ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141] Max Havelaar · Capítulo 16 de 20
Obra Menu

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141]

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141]

_Saïdjah_'s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen

deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van

_Parang-Koedjang_, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen

lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de

_sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan,

en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den

_lombong_ van het huis.

Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de

opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigendom_

bestaat, wat elders niet het geval is.[142]

_Saïdjah_'s vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw

behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Saïdjah_ die nog een kind was, en

de broertjes en zusjes van _Saïdjah_.

Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als

hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat

straf by de wet.

Toen nam _Saïdjah_'s vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader.

De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de

scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy

verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam

te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen

buffel kocht.

_Saïdjah_, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen

buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel:

vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche

_kerbo_ zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt.

Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag

naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede

hy is opgegroeid.

Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Saïdjah_ spoedig weten

inteboezemen aan den nieuwen gast, en _Saïdjah_'s aanmoedigende

kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften

van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg

teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan

't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het

terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de

_sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus.

Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda_'s vader, den vader van 't kind

dat met _Saïdjah_ huwen zou. En als _Adinda_'s broertjes aankwamen aan

de tusschenliggende grens, juist als ook _Saïdjah_ dáár was met zyn

ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht

en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van

_Saïdjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de

anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede

toespraak.

_Saïdjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor

deze buffel aan _Saïdjah_'s vader werd afgenomen door het distriktshoofd

van _Parang-Koedjang_.

_Saïdjah_'s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee

zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor

achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.

Maar _Saïdjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda_'s broertjes, dat

de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn

vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dáár was om de

_klamboe_-haken te verkoopen? Op welke vraag _Saïdjah_'s vader niet had

willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals

de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking.

En _Saïdjah_ schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy

twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want

zyn keel was te nauw als hy slikte.

Men bedenke dat _Saïdjah_ een kind was.

De nieuwe buffel leerde _Saïdjah_ kennen, en nam in de genegenheid van

't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger ... al te spoedig

eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht

gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de

nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige ... wel was 't oude

juk te ruim voor zyn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zyn

voorganger die geslacht was, en al kon dan _Saïdjah_ niet meer roemen op

de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda_'s broertjes aan de

grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil.

En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er

aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met

zyn _patjol_, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een

_oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er

_ontong_ was in den loop van die haarwervels op de achterschoften.

Eens, in 't veld, riep _Saïdjah_ tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te

maken. Het dier stond pal. _Saïdjah_, verstoord over zoo groote en

vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een

beleediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indie geweest is, zal

my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging

spaar van een grove uitdrukking.

_Saïdjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat

hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden

waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want

het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop

als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten ... hy

blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zyn blauw oog, en de

bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag ...

"Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal _Adinda_'s broertjes, _Saïdjah_,

vlucht! Daar is een tyger!"

En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op

de breede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs_, over _galangans_,

door modder, door kreupelhout en bosch en _allang-allang_, langs velden

en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp

_Badoer_, was _Saïdjah_ niet by hen.

Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de

anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier

hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na ...

_Saïdjah_'s buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige

sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar

door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder

gegaan dan _Saïdjah_. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle

stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde,

of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak

over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong

... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en

verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De

aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en _Saïdjah_ was gered. Wèl

was er _ontong_, geweest in de _oeser-oeseran_ van dien buffel![143]

Toen deze buffel aan _Saïdjah_'s vader was afgenomen, en geslacht ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.

... toen deze buffel geslacht was, telde _Saïdjah_ twaalf jaar, en

_Adinda_ weefde _sarongs_, en _batikte_ die met puntige _kapala_. Ze had

reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze

teekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Saïdjah_ zeer

treurig gezien.

En ook _Saïdjah_'s vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze

toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind

ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda_'s

broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die

wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zóó ver

indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't

weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had

gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige

vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe

dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht

verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd

weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet

_Saïdjah_'s _moeder_ was, die hem slachten liet.

Eenigen tyd daarna vluchtte _Saïdjah_'s vader uit het land. Want hy was

zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en

hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn

ouders altyd in _Parang-Koedjang_, woonden, en hem dus weinig hadden

nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde

distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige

jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een

zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't

bezit van eigen buffels geweest is. _Saïdjah_'s moeder stierf van

verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg

uit _Lebak_ en uit _Bantam_, om werk te zoeken in 't _Buitenzorgsche_.

Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder

pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer_. Hier werd hy in de

gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo

onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een

oogenblik van _matah-glap_, misschien _amokh_ maken of andere

verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort

daarop stierf.

Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Saïdjah_, weet ik

niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer_, stond eenigen tyd ledig,

en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en

gedekt met _atap_. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel

geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak_.

_Saïdjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_

vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen

in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zooveel

heeren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem

een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk

iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel

zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was,

had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige

bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld

kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht

lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in

den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en

deelde haar zyn plan mede.

--Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te

trouwen, en we zullen twee buffels hebben!

--Heel goed, _Saïdjah_! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt.

Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken_, en

heel vlytig zyn al dien tyd.

--O, ik geloof je, _Adinda_! Maar ... als ik je getrouwd vind?

--_Saïdjah_, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn

vader heeft me toegezegd aan uw vader.

--En jyzelf?

--Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!

--Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte ...

--Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp?

--Dat is waar. Maar _Adinda_ ... o ja, dit is beter: wacht me by het

_djati_-bosch, onder den _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven.

--Maar, _Saïdjah_, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te

wachten by den _ketapan_?

_Saïdjah_ bedacht zich een oogenblik, en zeide:

--Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen ... deze maan

rekent niet mee. Zie, _Adinda_, kerf een streep in je rystblok by elke

nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den

dag die dáárop volgt, aankomen onder den _ketapan_. Beloof je, dáár

te zyn?

--Ja, _Saïdjah_! Ik zal onder den _ketapan_ by het djatibosch wezen als

je terugkomt.

Nu scheurde _Saïdjah_ een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer

versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda_, dat ze 't

bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer_.

Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet

de hoofdplaats was van _Lebak_, en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de

adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy _Pandeglang_ dat

daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_, aan,

en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele

huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. _Saïdjah_ had

nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar

's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang_ den

volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy

den grooten _toedoeng_, droeg, dien zyn vader hem had achtergelaten.

Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy

rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men

stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar

een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen

verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia_. Den volgenden dag

tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en

ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou,

haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die

_Adinda_ hem gegeven had onder den _ketapan_-boom. Want hy was bedroefd

geworden omdat hy haar niet zien zou in zóó langen tyd. Den eersten dag,

en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alléén hy was, omdat

zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen

tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten

had dan één, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van

_Adinda_, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy

had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het

vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den _ketapan_. Want zóó

groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by

't verlaten van _Badoer_ dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde,

als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van

dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had

alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende

onder dien boom.

Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer_, en hoe meer hy lette op

den vreeselyken duur van één dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die

voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem

minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieën, en al

was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die

niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat

zou _Adinda_ zeggen van zóó weinig hart?

Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had

de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was

veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy

vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zoo naby hem was en hy

haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nù zou hy niet kalm

wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook

begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om

haar nog éénmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort

geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den

_lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy

meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was

verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet_. "Hoe was 't mogelyk,

dacht hy, hierover boos te worden op _Adinda_? Want al hàd zy een fout

gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van _Badoer_ tegen

_Tjipoeroet_ verloren dáárdoor, en niet door de glasscherf--zoo

ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen _Djamien_ die zich

verschool achter den _pagger_--had ik zelfs dàn zoo hard mogen wezen

tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als

ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zóó

groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die

scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik

gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed

dat _Saïdjah_ stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen

_Adinda_?"

Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige

overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden

binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den

weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn

voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals

Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten.

"Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met

myn vader om zout te maken.

Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe

water, zullen er haaien komen.

Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal

het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?"

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe_, dat hyzelf had aangestoken

omdat hy _mata-glap_ was.

Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout

neervallen op myn lyk.

En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water

werpen om het vuur te dooden.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb den kleinen _Si-oenah_ zien vallen uit den _klappa_-boom, toen

hy een _klappa_ plukte voor zyne moeder.

Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan den

voet, in de struiken, als _Si-oenah_.

Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen

zullen roepen: "zie, daar ligt _Saïdjah_! met harde stem.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe_, die gestorven was van hoogen

ouderdom, want zyne haren waren wit.

Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen

om myn lyk staan.

En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk.

En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb velen gezien te _Badoer_, die gestorven waren. Men kleedde

hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond.

Als ik sterf te _Badoer_, en men begraaft my buiten de _dessah_, oostwaarts

tegen den heuvel, waar 't gras hoog is,

Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens

voortschuiven langs het gras...

Ik zal het hooren."

_Saïdjah_ kwam te _Batavia_ aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te

nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy _Saïdjah_ niet verstond.

Want te _Batavia_ heeft men gaarne bedienden die nog geen maleisch

spreken en dus nog niet zoo bedorven zyn als anderen die langer in

aanraking waren met europesche beschaving. _Saïdjah_ leerde spoedig

maleisch, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels

die hy koopen wilde, en aan _Adinda_. Hy werd groot en sterk omdat hy

alle dagen at, wat te _Badoer_ niet altyd wezen kon. Hy was bemind in

den stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van den

koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zooveel van

_Saïdjah_, dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men

verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men

zoo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had den roman van

_Sue_ gelezen die zooveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins

_Djalma_ wanneer ze _Saïdjah_ zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter

dan vroeger hoe de javaansche schilder _Radhen Saleh_ zoo grooten opgang

had gemaakt te Parys.

Maar men vond _Saïdjah_ ondankbaar toen hy, na byna drie jaren dienst,

zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen

had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en _Saïdjah_ ging met een

vroolyk hart op reis.

Hy ging voorby _Pising_, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar

dit wist _Saïdjah_ niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets

anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy

t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift

van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was,

scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy

voelde dit gaarne ... ik geloof 't wèl! Dáárin waren dertig

_spaansche-matten_, genoeg om drie buffels te koopen. Wat zou _Adinda_

zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver

beslagen scheede van een kris dien hy in den gordel droeg. Het gevest

was zeker van fyn uitgesneden _kamoening_, want hy had het met veel zorg

gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de

wrong van den _kahin_ om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van

breede zilveren schakels, met gouden _ikat-pendieng_. Het is waar dat de

band kort was: maar ze was zoo slank ... _Adinda_!

En aan een koordjen om den hals, onder zyn voor-_baadjoe_ droeg hy een

zyden zakje, waarin eenige verdroogde _melatti_.

Was 't wonder dat hy te _Tangerang_ zich niet langer ophield dan noodig

was tot het bezoeken van den bekende zyns vaders, die zoo fyne

stroohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op

zyn weg, die hem vroegen: "waarheen, vanwaar?" zooals de groet is in die

streken? Was 't wonder dat hy _Serang_, niet meer zoo voornaam vond, hy

die _Batavia_ had leeren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de _Pagger_,

zooals hy deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbyryden, hy die

den veel grooteren heer had gezien, die te _Buitenzorg_ woont en de

grootvader is van den _Soesoehoenan_ van Solo? Was 't wonder dat hy

weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen

en spraken van al 't nieuws in _Bantan-Kidoel_? Dat hy nauwelyks luisterde

toen men hem verhaalde dat de koffikultuur na veel onbeloonde moeite

geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ wegens

roof op den publieken weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest

ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar

_Rangkas-Betoeng_? Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat

de vorige was gestorven, eenige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte

gesproken had op de eerste _sebah_-vergadering? Hoe er sedert eenigen tyd

niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte

dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed?

Neen, schooner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht

den _ketapan_-boom in de wolken, te vèr nog als hy was om dien te zoeken

by _Badoer_. Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de

gestalte omvatten die hem wachten zou onder dien boom. Hy teekende zich

_Adinda_'s gelaat, haar hoofd, haar schouder ... hy zag den zwaren

_kondeh_, zoo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in

haar hals ... hy zag haar groot oog, schitterend in donkeren weerschyn

... de neusvleugels die ze zoo fier optrok als kind, wanneer hy--hoe

was't mogelyk!--haar plaagde, en den hoek van haar lippen waarin zy een

glimlach bewaarde. Hy zag hare borst, die nu zwellen zou onder de

_kabaai_ ... hy zag hoe de _sarong_, die zyzelf geweven had, haar heupen

nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel

in heerlyke golving op den kleinen voet ...

Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere

tonen. Hy hoorde hoe _Adinda_ zeggen zou: "zy wèl gekomen, _Saïdjah_! Ik

heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst

in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myne hand. Hier ben ik

onder den _ketapan_, den eersten dag der nieuwe maan. Zy wèl gekomen,

_Saïdjah_: ik wil uw vrouw zyn!"

Dàt was de muziek die in zyn ooren weerklonk, en hem belette te

luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg.

Eindelyk zag hy den _ketapan_. Of liever hy zag een donkere plek die

veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het _Djati_-bosch wezen, by

den boom waar hy _Adinda_ zou weerzien, den volgenden dag na 't opgaan

van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra

vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy

legde den vinger in een gleuf die _Si-Panteh_ daarin gehakt had met zyn

_parang_, om den _pontianak_ te bezweren die schuld had aan de tandpyn

van _Panteh_'s moeder, kort voor de geboorte van zyn broertje. Dàt was

de _ketapan_ dien hy zocht.

Ja, wèl was dit de plek waar hy voor 't eerst _Adinda_ anders had

aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst

geweigerd had deeltenemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met

alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Dáár had ze hem de

_melatti_ gegeven.

Hy zette zich neder aan den voet van den boom, en zag op naar de

sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn

wederkomst te _Badoer_. En hy dacht er aan, of _Adinda_ nu slapen zou?

En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem

zoo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg

ware ... zes-en-dertig! En of ze schoone _sarongs_ en _slendangs_ zou

_gebatikt_ hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in

zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor den geest, en zyne moeder,

en hoe die buffel hem had gered van den tyger, en hy bepeinsde wat er

toch zou geworden zyn van _Adinda_ als die buffel minder trouw ware

geweest?

Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't Westen, en by elke ster

die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan

haren Opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien

van _Adinda_.

Want zeker zou ze komen by den eersten straal, ja, by 't schemeren reeds

zou ze daar zyn ... ach, waarom was ze niet reeds gekomen den vorigen dag?

Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgeloopen, het schoone

oogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met

onbeschryfelyken glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner

liefde, scheen 't hem toe dat _Adinda_ had moeten dáár zyn, wachtende op

hèm, hy die zich nu beklaagde--vóór den tyd reeds!--dat hy te wachten

had op háár.

Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan,

nog had het oog van den dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel

verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind

komen zou aan haar heerschappy ... wel vloeiden er vreemde kleuren over

de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper

afstaken op lichteren grond ... wel vloog er hier-en-daar door de wolken

in het oosten iets gloeiends--pylen van goud en van vuur die

heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim--maar ze verdwenen

weer en schenen neertevallen achter de ondoordringbare gordyn die nog

altyd den dag bleef verbergen voor de oogen van _Saïdjah_.

Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het

landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het _klappa_-boschje

waarin _Badoer_ verscholen ligt ... daar sliep _Adinda_.

Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat

_Saïdjah_ haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen den ganschen

nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan hare deur, om te vragen

waarom de _pelitah_ voortbrandde in haar huisjen, en met lieven lach had

ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om den _slendang_ afteweven

waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor den eersten dag der

nieuwe maan ...

Of ze had den nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok,

en tellende met begeerigen vinger dat er wel waarlyk daarin

zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had

zich vermaakt met kunstigen schrik of ze zich misschien verrekende, of

er wellicht nog eene ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder

te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel degelyk driemaal twaalf

manen waren voorbygegaan sedert _Saïdjah_ haar zag voor het laatst.

Ook zy zou thans, nu 't al zoo licht werd, haar oogen inspannen met

vruchtelooze vermoeienis om de blikken te buigen òver de kim, opdat ze

de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef ... wegbleef ...

Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken,

en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer

schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder

ditmaal, ze hechtten zich vast op den donkeren grond, en deelden hun

gloed mede in grooter en grootere kringen, en ontmoetten elkander,

kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze vereenigden zich tot

vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer,

en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat

alles ... o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van _Adinda_!

_Saïdjah_ had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem

dat te leeren want heiliger gebeden vuriger dank dan er lag in de

sprakelooze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menschelyke

taal.

Hy wilde niet naar _Badoer_ gaan. Het weerzien zelf van _Adinda_ kwam

hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien.

Hy zette zich aan den voet van den _ketapan_, en liet zyn oogen dwalen

over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te

heeten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar

vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane

smart, by 't vertoonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het

afzyn, liet ook _Saïdjah_ zich vermaken door 't weerzien van zoovele

plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn oogen of

zyn gedachten ronddwaalden, telkens viel zyn blik en zyn verlangen terug

op het pad dat van _Badoer_ leidt naar den _ketapan_. Alles wat zyn

zinnen waarnamen, heette _Adinda_. Hy zag den afgrond links, waar de

aarde zoo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar

hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden--want het is

geen geringe zaak een jongen buffel te verliezen--en ze hadden zich

neergelaten aan sterke _rottan_-koorden. _Adinda_'s vader was de

moedigste geweest ... O, hoe zy in de handen klapte, _Adinda_!

En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosboschje wuift over de

hutten van het dorp, daar ergens was _Si-Oenah_ uit een boom gevallen,

en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: "omdat _Si-Oenah_ nog zoo klein

was" jammerde zy ... alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als

_Si-Oenah_ grooter geweest ware. Maar klein was hy, dàt is waar, want hy

was kleiner en zwakker nog dan _Adinda_ ...

Niemand betrad het wegje dat van _Badoer_ leidde naar den boom. Straks

zou ze komen: o, zeker.. 't was nog zoo vroeg!

_Saïdjah_ zag een _badjing_ die met dartele vlugheid heen-en-weersprong

tegen den stam van een _klappa_-boom. Het diertje--de ergernis van den

eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging--klauterde

onvermoeid op-en-neder. _Saïdjah_ zag het, en dwong zich er naar te

blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van den zwaren arbeid

dien ze verrichtten sedert het opgaan der zon ... rust na 't afmattend

wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat

er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen

_voorlezen_ in 't maleisch, dat italiaansch van het Oosten[145] doch

ziehier de vertaling:

"Zie hoe de _badjing_ zyn levensonderhoud zoekt

Op den _klappa_-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts,

Hy draait om den boom, springt, valt, klimt, en valt weder:

Hy heeft geen vleugels, en is toch zoo vlug als een vogel.

Veel geluk, myn _badjing_, ik wensch u heil!

Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt...

Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,

Wachtende op levensonderhoud van myn hart.

Reeds lang is het buikje van myn _badjing_ verzadigd...

Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje...

Maar nog altyd is myn ziel

En myn hart bitter bedroefd.. _Adinda_!"

Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den

_ketapan_.

_Saïdjah_'s oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het

begon warm te worden.

"Zie hoe de vlinder daar rondfladdert.

Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem.

Zyn hartjen is verliefd op den bloesem der _kenari_.

Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde.

Veel geluk, myn vlinder, ik wensch u heil!

Ge zult gewis vinden wat gy zoekt...

Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,

Wachtende op wat myn hart liefheeft.

Reeds lang heeft de vlinder gekust

Den _kenari_-bloesem die hy zoozeer bemint...

Maar nog altyd is myn ziel

En myn hart bitter bedroefd... _Adinda_!"

En er was niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom.

De zon begon reeds hoog te staan ... er was al hitte in de lucht.

"Zie, hoe de zon schittert daar omhoog,

Hoog boven den _waringi_-heuvel!

Ze voelt zich te warm, en wenscht neertedalen,

Om te slapen in zee, als in de armen van een gade.

Veel geluk, o zon, ik wensch u heil!

Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden...

Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch,

Wachtende op rust voor myn hart.

Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen,

En slapen in de zee, als alles duister is...

En nog altyd zal myn ziel

En myn hart bitter bedroefd zyn.... _Adinda_!

Nog was er niemand op den weg die er leidt van _Badoer_ naar den

_ketapan_.

"Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen,

Als de sterren niet meer zullen schitteren,

Als de _melatti_ niet meer welriekend zal wezen,

Als er niet langer bedroefde harten zyn,

Noch wild gedierte in het woud...

Als de zon verkeerd zal loopen,

En de maan vergeten wat oost en west is...

Als dàn _Adinda_ nog niet gekomen is,

Dan zal een engel met blinkende vleugelen

Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.

Dan zal myn lyk hier liggen onder den _ketapan_...

Myn ziel is bitter bedroefd... _Adinda_!"

Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den

_ketapan_.

"Dan zal myn lyk door den engel gezien worden.

Hy zal het zyn broederen aanwyzen met den vinger:

"Ziet, daar is een gestorven mensch vergeten,

Zyn verstyfde mond kust een _melatti_-bloem.

Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen,

Hem, die op _Adinda_ gewacht heeft tot hy dood was.

Gewis, hy mag niet daar achterblyven,

Wiens hart de kracht had zóó te beminnen!"

Dan zal nog ééns myn verstyfde mond zich openen

Om _Adinda_ te roepen, die myn hart lief heeft...

Nog éénmaal zal ik de _melatti_ kussen

Die zy me gaf... _Adinda_... _Adinda_!"

En nog altyd was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den

boom.

O, ze was gewis tegen den morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't

waken gedurende den nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker

had ze niet geslapen sedert weken: zóó was het!

Zou hy opstaan en naar _Badoer_ gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er

twyfel was aan haar komst?

Als hy den man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man

was te ver. En bovendien _Saïdjah_ wilde niet spreken _over Adinda_,

niet vragen _naar Adinda_ ... hy wilde haar weerzien, háár alleen, háár

het eerst! O zeker, zéker zou ze nu spoedig komen!

Hy zou wachten, wachten ...

Maar als ze ziek was, of ... dood?

Als een aangeschoten hert vloog _Saïdjah_ 't pad op, dat van den

_ketapan_ leidt naar het dorp waar _Adinda_ woonde. Hy zag niets en

hoorde niets, en toch had hy iets kunnen hooren, want er stonden

menschen op den weg by den ingang van het dorp, die riepen: "_Saïdjah_,

_Saïdjah_!"

Maar ... was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette _Adinda's_ huis te

vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van den weg waar het

dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't

hoofd omdat hy háár huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar

weer was hy aan den ingang, en--myn God, was 't een droom?--weer had hy

_Adinda_'s huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal

bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit den

waanzin wegtepersen die hem beving, en riep luide: "dronken, dronken, ik

ben dronken!"

En de vrouwen van Badoer kwamen uit hare huizen, en zagen met deernis

den armen _Saïdjah_ daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat

hy _Adinda_'s huis zocht, en wisten dat er geen huis van _Adinda_ was in

het dorp Badoer.

Want, toen het distriktshoofd van _Parang-Koedjan_ den buffel van

_Adinda_'s vader had weggenomen ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.

... toen was _Adinda_'s moeder gestorven van verdriet. En haar jongste

zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En

_Adinda_'s vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet

betaalde ...

Ik weet het wel, ik weet het wel, dat myn verhaal eentonig is!

... _Adinda_'s vader was heengegaan uit het land. Hy had _Adinda_

meegenomen, met hare broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van

_Saïdjah_ te _Buitenzorg_ was gestraft met rottingslagen omdat hy

_Badoer_ verlaten had zonder pas. En daarom was _Adinda's_ vader niet

gegaan naar _Buitenzorg_, noch naar _Krawang_, noch naar de _Preanger_,

noch naar de _Bataviasche Ommelanden_ ... hy was gegaan naar

_Tjilang-kahan_, het distrikt van _Lebak_, dat aan de zee grenst. Daar

had hy zich verscholen in de bosschen, en gewacht op de komst van

_Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma_ en nog eenige

anderen die door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ beroofd waren

van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten

niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht meester gemaakt van een

visschersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd,

en hielden het land rechts van zich, tot aan _Java-punt_. Vanhier waren

zy noordwaarts gestevend tot ze _Tanahitam_ voor zich zagen, dat de

europesche zeelieden _Prinsen-eiland_ noemen. Zy waren dat eiland

omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de

_Keizersbaai_, zich richtende op den hoogen piek in de _Lampongs_. Zóó

althans was de weg dien men elkander fluisterend vóórzei in 't

_Lebaksche_, wanneer er gesproken werd over officieelen buffelroof en

onbetaalde landrenten.

Maar de verbysterde _Saïdjah_ verstond niet duidelyk wat men hem zeide.

Zelfs begreep hy niet goed het bericht van den dood zyn vaders. Er was

een gegons in zyn ooren als had men op een _gong_ geslagen in zyn hoofd.

Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan

zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder den druk van zoo zware

uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoofden blik rond zonder te

zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach.

Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisjen en verpleegde den armen

dwaas. Weldra lachte hy niet meer zoo akelig, maar toch sprak hy niet.

Alleen 's nachts werden de hutgenooten opgeschrikt door zyn stem, als hy

toonloos zong: "_ik weet niet waar ik sterven zal_" en eenige bewoners

van _Badoer_ legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de

_boaja's_ van den _Tjioedjoeng_ voor de genezing van _Saïdjah_, dien men

voor zinneloos hield.

Maar zinneloos was hy niet.

Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de

_baleh-baleh_, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar

_Adinda_ gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er

zoovéél huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen

aan de wydte van den hoek dien sommige lichtlynen door 't geboomte

vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zooals de zeeman peiling neemt

op vuurtorens of uitstekende bergpunten.

Ja, dáár moest het zyn ...dáár had _Adinda_ gewoond!

Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen

dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk,

hy vond nog iets terug van den opstaanden _Pagger_ waarnaast _Adinda_'s

_baleh-baleh_ gestaan had, en zelfs stak in dien _pagger_ nog de

bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen

legde ...

Maar de _baleh-baleh_ was ingestort als het huis, en byna vergaan tot

stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en

ademde zeer diep ...

Den volgenden dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar

't rystblok was dat er gestaan had op het erf van _Adinda_'s huis? De

vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om

dat blok te zoeken. Toen zy den nieuwen eigenaar aan _Saïdjah_ kon

aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy

daarop twee en dertig ingekorven strepen ...

Toen gaf hy die vrouw zooveel _Spaansche-matten_ als noodig was tot het

koopen van een buffel, en verliet _Badoer_. Te _Tjilang-Kahan_ kocht hy

een visschersprauw, en kwam daarmede na eenige dagen zeilens in de

_Lampongs_ aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het

nederlandsch gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om

te stryden zoozeer als om _Adinda_ te zoeken. Want hy was zacht van

aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid.

Op zekeren dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy

rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en

dus in brand stond.[146] _Saïdjah_ wist dat de bende die daar vernietigd

was geworden, grootendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook

waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond

het lyk van _Adinda_'s vader met een _klewang_-bajonetwonde in de borst.

Naast hem zag _Saïdjah_ de drie vermoorde broeders van _Adinda_,

jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van

_Adinda_, naakt, afschuwelyk mishandeld ...

Er was een smal strookje blauw lynwaad gedrongen in de gapende borstwond

die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worsteling ...

Toen liep _Saïdjah_ eenige soldaten te-gemoet, die met geveld geweer de

laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de brandende huizen.

Hy omvademde de breede zwaardbajonetten, drukte zich voorwaarts met

kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen

de gevesten stuitten tegen zyn borst.

En weinig tyds later was er te _Batavia_ groot gejubel over de nieuwe

overwinning die weer zooveel lauweren had gevoegd by de lauweren van 't

nederlandsch-indisch leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland

dat de rust in de _Lampongs_ hersteld was. En de Koning van Nederland,

voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zooveel heldenmoed

met vele ridderkruisen.

En waarschynlyk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de harten der

vromen dankgebeden ten-hemel, by 't vernemen dat "de Heer der

heirscharen" weer had meegestreden onder de banier van Nederland ...

"Maar God, met zooveel wee begaan,

Nam de offers van dien dag niet aan!"[147]

* * * * *

Ik heb 't slot der geschiedenis van _Saïdjah_ korter gemaakt, dan ik had

kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs.

De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwylde by de beschryving van het

wachten onder den _ketapan_, als schrikte ik terug voor de treurige

ontknooping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch

was dit myn voornemen niet, toen ik begon over _Saïdjah_ te spreken.

Want aanvankelyk vreesde ik, sterker kleuren noodig te hebben om den

lezer te treffen by 't beschryven van zoo vreemde toestanden. Gaande-weg

echter gevoelde ik dat het een beleediging voor myn publiek wezen zou,

te gelooven dat ik meer bloed had moeten brengen in myn schildery.[148]

Toch had ik dit kùnnen doen, want ik heb stukken voor my liggen ... doch

neen: liever een bekentenis.

Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of _Saïdjah_ _Adinda_ lief had.

Niet of hy naar _Batavia_ ging. Niet of hy in de _Lampongs_ werd

vermoord met nederlandsche bajonetten. Ik weet niet of zyn vader bezweek

ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hy _Badoer_

had verlaten zonder pas. Ik weet niet of _Adinda_ de manen telde door

kerven in haar rystblok ...

Dit alles weet ik _niet_!

Maar ik weet _meer_ dan dat alles. Ik weet _en kan bewyzen dat er veel_

Adinda's waren en _veel_ Saïdjah's, en dat, _wat verdichtsel is in 't

byzonder, waarheid wordt in 't algemeen_. Ik zeide reeds dat ik de namen

kan opgeven van personen die, zooals de ouders van _Saïdjah_ en

_Adinda_, door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is myn

doel niet, in dit werk mededeelingen te geven als voegen zouden voor een

vierschaar die uitspraak te doen had over de wyze waarop 't nederlandsch

gezag in Indie wordt uitgeoefend, mededeelingen die slechts kracht van

bewys zouden hebben voor wien het geduld had die met aandacht en

belangstelling doortelezen, zooals niet verwacht kan worden van een

publiek dat verstroojing zoekt in zyn lektuur. Daarom heb ik, in-plaats

van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagteekening er by,

in-plaats van een afschrift _der lyst van diefstallen en afpersingen,

die voor me ligt_[149] getracht een schets te geven van wat er kàn

omgaan in de harten der arme lieden die men berooft van wat dienen moet

tot onderhoud van hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen,

vreezende my te zeer te bedriegen in het teekenen der omtrekken van

aandoeningen die ik nooit ondervond.

Maar wat de _hoofdzaak_ aangaat? O, dat ik opgeroepen werde om te staven

wat ik schreef! O, dat men zeide: "ge hebt dien _Saïdjah_ verdicht ...

hy zong nooit dat lied ... er woonde geen _Adinda_ te _Badoer_!" Maar

dat het gezegd werd met de macht en den wil om recht te doen, zoodra ik

zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn!

Is er logen in de gelykenis van den barmhartigen Samaritaan, omdat er

misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een

samaritaansch huis? Is er logen in de parabel van den zaaier, omdat geen

landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of--om aftedalen tot meer

gelykheid met myn boek--mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak

uitmaakt van de _Negerhut_, omdat er misschien nooit een _Evangeline_

bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk

pleidooi--onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door _strekking_,

en _indruk_--zal men tot haar zeggen: "ge hebt gelogen, de slaven worden

niet mishandeld, want ... er is onwaarheid in uw boek: het is een

roman!" Moest niet ook zy, in-plaats eener optelling van dorre

daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef

der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de harten? Zou haar

boek gelezen zyn, als ze daaraan den vorm had gegeven van een

processtuk? Is 't haar schuld--of de myne--dat de waarheid, om toegang

te vinden, zoo vaak het kleed moet borgen van de leugen?

En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saïdjah_ en zyn liefde heb

geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer

weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen

tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die

men "inlanders" noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zùlke

bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van myn boek,

geeft my een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, "het kwaad dat

gy bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_ de

inlander niet is als uw _Saïdjah_ ... er ligt in de mishandeling der

Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen

_Saïdjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen

niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus ...

Neen, Minister van Kolonien, neen, Gouverneurs-generaal in ruste, niet

dàt hebt gy te bewyzen! Ge hebt te bewyzen dat de bevolking niet

mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saïdjahs_ onder die

bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van

lieden die _niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die

_niet_ sentimenteel zyn?[150]

By een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der teekening

van _Saïdjah_ verdedigen, maar op staatkundigen bodem geef ik terstond

alle aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te beletten dat de

groote vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om

't even of men my houde voor een onbekwaam schilder, mits men my toegeve

dat de mishandeling van den inlander is: VERREGAAND! Zóó toch luidt het

woord op de nota des voorgangers van Havelaar, die door dezen getoond

werd aan den kontroleur Verbrugge: _een nota die voor me ligt_.[149]

Maar ik heb andere bewyzen! En dit is gelukkig, want ook Havelaar's

voorganger kon zich vergist hebben.

Helaas, als _hy_ zich vergiste, werd hy voor die vergissing zeer hard

gestraft. Hy is vermoord.

1/1
Menu

Fazer anotação