Hoofdstuk 1 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 1 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

1

_Standvastig was de trouw der vad'ren als de muren,_

_Die hoe begruisd, gescheurd, en wild met groen omgroeid,_

_Der eeuwen went'ling nog tot op deez dag, verduren,_

_Schoon regen plast en stormwind loeit.--_

PETRONELLA MOENS

De rode morgenzon blonk twijfelachtig in het oosten, en was nog met een

kleed van nachtwolken omgeven, terwijl haar zevenkleurig beeld zich

glinsterend in elke dauwdruppel herhaalde; de blauwe dampen der aarde

hingen als een onvatbaar weefsel aan de toppen der bomen, en de kelken der

ontwelkende bloemen openden zich met liefde om de jongste straal van het

daglicht te ontvangen. De nachtegaal had zijn zoete liederen reeds

meermalen gedurende de schemering herhaald, maar nu verdoofde het verwarde

geschater van mindere zangers zijn verleidende tonen.

Een hoop ridders rende stilzwijgend door de velden van Roeselare[1] Het

gerammel hunner uitrusting en de zware stappen hunner dravers verschrikten

de vreedzame bewoners der wouden; want van tijd tot tijd wierp een hert

zich uit het kreupelbos, en vluchtte sneller dan de wind voor dit nakend

gevaar.

De kleding en de wapens dezer ridders waren zo kostelijk dat men, bij de

eerste oogopslag, Graven en nog hogere heren eronder gissen kon. Een zijden

kolder[2] hing hun met zwierige vouwen om het lichaam, terwijl een

verzilverde helm hun het hoofd met purperen en lazuren vederen bekroonde.

Hun handschoenen, met ijzeren schelpen bedekt, en hun met goud doorwrochte

knieplaten blonken ook niet weinig bij het morgenlicht. De schuimende en

onrustige paarden wrongen het gebit met drift tussen de tanden, en dan

bewogen de zilveren knopen en de zijden trossen huns tuigs zich liefelijk.

Alhoewel de uitrusting dezer reizigers niet ten oorloge geschikt was, mits

zij geen harnassen droegen, kon men echter genoeg bemerken dat zij zich

tegen vijanden voorzien hadden; want de mouwen van hun pantsers[3] kwamen

met hun armen door de kolders. Grote slagzwaarden hingen ook aan hun

zadels, en de schildknapen voerden grote beukelaars achter hun meesters.

Elke ridder had zijn wapentekenen op de borst geborduurd, in zulker wijze

dat men de stam van ieder herkennen mocht.--De koude des morgens had hun de

lust tot spreken benomen, de klemmende nachtlucht bezwaarde hun oogleden;

zij weerstonden de lastige vaak met moeite en bleven in een sluimerige

ongevoeligheid verzonken.

Een jonge man ging te voet voor hen in de baan. Lange golvende haren rolden

op zijn brede schouders; blauwe glinsterende ogen stonden vlammend onder

zijn blonde wenkbrauwen, en een jonge baard krulde op zijn kin.--Een wollen

kolder met een gordel was zijn kleedsel, en een kruismes[4] in een lederen

schede zijn wapen. Zichtbaar was het op zijn gelaat dat het gezelschap, aan

hetwelk hij ten leidsman diende, hem niet aangenaam was. Er schuilde

voorzeker iets geheims in zijn boezem, want hij wendde dikwijls de ogen met

linkse blik naar de ridders. Lang van gestalte en buitengewoon sterk van

leden, stapte de jongeling zo snel voort, dat de paarden moeite hadden om

hem op een tred bij te houden.

Na de stoet alzo enige tijd was voortgereden, struikelde het paard van een

der ridders tegen de stronk van een afgehakte boom en bukte onvoorziens tot

bij de grond. Hierdoor viel de ridder met de borst op de nek van zijn

draver en geraakte bijkans uit de zadel. "Bij de Maagd!" riep hij in de

Franse spraak. "Zo helpe mij God! Mijn paard slaapt onder mij."

"Mijnheer De Chatillon[5]," antwoordde zijn gezel, lachende, "dat er een

van u beiden sliep--dit geloof ik voorzeker."

"De tong moet u branden, spotter!" viel De Chatillon uit. "Ik sliep niet.

Twee uren vestig ik mijn ogen op die betoverende torens, die zich hoe

langer hoe meer verwijderen. Maar men zou zich eer aan de galg zien, dan

een goed woord uit uw mond te krijgen."

Terwijl de twee ridders, zich dus schertsend toespraken, lachten de anderen

lustig om het ongeval en de ganse stoet ontwaakte opeens uit de stille

sluimering.

De Chatillon, die nu zijn paard weder op de been gebracht had, ziende dat

men niet ophield met lachen, werd door zulke innige gramschap vervoerd, dat

hij het beest ijselijk met de scherpe spoor[6] in de buik stampte. Hierdoor

steigerde het verwoed in de hoogte, en vloog eindelijk als een javelijn

tussen de bomen heen. Geen honderd treden van daar liep het tegen de stam

van een zware eik, en stortte deerlijk gewond ter aarde.

Gelukkig was het voor De Chatillon dat hij bij de schok ter zijde uit de

zadel gevallen of gesprongen was. Niettegenstaande moest hij zich genoeg in

de lenden bezeerd hebben, want hij bleef een ogenblik als gevoelloos

liggen.

Zohaast de anderen bij hem gekomen waren, stegen zij allen van hun paarden

en lichtten hem met medelijden van de grond. Die hem eerst boertig had

toegesproken scheen nu het meest voor hem bezorgd; want een ware droefheid

had zijn gelaat betrokken.

"Mijn duurbare Chatillon," zuchtte hij, "ik beklaag u uiterharten. Vergeef

mij mijn losse woorden; ik wilde u niet honen."

"Laat mij gerust!" riep De Chatillon zich uit de armen zijner makkers

rukkende. "Ik ben nog niet dood, Mijne heren! Denkt gij dat de Saracenen

mij gespaard hebben, om mij in een bos, als een hond te laten sterven? Neen

ik leef nog, God dank! Zie, De St.-Pol, ik zweer u, dat gij mij deze

spotternij op staande voet betalen zoudt, indien ik mij op u wreken mocht."

"Bedaar toch, ik bid u," hernam De St.-Pol, "Ho! Gij zijt gewond, mijn

broeder, er komt bloed uit uw maliehemd."

De Chatillon trok de mouw van zijn rechterarm wat omhoog, en bemerkte dat

een tak hem de huid opengekrabd had.

"Daar, zie!" sprak hij half getroost. "Het is niets--een schram. Maar bij

de Hemel! Ik geloof dat die Vlaming ons met inzicht in deze behekste wegen

brengt. Dit wil ik weten,--en zo weinig krijge ik genade om mijn zonden,

indien ik hem niet aan de vervloekte eik doe ophangen."

De Vlaming die bij dit gezegde tegenwoordig was, geliet zich alsof hij de

Franse taal niet verstond, en zag De Chatillon met stout gelaat in de ogen.

"Mijne heren," riep de ridder, "ziet die Laat[7] mij aanzien.... Kom eens

hier, lomperd! Nader hier voor mij."

De jongeling naderde langzaam en hield zijn ogen gedurig op de ridder

gevestigd. Er zweefde iets zonderlings over zijn wezenstrekken,--een

uitdrukking waarin toorn en list te saam gesmolten waren: iets zo dreigend

en zo geheim dat De Chatillon met een aandoening van benauwdheid werd

bevangen.

Een der bijwezende ridders wendde zich om en verliet de plaats waar dit

gebeurde; hij week enige stappen tussen het geboomte en deed genoeg

bemerken dat dit toneel hem niet behaagde.

"Wilt gij mij zeggen," vroeg De Chatillon aan de gids, "waarom gij ons door

zulke wegen leidt, en waarom gij ons niet gewaarschuwd hebt dat er een

afgehakte boom in de baan lag?"

"Heer!" antwoordde de Vlaming in slecht Frans. "Ik ken geen andere weg naar

het slot Wijnendale en wist niet dat het UEdele geliefde op dit uur te

slapen."

Bij dit gezegde kwam er een bitsige grimlach op zijn gelaat; het scheen

dat hij de ridder tergen wilde.

"Bij God!" riep De Chatillon hem toe. "Gij lacht--gij spot met mij....

Hola! Mijn knapen, dat men die Laat in de lucht hange! En dat hij der

raven ten spijze worde!"

Nu grimlachte de jongeling nog meer: de hoeken van zijn mond trokken zich

achteruit, en een bleke of purperen kleur verfde beurtelings zijn wangen.

"Een Vlaming ophangen?" morde hij. "Wacht een weinig!"

Hierop ging hij enige treden achterwaarts, plaatste zich met de rug tegen

een boom, stroopte de mouwen van zijn kolder tot aan de schouders op, en

toog zijn blikkerend kruismes uit de schede. De ronde spieren van zijn

blote armen waren gespannen, en zijn gelaat kreeg iets in zich dat de

leeuwen eigen is.

"Wee degene die mij raakt!" riep hij met kracht. "De raven van Vlaanderen

zullen mij niet eten; zij vreten liever Frans vlees!"

"Val aan, lafaards!" riep De Chatillon tegen zijn knapen. "Val aan dan! Zie

die bloodaards!--Zijt gij bang van een mes? Mocht ik mijn handen aan die

Laat vuil maken; maar ik ben edel. Grauw tegen grauw, het is uw taak. Loopt

hem dan over 't lijf."

Enige der omstaande ridders poogden De Chatillon te bedaren, doch de

meesten stemden in deze daad en hadden de Vlaming gaarne aan een strop

gezien. Ongetwijfeld zouden de knapen, door hun meesters opgehitst, de

jongeling overvallen en verwonnen hebben; maar nu naderde de ridder die

enige stappen van daar in diepe gepeinzen had gewandeld. Zijn kleding en

uitrusting ging die der andere ridders ver in pracht te boven; het schild

dat op zijn borst gewrocht was, droeg drie gulden leliën op een blauw veld,

onder een graaflijke kroon. Dit beduidde dat hij van koningsbloede was.

"Hou op!" riep hij met streng gelaat tegen de knapen, en zich tot De

Chatillon kerende sprak hij: "Mijnheer!... Gij schijnt te vergeten, dat ik

Vlaanderen van mijn broeder en koning Philippe te leen heb. Die Vlaming is

mijn vazal.--Gij hebt geen recht op zijn leven, mits hij mij alleen

toebehoort."

"Zal ik mij dan door een boer bespotten laten?" vroeg De Chatillon met

spijt. "Waarlijk Graaf, ik versta niet waarom gij altijd het geringe volk

tegen de Edelen voorstaat. Zal die Vlaming zich beroemen dat hij een Franse

ridder ongestraft gehoond heeft? En zegt gij het, Mijne heren, heeft hij de

dood niet verdiend?"

"Mijnheer De Valois[8]," antwoordde De St.-Pol, "verleen mijn broeder de

kleine vertroosting, die Vlaming te zien hangen. Wat geeft het leven van

die koppige Laat aan uw prinselijke Hoogheid?"

"Hoort, Mijne heren!" riep Charles de Valois met toorn. "Mij is uw losse

taal ten hoogste onaangenaam. Het leven van een onderdaan is mij van groot

gewicht, en ik begeer dat men de jongeling ongehinderd late. Te paard,

Mijne heren! Te veel tijds is dit verspild."

"Komaan, De Chatillon," morde De St.-Pol tegen zijn broeder, "stijg op het

ros van uw schildknaap en laat ons gaan, want Mijnheer De Valois is een

ongelovige volksgezinde."

Intussen hadden de schildknapen hun wapens in de schede gestoken, en waren

zij nu bezig met de paarden hunner meesters vooruit te brengen.

"Zijt gij klaar, Mijne heren?" vroeg De Valois. "Nu dan, spoedig voort, bid

ik u; want anders komen wij de jacht te spade. Gij vazal, ga ter zijde;

waarschuw ons wanneer wij moeten draaien.--Hoe ver zijn wij nog van

Wijnendale?"

De jongeling nam zijn kap heuselijk van het hoofd, boog zich voor zijn

redder en antwoordde: "Nog een korte mijl, mijn Heerschap."

"Bij mijn ziel!" sprak De St.-Pol. "Ik geloof dat dit een wolf in een

schapenvel is."

"Dit heb ik reeds overlang gedacht," antwoordde de Kanselier Pierre Flotte,

"want hij beziet ons als een wolf en luistert als een haas."

"Ha! Ha! Nu weet ik wie het is," riep De Chatillon. "Hebt gij nooit horen

spreken van een wever met name Pieter Deconinck die te Brugge woont?"

"Mijne heren, gij bedriegt u voorwaar," bemerkte Raoul de Nesle, "ik heb de

beruchte wever te Brugge zelf gesproken, en alhoewel hij deze in

schalksheid te boven gaat, heeft hij slechts één oog en onze leidsman heeft

er twee allergrootste. Ongetwijfeld bemint hij de oude Graaf van

Vlaanderen, en beschouwt onze komst als overwinnaars met een kwaad oog; dit

is de zaak. Vergeeft hem de trouw die hij zijn ongelukkige Vorst bewaart."

"Het is lang genoeg hierover gesproken, Mijne heren," viel De Chatillon in.

"Laat ons van voorwerp veranderen. Ter goeder ure! Weet gij wat onze

genadige Koning Philippe met dit land van Vlaanderen doen zal? Want op mijn

woord, indien onze Vorst zijn schatkisten zo dicht hield als De Valois zijn

mond gesloten houdt, zou het arm leven aan het Hof zijn."

"Dit zegt gij wel," antwoordde Pierre Flotte, "maar hij zwijgt niet met

iedereen. Vertraagt de gang uwer paarden een weinig, Mijne heren, en ik zal

u dingen zeggen die gij niet weet."

De ridders kwamen met nieuwsgierigheid dichter bij elkaar, en lieten de

Graaf De Valois een weinig vooruitgaan. Wanneer hij genoeg van hen

verwijderd was, om hun woorden niet te kunnen verstaan, sprak de Kanselier:

"Luistert--onze genadige Koning Philippe le Bel heeft geen geld meer.

Enguerrand de Marigny heeft hem doen geloven dat Vlaanderen een goudmijn

is, en dit is niet slecht gezegd; want in het land waar wij nu zijn, is

meer goud en zilver dan in geheel Frankrijk."

De ridders glimlachten en bogen meermalen hun hoofden ten teken van

toestemming.

"Luistert nog," hernam Pierre Flotte, "onze Koningin Johanna is ten hoogste

op de Vlamingen verbitterd; zij haat dit hoogmoedig volk dat het niet te

zeggen is. Ik heb uit haar mond gehoord, dat zij de laatste Vlaming aan de

galg zien wilde."

"Dit heet spreken als een Koningin!" riep De Chatillon. "Indien ik eens

meester over dit land worde, gelijk mijn genadige nicht het mij heeft

toegezegd, zal ik haar schatkisten wel voeden; en Pieter Deconinck met

ambachten en gilden en heel die volksregering tenietdoen.--Maar wat

luistert die vermetele Laat op onze rede!!"

De Vlaming was onmerkbaar genaderd en had de woorden der ridders met een

vlijtig oor gevat. Zodra men hem bemerkte, liep hij met een onverstaanbare

grimlach tussen de bomen van het woud, bleef op een afstand staan en toog

zijn mes uit de schede.

"Mijnheer De Chatillon!" riep hij dreigend. "Bezie dit mes wel, opdat gij

het herkennen moogt wanneer het u tussen hals en nek zal glijden!"

"Is er dan geen mijner dienaren die mij wreken zal?" schreeuwde De

Chatillon met woede.

Eer hij deze woorden gesproken had, steeg er een zware lijfknecht van zijn

paard en liep met blote degen op de jongeling aan. Deze in plaats van zich

met zijn mes te willen verdedigen, stak het in de schede en wachtte met

gesloten vuisten op zijn vijand.

"Gij gaat sterven, vervloekte Vlaming!" riep de lijfknecht, zijn wapen op

hem sturende.

De jongeling antwoordde niet, maar hechtte zijn grote ogen als twee

vlammende schichten op de lijfknecht. Deze, door de kracht van die blik tot

in de ziel geraakt, bleef een ogenblik staan alsof hem de moed ontzonk.

"Toe, steek dood! Steek dood!" riep De Chatillon tot hem. Maar de Vlaming

wachtte niet totdat zijn vijand hem naderde: hij sprong in een vlucht voor

de degen om, greep de lijfknecht met zijn twee sterke handen om het middel,

en sloeg hem zo onbarmhartiglijk met het hoofd tegen een boom dat hij

zonder gevoel op de grond nederstortte. Een laatste doodskreet klonk door

het woud en de Fransman sloot de ogen voor eeuwig toe, terwijl zijn leden

stuiptrekkend beefden. Met een nijdige lach bracht de Vlaming zijn mond bij

het oor van het levenloze lichaam, en sprak spottend: "Ga, en zeg uw

meester, dat het vlees van Jan Breydel[9] voor geen raven is--het vlees der

Vreemden is beter aas voor hen."

En hiermede liep hij tussen de heesters en verdween in het diepste van het

woud.

De ridders die in de baan stonden en dit schouwspel met angst aanzagen,

hadden geen tijd gehad om elkaar enige woorden toe te sturen; doch zodra

zij van hun verbaasdheid waren teruggekomen, sprak De St.-Pol: "In der

waarheid, ik geloof, mijn broeder, dat gij met een tovenaar te doen hebt,

want zo zegene mij God! Dit is niet natuurlijk."

"Behekst land!" antwoordde De Chatillon mistroostig. "Mijn paard breekt de

nek, mijn trouwe lijfknecht bekoopt het met zijn leven--het is een

ongelukkige dag.... Knapen, neemt het lichaam van uw genoot; draagt het zo

gij best kunt naar het eerste dorp; dat men hem geneze of begrave.... Ik

bid u, Mijne heren, dat de Graaf De Valois niets van het voorval wete."

"Ho, dit verstaan wij!" viel Pierre Flotte in. "Maar, Mijne heren, geeft uw

dravers de spoor en haast u voort--want ginds zie ik Mijnheer De Valois

tussen de bomen verdwijnen."

Zij losten hun dravers de toom en kwamen weldra bij de Graaf hun Veldheer.

Deze rende zachtjes voort zonder op hun nadering te letten. Zijn hoofd, met

de verzilverde helm, hing nadenkend voorover, en zijn ijzeren handschoen

rustte achteloos met de teugel op de maan zijns dravers; zijn andere hand

omvatte het gevest van het slagzwaard dat aan de zadel hing.

Terwijl hij dus in diep gepeins verzonken was, en dat de andere ridders met

oogwenken over zijn droefgeestigheid schertsten, ontvouwde het slot

Wijnendale zich voor hen met zijn hemelhoge torens en reuzenstaltige

wallen.

"Noël!" riep Raoul de Nesle met blijdschap. "Ginds is het einde onzer reis.

Wij zien Wijnendale in weerwil des duivels en der toverij."

"Ik wilde het wel in brand zien," morde De Chatillon, "het kost mij een

paard en een trouwe dienaar."

Nu wendde de ridder die de leliën op de borst droeg zich om, en sprak:

"Mijne heren, dit slot is het verblijf van de ongelukkige Landheer Gwyde

van Vlaanderen--een vader wien men zijn kind ontrukt heeft, en wiens land

wij door het geluk der wapenen gewonnen hebben. Ik bid u, toont hem niet

dat gij als overwinnaars komt en vergroot zijn lijden niet door hoogmoedige

woorden."

"Maar, Graaf De Valois," viel De Chatillon bitsig uit, "denkt gij, dat wij

de wetten des ridderschaps niet kennen? Weet ik niet dat het een Franse

ridder betaamt, zich na de zegepraal edelmoedig te gedragen?"

"Ik hoor wel dat gij het weet," antwoordde De Valois met nadruk, "ik

verzoek u, het dan ook zo te doen. De eer bestaat niet in ijdele woorden,

Mijnheer De Chatillon!--Wat geeft het dat de wetten van het ridderschap op

de tong liggen, wanneer zij niet in het hart geschreven staan? Wie met zijn

minderen niet edelmoedig is, kan het niet met zijn gelijken zijn. Gij

verstaat mij, Mijnheer De Chatillon!"

De Chatillon ontstak op dit verwijt in een spijtige woede, en zou voorzeker

in onstuimige woorden uitgevallen zijn; maar zijn broeder De St.-Pol

weerhield hem en morde zachtjes: "Zwijg, De Chatillon, zwijg toch; want

onze Veldheer heeft gelijk. Het is immers redelijk dat wij de oude Graaf

van Vlaanderen niet meer lijden toebrengen?--Hij is rampzalig genoeg."

"Die ontrouwe Leenheer heeft onze Koning de oorlog durven aanzeggen en onze

nicht Johanna van Navarra zodanig getergd dat zij er bijna ziek van werd.

En wij zouden hem dan nog moeten sparen?"

"Mijne heren!" riep De Valois nogmaals. "Gij kent mijn bede. Ik geloof niet

dat het u aan edelmoedigheid ontbreken zal.--Nu vooruit! Ik hoor de honden

blaffen, men heeft ons reeds in 't gezicht; want de brug valt en de

stormegge[10] gaat omhoog."

Het slot Wijnendale[11], door de edele Graaf Gwyde van Vlaanderen gesticht,

was een der fraaiste en sterkste lusthoven die er in die tijd bestonden.

Uit de brede grachten, met dewelke het omringd was, klommen dikke muren in

de hoogte; menigvuldige uitstekende waakhuisjes hingen aan dezelve. Voor de

stormgaten kon men de ogen der kruisboogschutters met de punten der ijzeren

schichten zien. Binnen de wallen verhieven zich de daken van het grafelijke

huis, met hun zwaaiende windhanen. Zes ronde torens stonden zo op de hoeken

der muren als in het midden van de voorhof, uit dezelve kon men met

allerlei werptuig de vijand in het veld treffen en hem de nadering tot het

slot beletten. Een enkele valbrug verenigde dit sterke eiland met de

omliggende dalen.

Zodra de ridders aankwamen, gaf de waker van de poort het teken aan de

binnenwacht, en weldra krijsten de zware deuren op hun hangsels. Terwijl

dreunden de stappen der paarden weergalmend op de brug, en de Franse

ridders gingen tussen twee rijen Vlaamse voetknechten in het kasteel. De

deuren werden achter hen gesloten, de egge met haar ijzeren punten viel

neder, en de brug ging langzaam in de hoogte.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação