TWAALFDE HOOFDSTUK Max Havelaar · Capítulo 12 de 20
Obra Menu

TWAALFDE HOOFDSTUK

TWAALFDE HOOFDSTUK

--Beste Max, zei Tine, ons dessert is zoo schraal. Zou je niet ... je

weet wel ... Madame Geoffrin?[96]

--Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben heesch. De

beurt is aan Verbrugge.

--Ja, m'nheer Verbrugge! Lost u Max wat af, verzocht mevrouw Havelaar.

Verbrugge bedacht zich even, en begon:

--Er was eens een man, die een kalkoen stal ...

--O, deugniet, riep Havelaar, dat heb je van _Padang_! En hoe is 't

verder?

--'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?

--Wèl, _ik_! Ik heb hem opgegeten, samen met ...iemand. Weet je waarom

ik te _Padang_, gesuspendeerd was?

--Men zei dat er een deficit was in uw kas te _Natal_, hernam Verbrugge.

--Dit was niet geheel onwaar, doch _waar_ was 't ook niet. Ik was te

_Natal_ door allerlei oorzaken heel slordig geweest in myn geldelyke

verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar

dit viel in die dagen zoo dikwyls voor! De omstandigheden in de Noord

van Sumatra waren kort na 't innemen van _Baroes, Tapoes_ en _Singkel_

zóó verward, alles was zóó onrustig, dat men het een jong mensch, die

liever te-paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet

kwalyk nemen kon dat alles niet zoo ordelyk en geregeld ging als men zou

kunnen vorderen van een amsterdamschen boekhouder die niet anders te

doen heeft. De Battahlanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe

altyd alles wat in de Battahs gebeurt, terugwerkt op 't Natalsche. Ik

sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig by-dehand te zyn, wat dan ook

dikwyls noodig was. Daarby heeft het gevaar--eenigen tyd voor myn komst

was er een komplot ontdekt, om myn voorganger te vermoorden en opstand

te maken--het gevaar heeft iets aantrekkelyks, vooral wanneer men

slechts twee-en-twintig jaren oud is. Dit aantrekkelyke maakt dan iemand

wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de styve nauwkeurigheid die

noodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei

gekheden in 't hoofd ...

--_Traoessa_?[97] riep mevrouw Havelaar een bediende toe.

--Wàt hoeft niet?

--Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken ... een omelet of

zoo-iets.

--Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van myn gekheden begin? je bent

ondeugend, Tine! 't Is my wel, maar die heeren hebben ook een stem.

Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?

--Dat is een moeielyke pozitie voor een beleefd mensch zei Verbrugge.

--En ook ik zou liever niet kiezen, voegde Duclari er by, want het is

hier te doen om een uitspraak tusschen m'nheer en mevrouw, en: _entre

l'écorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt_.

--Ik zal u helpen, heeren, de omelet is ...

--Mevrouw, zei de zeer beleefde Duclari, de omelet zal toch wel zooveel

waard zyn als ...

--Als de historie? Zeker _als_ ze wat waard was! Doch er is een bezwaar

...

--Ik wed dat er nog geen suiker in huis is, riep Verbrugge. Och, laat

toch by my halen wat ge noodig hebt!

--Suiker is er ... van mevrouw Slotering. Neen, daaraan hapert het niet.

Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zyn, maar ...

--Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?

--Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in 't vuur vallen Ze is ...

--Maar, Tine, riep Havelaar, wat is ze dan toch?

--Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles ... wezen moesten! Ik

heb geen omelet ... ik heb niets meer!

--Dan in 's hemelsnaam de historie! zuchtte Duclari met koddige wanhoop.

--Maar koffi hebben we, riep Tine.

--Goed! Koffidrinken in de voorgalery, en laat ons mevrouw Slotering met

de meisjes daarby roepen, zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar

buiten toog.

--Ik gis dat ze bedanken zal, Max! je weet dat ze ook liever niet met

ons eet, en ik kan haar geen ongelyk geven.

--Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel, zei Havelaar, en dat

heeft haar afgeschrikt.

--Wel neen, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen hollandsch.

Neen, ze heeft my gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blyven

voeren, en dit begryp ik heel goed. Weet je nog hoe je myn naam

vertaald hebt?

--_E.H.V.W: eigen haard veel waard_.

--Daarom! Ze heeft groot gelyk. Bovendien, ze komt me wat menschenschuw

voor. Verbeeld je dat zy alle vreemden die 't erf betreden, laat

wegjagen door de oppassers ...

--Ik verzoek om de historie of de omelet, zei Duclari.

--Ik ook! riep Verbrugge. Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben

aanspraak op een volledig maal, en daarom eisch ik de geschiedenis van

den kalkoen.

--Die heb ik je reeds gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen

van den generaal Vandamme, en heb 't opgegeten ... met iemand.

--Voor die "iemand" ten-hemel voer, zei Tine schalk.

--Neen, dat is tricheeren: riep Duclari. We moeten weten waarom ge dien

kalkoen ... weggenomen hebt.

--Wèl, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van den generaal

Vandamme die me gesuspendeerd had.

--Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgenden keer

zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge.

--Geloof me, er stak niets meer achter dan dàt. Hy had zeer véél

kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur ... ik

nam er een, en zei tot den man die zich verbeeldde er op te passen: "zeg

den generaal dat ik, Max Havelaar, dezen kalkoen neem omdat ik

eten wil."

--En dan dat epigram?

--Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?

--Ja.

--Dat had niets met den kalkoen uittestaan. Ik maakte dat ding omdat hy

zooveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op _Padang_ zeker zeven of

acht die hy met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst

had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De

adsistent-resident van _Padang_ zelf was gesuspendeerd, en wel om een

reden die, naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit

opgegevene. Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzekeren kan

dat ik alles juist weet, en alleen òverzeg wat men in de _chinesche

kerk_[98] te _Padang_ voor waar hield, en wat dan ook--vooral met het

oog op de bekende eigenschappen van den generaal--waar _kan_

geweest zyn.

Hy had, moet ge weten, zyn vrouw getrouwd om een weddingschap te winnen,

en daarmee een anker wyn. Hy ging dus dikwyls 's avends uit, om ...

overal rondteloopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje

naby 't meisjesweeshuis zyn inkognito zóó stipt geëerbiedigd hebben, dat

hy hem een pak slaag heeft gegeven even als een _gewonen_

straatschender. Niet ver van daar woonde _Miss_ X. Er liep een gerucht

dat die _Miss_ 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat ...

verdwenen was. De adsistent-resident was als hoofd der politie

verplicht, en ook inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en

schynt van dit voornemen iets gezegd te hebben op een whistparty by den

generaal. Doch zie, den volgenden dag ontvangt hy den last zich naar

zekere Afdeeling te begeven, welker gezagvoerende kontroleur wegens ware

of veronderstelde oneerlykheid geschorst was in zyn beheer, om _in loco_

zekere zaken te onderzoeken en daarvan "te dienen van bericht." Wèl was

de adsistent-resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zyn

Afdeeling in 't geheel niet aanging, doch daar hy strikt genomen deze

opdracht kon beschouwen als een vereerende onderscheiding, en dewyl hy

met den generaal op zeer vriendschappelyken voet stond zoodat hy geen

oorzaak had aan een valstrik te denken, berustte hy in deze zending, en

begaf zich naar ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem

bevolen was. Na eenigen tyd keert hy terug, en biedt een verslag aan dat

niet ongunstig luidde voor dien kontroleur. Doch ziet, er was gedurende

dien tyd op _Padang_, door 't publiek--dat is: door niemand en

iedereen--ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een

gelegenheid te scheppen den adsistent-resident van de plaats te

verwyderen, ten-einde zyn voorgenomen onderzoek naar de verdwyning van

dat kind te voorkomen, of althans te verschuiven tot een tydstip dat die

zaak moeielyker zou optehelderen zyn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of

dit waar was, doch naar de kennis die ikzelf later van den generaal

Vandamme opdeed, komt deze lezing van 't geval my geloofbaar voor. Op

_Padang_ was er niemand die hem niet--wat het peil aangaat, waartoe zyn

zedelykheid was afgedaald--tot zoo-iets in-staat keurde. De meesten

kenden hem slechts één goede hoedanigheid toe, die van onverschrokkenheid

in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien heb, van meening ware

dat hy _après tout_ een dapper man was, zou dit alleen my bewegen u deze

geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, hy had op Sumatra veel laten

"sabreeren" doch wie sommige gebeurtenissen van naby gezien had[99] voelde

neiging om wat aftedingen op zyn dapperheid, en, hoe vreemd het schyne,

ik geloof dat hy zyn krygsmansroem grootendeels te danken had aan de zucht

tot tegenstelling, die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne:

't is waar dat Peter of Paul _dit_, _dit_ of _dit_ is, maar ... _dàt_ is

hy, _dàt_ moet men hem laten! En nooit kan men zoo zeker zyn geprezen te

worden, dan wanneer men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jy,

Verbrugge, bent alle dagen dronken ...

--Ik? vroeg Verbrugge die een voorbeeld was van matigheid.

--Ja, _ik_ maak je nu dronken, alle dagen! je vergeet je zóó ver, dat

Duclari 's avends in de galery over je struikelt. Dit zal hy onaangenaam

vinden, maar terstond zal hy zich herinneren iets goeds in je gezien te

hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en

ik vind je zoo erg ... _horizontaal_, dan zal hy my de hand op den arm

leggen, en uitroepen--"och, geloof toch dat hy overigens zoo'n beste

brave knappe jongen is!"

--Dat zeg ik tòch van Verbrugge, riep Duclari, al is hy _vertikaal_.

--Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dikwyls men

hoort zeggen: "o, als _die_ man op zyn zaken wilde passen, dàt zou

iemand wezen! Maar ... en dan volgt het betoog hoe hy _niet_ op zyn

zaken past en dus _niemand_ is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook

van de dooden verneemt men altyd goede hoedanigheden waarvan we vroeger

niets bemerkten. De oorzaak zal wel zyn dat ze niemand _in den weg

staan_. Alle menschen zyn min of meer mededingers. We zouden gaarne èlk

ander _geheel_ en _in alles_ onder ons plaatsen. Dit echter te uiten,

verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou

niemand ons gelooven ook al beweerden wy iets waars. Er moet dus een

omweg gezocht worden, en ziet hier hoe we dit doen. Als gy, Duclari,

zegt: "de luitenant Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hy is een

goed soldaat, ik kan je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat de

luitenant Slobkous is ... maar een _theoretikus_ is hy niet ...

Heb je niet zoo gezegd, Duclari?

--Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien?

--Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem.

--Wèl, ik schep hem, en zeg het.

--Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jy, Duclari, _à

cheval_ bent op de _theorie_. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen

onrecht zoo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden

onder ons zyn 't slechte zoo na! Laat eens de volmaaktheid nul heeten,

en honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan--wy, die

dobberen tusschen acht-en negen-en-negentig!--_haro_ te roepen over

iemand die op honderd-en-één staat! En nog geloof ik dat velen dien

honderdsten graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede

eigenschappen, aan moed by-voorbeeld om geheel te zyn wat men is.

--Op hoeveel graden sta ik, Max?

--Ik heb een loep noodig voor de onderdeelen, Tine.

--Ik reklameer, riep Verbrugge--neen, mevrouw, niet tegen uwe nabyheid

aan de nul!--neen, maar er zyn ambtenaren gesuspendeerd, er is een kind

zoek, een generaal in staat van beschuldiging ... ik vraag: _la pièce_!

--Tine, zorg toch dat er een volgenden keer wat in huis is! Neen,

Verbrugge, je krygt _la pièce_ niet, voor ik nog een beetje heb

rondgereden op myn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk

mensch in zyn medemensch een soort van konkurrent ziet. Men mag niet

altyd laken--wat in 't oog vallen zou!--daarom verheffen wy gaarne een

goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker

openbaring ons eigenlyk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen,

zonder den schyn op ons te laden van partydigheid. Als iemand zich by my

beklaagt omdat ik gezegd heb: "zyn dochter is zeer schoon, maar hy is

een dief" dan antwoord ik: "hoe kan je dáárover zoo boos wezen! Ik heb

immers gezegd dat je dochter een lief meisjen is!" Zieje, dat wint

dubbel! Wy beiden zyn kruieniers, ik neem hem zyn klanten af, die geen

rozynen willen koopen by een dief, en te-gelyker-tyd zegt men van my dat

ik een goed mensch ben, omdat ik de dochter prys van een konkurrent.

--Neen, zóó erg is 't niet, zei Duclari, dàt is wat sterk!

--Dit komt u nu zoo voor, omdat ik de vergelyking wat kort en brusk

gemaakt heb. We moeten ons dat: "hy is een dief" eenigszins omzwachteld

voorstellen. De strekking der gelykenis blyft waar. Wanneer we

genoodzaakt zyn iemand zekere eigenschappen toe te kennen die aanspraak

geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons genoegen naast die

eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van den verschuldigden cyns

voor een gedeelte of geheel ontslaat. "Voor _zulk_ een dichter zou men

't hoofd buigen, maar ... hy slaat zyn vrouw!"[100] Ziet ge, dan

gebruiken wy gaarne de blauwe plekken van die vrouw als voorwendsel om

ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons zelfs pleizier

dat hy 't mensch slaat, wat toch anders heel leelyk is. Zoodra wy

erkennen moeten dat iemand hoedanigheden bezit die hem de eer van een

voetstuk waardig maken, zoodra we zyn aanspraken daarop niet langer

kùnnen loochenen zonder doortegaan voor onkundig, gevoelloos, of

nayverig ... dan zeggen we ten-laatste: "goed, zet hem er op!" Maar

reeds onder dat opzetten, en als hyzelf nog meent dat we verrukt staan

over zyn uitstekendheid, hebben we reeds den strik gelegd in den _lazzo_

die dienen moet om hem by de eerste gunstige gelegenheid naar-beneden te

halen. Hoe meer _mutatie_ onder de _inhabers_ der voetstukken, hoe

grooter de kans voor anderen om óók eens aan de beurt te komen, en dit

is zóó waar dat wy uit gewoonte en tot oefening--even als een jager die

op kraaien schiet, welke hy toch liggen laat--ook _die_ standbeelden

gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden.

Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing

in de klacht: "Alexander wàs niet groot ... hy was onmatig" zonder dat

er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te

konkurreeren in wereldverovering.

Hoe dit zy, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen

zyn, den generaal Vandamme voor zoo dapper te houden, als zyn dapperheid

niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altyd daarby gevoegde: "maar

... zyn zedelykheid!" En tevens, dat deze onzedelykheid niet zoo hoog

zou opgenomen zyn door de velen die zelf niet zoo onaantastbaar waren op

dit stuk, wanneer men ze niet had noodig gehad tot het opwegen tegen zyn

roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen.

Één eigenschap bezat hy werkelyk in hooge mate: wilskracht. Wat hy zich

voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlyk. Doch--zie je wel

dat ik weer terstond de tegenstelling by-de-hand heb?--doch in de keuze

der middelen was hy dan ook wat ... vry, en, zooals van der Palm--naar

ik geloof, ten-onrechte--van Napoléon zeide: "hinderpalen der

zedelykheid stonden hem nooit in den weg!" Nu, dan is 't zeker

gemakkelyker zyn doel te bereiken, dan wanneer men zich door zoo-iets

wèl gebonden acht.

De adsistent-resident van _Padang_, dan had een bericht uitgebracht, dat

gunstig luidde voor dien gesuspendeerden kontroleur, wiens suspensie

hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangsche praatjes

duurden voort: men sprak nog altyd over 't verdwenen kind. De

adsistent-resident voelde zich op-nieuw geroepen die zaak optevatten,

maar voor hy iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hy een

besluit waarby hy door den Gouverneur van Sumatra's Westkust werd

gesuspendeerd "wegens oneerlykheid in ambtsbetrekking." Het heette dat

hy uit vriendschap of medelyden de zaak van dien kontroleur, tegen beter

weten aan, in een valsch daglicht had gesteld.

Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen, maar ik weet

dat de adsistent-resident niet in de minste betrekking met dien

kontroleur stond, hetgeen reeds hieruit blykt dat men juist _hem_ had

gekozen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hy een

achtenswaardig persoon was, en dat ook de Regeering hem hiervoor hield,

hetgeen blykt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders

dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die kontroleur is later

geheel in zyn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die my 't

puntdicht ingaf, dat ik op de ontbyttafel van den generaal liet

neerleggen door iemand die toen by hem, vroeger by my in dienst was.

Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert,

Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,

Had zyn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...

Als 't niet voor langen tyd finaal reeds ware ontslagen.

--Neem me niet kwalyk, m'nheer Havelaar, ik vind dat zoo-iets niet te

pas kwam, zei Duclari.

--Ik ook ... maar ik moest toch _iets_ doen! Verbeeld je dat ik geen

geld had, niets ontving, en van-dag tot-dag vreesde te sterven van

honger, wat dan ook naby genoeg geweest is. Ik had weinig of geen

betrekkingen op _Padang_, en bovendien, ik had den generaal geschreven

dat _hy_ verantwoordelyk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van

niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, vernemende

hoe 't met my gesteld was, my uitnoodigden ten hunnent te komen, maar de

generaal verbood dat men my daarheen een pas zou geven. Naar Java

vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en

misschien ook dáár als men niet zoo bevreesd ware geweest voor den

machtigen generaal. Het scheen zyn plan te zyn my te laten verhongeren.

Dat heeft negen maanden geduurd!

--En hoe hebt ge u zoolang in 't leven gehouden? Of had de generaal véél

kalkoenen!

--O ja! Maar dit hielp me niet ... zoo-iets doet men maar ééns, niet

waar? Wat ik gedurende dien tyd uitrichtte? Och ... ik maakte verzen,

schreef komedies ... en zoo al voort.

--En was daarvoor op _Padang_ ryst te-koop?

--Neen, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet

hoe ik geleefd heb.[101]

Tine drukte hem de hand, _zy_ wist het.

--Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschreven

hebben achter op een kwitantie, zei Verbrugge.

--Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen myn pozitie. Er bestond in

die dagen een tydschrift, _de Kopiist_, waarop ik inteekenaar was. Het

stond onder de bescherming van de Regeering--de redakteur was ambtenaar

by de algemeene Sekretarie[102]--en hierom werden de inteekeningsgelden

in 's lands kas gestort. Men bood my een kwitantie van twintig gulden

aan. Daar nu dit geld op de bureaux van den Gouverneur moest worden

verhandeld, en dus de kwitantie, als zy onbetaald bleef, die bureaux te

passeeren had om te worden teruggezonden naar Batavia, maakte ik van die

gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteeren tegen

myn armoede:

Vingt-florins... quel trésor! Adieu, littérature,

Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin:

Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin,

Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture!

Si j'avais vingt florins je serais mieux chaussé,

Mieux nourri, mieux logé, j'en ferais bonne chère...

Il faut vivre avant tout, soit vie de misère:

Le crime fait la honte, et non la pauvreté!

Maar toen ik later te Batavia by de redaktie van den _Kopiist_ myn

twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schynt dat de

generaal zelf dat geld voor my betaald heeft, om niet gedwongen te zyn

die geillustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia.

--Maar wat deed hy na 't ... na 't ... wegnemen van dien kalkoen? 't Was

toch ... een diefstal! En na dat epigram?

--Hy strafte me vreeselyk! Wanneer hy my voor die zaken had laten

terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens den Gouverneur van

Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goeden wil had

kunnen worden uitgelegd als "_pooging, tot ondermyning van 't

nederlandsch gezag, en aanhitsing, tot opstand_" of aan "_diefstal op

den publieken weg_" zou hy getoond hebben een goedhartig mensch te zyn.

Maar neen, hy strafte me beter ... akelig! Aan den man die op de

kalkoenen passen moest, liet hy gelasten voortaan een anderen weg te

kiezen. En myn puntdicht ... ach, dàt is nog erger zeide _niets_, en

deed _niets_! Ziet ge, dit was wreed! Hy gunde me niet het minste

martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht

niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid! O, Duclari ... o,

Verbrugge ...'t was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en

kalkoenen! Zo weinig aanmoediging dooft de vlam van 't genie uit tot de

laatste vonk ... inkluzief: ik heb 't nooit weer gedaan!

1/1
Menu

Fazer anotação