Hoofdstuk 20 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 20 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 20

Hoofdstuk 20

20

_Groot is de held die aen het hoofd van dappren,

Ten steun en schuts der vryheid snelt;

De vaderlandsche vlag ontrolt en weêr doet wappren

Zoo lang door dwinglandy gehoond en neêrgeveld._

PH BLOMMAERT

Het was duister nacht wanneer Gwyde met omtrent zestienduizend Bruggelingen

te Kortrijk aankwam. De inwoners, door vooruitgezonden ruiters bericht

zijnde, stonden in menigte boven de wallen der stad, en ontvingen hun

Landheer, bij het toortslicht, met blijde juichingskreten. Zodra het leger

zich binnen de muren geschaard had, brachten de Kortrijkers alle slag van

eetwaren, ganse vaten wijn schonken zij hun vermoeide broeders voor, en

bleven de gehele nacht bij hen op de vest; het zou onmogelijk geweest zijn

de omhelzingen, die zij in hun vervoerdheid elkander gaven, te tellen.

Gedurende die uitstorting van broederlijke liefde, waren er veel anderen,

die de afgematte kinderen en vrouwen op de weg tegemoet gingen, om hen van

het huisraad te ontlasten. Genoeg dier zwakke schepsels, welkers voeten

door het gaan bezeerd waren, werden op de brede schouders der behulpzame

Burgers van Kortrijk stedewaarts gedragen: allen werden geherbergd, en

zorgvuldig gevoed en getroost. De dankbaarheid der Kortrijkers en hun

vurige vriendschap vergrootte de moed der Bruggelingen zeer, want altijd

wordt der mensen ziel bij edele gevoelens verheven.

Machteld en Maria, de zuster van Adolf van Nieuwland, met nog een groot

getal Edelvrouwen uit Brugge waren reeds enige uren te Kortrijk eer het

leger aankwam; zij hadden zich bij hun kennissen gehuisvest, en hadden

insgelijks de herbergen voor de ridders, hun bloedverwanten of vrienden

voorbereid; in zulker voege dat de edellieden, die met Gwyde waren, het

avondmaal bij hun aankomst mochten nutten.

Des anderdaags, in de vroege morgen, ging Gwyde met enige voorname inwoners

de vestingwerken van het kasteel bezichtigen; tot zijn grote droefheid

bevond hij dat men hetzelve niet zonder de zwaarste stormtuigen kon

verwinnen. De muren waren al te hoog, en uit de torens, welke boven

dezelve uitstaken, kon men te veel pijlen op de belegeraars werpen. Hij

begreep dat de minste roekeloze poging hem duizend mannen kosten zou; zich

dan met wijsheid beraamd hebbende, besloot hij de stormloping niet vermetel

te beginnen. Hij gebood dadelijk dat men stormrammen en valtorens moest

bouwen, en dat men de in de stad zijnde oorlogstuigen zou aanbrengen; deze

laatste bestonden in enige springalen en een klein getal blijden[109]. Het

was denkelijk dat men het kasteel niet voor de vijf dagen later zou kunnen

bespringen: dit uitstel was de Kortrijkers nu zo schadelijk niet meer, want

sedert de aankomst des Vlaamsen legers had de Franse bezetting opgehouden

met vuurpijlen op de stad te werpen; men zag de wachten voor de stormgaten

der torens met hun kruisbogen wel gereed staan, maar zij schoten echter

niet. De Vlamingen wisten de oorzaak hiervan niet, zij dachten dat enige

list eronder verborgen lag, en hielden van hun kant een nauwkeurige wacht.

Alle aanval was door Gwyde verboden; hij wilde niets wagen vooraleer, zijn

stormtuigen klaar zijnde, hij de zege zeker mocht zijn.

De Kastelein van Lens was in de uiterste nood, zijn schutters hadden

slechts een klein getal pijlen meer over; dus gebood hem de voorzichtigheid

dezelve tot een aanval te bewaren. Ook was de lijftocht zodanig verminderd

dat hij de bezetting niet meer dan de helft van de gewone nooddruft kon

geven. Hij hoopte dat de waakzaamheid der Vlamingen enigszins zou

verminderen, en dat hij de gelegenheid zou kunnen vinden om een bode naar

Rijsel in het Franse leger te zenden.

Arnold van Oudenaarde, die enige dagen vroeger met driehonderd man tot

bijstand der Kortrijkers was gekomen, had zich onder de stadswallen op de

Groeningekouter, omtrent de Abdij, met zijn volk neergeslagen. De ligging

was hoogst voordelig voor een algemene legerplaats en werd in de

krijgsraad, welke door Gwyde was bijeengeroepen, tot die bestemming

verkozen. Reeds des anderdaags, terwijl het ambacht der timmerlieden aan de

stormtuigen werkte, werden de andere Vlamingen buiten de stad geleid om de

begrachting der legerplaats te graven[110]. De wevers en beenhouwers kregen

elk een houweel of een spade, en begaven zich met drift aan het werk; de

verschansing werd als door toverij verheven,--het ganse leger wedijverde

aan de arbeid, het was als een strijd. De spaden en houwelen klommen en

daalden zo snel dat men ze met het gezicht niet volgen kon, en de aarde

vloog in dikke vlokken boven de verschansing, als de ontellijke stenen

welke een belegerde stad op de vijand werpt.

Naarmate er een deel der aardewerken voltooid was, kwamen andere mannen er

de tenten tegenplaatsen. Van tijd tot tijd lieten de arbeiders hun

werktuigen in de grond steken en klommen met haastigheid boven de

verschansing; dan liep er een algemene welkomstgroet boven het leger en de

schreeuw, Vlaanderen de Leeuw! Vlaanderen de Leeuw! deed zich nog in de

verte als een antwoord horen.--Dit geschiedde iedermaal dat er bijstand uit

andere steden aankwam.

Het Vlaamse volk had zijn Edelen enigszins ten onrechte van trouwloosheid

en lafheid beschuldigd; weliswaar een groot getal derzelve had zich

openlijk voor Frankrijk verklaard, maar het getal der trouwgeblevenen was

groter dan dit der bastaarden. Tweeënvijftig der bijzonderste Vlaamse

ridders zaten in Frankrijk gevangen, zeker was het de liefde tot het

Vaderland en tot hun Vorst, welke hen daartoe gebracht had; de andere

trouwe Edelen, die in Vlaanderen woonden, vonden het niet eerlijk met een

oproerig volk samen te spannen, voor hen was de renbaan of het slagveld de

enige plaats waar hun wapendaden mochten geschieden. De zeden van die tijd

hadden hun die gevoelens gegeven, want er was alsdan zoveel afstand tussen

een ridder en een burger als er nu tussen de meester en zijn dienstknecht

is. Zolang de strijd binnen de muren der steden en onder het bevel der

volksaanleiders geschiedde, bleven zij in hun kastelen over de verdrukking

des Vaderlands zuchten, maar nu Gwyde als wettige Veldoverste over zijn

onderdanen gebood, kwamen zij uit alle heerlijkheden met hun Laten

toegelopen[111].

De eersten dag des morgens kwamen de heren Boudewyn van Papenrode, Hendrik

van Raveschoot, Ivo van Bellegem, Salomon van Zevekote en Mijnheer Van

Maldegem met zijn twee zonen, te Kortrijk. Op de middag vloog het stof der

baan in de richting van Moorsele als een wolk boven het omstaande geboomte.

Terwijl de Bruggelingen van hun verschansingen hevig juichten, gingen er

vijftienhonderd mannen van Veurne in de stad, aan hun hoofd en als

bevelhebber hebbende de befaamde krijger Eustachius Sporkyn[112]. Een

menigte ridders, die zij onderweg ontmoet hadden, vergezelden hen; onder

dezen waren Mijnheer Jan van Ayshoven, Willem van Daknam en zijn broeder

Pieter, Mijnheer Van Landegem, Hugo van der Moere, Simon van Kaster de

voornaamsten. Jan Willebaert van Torhout had zich ook met enige mannen

onder het bevel van Sporkyn geplaatst. Alle ogenblikken kwamen eenzame

ridders bij het leger, zelfs waren er uit andere landen of graafschappen,

die zich alsdan in Vlaanderen bevonden, en niet aarzelden tot de vrijmaking

der Vlamingen mee te werken.--Zo waren Hendrik van Loncin uit Luxemburg,

Goswyn van Goetsenhoven en Jan van Cuyck, twee edele Brabanders, reeds bij

Gwyde, wanneer de mannen van Veurne in de stad kwamen. Al deze krijgslieden

werden onmiddellijk, nadat zij in Kortrijk wat ververst waren, onder het

bevel van Mijnheer Van Renesse in het leger geplaatst.

De tweede dag kwamen de Ieperlingen toegelopen. Alhoewel zij hun eigen

stad bewaken moesten, wilden zij echter niet lijden dat men Vlaanderen

zonder hun toedoen zou verlossen. Hun benden waren de schoonste en de

rijkste die men zien mocht; er waren vijfhonderd knotsdragers, gans in

scharlaken gekleed, met fraaie vedertjes op hun blinkende huiven; ook

hadden zij kleine borstplaten en knieschijven, welke tegen de schijn der

zon hevig glinsterden. Zevenhonderd andere mannen droegen overgrote

kruisbogen met stalen veren, hun kleding was groen met gele boordsels[113].

Met hen waren de volgende heren: Jacob van leper, Wapendrager van de Graaf

Jan van Namen, Mijnheer Diederik van Vlamertinge, Josef van Hollebeke,

Boudewyn van Passendale; de Aanleiders waren Philip Baelde en Pieter Belle,

Dekens der twee voornaamste ambachten van leper.

In de namiddag kwam het overige volk van het Oost- en Westvrije uit de

omliggende dorpen van Brugge, ten getale van tweehonderd wel uitgeruste

krijgslieden.

De derde dag voor de noen kwam Mijnheer Willem van Gulik, de Priester, met

Jan van Renesse terug van Kassel. Vijfhonderd ruiters, vierhonderd

Zeelanders en nog een bende Bruggelingen traden met hen in het leger[114].

De beroepen ridders en steden waren meest al aangekomen; alle soorten van

wapenknechten bevonden zich onder het bevel van Gwyde. De blijdschap, die

de Vlamingen gedurende deze dagen vervoerde, is onuitsprekelijk, nu zagen

zij dat hun landgenoten zozeer niet verbasterd waren, en dat het Vaderland,

op de ganse uitgestrektheid van de Vlaamse bodem, nog moedige mannen

teelde: reeds waren er bij de eenentwintigduizend strijdbare krijgers onder

de Standaard van de zwarte Leeuw gelegerd, en nog kwamen er onophoudelijk

andere kleinere benden bij.

Alhoewel de Fransen een heir van tweeënzestigduizend man hadden, waarvan de

helft te paard was, kon de minste vrees nu geen plaats meer in het hart der

Vlamingen vinden. In hun opgetogenheid verlieten zij dikwijls hun werk om

elkander te omhelzen, en dan spraken zij met zegepralende woorden alsof

niets hun de overwinning kon ontroven.

Tegen de avond op het ogenblik dat zij met hun spaden naar de hutten

gingen, rees de schreeuw "Vlaanderen de Leeuw!" opnieuw boven de muren van

Kortrijk, iedereen liep terug naar de verschansing om te zien wat er te

doen was. Zodra zij hun ogen buiten de legerplaats gewend hadden,

antwoordden zij met luider en blijder kreten op de roep der

Kortrijkers.--Zeshonderd ruiters gans met ijzer bekleed renden, tussen

bruisend gejuich, binnen de legerplaats. Dit gevaarte kwam van Namen en

was door Graaf Jan, broeder van Robrecht van Bethune, naar Vlaanderen

gezonden[115]. Door de toekomst dezer hulp, werd de vreugde der Vlamingen

nog heviger, want ruiterij ontbrak hun grotelijks. Niettegenstaande zij wel

wisten dat de mannen van Namen hen niet verstonden, riepen zij hun allerlei

welkomstgroeten toe, en brachten hun wijn in overvloed. De vreemde

krijgers, die grote vriendschap ziende, voelden zich innerlijk tot

wederliefde gedwongen, en zwoeren dat zij hun bloed voor zulke goede lieden

wilden vergieten.

De enige stad Gent had op de roep niet geantwoord, nog geen enkel gezel was

uit dezelve naar Kortrijk gekomen; men wist sedert lang dat Gent van

Leliaards krioelde en dat het Magistraat gans voor de Fransen gezind was.

Nochtans had men er zevenhonderd soldeniers verslagen, en Jan Borluut had

zijn bijstand beloofd. In die twijfel dorsten de Vlamingen, die zich bij

het leger bevonden, hun broederen van Gent niet met luider stem van

verraderij beschuldigen, echter werden de Gentenaren door velen verdacht

gehouden, en menig eenzame vloek, welkers doel men niet zou geraden hebben,

was hun toegestuurd.

Des avonds, wanneer de zon sedert een uur achter het dorp Moorsele was

verdwenen, waren al de arbeiders in hun tenten vertrokken. Men hoorde hier

en daar een gezang, dat soms door het klinken der hanapsen werd opgevolgd

en waarvan vele stemmen het slotvers juichend herhaalden; in andere tenten

was het een verwarde redekaveling, uit dewelke men bij de roep "Vlaanderen

de Leeuw!" verstaan kon, dat de sprekenden elkander tot onversaagdheid

aanporden en de ontheffing hunner zielen elkander in ruwe en losse woorden

mededeelden. In het midden der legerplaats, op een zekere afstand der

tenten, brandde een groot vuur, hetwelk met zijn rode glans een gedeelte

des legers verlichtte, een tiental mannen waren met deszelfs onderhoud

belast; men zag ze beurtelings met grote boomtakken komen aangesleurd, en

dan hoorde men de stem van een Overste, die riep: "Voorzichtig mannen! Let

op, en roert het vuur zo niet:--jaagt de spranken niet boven het leger!"

Enige treden van die vuurgloed stond de hut der legerwacht, het was een dak

met ossenhuiden overdekt, en waarvan het timmerwerk op acht zware opgaande

balken rustte, de vier zijden waren open, opdat men in alle richtingen over

de legerplaats mocht zien.

Jan Breydel met vijftig zijner mannen moesten die nacht waken, zij zaten

allen op kleine houten stoelen rondom een tafel, onder het dak dat hen voor

de dauw en de regen moest behoeden; hun bijlen ontvingen de schijn van het

vuur en vlamden in hun handen alsof zij gloeiende wapens hadden gedragen.

Schildwachten, die zij uitgezet hadden, kon men in de duisternis zien

wandelen. Een grote kruik wijn en enige tinnen hanapsen stonden voor hen

op de tafel, en alhoewel hun de drank niet ontzegd was, kon men echter wel

bemerken dat zij met matigheid dronken, want zij brachten de hanaps zelden

aan de mond. Zij lachten en klapten vrolijk om de tijd door te brengen, en

vertelden op voorhand welke schone slagen zij de Fransen in de strijd

zouden toebrengen.

"Welnu," riep Breydel, "men zegge dat de Vlamingen hun vaderen niet

gelijken, wanneer een leger als het onze uit vrije wil te samen loopt! Laat

de Fransen nu maar afkomen met hun tweeënzestigduizend man! Hoe meer wild

hoe betere jacht. Zij zeggen dat wij een hoop slechte honden zijn, maar zij

mogen God bidden dat zij niet terdege gebeten worden; die honden hebben

goede tanden."

De beenhouwers lachten hartelijk om de schertsende woorden van hun Deken,

zij bezagen met inzicht een stokoude gezel, wiens grijze baard zijner jaren

getuigde. Een van hen riep hem toe: "Gij, Jacob, zult ze niet goed meer

bijten kunnen!"

"Indien mijn tanden niet zo goed als de uwe zijn," morde de oude Maceclier,

"heb ik toch een bijl die het bijten lang gewoon is. Ik zou met u wel

twintig maten wijns verwedden, wie van ons beiden het meest Fransen naar de

hel zenden zal."

"Dat gaat erom," riep de andere. "Wij zullen ze seffens uitdrinken,--ik ga

ze halen."

"Ho! Ho!" viel Breydel uit. "Wilt gij u wel stil houden! Drinkt morgen;

want, op mijn ziel, de eerste van Ulieden, die zich dronken maakt, zal ik

in Kortrijk doen kerkeren, hij zal de strijd niet bijwonen."

Die bedreiging trof de Macecliers verwonderlijk; de woorden vergingen in

hun mond, en geen van hen roerde nog een lid van zijn lichaam: de oude

Maceclier alleen dorst nog spreken.

"Bij de baard van onze Deken!" riep hij. "Indien mij zulks moest gebeuren,

liet ik mij nog liever in het vuur braden, gelijk Mijnheer St.-Laureys

weleer gebeurd is, want ik zal zulk feest in mijn leven niet meer kunnen

zien."

Breydel bemerkte dat zijn bedreiging het ganse gezelschap met vrees en

droefheid had bevangen: dit beviel hem niet, daar hij zelf tot vrolijkheid

genegen was. Willende dan de moed en de losse vreugd onder hen weder

opwekken, vatte hij de kruik, en de hanapsen beurtelings vullende, sprak

hij: "Wat duivel, mannen, waarom zwijgt gij nu? Daar, neemt en drinkt dat

de wijn u de spraak teruggeve. Het spijt mij dat ik u dus toegesproken heb.

Ken ik u niet? Weet ik niet dat het Macecliersbloed u door de aderen

stroomt? Welaan, en dit gaat op uw welvaart, makkers!"

De uitdrukking van genoegen kwam plotseling op het gelaat der beenhouwers

terug, en hun stilte eindigde met een lange lach, nu zagen zij dat de

bedreiging van hun Deken enkel scherts was geweest.

"Drinkt maar," hernam Breydel, zijn beker vullende, "die kruik zij u

gegeven, gij moogt ze tot de bodem ledigen. Uw gezellen die op de

schildwacht staan, zal een andere bezorgd worden. Nu wij zien dat er uit

alle steden hulp toekomt, en dat wij zo sterk worden, mogen wij dit geluk

wel vieren."

"Ik drink ter schande van de Gentenaars!" riep een gezel. "Reeds lang weten

wij, dat wie in hen zijn betrouwen stelt, op een gebroken stok steunt; maar

dit is niets, zij mogen thuis blijven--dan heeft onze stad Brugge alleen de

eer van de strijd en van de verlossing."

"Zijn de Gentenaren Vlamingen als wij?" sprak een andere. "Klopt hun hart

voor de vrijheid? En wonen er ook wel Macecliers in Gent? Heil Brugge! Daar

is de echte stam."

"Ho!" riep Breydel. "Er woont een man in Gent die een leeuwenhart heeft.

Kent men Jan Borluut niet door de ganse wereld? Ik ben zeker dat, indien

hij de zaak wilde onderzoeken, hij bevinden zou dat zijn vaders Macecliers

waren, of zo iets dergelijks;--want Mijnheer Jan gelijkt aan een Gentenaar

als een stier aan een schaap."

De beenhouwers vielen opnieuw in een schaterende lach uit; zij verstonden

dat hun Deken wilde te kennen geven dat de Gentenaren schapen waren.

"En ik weet niet," ging Breydel voort, "waarom Mijnheer Gwyde om hun komst

wenst; er is niet teveel nooddruft in het leger om nog meer eters tot de

maaltijd te roepen. Denkt de Veldheer dat wij het spel zullen verliezen?

Het is wel te zien dat hij te Namen gewoond heeft, hij kent de Bruggelingen

niet, anders zou hij de Gentenaren niet begeren. Wij hebben hen niet nodig,

of't kwaad vuur moet mij branden! Dat zij thuis blijven, wij zullen onze

zaken zonder hen wel africhten--en daarenboven het zijn toch maar

wankelaars!"

Als een echte Bruggeling beminde Breydel de Gentenaren niet. De twee

voornaamste steden van Vlaanderen stonden van hun geboorte af altijd in

geschil, niet dat de een moediger mannen dan de andere bezat, maar omdat

zij, beide nijverig zijnde, elkanders koophandel poogden te roven en tot

zich te trekken. Heden bestaat die haat tussen de inwoners van Gent en

Brugge nog;--zo moeilijk is het het gemene volk zijn erfelijke inborst te

ontroven, dat dit gevoel van naijver, ondanks al de omwentelingen, tot ons

overgekomen is.

Op die wijze ging Breydel voort met zijn makkers te redeneren; er werd

menig honend scheldwoord tegen de Gentenaren uitgesproken, totdat dit stuk

ten einde zijnde, zij weer op een ander voorwerp het gesprek lieten vallen.

Eensklaps werd hun aandacht door een vreemd gerucht gaande gemaakt; zij

hoorden op enige treden achter de tent een gekijf, alsof twee mannen aan

het vechten waren; allen stonden op om te gaan zien wat dit zijn mocht,

maar eer zij de tent konden verlaten, kwam er een Maceclier, die op

schildwacht gestaan had, met een andere persoon, welke hij met geweld

voorttrok, bij hen: "Meester," sprak hij, terwijl hij de vreemdeling in de

tent stiet, "deze Spreker heb ik achter het leger gevonden; hij ging aan al

de hutten luisteren en sloop als een vos met zachte treden door de

duisternis: lang heb ik hem gevolgd en bespied. Voorzeker schuilt enig

verraad eronder, want zie hoe de schelm beeft."

De man, welke hij in de tent gebracht had, was met een blauwe kolder

gekleed,--een mutsje met een veder op zijn hoofd. Een lange baard bedekte

de helft van zijn aangezicht. In de linkerhand hield hij een klein

speeltuig dat wel naar een harp geleek, en scheen op hetzelve een deuntje

voor het gezelschap te willen spelen. Hij sidderde van vrees, en zijn

gelaat was bleek, alsof het leven hem ging verlaten; het was zichtbaar dat

hij de blik van Jan Breydel wilde ontwijken, want hij wendde het hoofd om

naar de andere zijde, opdat de Deken zijn wezenstrekken niet zou gezien

hebben.

"Wat komt gij in het leger doen?" riep Breydel. "Waarom luistert gij aan de

tenten? Antwoord spoedig!"

De Zanger antwoordde in een spraak welke naar het Hoog-Duits zweemde, en

deed gissen dat hij ergens in een ander deel des lands thuis behoorde:

"Meester, ik kom van Luxemburg, en heb Mijnheer Van Loncin te Kortrijk een

boodschap gedragen. Men heeft mij gezegd dat een mijner broederen in het

leger is, en ik was gekomen om hem te zoeken. Ik ben bang en bevreesd, daar

de schildwacht mij voor een bespieder heeft aanzien; maar ik hoop dat gij

mij niet zult schaden." Breydel, die zich voor de Dichter met medelijden

voelde ingenomen, zond de schildwacht terug, en de vreemdeling een stoel

wijzende sprak hij:

"Gij moet van zulke lange reis vermoeid zijn. Daar, mijn schone Spreker,

zet u neer. Drink, die hanaps is uwe. Gij zult ons enige liedjes zingen en

wij zullen u voorschenken. Heb moed, gij bevindt u tussen goede lieden."

"Vergeef het mij, Meester," antwoordde de Zanger, "ik kan hier niet

blijven, want Mijnheer Van Loncin wacht mij. Ik denk dat gij de begeerte

van die edele ridder niet zult tegengaan met mij langer te wederhouden."

"Er moet een lied zijn!" riepen de beenhouwers. "Hij gaat niet heen, of er

moet een lied gezongen zijn!"

"Bij de duivel," riep Breydel, "zo gij ons het vermaak van enige liedjes

te horen niet wilt geven, dan hou ik u hier tot morgen. Indien gij met

goede wil begonnen waart, zoudt gij nu reeds gedaan hebben. Zing, ik beveel

het u!"

De benauwdheid van de Dichter vermeerderde bij het dwingend bevel, met

moeite kon hij de harp in de hand blijven houden, want hij beefde zodanig

dat de snaren van het speeltuig, zijn klederen rakende, een geluid gaven en

enige twijfelachtige tonen in het oor der beenhouwers zonden; dit

vergrootte hun lust nog meer.

"Wilt gij spelen of zingen?" riep Breydel. "Want zo gij u niet spoedt, zal

u iets kwaads gebeuren."

De Zanger, tot de dood toe verschrikt, bracht zijn bevende vingeren op de

harp en haalde slechts valse en verwarde tonen uit het speeltuig. De

beenhouwers bemerkten stellig dat hij er niet op spelen kon.

"Het is een bespieder!" riep Breydel. "Ontkleedt hem en onderzoekt of hij

geen verraad op zich draagt."

In een ogenblik waren de bovenklederen hem van het lijf gerukt, en

niettegenstaande hij smekend om genade bad, werd hij in dit onstuimig

onderzoek van de ene kant naar de andere gestoten.

"Hier, hier heb ik het!" riep een beenhouwer, die zijn hand tussen het

wambuis, op de borst van de onbekende gestoken had. "Hier is het verraad!"

Zijn hand uit het wambuis getogen hebbende, hield hij in dezelve een vel

perkament dat in drie- of vierdubbel was gevouwen, en waaraan een zegel

hing, welke voor het breken met vlas omwonden was. De Dichter stond stom

alsof hij de dood voor zich had gezien; hij morde enige onverstaanbare

woorden, die niet door de beenhouwers gehoord werden, terwijl hij de Deken

met angst aanzag.

Jan Breydel vatte het perkament, en hetzelve ontvouwen hebbende, bleef hij

het lange tijd bestaren zonder dat het hem iets kon verklaren; in die tijd

waren er buiten de Geestelijken weinig personen die lezen konden, zelfs

waren de Edelen meestal nog in de grootste onwetendheid gedompeld.

"Wat is dit, schelm dat gij zijt?" schreeuwde Breydel. "Het is een brief

van Mijnheer Van Loncin ..." stamelde de geveinsde Dichter met gebroken

woorden.

"Wacht!" hernam de Deken. "Ik zal het welhaast zien." Hij nam zijn

kruismes, en sneed het er omgewonden vlas van de zegel. De leliebloemen,

het wapen van Frankrijk gezien hebbend, sprong hij vloekend vooruit, en

vatte de onbekende bij de baard. Hem bij dezelve heen en weer slingerende,

viel hij uit: "Het is een brief van Mijnheer Van Loncin, gij verrader? Neen

het is een brief van de Kastelein van Lens, en gij zijt een bespieder. Zo

de duivel u op staande voet niet weghaalt, zult gij een bittere dood

sterven, booswicht!"

Dit zeggende trok hij met zoveel geweld aan de baard van de bespieder dat

de linten, waarmede hij dezelve aan zijn hoofd gebonden had, losbraken, en

dan herkende Breydel zijn gelaat. Hij stiet hem met zoveel gramschap

achteruit dat hij tegen een der stijlen van de tent bonsde.

"O Brakels! Brakels! Uw laatste uur is gekomen!" riep Breydel als

verschrikt van dit verschijnsel.

De oude Maceclier, die men om zijn slechte tanden bespot had, sprong op

Brakels en hem met de handen bij de keel gevat hebbende, drukte hij hem zo

vast tegen de stijl, waarop Breydel hem geworpen had, dat de ogen van de

lijdende in zijn hoofd draaiden, want onder de nijpingen van de Maceclier

kon de verrader niet meer ademen; hij ware weldra verworgd geweest indien

de beweging, die hij om los te raken deed, van tijd tot tijd hem niet

toegelaten had zijn benauwde borst te ontlasten.

Het geschreeuw der beenhouwers had een menigte volks gewekt, dat uit alle

tenten uit nieuwsgierigheid kwam toegelopen, de een zonder kolder, de

andere zonder wambuis; zodra zij de oorzaak des geruchts vernamen, begonnen

zij met razernij om het lichaam van Brakels te roepen.

"Geeft hem ons!" schreeuwden zij. "Zijn bloed! Zijn lijf!" Breydel vatte de

oude Maceclier bij de schouders, en rukte hem Brakels weg, roepende:

"Besmeur u niet met het bloed van de verrader. Hij is te verachtelijk,

anders zou hij reeds door mijn handen gestorven zijn."

"Neen, bij God!" riep de Maceclier, zijn bijl opheffende. "Ik wil mij aan

dit spel vermaken. Men wint een plaats in de hemel, wanneer men een

landverrader doodslaat. Laat mij doen, Meester, ik bid u, om Gods wil, maar

een kap!"

Brakels zat geknield te gronde en smeekte met gevouwen handen om

lijfsgenade, hij kroop tot bij de Deken en zuchtte: "O Meester, heb toch

medelijden met mij ... Ik zal het Vaderland met trouw dienen ... Dood mij

toch niet!"

Breydel bezag hem met woede en verachting, en hem de voet in de zijde

plaatsende, schopte hij hem ineens tot aan de andere kant der

tent.--Intussentijd hadden de beenhouwers de grootste moeite om de

duizenden mannen, die vol wraakzucht rondom de tent bezig waren met vloeken

en schreeuwen, eruit te houden: "Geeft ons zijn lijf!" riep de woedende

schaar. "In het vuur, in het vuur!"

"Ik wil niet," sprak Breydel met een dwingende blik tot zijn mannen, "dat

het bloed van die slang uw bijlen rake.--Men geve hem aan het volk over."

Dit bevel was zijn mond nog niet ontgaan, of er kwam een man uit de

schaar, die een strop om de hals van Brakels wierp: dan het eind daarvan

bij honderden in de hand nemende, trokken zij de verrader achterover en

sleepten hem uit de tent. Zijn bange gillen versmolten in het bruisend

gejuich der menigte. Na hem rond het leger gesleurd te hebben, kwamen zij

altijd huilende, bij het vuur, en trokken hem vier of vijf malen dwars

erdoor totdat de kolen, die op zijn aanzicht kleefden, hem onkennelijk

hadden gemaakt. Hun loop dan weer hernemende, verdwenen zij met het dode

lichaam in de duisternis. Lang nog hoorde men hun kreten in de verte, en

lang nog martelden zij het lijk van de verrader totdat het gans verminkt en

een uur later aan een galg bij het vuur ten toon hing. Ieder keerde naar

zijn tent terug, en de grootste stilte volgde op dit schaterend gerucht.

1/1
Menu

Fazer anotação