.

De resident, die slechts was meegekomen om den nieuwen adsistent-resident

in zyn ambt te bevestigen, gaf den wensch te kennen nog dienzelfden dag

naar _Serang_ terugtekeeren:

--Omdat. Hy.

Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot allen spoed ...

--Het. Zoo. Druk. Had.

...en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de

groote voorgalery der woning van den Regent zou by-eenkomen. Verbrugge,

hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden,

den _Patteh_, den _Kliwon_, den _Djaksa_[42] den belasting-kollekteur,

eenige _mantries_, en voorts aan alle inlandsche beambten die deze

plechtigheid moesten bywonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te

verzamelen.

De _Adhipatti_ nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar

bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de

tuin groot was, 'tgeen haar zoo goed voorkwam voor kleinen Max die veel

in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan

om zich te verkleeden, want by de plechtigheid die er plaats hebben zou,

scheen het officieel voorgescheven kostuum een vereischte te wezen.

Rondom het huis stonden honderden menschen, die of te-paard den wagen

van den resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen

Hoofden behoorden. De policie- en bureau-oppassers liepen bedryvig

heen-en-weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat

vergeten plekje gronds in den javaschen Westhoek, voor een oogenblik

werd afgebroken door wat leven.

Weldra reed de fraaie wagen van den _Adhipatti_ 't voorplein op. De

resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat

struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de

woning van den Regent, waar ze met muziek van _gongs_ en _gamlangs_

ontvangen werden.[43] Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum

had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een

grooten kring, naar oostersche wyze op matten op den grond, en aan 't

eind van de lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de

_Adhipatti_, de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal Hoofden

plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige

plechtigheid begon.

De resident stond op, en las het besluit van den Gouverneur-generaal voor,

waarby Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resident van de afdeeling

_Bantan-Kidoel_ of Zuid-Bantam, zooals _Lebak_ door de inlanders genoemd

wordt. Hy nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot de

aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende:

"_dat men om tot het ambt van ***** te worden benoemd of bevorderd, niemand

iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en

getrouw zal zijn aan zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; gehoorzaam

aan zijner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men

stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die

gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal

gedragen gelijk een goed_ ... (hier: adsistent-resident) _betaamt_."

Hierop volgde natuurlyk het sakramenteele: "_zoo waarlijk helpe mij God

Almachtig_."

Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in dezen eed begrepen, had

eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: _de inlandsche bevolking,

te zullen beschermen tegen uitzuiging, en onderdrukking_. Want, zwerende

dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men

slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om

intezien dat eigenlyk een byzondere eed hieromtrent niet te-pas kwam.

Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet

schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een

afzonderlyken eed, waarby die verplichting omtrent den geringen man

nogeens uitdrukkelyk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal "God

Almachtig" tot getuige nemen by de belofte: dat hy de "_inlandsche

bevolking, beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en

knevelarij_."

Voor een fynen opmerker zou 't de moeite waard zyn geweest, het

onderscheid gadeteslaan tusschen houding en toon van den resident en van

Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid

meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't

meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen

veroorzaakt door 't uiteenloopende der karakters en begrippen van deze

beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar

hy 't besluit en de eeden slechts behoefde vóórtelezen, 'tgeen hem de

moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde

van zyn kant alles, met een deftigheid en een ernst, die den

oppervlakkigen beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van

't gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met

opgeheven vinger de eeden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding,

alsof hy zeggen wilde: "dat spreekt vanzelf, ook _zonder God Almachtig_,

zou ik dat doen" en wie menschkunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op

zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambtelyke

deftigheid van den resident.

Is 't niet inderdaad bespottelyk, te meenen dat de man die geroepen is

recht te spreken, de man aan wien het wel of wee van duizenden is in

handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken

klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen

voelt door zyn eigen hart?

Wy gelooven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die

mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by "God Almachtig" het

tegendeel beloofd.

Daarop volgde een toespraak van den resident tot de Hoofden, waarop hy

hun den adsistent-resident als opperhoofd der Afdeeling voorstelde, hen

uitnoodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt natekomen, en

dergelyke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop één-voor-één by

name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand, en de

"installatie" was afgeloopen.

Men gebruikte ten-huize van den _Adhipatti_ 't middagmaal, waartoe ook

de kommandant Duclari genoodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte

de resident die gaarne nog dien avend te _Serang_ wilde terug zyn:

--Omdat. Hy. Het. Zoo. Byzonder. Druk. Had.

...weder in zyn reiswagen, en zoo keerde _Rangkas-Betoeng_ weldra terug

tot een stilte, als te verwachten is van een javasche binnenpost die

door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan den

grooten weg gelegen was.

De kennismaking tusschen Duclari en Havelaar was spoedig op een

gemakkelyken voet gebracht. De _Adhipatti_ gaf blyken van ingenomenheid

met zyn nieuwen "ouder broeder" en Verbrugge verhaalde later dat ook de

resident, dien hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs-uitgeleide

had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar

doortocht naar Lebak eenige dagen ten-zynen-huize vertoefde, had

uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regeering goed aangeteekend

staande, hoogstwaarschynIyk spoedig tot een hooger ambt bevorderd, of

althans naar een meer "voordeelige" afdeeling verplaatst worden zou.

Max en "zyn Tine" waren eerst onlangs van een reis naar Europa

teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer

eigenaardig een koffertjes-leven heb hooren noemen. Zy achtten zich dus

gelukkig, na veel omzwervens eindelyk weder eens een plek te bewonen

waar zy zouden te-huis behooren. Vóór hun reis naar Europa, was Havelaar

adsistent-resident van Amboina geweest, waar hy met veel moeielykheden

had te stryden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistenden

en oproerigen toestand verkeerde ten-gevolge van de vele verkeerde

maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren.

Niet zonder veerkracht had hy dezen geest van verzet weten te

onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin

van-hoogerhand verleende, en uit ergernis over 't ellendig bestuur dat

sedert eeuwen de heerlyke streken der Molukken ontvolkt en bederft ...

De belangstellende lezer trachte te lezen te krygen wat over dit

onderwerp reeds in 1825 door den baron Van der Capellen geschreven werd,

en kan de Publikatien van dezen menschenvriend vinden in het Indische

Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert dien tyd niet beter

op geworden!

Hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy mocht en kon, maar uit

ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats

geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek geworden, en dit had

hem bewogen naar Europa te vertrekken.[44] Strikt genomen had hy by

wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins

welvarende afdeeling _Lebak_, daar zyn werkkring te Amboina van grooter

gewicht was, en hy dáár, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf

gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok,

spraak van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus

sommigen dat hem thans het bestuur eener Afdeeling werd opgedragen, die

aan kultuur-emolumenten zoo weinig opbracht, dewyl velen het belang

eener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf

echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was

geenszins van dien aard, dat hy bedelen zou om hoogeren rang of meer

gewin.[45]

En dit laatste ware hem toch goed te-stade gekomen! Want op zyn reizen

in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had

overgegaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in

één woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt beschouwd als een geldwinning,

en by zyn benoeming naar _Lebak_ nam hy zich met tevredenheid voor, het

achterstallige door zuinigheid intehalen, in welk voornemen zyn vrouw

die zoo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen

ondersteunen zou.

Maar zuinigheid viel Havelaar moeielyk. Hy voor zichzelf kon zich tot

het strikt-noodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy

binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was

hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hyzelf zag dit zwak in,

beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe

_onrecht_ hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak

zou gehad hebben op zyn eigen hulp ... gevoelde dit onrecht nog

levendiger, wanneer ook "zyn Tine" en Max, die hy beiden zoo lief had,

te lyden hadden onder de gevolgen zyner vrygevigheid ... hy verweet zich

zyn goedhartigheid als zwakte, als ydelheid, als zucht om voor een

verkleeden prins doortegaan ... hy beloofde zich beterschap, en toch ...

telkens als deze of gene zich aan hem wist voortedoen als 't slachtoffer

van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En dit in-weerwil der

bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdryving tot fout

geworden deugd. Acht dagen vóór de geboorte van zyn kleinen Max, bezat

hy 't noodige niet om 't yzeren wiegje te koopen waarin zyn lieveling

rusten zou, en weinig tyds te-voren nog had hy de weinige versierselen

zyner vrouw opgeofferd, om iemand bytestaan, die gewis in beter

omstandigheden verkeerde dan hyzelf.

Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zy waren aangekomen te

_Lebak_! Met vroolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: "waar

ze nu toch eenigen tyd hoopten te blyven." Met een eigenaardig genot

hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zoo _comfortable_ en

gezellig maken zouden. Zy toonden elkaar de plekken waar ze zouden

ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan,

waar hy 's avends haar zou voorlezen wat hy dien dag geschreven had,

want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op 't

papier ... en: "eens zou dat gedrukt worden, meende Tine, en dan zou men

zien wie haar Max was!" Maar nooit had hy iets ter-perse laten leggen

van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die

wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist dezen schroom

niet beter te beschryven, dan door aan wie hem aanspoorden tot

publiciteit, te vragen: "zoudt _gy_ uw dochter op-straat laten loopen

zonder hemd?"

Dit was dan weer een van de vele _boutades_, die zyn omgeving deden

zeggen dat "die Havelaar toch een zonderling mensch was, en ik beweer

het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zyn ongewone wyze van

spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van

een meisje, wellicht den tekst gevonden hebben voor een verhandeling

over de kuisheid van den geest, die schuw is voor de blikken van den

lompen voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke

schroomvalligheid.[46]

Ja, ze zouden gelukkig zyn te _Rangkas-Betoeng_, Havelaar en zyn Tine!

De eenige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden

achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar

Indie, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was

er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner

inkomsten? Misschien ook, ja waarschynlyk, zou hy spoedig resident

worden, en dan werd alles makkelyk geregeld in weinig tyds ...

--Hoewel 't my erg spyten zou, Tine, _Lebak_ te verlaten, want er is

hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy

misschien alles afdoen, ook zonder bevordering ... en dan hoop ik lang

hier te blyven, heel lang!

Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefte hy tot háár niet te richten.

_Zy_ had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid noodig was

geworden, doch ze had zich zoo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die

aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was.

Want Havelaar wist zeer goed dat _hy_ alleen gefaald had door zyn te ver

gedreven vrygevigheid, en dat _haar_ fout--àls er dan een fout bestond

aan hare zyde--alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max

altyd alles had goedgekeurd wat hy deed.

Ja, _zy_ had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de

_Nieuwstraat_, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren

"uitgeweest" rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig

voorwendsel dat de Koning hem belast had met: "het amuzeeren van oude

vrouwtjes die zich zoo goed gedragen hadden". _Zy_ vond het goed dat hy

de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk

onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. _Zy_ begreep volkomen dat hy

de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug

wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de

harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zoo noodig hadden voor hun

schamel bedryf. _Zy_ kon het niet afkeuren dat hy 't meisje tot haar

bracht, dat 'savends op de straat hem had aangesproken ... dat hy haar

te eten gaf en herbergde, en 't àl te goedkoop "ga heen, en zondig niet

meer!" niet uitsprak, voor hy haar dat "niet zondigen" had mogelyk

gemaakt. _Zy_ vond het zeer schoon in haar Max, dat hy 't klavier liet

terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hy had hooren

zeggen hoe leed het hem deed dat de meisjes verstoken waren van muziek

"na dat bankroet." _Zy_ begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie

vrykocht te Menado, die zoo bitter bedroefd was te moeten stygen op de

tafel des afslagers. _Zy_ vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan

de Alfoeren in de _Minahassa_, wier paarden waren doodgereden door de

officieren van de _Bayonnaise_. _Zy_ had er niet tegen dat hy te Menado

en te Amboina de schipbreukelingen der amerikaansche _whalers_ by zich

riep en verzorgde, en zich te _grand seigneur_ achtte om een

herbergiersrekening voorteleggen aan 't amerikaansch Gouvernement. [47]

_Zy_ begreep volkomen waarom de officieren van byna elk aangekomen

oorlogschip grootendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd

_pied-à-terre_ was.

Was hy niet háár Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet

ongerymd, hem die zoo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels

van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En

bovendien, al mocht er dan soms voor 't oogenblik iets onevenredigs

wezen tusschen inkomsten en uitgaven, was Max, háár Max, niet bestemd

voor een schitterende loopbaan? Moest hy niet weldra in omstandigheden

verkeeren, die hem zouden in-staat stellen zonder overschryding zyner

inkomsten den vryen loop te laten aan zyn groothartige neigingen? Moest

háár Max niet Gouverneur-generaal worden van dat lieve Indie, of ... een

koning? Wast 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds koning wàs?

Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid

met Havelaar schuld daaraan, en zoo ooit, dan zou 't hier gelden: dat

men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad!

Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te deelen in de

overdreven begrippen die zy van haren Max koesterde, mag men toch

aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond

uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen

zyner vrygevigheid weldra uit den weg te ruimen geweest zyn. Maar nog

een reden van geheel anderen aard verontschuldigde hare en zyne

schynbare zorgeloosheid.

Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by hare familie

opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen

bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele

brieven van vroeger tyd, en uit eenige losse aanteekeningen die zy in

een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zoo

van vaders- als van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem

evenwel duidelyk worden kon, wáár, waardoor of wanneer die rykdom was

verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van

geldelyken aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by

haar aandrong op eenige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van

haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem den

vyfden naar Engeland uitgeweken en ridmeester geweest by 't leger des

hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke

familie een vroolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd

opgegeven als oorzaak van den ondergang zyner fortuin. Later, by

Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel.

Aandoenlyk was het, de brieven te lezen van haar vader--toen een

jongeling van achttien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde

charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hy acht

jaren later krankzinnig sterven zou--brieven aan zyn moeder, waarin hy

zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar 't lyk zyns

vaders had gezocht.[48]

Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar

grootvader op zeer aanzienlyken voet geleefd had, en uit sommige

papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posteryen in

Zwitserland, op de wyze zooals thans nog in een groot gedeelte van

Duitschland en Italie, die tak van inkomst de _apanage_ uitmaakt der

vorsten van _Turn en Taxis_.[49] Dit deed een groot vermogen

veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken

niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht.

Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zyn

huwelyk, en by zyn nasporingen wekte het zyn verwondering dat de

kassette waarvan ik zoo-even sprak--met den inhoud uit een gevoel van

_pieteit_ bewaarde, zonder te gissen dat daarin misschien stukken waren,

die belang hadden uit een geldelyk oogpunt--op onbegrypelyke wyze was

verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hy bouwde op deze en vele andere

omstandigheden de meening dat hierachter een _roman intime_ verscholen

lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat hy, die voor zyn duren

inborst veel behoefde, met vreugde dien roman een bly einde had zien

nemen. Hoe 't nu wezen moog met het bestaan van dien roman, en of er al

dan niet _spoliatie_ had plaats gehad, zeker is 't dat er in Havelaars

verbeelding iets geboren werd, wat men een _rêve aux millions_ zou

kunnen noemen.[50]

Doch alweer was 't eigenaardig dat hy die zoo nauwkeurig en scherp het

recht van een ander--hoe diep ook begraven onder stoffige akten en

dikwebbige _chicanes_--zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hy hier

waar zyn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het oogenblik

verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hy

scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zyn eigen voordeel

gold, en ik geloof zeker wanneer "zyn Tine" gehuwd ware geweest met een

ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag

te verbreken waarin haar voorouderlyk fortuin was blyven hangen, dat hy

geslaagd zou zyn "de interessante wees" in 't bezit te stellen van het

vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees _zyn_

vrouw, háár vermogen was het _zyne_, hy vond er dus iets koopmansachtigs

in, iets derogeerends, in haar naam te vragen: "zyt ge my niet nog iets

schuldig?"

En toch kon hy dien millioenendroom niet van zich schudden, al ware het

dan ook slechts om een verontschuldiging by de hand te hebben, by het

dikwyls voorkomend zelfverwyt dat hy te veel geld uitgaf.

Eerst kort voor het terugkeeren naar Java, toen hy reeds veel geleden

had onder den druk van geldgebrek, toen hy zyn fier hoofd had moeten

buigen onder de _furca caudina_ van menigen schuldeischer, had hy zyn

traagheid of zyn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de

millioenen die hy meende nog te-goed te hebben. En men antwoordde hem

met eene oude rekening-courant ... een argument, zooals men weet,

waartegen niets valt intebrengen.

Maar ze zouden zoo spaarzaam wezen te _Lebak_! En waarom ook niet? Er

dwalen in zoo'n onbeschaafd land, op den laten avend geen meisjes over

straat, die een weinig eer te verkoopen hebben voor een weinig

voedsel.[51] Er zwerven daar zoo geen menschen rond, die van

problematische beroepen leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin

op-eens te-gronde gaat door wisseling van fortuin ... en van zoodanigen

aard toch waren gewoonlyk de klippen waarop de goede voornemens van

Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die Afdeeling was zoo gering

dat het niet in aanmerking komen kon, en de javaan te _Lebak_ te arm

om--by welke lotwisseling ook--belangwekkend te worden door nog grooter

armoede. Dit alles overdacht Tine zoo niet--hiertoe toch had zy zich,

juister dan zy uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven

van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden--maar er lag in hun

nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen

--met meer of min valsch-romanesken tint dan--die vroeger Havelaar zoo

dikwyls hadden doen zeggen:

--Niet waar, Tine, dàt is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken

kan?

En waarop zy altyd geantwoord had:

--Wel neen, Max, dááraan kanje je niet onttrekken!

We zullen zien hoe't eenvoudige, schynbaar onbewogen _Lebak_ Havelaar

meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zyn hart te-zamen genomen.

Maar dit wisten zy niet! Zy zagen de toekomst met vertrouwen te-gemoet,

en voelden zich zoo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van hun

kind ...

--Wat al rozen in den tuin, riep Tine, en ziedaar ook _rampeh_ en

_tjempaka_, en zooveel _melati_, en zie eens al die schoone lelien ...

En, kinderen als ze waren, vermaakten zy zich met hun nieuw huis. En

toen 's avends Duclari en Verbrugge, na een bezoek by Havelaar,

terugkeerden naar hun gemeenschappelyke woning, spraken zy veel over de

kinderlyke vroolykheid van de nieuw aangekomen familie.

Havelaar begaf zich naar zyn kantoor, en bleef daar den nacht door, tot

den volgenden morgen.

1/1
Menu

Fazer anotação