ACHTTIENDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 17 de 20
Obra Menu

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de

voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis

uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps

wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man

terug die even te-voren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zy zich

verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs

het grasveld naar Havelaars huis terug.

"Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!" zei Havelaar, en toen

de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsenden toon, om haar niet te

doen meenen dat hy haar een weinigje gezag misgunde, op een erf dat

vroeger 't hare was:

--Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de menschen die 't erf

betreden, zoo terugzendt? Als die man van zoo-even nu eens iemand was

die kippen te-koop had, of iets anders wat noodig kon zyn voor de

keuken?

Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek

die niet ontsnapte aan Havelaars blik.

--Ach, zeide zy, er is zooveel slecht volk!

--Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de menschen zoo moeielyk

maakt, zullen de goeden ook weg blyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch

eens ronduit waarom ge zoo streng opzicht houdt over 't erf?

Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in

haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan ... de weduw

berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het

distriktshoofd te _Parang-Koedjang_ vergiftigd was.

--Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar, ging de arme vrouw voort,

hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking

zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en

schriftelyk ... ge moet zyn brieven gevonden hebben in 't archief?

Dit was zoo. Havelaar had die brieven gelezen, _waarvan afschriften voor

my liggen_.[149]

--Hy sprak telkens met den resident, vervolgde de weduw, maar altyd

vergeefs. Want daar 't van algemeene bekendheid was dat de knevelary

plaats had ten-behoeve en onder bescherming van den Regent, wien de

resident niet by de Regeering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken

tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had myn arme man

gezegd dat hy, als er geen verbetering kwam vóór 't einde des jaars,

zich rechtstreeks wenden zou tot den Gouverneur-generaal. Dat was in

November. Hy ging kort daarna op een inspektiereis, gebruikte het

middagmaal ten huize van den _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_, en werd

kort daarop in deerniswaarden toestand te-huis gebracht. Hy riep, op de

maag wyzende: "vuur, vuur" en weinige uren later was hy dood, hy die

altyd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.

--Hebt ge den dokter van _Serang_ laten roepen? vroeg Havelaar.

--Ja, maar hy heeft myn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze

kort na zyn komst gestorven is. Ik durfde den dokter myn vermoeden niet

meedeelen, omdat ik wegens myn toestand voorzag deze plaats niet spoedig

te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gy

even als myn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heerschen,

en daarom heb ik geen gerust oogenblik. Ik had dit alles voor u willen

verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde my dus tot

het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben

tot de keuken.

Nu werd het Tine duidelyk waarom mevrouw Slotering haar eigen

huishouding was blyven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken

van de keuken "die toch zoo ruim was."

Havelaar liet den kontroleur roepen. Intusschen richtte hy aan den

geneesheer te _Serang_, een verzoek om opgave der verschynselen by

Sloterings dood. Het antwoord dat hy op deze vraag bekwam, was niet in

den geest der vermoedens van de weduw. Volgens den arts was Slotering

gestorven aan een "abcès in de lever." Het is me niet gebleken of

zoodanige kwaal zich zoo kan openbaren op-eenmaal, en den dood

veroorzaken in weinige uren? Ik geloof hier te moeten achtslaan op de

verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altyd

gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zoodanige

verklaring--omdat de opvatting van 't begrip: _gezondheid_, vooral in

de oogen van niet-geneeskundigen, zeer onderwerpelyk is--blyft toch de

gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een "abcès in

de lever" zich gister kon _te-paard_ zetten met het doel om een

bergachtige landstreek te inspekteeren die in sommige richtingen twintig

uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam

geneesheer geweest zyn, en zich niettemin vergist hebben in 't

beoordeelen van de verschynselen der ziekte, onvoorbereid als hy was op

't vermoeden van misdaad.[151]

Hoe dit zy, ik kan niet bewyzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was,

daar men Havelaar den tyd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te

brengen. Doch wel kan ik bewyzen _dat zyn omgeving hem voor vergiftigd

hield_, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zyn zucht om onrecht

te-keer te gaan.

De kontroleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg

kortaf:

--Waaraan is m'nheer Slotering gestorven?

--Dat weet ik niet.

--Is hy vergiftigd?

--Dat weet ik niet, maar ...

--Spreek duidelyk, Verbrugge!

--Maar hy trachtte de misbruiken te-keer te gaan, zooals u, m'nheer

Havelaar, en ... en ...

--Welnu? Ga voort?

--Ik ben overtuigd dat hy ... zou vergiftigd geworden zyn als hy langer

hier was gebleven.

--Schryf dat op!

Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. _Zyn verklaring, ligt voor

my!_[149]

--Nog iets. Is 't _wáár_ of is 't _niet_ waar dat er gekneveld wordt in

_Lebak_?

Verbrugge antwoordde niet.

--Antwoord, Verbrugge!

--Ik durf niet.

--Schryf 't op, dat je niet durft!

Verbrugge heeft het opgeschreven: _het ligt voor my_.[149]

--Wèl! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je

zei me onlangs, toen er spraak was van _vergiftiging_, dat je de eenige

steun was van je zusters te _Batavia_, niet waar? Ligt dáárin misschien

de oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altyd _halfheid_ noemde?

--Ja!

--Schryf dat op.

Verbrugge schreef het op: _zyn verklaring ligt voor my!_[149]

--'t Is wèl, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge kon gaan.

Havelaar trad naar buiten en speelde met kleinen Max dien hy met

byzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond

hy 't kind weg en riep Tine in zyn kamer.

--Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenschte dat je met Max

naar _Batavia_ ging: ik klaag heden den Regent aan.

En ze viel hem om den hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep

snikkende:

--Neen Max, neen Max, dat doe ik niet ... dat doe ik _niet! Wy eten en

drinken tezamen!_

Had Havelaar ongelyk toen hy beweerde dat zy evenmin recht had op

neussnuiten als de vrouwen te Arles?

Hy schreef en verzond den brief waarvan ik hier een afschrift geef.

Nadat ik eenigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk

geschreven werd, geloof ik niet noodig te hebben op de kordate

plichtsvervulling te wyzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de

zachtmoedigheid die Havelaar bewoog den Regent in bescherming te nemen

tegen al te zware straf. Doch niet zoo overbodig zal 't wezen, daarby

zyn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de

pas gedane ontdekking om niet het stellige zyner aanklacht te verzwakken

door onzekerheid omtrent een wel belangryke, maar nog onbewezen

beschuldiging. Zyn voornemen was, 't lyk van zyn voorganger te doen

opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent zou verwyderd

zyn, en diens aanhang onschadelyk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de

gelegenheid niet gelaten.[152]

In de afschriften van officieele stukken--afschriften die overigens

letterlyk overeenstemmmen met het oorspronkelyke--geloof ik de dwaze

titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van den

goeden smaak myner lezers verwacht ik dat zy in deze verandering

genoegen nemen.

"N° 88. _Geheim. Spoed_. _Rangkas-Betoeng_, 24 Februari 1856.

_Aan den Resident van Bantam_.

Sedert ik voor een maand myn betrekking alhier aanvaardde, heb ik my

hoofdzakelyk beziggehouden met het onderzoek naar de wyze waarop de

Inlandsche Hoofden zich kwyten van hun verplichtingen jegens de

bevolking op het stuk van _heerediensten, poendoetan_ en dergelyke.[153]

Zeer spoedig ontdekte ik dat de Regent op eigen autoriteit, en ten

zynen-behoeve, menschen liet opkomen, vèr boven het hem wettig

toekomend aantal _pantjens_ en _kemits_.[154]

Ik weifelde tusschen de keus om terstond officieel te rapporteeren,

en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, dien

Inlandschen Hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten-einde het

tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en

te-gelyker-tyd dien ouden dienaar van het Gouvernement niet terstond

al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte

voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwyls gegeven zyn, en

in-verband met de byzondere omstandigheid dat hy bezoek verwachtte

van twee verwanten, de Regenten van _Bandoeng_ en van _Tjanjor_,

althans van den laatsten--die, naar ik meen, reeds met groot gevolg

op weg is--en hy dus meer dan anders in de verzoeking was--en met het

oog op den benarden staat zyner geldmiddelen, als-het-ware in de

_noodzakelijkheid_--om door onwettige middelen te voorzien in de

noodige toebereidselen voor dat bezoek.

Dit alles leidde my tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was,

doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.

Ik drong aan op dadelyke staking van elke onwettigheid.

Van die voorloopige proeve om den Regent door zachtheid tot zyn

plicht te brengen, heb ik u onder'shands doen kennis dragen.[155]

My is echter gebleken dat hy met brutale onbeschaamdheid alles in den

wind slaat, en ik gevoel my krachtens myn ambtseed verplicht u

meetedeelen:

_dat ik den Regent van_ Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara,

BESCHULDIG _van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over

den arbeid zyner onderhoorigen, en_ VERDENK _van knevelary, door_ het

vorderen van _opbrengsten in_ naturâ, _zonder, of tegen willekeurig

vastgestelde, onvoldoende, betaling; dat ik_ voorts _den Dhemang,

van_ Parang-Koedjang _zyn schoonzoon--verdenk van medeplichtigheid

aan de genoemde feiten._

Om beide zaken behoorlyk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid u

voortestellen, my te gelasten:

1° _den Regent van_ Lebak _voornoemd, met den meesten spoed naar_

Serang _optezenden, en zorgtedragen dat hy noch voor zyn vertrek,

noch gedurende de reize in de gelegenheid zy, door omkooping of op

andere wyze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal moeten

inwinnen;_

2° _den Dhemang van_ Parang-Koedjang _voorloopig, in arrest te

nemen;_

3° _gelyken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen

rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen

worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen

onderzoek;_

4° _dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van den uitslag

te dienen van omstandig bericht._

Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des

Regents van _Tjanjor_ te kontramandeeren.

Ten-slotte heb ik de eer--ten-overvloede voor u, die de Afdeeling

Lebak beter kent dan my nog mogelyk is--de verzekering te geven dat

uit een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer

zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou

beducht zyn als ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben

geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide,

_poessing_ is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.[156]

Ik heb de kracht tot den moeielyken plicht dien ik door het schryven

van dezen brief volbreng, gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my

vergund zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter

verschooning van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door

eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.

_De Adsistent-resident van Lebak_

MAX HAVELAAR."

Den volgenden dag antwoordde hem ... de resident van _Bantam_? O neen,

de heer Slymering, _partikulier_!

Dit antwoord is eene kostbare bydrage tot de kennis van de wyze waarop

het bestuur in Nederlandsch-Indie wordt uitgeoefend. De heer Slymering

beklaagde zich "dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in den brief

N° 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven." Natuurlyk omdat er dan

meer kans ware geweest op "_schipperen_" En voorts: "dat Havelaar _hem

stoorde in zyn drukke bezigheden!_"

De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb

dien brief voor my liggen en vertrouw myn oogen niet. Ik herlees den

brief van den adsistent-resident van _Lebak_ ik plaats hèm en den

resident van _Bantam_, Havelaar en Slymering naast elkander...

* * * * *

Die Sjaalman is een gemeene schooier! Ge moet weten, lezer, dat

Bastiaans weer dikwyls niet op 't kantoor komt, omdat hy de jicht heeft.

Daar ik nu een gewetenszaak maak van het wegwerpen der fondsen van de

firma--_Last & Co_--want in principes ben ik onwrikbaar, kwam ik

eergister op 't denkbeeld dat Sjaalman toch een tamelyk goede hand

schryft, en daar hy er zoo armoedig uitziet, en dus voor matig loon wel

zou te krygen zyn, begreep ik aan de firma verplicht te wezen, op de

goedkoopste wys in de vervanging van Bastiaans te voorzien. Ik ging dus

naar de Lange-leidsche-dwarsstraat. De vrouw van den winkel was voor,

doch scheen me niet te herkennen, schoon ik haar onlangs heel duidelyk

had gezegd dat ik_ m'nheer Droogstoppel was, Makelaar in koffi, van de

Lauriergracht_. Er is altyd iets stuitends in dat niet herkennen, maar

omdat het nu wat minder koud is, en ik den vorigen keer myn jas met bont

aanhad, schryf ik het dááraan toe, en trek 't my niet aan ... de

beleediging, meen ik. Ik zei dus nogeens, dat ik _m'nheer Droogsstoppel

was, Makelaar in Koffi_ van de _Lauriergracht_, en verzocht haar te gaan

zien of die Sjaalman thuis was, omdat ik niet weer zooals onlangs wilde

te doen hebben met zyn vrouw, die altyd ontevreden is. Maar die

uitdraagster weigerde naar-boven te gaan. "Ze kon niet den heelen dag

trappen klimmen voor dat bedelvolk, zeide zy, ik moest maar zelf gaan

zien." En daar volgde weer een beschryving van de trappen en portalen,

die ik volstrekt niet noodig had, want ik herken altyd een plaats waar

ik eens geweest ben, omdat ik altyd zoo op alles acht geef. Dit heb ik

my aangewend in de zaken. Ik klom dus de trappen op, en klopte aan de

bekende deur, die terugweek. Ik trad binnen, en daar ik niemand in de

kamer vond, zag ik eens rond. Nu, veel te zien was er niet. Er hing een

half broekje met geborduurde strook over een stoel ... wat hoeven zulke

menschen geborduurde broekjes te dragen? In een hoek stond een niet zeer

zware reiskoffer, dien ik in gedachte aan het hengsel vatte, en op den

schoorsteenmantel lagen eenige boeken die ik eens inzag. Een wonderlyke

verzameling! Een paar deelen van _Byron, Horatius, Bastiat, Béranger_,

en ... raad eens? Een bybel, een kompleete bybel, met de apokriefe

boeken er in! Dàt had ik by Sjaalman niet verwacht. En er scheen in

gelezen te zyn ook, want ik vond veel aanteekeningen op losse stukken

papier, die betrekking hadden op de Schrift--hy zegt dat Eva tweemaal

ter-wereld kwam ... de man is gek!--nu, alles was van dezelfde hand als

de stukken in dat verwenschte pak. Vooral 't boek van Job scheen hy

yverig bestudeerd te hebben, want daar gaapten de bladen. Ik denk dat hy

de hand des Heeren begint te voelen, en daarom door lektuur in de

heilige boeken zich wil verzoenen met God. Ik heb er niets tegen. Maar,

zoo al wachtende, viel myn oog op een dames-werkdoosje, dat op tafel

stond. Zonder erg bezag ik dat. Er waren een paar half-afgewerkte

kinderkousjes in, en een tal van zotte verzen. Ook een brief aan

Sjaalmans vrouw, zooals uit het opschrift bleek. De brief was geopend,

en zag er uit alsof men hem in drift had saamgeknepen. Nu is myn vast

principe, nooit iets te lezen dat niet aan my gericht is, omdat ik dit

niet fatsoenlyk vind. Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang by

heb. Maar nu kreeg ik een ingeving dat het myn plicht was, dien brief

eens intezien omdat de inhoud my misschien zou voorlichten omtrent de

menschlievende bedoeling die me tot Sjaalman voerde. Ik dacht er aan,

hoe toch de Heer altyd naby de Zynen is, daar Hy me hier onverwachts in

de gelegenheid stelde, iets meer van dien man te weten te komen, en me

dus behoedde voor 't gevaar een weldaad te bewyzen aan een onzedelyk

persoon. Ik let nauwkeurig op zulke vingerwyzingen van den Heer, en dit

heeft me dikwyls veel nut in de zaken gedaan. Tot myn groote

verwondering zag ik, dat die vrouw van Sjaalman van deftige familie was,

althans de brief was geteekend door een bloedverwant, wiens naam in

Nederland aanzienlyk is, en ik was inderdaad opgetogen over den schoonen

inhoud van dat schryven. Het scheen iemand te zyn, die yverig werkt voor

den Heer, want hy schreef "dat de vrouw van Sjaalman zich moest laten

scheiden van zulk een ellendeling, die haar armoed liet lyden, die zyn

brood niet kon verdienen, die bovendien een schurk was, omdat hy

schulden had ... dat de schryver van den brief met haar toestand begaan

was, hoewel zy zich dat lot had op den hals gehaald door eigen schuld,

daar ze den Heer had verlaten, en Sjaalman aanhing ... dat ze tot den

Heer moest terugkeeren, en dat dan de heele familie misschien de handen

zou inéénslaan, om haar naaiwerk te bezorgen. Maar vóór alles moest ze

scheiden van dien Sjaalman, die een ware schande was voor de familie."

Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te halen dan er in dien

brief stond.

Ik wist genoeg, en was dankbaar dat ik op zoo wonderbare wys was

gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing toch ware ik zeker weer 't

slachtoffer geworden van myn goed hart. Ik besloot dus nogmaals om

Bastiaans maar te houden tot ik een geschikten vervanger vind, want ik

zet niet gaarne iemand op-straat, en we kunnen op 't oogenblik geen

bediende missen, omdat er zooveel by ons omgaat.

De lezer zal wel nieuwsgierig zyn, te weten hoe ik 't gemaakt heb op den

laatsten krans, en of ik den triolet heb gevonden? Ik ben niet op den

krans geweest. Er zyn wonderlyke dingen voorgevallen: ik ben naar

Driebergen geweest, met myn vrouw en Marie. Myn schoonvader, de oude

Last, de zoon van den eersten Last--toen de Meyers er nog in waren, maar

die zyn er lang uit--had al zoo dikwyls gezegd, dat hy myn vrouw en

Marie eens wilde zien. Nu was 't vry goed weer, en myn vrees voor de

liefdegeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht my op-eens weer

die uitnoodiging in de gedachten. Ik sprak er over met onzen boekhouder,

die een man is van veel ondervinding, en me na ryp beraad in overweging

gaf, my op myn plan te beslapen. Dit nam ik terstond voor, want ik ben

snel in de uitvoering van myn besluiten. Den volgenden dag reeds zag ik

in, hoe wys die raad geweest was, want de nacht had my op het denkbeeld

gebracht, dat ik niet beter kon doen dan de beslissing uittestellen tot

vrydag. Kortom, na rypelyk alles te hebben overwogen--er was veel vóór,

maar ook veel tegen--zyn we gegaan, saturdag-middag, en maandag-morgen

teruggekeerd. Ik zou dit alles niet zoo uitvoerig verhalen, als 't niet

in nauw verband stond met myn boek. Ten-eerste hecht ik er aan, dat ge

zoudt weten, waarom ik niet protesteer tegen de zotternyen die Stern den

laatsten zondag zeker weer heeft uitgekraamd.--Wat is dat voor een

vertelling, van iemand die wat hooren zou als hy dood was? Marie sprak

er van. Ze had het van de Rosemeyertjes, die in suiker doen.--Ten-tweede,

omdat ik nu op-nieuw de zekere overtuiging heb opgedaan, dat al die

vertellingen over ellende en onrust in den Oost, klinkklare leugens zyn.

Zoo ziet men, hoe 't reizen iemand in de gelegenheid stelt, de zaken goed

te doorgronden.

Saturdag-avend namelyk, had myn schoonvader een uitnoodiging aangenomen

by een heer die vroeger in den Oost resident was, en nu op een groot

buiten woont. Dáár zyn we geweest, en waarlyk, ik kan de lieve ontvangst

niet genoeg roemen. Hy had zyn rytuig gezonden om ons aftehalen, en de

koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te guur om de

buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in den zomer, maar in

't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was vol-op van alles

wat vermaak geeft: een billardzaal, een bibliotheekzaal, een overdekte

yzeren glasgalery als broeikast, en de _kakatoea_ zat op een kruk van

zilver.[157] Ik had nooit zoo-iets gezien, en maakte terstond de

opmerking, hoe toch altyd goed gedrag beloond wordt. Die man had terdeeg

op zyn zaken gepast, want hy had wel drie ridderorden. Hy bezat een

heerlyke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. Aan 't souper

was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden roode vesten

aan, net als de koetsier.

Daar ik veel belang stel in indische zaken--om de koffi--bracht ik

dáárop het gesprek, en zag al heel spoedig waaraan ik me te houden had.

Die resident heeft me gezegd, dat hy 't in den Oost altyd heel goed

heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is aan al die vertellingen

over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op

Sjaalman. Hy kende hem, en wel van een zeer ongunstige zyde. Hy

verzekerde my, dat men zeer goed had gedaan dien man wegtejagen, want hy

was een zeer ontevreden persoon, die altyd op alles aanmerking maakte,

terwyl er bovendien veel viel aftekeuren in zyn eigen gedrag. Hy

schaakte namelyk telkens meisjes, en bracht die dan by zyn eigen vrouw,

en hy betaalde zyn schulden niet, wat toch zeer onfatsoenlyk is. Daar ik

nu uit den brief dien ik gelezen had, zoo juist wist hoe gegrond al die

beschuldigingen waren, deed het me groot genoegen, te zien dat ik de

zaken zoo goed beoordeeld had, en was ik zeer tevreden met myzelf. Ik

ben hiervoor dan ook bekend by myn pilaar ... dat ik altyd zoo juist

oordeel, meen ik.

Die resident en zyn vrouw waren lieve, gulle menschen. Ze verhaalden ons

veel van hun levenswys in den Oost. Het moet daar toch wel aangenaam

wezen. Zy zeiden dat hun buitenplaats by Driebergen niet half zoo groot

was als hun "erf", zooals ze dat noemden, in de binnenlanden van Java,

en dat daartoe wel honderd menschen noodig waren tot onderhoud. Maar--en

dit is wel een bewys hoe bemind ze waren--dat deden die menschen geheel

om-niet, en alleen uit genegenheid. Ook verhaalden zy, dat by hun

vertrek de verkoop hunner meubelen wel tienmaal meer dan de waarde had

opgebracht, omdat de Inlandsche Hoofden zoo graag een aandenken koopen

van een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later aan

Stern, die beweerde dat het door dwang geschiedde, en dat hy dit uit

Sjaalmans pak bewyzen kon.[158] Maar ik heb hem gezegd, dat die Sjaalman

een lasteraar is, dat hy meisjes heeft geschaakt--even als die jonge

Duitscher by Busselinck & Waterman--en dat ik volstrekt geen waarde

hecht aan zyn oordeel, want dat ik nu van een resident zelf had gehoord

hoe de zaken stonden, en dus van m'nheer Sjaalman niets te leeren had.

Er waren daar nog meer menschen uit den Oost, onder anderen een heer die

heel ryk was, en nog altyd veel geld verdiende aan thee, die de Javanen

voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de Regeering van hem koopt

voor hoogen prys, om de werkzaamheid van die Javanen aantemoedigen. Ook

die heer was zeer boos op al de ontevreden menschen, die gedurig spreken

en schryven tegen de Regeering. Hy kon 't bestuur van de kolonien niet

genoeg roemen, want hy zei overtuigd te wezen dat er veel verloren werd

op de thee die men van hem kocht, en dat het dus een ware edelmoedigheid

was, by voortduring een zoo hoogen prys te betalen voor een artikel dat

eigenlyk weinig waarde heeft, en dat hyzelf dan ook niet lustte, want hy

dronk altyd chinesche thee. Ook zeide hy dat de Gouverneur-generaal die

de zoogenaamde theekontrakten had verlengd, in weerwil van de berekening

dat er door 't Land zooveel verloren wordt op die zaken, zulk een bekwaam

braaf mensch was, en vooral zulk een trouw vriend voor wie hem vroeger

gekend hadden. Want die Gouverneur-generaal had zich volstrekt niet

gestoord aan de praatjes over 't verlies op de thee, en hem, toen er

spraak was van de intrekking dier kontrakten, ik geloof in 1846, een

grooten dienst gedaan door te bepalen dat men maar altyd zou voortgaan met

het koopen van zyn thee. "Ja, riep hy uit, het hart bloedt me als ik zulke

edele menschen hoor lasteren! Als hy er niet geweest was, liep ik nu

te-voet met vrouw en kinderen."[159] Toen liet hy zyn _barouchet_ voorkomen,

en die zag er zóó keurig uit, en de paarden staken zóó goed in 't vleesch,

dat ik best begrypen kan, hoe men gloeit van dankbaarheid voor zulk een

Gouverneur-generaal. Het doet inde ziel goed, het oog te vestigen op zoo

liefelyke aandoeningen, vooral wanneer men die vergelykt met dat verwenschte

morren en klagen van wezens als zoo'n Sjaalman.

Den volgenden dag bracht die resident ons een bezoek terug, en ook die

heer voor wien de Javanen thee maken. 't Zyn beste menschen, en toch

deftig van belang! Beiden tegelyk vroegen zy met welken trein we dachten

aantekomen te Amsterdam? Wy begrepen niet wat dit beteekenen moest, maar

later werd het ons duidelyk, want toen we maandagmorgen daar aankwamen,

waren er aan de station twee bedienden, één met een rood vest, en één

met een geel vest, die tegelyk ons zeiden met den telegraaf last te

hebben bekomen, ons aftehalen met rytuig. Myn vrouw was konfuus, en ik

dacht er aan, wat Busselinck en Waterman zouden gezegd hebben, als ze

dat gezien hadden ... dat er twee rytuigen tegelyk voor ons waren, meen

ik. Maar 't was niet gemakkelyk een keus te doen, want ik kon niet

besluiten een der partyen te krenken, door 't afwyzen van een zoo lieve

attentie. Goede raad was duur. Maar ik heb my uit die hoogstmoeielyke

omstandigheid alweer gered. Ik heb myn vrouw en Marie in 't roode rytuig

gezet--in den wagen van 't rooie vest, meen ik--en ik ben in 't gele

gaan zitten ... in 't gele rytuig, meen ik.

Wat die paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altyd zoo vuil is,

vloog de modder rechts en links huizenhoog, en, alsof weer 't spel

sprak, daar liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met

gebukt hoofd, en ik zag hoe hy met de mouw van zyn kaal jasje, zyn bleek

gelaat trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit

geweest, en myn vrouw vond het ook.

1/1
Menu

Fazer anotação