NEGENDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 9 de 20
Obra Menu

NEGENDE HOOFDSTUK

NEGENDE HOOFDSTUK

Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een

heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, by de beschryving

van een kasteel, myn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te

wachten tot het mensch op den grond kwam? Als ik in myn verhaal zulk een

luchtsprong noodig had, zou ik voorzichtigheidshalve nog altyd een

eerste verdieping kiezen als uitgangspunt van haar sprong, en een

kasteel waarvan weinig te zeggen viel. Wees echter voorloopig gerust:

Havelaars huis had geen verdieping, en de heldin van myn boek--goede

hemel, de lieve trouwe _anspruchlose_ Tine, een heldin!--is nooit uit

een venster gesprongen.

Toen ik 't vorig hoofdstuk sloot met een aanwyzing op wat afwisseling in

het volgende, was dit eigenlyk meer een oratorische kunstgreep, en om

een slot te maken dat goed "knipte" dan wel omdat ik inderdaad meende

dat het volgend hoofdstuk alleen "ter afwisseling" waarde hebben zou.

Een schryver is ydel als ... een man. Spreek kwaad van zyn moeder of van

de kleur zyner haren, zeg dat hy een amsterdamsch accent heeft--wat

nooit een Amsterdammer toestemt--wellicht vergeeft hy u die dingen. Maar

... roer nooit aan de buitenzy van 't kleinste onderdeel eener byzaak

van iets dat er lag naast zyn geschryf ... want dàt vergeeft hy u niet!

Als ge dus myn boek niet schoon vindt, en ge mocht my ontmoeten, houd u

dan alsof wy elkander niet kenden.

Neen, zelfs zulk een hoofdstuk "ter afwisseling" komt me door het

vergrootglas myner schryvers-ydelheid, hoogst belangryk en zelfs

onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behooren

waart ingenomen met myn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te

verwyten als oorzaak dat ge myn boek niet kondet beoordeelen, want dat

ge juist het _essentieele_ niet gelezen hadt. Zóó zou ik--want ik ben

man en schryver--elk hoofdstuk voor _essentieel_ houden, dat gy hadt

overgeslagen met onvergeeflyke lezerslichtzinnigheid.

Ik verbeeld me dat uwe vrouw vraagt: "is er nogal wat _aan_ dat boek?"

En ge zegt by-voorbeeld--_horribile auditu_ voor my--met de

woordenrykheid die eigen is aan gehuwde mannen:

--Hm ... zóó ... ik weet nog niet.

Welnu, barbaar, lees verder! Het belangryke staat juist voor de deur. En

met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de omgeslagen

bladen, en ik zoek op uw gelaat naar den weerschyn van 't hoofdstuk "dat

zoo mooi is ...

Neen, zeg ik, hy is er nog niet. Straks zal hy op springen, in

vervoering iets omhelzen, zyn vrouw misschien.

Maar ge leest verder. Het "mooie hoofdstuk" moet voorby wezen, dunkt me.

Ge zyt in 't minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd.

En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler

wordt myn hoop op die omhelzing ... ja, waarachtig, ik had zelfs

staat-gemaakt op een traan!

En ge hebt den roman uitgelezen tot "waar ze elkaar krygen" toe, en ge

zegt--een andere vorm, van welsprekendheid in den echtestaat--geeuwend:

--Zóó ... zóó! 't Is een boek dat ... hm! Och, ze schryven zoo véél

tegenwoordig!

Maar weet ge dan niet, ondier, tyger, _Europeaan_, lezer, weet ge dan

niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met byten op _myn_ geest als

op een tandenstoker? Met knagen en kauwen op vleesch en been van uw

geslacht? Menscheneter, daarin stak myn ziel, _myn_ ziel die ge hebt

vermaald als eens gegeten gras! 't Was _myn_ hart dat ge daar hebt

opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die

ziel neergelegd, en er vielen zooveel tranen op dat handschrift, en myn

bloed week weg uit de âren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat

alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers ... en ge zegt: _hm_!

De lezer begrypt dat ik hier niet spreek van _myn_ boek.

Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken ...

--Wie is dat, Abraham Blankaart? vroeg Louise Rosemeyer, en Frits

vertelde het haar, wat me groot genoegen deed, want dit gaf my

gelegenheid eens optestaan en, voor dien avend althans, een eind

te maken aan de voorlezing. Ge weet dat ik makelaar in koffi ben

--_Lauriergracht N° 37_--en dat ik alles over heb voor myn vak. Ieder

zal dus kunnen nagaan, hoe weinig ik tevreden was met het werk van

Stern. Ik had op koffi gehoopt, en hy gaf ons ... ja, de hemel

weet, wàt!

Met zyn opstel heeft hy ons al drie kransavenden beziggehouden, en, wat

het ergste is, de Rosemeyers vinden het mooi. Zoo zeggen ze, ten-minste.

Als ik een aanmerking maak, beroept hy zich op Louise. "Háár

goedkeuring, zegt hy, weegt hem zwaarder dan alle koffi van de wereld,

en bovendien: "als 't hart me gloeit ... enz.--Zie deze tirade op bladzy

zooveel, of liever, zie ze niet.--Daar sta ik dan, en weet niet wat te

doen! Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaansch paard. Ook Frits wordt

er door bedorven. Hy heeft, naar ik bemerk, Stern geholpen, want die

Abraham Blankaart is veel te hollandsch voor een Duitscher.[75] Beiden

zyn ze zoo pedant, dat ik waarlyk met de zaak verlegen word. Het ergste

is, dat ik met Gaafzuiger een overeenkomst heb aangegaan voor het

uitgeven van een boek dat over de _koffiveilingen_ moet handelen--heel

Nederland wacht er op--en daar gaat me nu die Stern een heel anderen weg

uit! Gister zeide hy: "wees gerust, alle wegen leiden naar Rome. Wacht

nu eerst het slot van de inleiding af--is dat alles nog maar _inleiding_

--_ik_ beloof u--hy zeide eigenlyk: "ik verspreek u"--dat ten-slotte de

zaak zal neerkomen op koffi, koffi, op niets dan koffi! Denk aan Horatius,

ging hy voort, heeft niet hy reeds gezegd: _omne tulit punctum, qui

miscuit_ ... koffi met wat anders? Handelt gyzelf niet even zoo, als ge

suiker en melk in uw kopje doet?"

En dan moet ik zwygen. Niet omdat hy gelyk heeft, maar omdat ik aan de

firma _Last & Co_ verplicht ben zorgtedragen dat de oude Stern niet

vervalle in Busselinck & Waterman, die hem slecht zouden bedienen omdat

het knoeiers zyn.

By u, lezer, stort ik myn hart uit, en opdat ge na het lezen van Stern's

geschryf--heb ge 't werkelyk gelezen?--uwen toorn niet zoudt uitstorten

over een onschuldig hoofd want ik vraag u, wie zal een makelaar nemen,

die hem voor menscheneter uitscheldt?--hecht ik er aan, dat ge overtuigd

zyt van myn onschuld. Ik kan toch dien Stern niet uit de firma van myn

boek dringen, nu de zaken eenmaal zóóver zyn dat Louise Rosemeyer, als

ze uit de kerk komt--de jongens schynen haar optewachten--vraagt of hy

wat vroeg komen zal dien avend, om toch recht veel van Max en Tine

voortelezen?

Maar omdat ge het boek hebt gekocht of gehuurd in 't vertrouwen op den

deftigen titel die wat degelyks belooft, erken ik uw aanspraken op wat

goeds voor uw geld, en daarom schryf ikzelf nu eens weer een paar

hoofdstukken. Ge zyt niet in den krans van de Rosemeyers, lezer, en dus

gelukkiger dan ik die alles moet aanhooren. U staat het vry, de

hoofdstukken overteslaan, die naar duitsche opgewondenheid rieken, en u

alleen bezig te houden met wat geschreven is door my, die een deftig man

ben, en makelaar in koffi.

Met bevreemding heb ik uit Stern's geschryf vernomen--en uit Sjaalman's

pak heeft hy me aangetoond dat het waar was--dat er in die afdeeling

_Lebak_ geen koffi wordt geplant. Dit is zeer verkeerd, en ik zal myn

moeite ruim beloond achten, als de Regeering door myn boek op die fout

wordt opmerkzaam gemaakt. Uit de papieren van Sjaalman zou blyken, dat

de grond in die streken voor de koffikultuur niet geschikt is. Maar

hierin ligt volstrekt geen verschooning, en ik beweer dat men zich

schuldig maakt aan onvergeeflyk plichtverzuim omtrent Nederland in 't

algemeen en de koffimakelaars in 't byzonder, ja omtrent de javanen

zelf, door niet, òf dien grond te veranderen--de Javaan heeft toch niets

anders te doen--òf, als men meent dit niet te kunnen, de menschen die

dáár wonen, te zenden naar andere streken waar de grond wèl goed is

voor koffi.

Ik zeg nooit iets wat ik niet goed overwogen heb, en durf beweren dat ik

hier met kennis van zaken spreek, daar ik over dit stuk rypelyk heb

nagedacht, vooral sedert het hooren der preek van dominee Wawelaar in

den bidstond voor 't bekeeren der heidenen.

Dat was woensdag avend. Ge moet weten, lezer, dat ik myn plichten als

vader stipt vervul, en dat de zedelyke opleiding myner kinderen me zeer

na aan het hart ligt. Daar nu Frits sedert eenigen tyd in toon en

manieren iets heeft aangenomen, dat me niet bevalt--'t komt alles uit

dat verwenschte pak!--heb ik hem eens goed onder-handen genomen,

en gezegd:

"Frits, ik ben niet over je tevreden! Ik heb je altyd het goede

voorgehouden, en toch wyk je van den rechten weg af. Je bent pedant en

lastig, en maakt verzen, en je hebt Betsy Rosemeyer een zoen gegeven. De

vreeze des Heeren is 't beginsel van alle wysheid, je moet dus de

Rosemeyers niet zoenen, en niet zoo pedant wezen. Zedeloosheid brengt

ten verderve, jongen. Lees in de Schrift, en let eens op dien Sjaalman.

Hy heeft de wegen van den Heer verlaten: nu is hy arm, en woont op een

klein kamertje ... ziedaar de gevolgen van onzedelykheid en slecht

gedrag! Hy heeft verkeerde artikels in de _Indépendance_ geschreven en

de _Aglaia_ laten vallen. Zoo gaat het, als men wys is in zyn eigen

oogen. Hy weet nu niet eens hoe laat het is, en zyn jongetje heeft maar

een half broekjen aan. Bedenk dat je lichaam een tempel Gods is, en dat

je vader altyd hard heeft moeten werken voor den kost--'t is de

waarheid!--sla dus 't oog naar boven, en tracht optegroeien tot een

fatsoenlyk makelaar, als ik naar Driebergen ga. En let toch op al de

menschen die niet hooren willen naar goeden raad, die godsdienst en

zedelykheid met voeten trappen, en spiegel je aan die menschen. En stel

je niet gelyk met Stern, wiens vader zoo ryk is, en die altyd geld

genoeg zal hebben, al wil hy geen makelaar worden, en al doet hy

nu-en-dan eens wat verkeerds. Bedenk toch dat al het kwade gestraft

wordt: zie maar weer dien Sjaalman die geen winterjas heeft, en er

uitziet als een komediespeler. Luister toch goed in de kerk, en zit daar

niet zoo heen-en-weer te draaien op je bank, alsof 't je verveelde,

jongen, want ... wat moet God daarvan denken? De kerk is _Zyn_

heiligdom, zie je? En wacht geen jonge meisjes op als 't uit is, want

dit neemt de stichting weg. Maak ook Marie niet aan 't lachen, als ik by

't ontbyt uit de Schrift lees. Dat komt in een fatsoenlyk huishouden

niet te-pas. Ook heb je poppetjes geteekend op 't legblad van Bastiaans,

toen de man weer niet binnen was--omdat hy telkens de jicht heeft--dat

houdt de menschen op 't kantoor van hun werk, en er staat in Gods Woord

dat zulke dwaasheden ten-verderve leiden. Die Sjaalman deed ook

verkeerde dingen toen hy jong was: hy heeft als kind op de Westermarkt

een Griek geslagen ... nu is hy lui, pedant en ziekelyk, ziedaar! Maak

dus niet zoo altyd grappen met Stern, jongen: _zyn_ vader is ryk, moet

je denken. Houd je alsof je 't niet zag, als hy gezichten trekt tegen

den boekhouder. En als hy buiten 't kantoor met verzen bezig is, zeg hem

dan zoo-eens, dat hy 't hier by ons zoo goed heeft, en dat Marie

pantoffels voor hem heeft geborduurd met echte floszy. Vraag

hem--zoo-eens uit jezelf, weetje?--of hy gelooft dat zyn vader by

Busselinck & Waterman gaan zal, en zeg hem dat het knoeiers zyn. Zieje,

dat is men zyn naaste schuldig--zoo breng je hem op den goeden weg, meen

ik--en ... al dat verzenmaken is gekheid. Wees toch braaf en gehoorzaam,

Frits, en trek de meid niet aan de rokken, als ze thee brengt op 't

kantoor, en maak me niet te-schande, want dan stort ze, en Paulus zegt

dat nooit een zoon verdriet moet doen aan zyn vader. Ik bezoek twintig

jaar de beurs, en durf zeggen dat ik geacht ben by myn pilaar. Hoor dus

naar myn vermaningen, Frits, en wees braaf, en haal je hoed, en trek je

jas aan, en ga mee naar den bidstond, dat zal je goed doen!"

Zóó heb ik gesproken, en ik ben overtuigd dat ik indruk op hem gemaakt

heb, vooral daar dominee Wawelaar tot onderwerp van zyn rede had

gekozen: _de liefde Gods, blykbaar uit Zyn toorn tegen ongeloovigen_,

naar aanleiding van Samuels berisping aan Saul: _Sam. XV: 33b_.

By 't aanhooren van die predikatie, dacht ik gedurig hoe hemelsbreed

toch het verschil is tusschen menschelyke en goddelyke wysheid. Ik zeide

reeds dat er in het pak van Sjaalman, onder veel vodden, toch ook een

en-ander was, dat in 't oog viel door degelykheid van redeneering. Maar,

och, hoe weinig heeft toch zoo-iets te beduiden, als men 't vergelykt by

een taal als van dominee Wawelaar! En niet uit eigen kracht--want ik ken

Wawelaar, en houd hem voor iemand die waarlyk niet hoog vliegt--neen,

door de kracht die van boven komt. Dit onderscheid bleek te duidelyker,

omdat hy sommige punten aanroerde, die ook door Sjaalman behandeld

waren, want ge hebt gezien dat er in zyn pak veel over javanen en andere

heidenen voorkwam. Frits zegt dat de javanen geen heidenen zyn, maar ik

noem ieder die een verkeerd geloof heeft, een heiden. Want ik houd me

aan Jezus Christus, en dien gekruist, en dit zal elk fatsoenlyk lezer

ook wel doen.

Zoowel omdat ik uit Wawelaars redevoering myn meening heb geput omtrent

het ongeoorloofde der intrekking van de koffikultuur te _Lebak_, waarop

ik straks zal terugkomen, als omdat ik als eerlyk man niet wil, dat de

lezer volstrekt niets ontvange voor zyn geld, zal ik hier eenige

brokstukken uit de preek meedeelen, die al byzonder treffend waren.

Hy had kortelyk Gods liefde uit de aangehaalde tekstwoorden bewezen, en

was al zeer spoedig overgegaan tot het punt, waarop 't hier eigenlyk

aankwam, de bekeering namelyk van Javanen, Maleiers, en hoe al dat volk

heeten moge. Ziehier wat hy daarvan zeide:

"Zóó, myn geliefden, was de heerlyke roeping van Israel--hy bedoelde het

uitroeien der bewoners van Kanaän--en zóó is de roeping van Nederland!

Neen, er zal niet gezegd worden dat het licht dat ons bestraalt, wordt

weggezet onder de korenmaat, en niet ook dat wy gierig zyn in het

meedeelen van het brood des eeuwigen levens! Slaat het oog op de

eilanden des Indischen Oceaans, bewoond door millioenen en millioenen

kinderen des verstooten zoons--en des te-recht verstooten zoons--van den

edelen God gevalligen Noach! Dáár kruipen zy rond in de walgelyke

slangenholen van heidensche onkunde, daar buigen zy het zwarte

kroesharige hoofd onder het juk van eigenbelangzuchtige priesters! Dáár

aanbidden zy God onder aanroeping van een valschen profeet, die een

gruwel is voor de oogen des Heeren! En, geliefden, zelfs zyn er die, als

ware het niet genoeg een valschen profeet te gehoorzamen, zelfs zyn er

die een anderen God, wat zeg ik, die _goden_ aanbidden, goden van hout

of steen, die zyzelf gemaakt hebben naar hun beeld, zwart, afschuwelyk,

met platte neuzen en duivelachtig! ja, geliefden, byna beletten my de

tranen hier voorttegaan, nog dieper is de verdorvenheid van Cham's

geslachte! Er zyn er onder hen, die _geen_ God kennen, onder welken naam

ook! Die meenen dat het voldoende is, de wetten te gehoorzamen der

burgerlyke maatschappy! Die een oogstlied, waarin ze hun vreugde

uitdrukken over het welslagen van hunnen arbeid, beschouwen als

voldoenden dank aan het Opperwezen dat dien oogst rypen liet! Er leven

daar verdoolden, myne geliefden--wanneer zulk een gruwelyk bestaan den

naam van _leven_ dragen mag!--daar vindt men wezens die beweren dat het

voldoende is, vrouw en kind lieftehebben en van hunnen naaste niet te

nemen wat hun niet behoort, om 's avends gerust het hoofd te kunnen

nederleggen ter-slape! Yst ge niet by dit tafereel? Krimpt uw hart niet

in-een by het bedenken wat het lot wezen zal van al die dwazen, zoodra

de bazuine schallen zal, die de dooden oproept ter scheiding van

rechtvaardigen en onrechtvaardigen? Hoort ge niet--ja, gy hoort het,

want uit de voorgelezen tekstwoorden hebt gy gezien dat uw God is een

machtig God, en een God der gerechte wrake--ja, gy hoort het gekraak der

beenderen en het geknetter der vlammen in het eeuwig Gehenna waar

weeninge is, en tandengeknars! Dáár, dáár branden zy, en vergaan niet,

want eeuwig is de straffe! Dáár lekt de vlam met nooit voldane tong aan

de gillende slachtoffers van het ongeloof! Dáár sterft de worm niet, die

hunne harten dóór en dóór knaagt, zonder ooit die te vernietigen, opdat

er steeds een hart te knagen overblyve in de borst van den Godverzaker!

Ziet, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind dat,

nauwelyks geboren, werd weggeslingerd van de borst der moeder, in den

poel der eeuwige verdoemenis ...

Toen viel er een juffrouw flauw ...

"Maar, geliefden, ging dominee Wawelaar voort, God is een God van

liefde! Hy wil niet dat de zondaar verloren ga, maar dat hy zalig worde

_met_ de genade, _in_ Christus, _door_ het geloof! En daarom is

Nederland uitverkoren om van die rampzaligen te redden wat er van te

redden is! Dáártoe heeft Hy in Zyn onnaspeurlyke Wysheid aan een land,

klein van omvang, maar groot en sterk door de kennisse Gods, macht

gegeven over de bewoners dier gewesten, opdat zy door het heilig nooit

volprezen Evangelium worden gered van de straffen der helle! De schepen

van Nederland bevaren de groote wateren, en brengen beschaving,

godsdienst, Christendom, aan den verdoolden javaan! Neen, ons gelukkig

Nederland begeert niet voor zich alleen de zaligheid: wy willen die ook

mededeelen aan de ongelukkige schepselen op verre stranden, die daar

gebonden liggen in de kluisters van ongeloof, bygeloof en zedeloosheid!

Het beschouwen van de plichten die ten-dezen op ons rusten, zal het

zevende deel myner rede uitmaken."

Want, wat voorafging was het _zesde_. Onder de plichten die wy

ten-aanzien van die arme heidenen te vervullen hebben, werden genoemd:

1° _Het geven van ruime bydragen in geld aan de

zendelingsvereeniging_.

2° _Het ondersteunen der bybelgenootschappen, ten-einde deze in-staat

te stellen, bybels op Java uittedeelen_.

3° _Het bevorderen van "Oefeningen" te Harderwyk, ten dienste van het

koloniaal werfdepôt_.

4° _Het schryven van preeken en godsdienstige gezangen, geschikt om

door soldaten en matrozen aan de Javanen te worden voorgelezen en

voorgezongen_.

5° _Het oprichten eener vereeniging, van invloedryke mannen, wier

taak zoude zyn, onzen geëerbiedigden Koning te smeeken_:

_a) Slechts zulke gouverneurs, officieren en beambten te benoemen,

die geacht kunnen worden vasttestaan, in het ware geloof_.

_b) Den Javaan te doen vergunnen de kazernes, alsmede de op de reeden

liggende oorlogs- en koopvaardyschepen te bezoeken, om door 't

verkeer met nederlandsche soldaten en matrozen te worden opgeleid tot

het Godsryk_.

_c) Te verbieden, bybels of godsdienstige traktaatjes in drankhuizen

te doen aannemen in betaling_.

_d) Te doen opnemen in de voorwaarden der amfioenpacht op Java, de

bepaling: dat er in elke amfioenkit een voorraad bybels moet aanwezig

zyn, in verhouding met vermoedelyk getal bezoekers van zoodanig

gesticht, en dat de pachter zich verbinde geen opium te verkoopen,

zonder dat de kooper een godsdienstig traktaatje daarby neme_.

_e) Te gelasten dat de Javaan door arbeid tot God worde gebracht_.

6° _Het geven van ruime bydragen aan de zendelingsgenootschappen_.

Ik weet wel dat ik dit laatste punt reeds onder nummer één heb opgegeven,

maar hy herhaalde het, en deze overtolligheid komt my, in het vuur der

rede, zeer verklaarbaar voor.[76]

Doch, lezer, hebt gy op nummer 5, _e_ gelet? Welnu, juist die voorslag

herinnerde my zoo aan de koffiveilingen, en aan de voorgewende

onvruchtbaarheid van den grond te _Lebak_, dat het u nu niet meer zoo

vreemd zal voorkomen, als ik verzeker dat dit punt sedert woensdag avend

geen oogenblik uit myn gedachten geweest is. Dominee Wawelaar heeft de

berichten der zendelingen voorgelezen, niemand kan hem dus een grondige

kennis der zaken betwisten. Welnu, als hy, met die rapporten voor zich,

en met het oog op God, beweert dat veel arbeids gunstig werken zal op de

verovering der javaansche zielen voor het Godsryk, dan mag ik toch wel

vaststellen niet zoo geheel bezyden alle waarheid te spreken, als ik zeg

dat er te _Lebak_ zeer goed koffi kan geplant worden. En, sterker nog,

dat misschien het Opperwezen juist hierom alleen dien grond voor

koffikultuur ongeschikt heeft gemaakt, om door den arbeid die er noodig

wezen zal om een anderen grond daarheen te verleggen, de bevolking van

die streek vatbaar te maken voor de zaligheid.

Ik hoop toch dat myn boek onder de oogen van den Koning komt, en dat er

weldra door grootere veilingen blyken moge hoe nauw de kennisse Gods

in-verband staat met het welbegrepen belang van de geheele burgery! Zie

eens hoe de eenvoudige en nederige Wawelaar, zonder wysheid naar den

mensch--de man heeft nooit een voet op de beurs gezet--maar voorgelicht

door het Evangelie dat een lamp op zyn pad is, my, makelaar in koffi,

daar op-eenmaal een wenk geeft, die voor heel Nederland belangryk is

niet alleen, maar die my in-staat zal stellen, als Frits goed oppast--hy

heeft redelyk stil gezeten in de kerk--wellicht vyf jaren vroeger naar

Driebergen te gaan. Ja, arbeid, arbeid, dat is myn wachtwoord! Arbeid

voor den Javaan, dat is myn principe! En myn principes zyn me heilig.

Is niet het Evangelie 't hoogste goed? Gaat er iets boven de zaligheid?

Is het dus niet onze plicht, die menschen zalig te maken? En wanneer,

als hulpmiddel hiertoe, arbeid noodig is--ikzelf heb twintig jaar de

beurs bezocht--mogen we dan den Javaan arbeid weigeren, waar zyn ziel

daaraan zoo dringend behoefte heeft om later niet te branden? Zelfzucht

zou het wezen, schandelyke zelfzucht, als we niet alle pogingen

aanwendden om die arme verdoolde menschen te behoeden voor de

verschrikkelyke toekomst die dominee Wawelaar zoo welsprekend geschetst

heeft. Er is een juffrouw flauw gevallen toen hy van dat zwarte kind

sprak ... misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag.

Vrouwen zyn zoo!

En zou ik niet aandringen op arbeid, _ik_ die zelf van den morgen tot

den avend aan de zaken denk? Is niet reeds dit boek--dat Stern me zoo

zuur maakt--een bewys hoe goed ik het meen met de welvaart van ons

vaderland, en hoe ik daarvoor alles veil heb? En als ik zoo zwaar moet

arbeiden, _ik_ die gedoopt ben--in de Amstelkerk--zou men dan van den

javaan niet mogen vorderen dat hy die zyn zaligheid nog verdienen moet,

de handen uitsteekt?

Als die vereeniging--van nummer 5, _e_ meen ik--tot-stand komt, sluit ik

me daarbij aan. En ik zal ook de Rosemeyers hiertoe trachten overtehalen,

omdat de suikerraffinadeurs er ook belang by hebben, schoon ik niet geloof

dat ze zeer zuiver zyn in hun begrippen--de Rosemeyers meen ik--want ze

houden een roomsche meid.

Hoe het zy, _ik_ zal myn plicht doen. Dit heb ik mezelf toen ik met

Frits van den bidstond naar-huis ging. In myn huis zal de Heere gediend

worden, daarvoor zal _ik_ zorgen. En dit met te meer yver, omdat ik hoe

langer hoe meer inzie hoe wys alles geregeld is, hoe liefderyk de wegen

zyn waarlangs wij worden geleid aan Gods hand, en hoe Hy ons behouden

wil voor het eeuwige en voor het tydelyke leven, want die grond te

_Lebak_ kan zeer goed geschikt worden gemaakt voor de koffikultuur.

1/1
Menu

Fazer anotação