Hoofdstuk 18 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 18 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 18

18

_Was niet het schoonste tydperk van haer leven

Voor hare ziel een onophoudlyk streven?

Was alles wat zy hier ook tegenkwam

Niet bitter voor haer zuiver hart? en nam

Niet elke dag een van haer droomen weg

En met den droom een bron van zaligheid?_

JOHAN ALFRIED DE LAET

Het was nu twee jaar geleden dat de vreemdeling, zijn voet op het Vaderland

zettende, riep: "Bukt uw hoofden, gij, Vlamingen!--Gij, noordertelgen,

gehoorzaamt de zuiderzonen, of sterft!"

Maar dan wisten zij niet dat er in Brugge een Man geboren was, wiens

schedel met vernuft was opgevuld, wiens ziel door heldenmoed groot

was;--een man die als een licht onder zijn tijdgenoten moest schijnen, en

aan wie God, als aan de Tolk Mozes gezegd had: "Ga en verlos uw broederen

uit de banden Farao's."

Zodra de verwoestende scharen der Fransen op de bodem des Vaderlands

gekomen waren en dat de kim zich door het opvliegend stof boven hun hoofden

verduisterde, klonk er een geheime stem in de ziel van Deconinck--een stem

die zegde: "Geef acht, dezen zoeken slaven!"

Bij die roep beefde de edele Burger van pijn en verontwaardiging.

"Slaven! Wij slaven?" was zijn zucht. "O Heer onze God, lijd het niet! Het

bloed onzer vrije vaderen heeft voor uw altaren gestroomd, zij zijn in het

zandig Arabië met uw heilige naam op hun mond gesneuveld: o lijd niet dat

hun zonen aan de keten der vreemden verbasterd worden, opdat de tempels,

die wij U opgericht hebben, niet met slaven vervuld worden."

Deconinck had dit gebed in zijn ziel gesproken; maar het hart der mensen

ligt voor de Schepper open. Hij vond in de Vlaming nog al de edelmoed en de

geest waaruit Hij zijn ziel gevormd had, en Hij liet een onzichtbare straal

van zich gaan.

Met een geheime kracht plotseling vervuld, gevoelde de Vlaming zijn

denkvermogens zich verdubbelen en riep in geestverrukking ontheven: "Ja,

Heer, ik heb uw machtige vinger op mijn voorhoofd gevoeld; ja, ik zal mijn

Vaderland bewaren! Ik zal de graven mijner vaderen, uw dienaren, niet laten

vertreden.... Gezegend zijt gij, o God, die mij geroepen hebt!"

Sedert dit ogenblik had Deconinck maar een gevoel, maar een zucht in zijn

hart behouden: uit het grote woord Vaderland ontstonden al zijn gedachten,

al zijn aandoeningen; belang, maagschap, rust, alles werd verbannen, om de

liefde tot de Leeuwenbodem alleen in de wijde boezem te laten wonen.--Welke

mens ook was ooit edeler dan deze Vlaming die honderden malen zijn leven en

zijn vrijheid zelf voor de vrijheid van Vlaanderen waagde? Welke mens was

met meer vernuft begaafd? Hij alleen, ondanks de bastaarden en Leliaards,

die Vlaanderen wilden verkopen, verijdelde al de pogingen des Fransen

Konings; hij alleen was het, die zijn broederen het leeuwenhart aan de

keten bewaarde en alzo de verlossing langzaam bereidde.

De Fransen wisten dit wel: zij kenden degene die alle ogenblikken de wielen

van hun zegewagen verbrijzelde. Zij zouden de lastige waker wel uit de weg

geruimd hebben, maar met het vernuft bezat hij de voorzichtigheid der

slang. Hij had zich een borstweer van zijn broeders gemaakt; dit wetende

dorst de Vreemde de tolk niet raken, want dan had een bloedige ontwaking

hem gewroken. Terwijl de Fransen, onder de staf der dwingelandij, gans

Vlaanderen deden bukken, leefde Deconinck in volle vrijheid onder zijn

stadgenoten, en hij was de meester zijner meesters; zij vreesden hem meer

dan hij hen vreesde.

Nu hadden zevenduizend Fransen de tweejarige verdrukking met het leven

geboet: geen enkele vreemdeling ademde nog in het vrijgemaakte Brugge, het

volk verheugde zich over de verlossing, de stad weergalmde van de blijde

liederen welke de Sprekers ter dier gelegenheid gemaakt hadden; en de witte

vlag ontrolde de blauwe Leeuw met golvende vouwen boven de wachttoren. Dit

teken, dat weleer aldus op de muren van Jeruzalem gepraald had, en hetwelk

zulke glorierijke feiten verhaalde, maakte de harten der Burgers groot; die

dag werd de slavernij voor Vlaanderen onmogelijk, want de Bruggelingen

herinnerden zich hoeveel bloeds hun vaderen voor de vrijheid vergoten

hadden. Tranen lekten soms uit hun ogen,--van die tranen, welke de ziel

ontlasten wanneer zij te vol vuur is en dat edele driften haar doen

gloeien.

Wellicht zal men denken dat de Deken der wevers het werk nu voltooid achtte

en dat hij zich bezighield met zijn geplunderde woning te herstellen. Neen,

hij dacht noch aan zijn woning, noch aan de rijkdom, die hem ontroofd was:

het welzijn en de rust zijner broederen was zijn eerste zorg. Wetende dat

er tussen de vrijheid en de wanorde maar één nacht is, deed hij nog

dezelfde dag uit ieder ambacht een Ouderling kiezen, en stelde dezelve met

de toestemming des volks aan het Bestuur. Hij werd niet als voorzitter van

deze raad benoemd, hij kreeg geen last, maar nam ze alle. Niemand dorst

iets zonder hem doen, zijn raad was een bevel in alle zaken, en, zonder

ooit iets te gebieden, was zijn gedacht het uitsluitelijk richtsnoer van

het gemenebest:--zo wijd is de heerschappij des vernufts.

Het Franse leger was nu wel vernield, maar het was zeker dat Philippe le

Bel nieuwe en talrijker benden in Vlaanderen zenden zou om de hoon, hem

geschied, te wreken. De meeste Burgers dachten weinig aan deze schriklijke

zekerheid, het was hun genoeg nu vrij en vrolijk te zijn; maar Deconinck

deelde niet in de openbare vreugde: het was in zijn hart dat het geluk zich

besloten hield, hij had het tegenwoordige reeds vergeten om de toekomende

rampen af te weren. Het was hem niet onbekend dat de geestdrift en de moed

des volks met de tegenwoordigheid des gevaars eindigt; ook deed hij alle

moeite om het denkbeeld des krijgs gedurig in de stad te doen heersen.

Ieder ambachtsman werd een Goedendag of een ander wapen gegeven, en de

vaandels werden opnieuw ingericht, met bevel om zich altijd tot de strijd

gereed te houden: het ambacht der metselaars begon de vestingwerken te

herstellen, en in alle werkhuizen der smeden was het verboden iets anders

dan wapens voor de Gemeente te maken. De tol werd hersteld en de

stadspenningen gelicht. Door die wijze maatregelen deed Deconinck al de

gedachten, al de pogingen tot één doel strekken, en bewaarde zijn vaderstad

voor die menige onheilen, welke een grote beroerte, hoe edelmoedig ook,

altijd met zich sleept.--Men zou gedacht hebben dat het nieuwe Bestuur van

Brugge zich door lange jaren had bevestigd.

Onmiddellijk na de verlossing, en terwijl het volk de wijn der vrolijkheid

in al de straten dronk, had Deconinck een bode naar het leger te Damme

gestuurd, om de overige ambachtslieden in de stad te roepen. Machteld was

met hen gekomen, en men had haar een prachtige woning in het Prinsenhof

aangeboden; doch zij verkoos het huis van Nieuwland, de plaats waar zij zo

menig droevig uur had doorgebracht, de plaats aan dewelke al haar dromen

van liefde en rouw gehecht waren.

Hier vond zij in de goede zuster van Adolf een tedere vriendin weder, in

het hart derwelke zij de liefde en de bangheid haars beklemden boezems

storten kon.--Het is zo heilzaam voor ons, wanneer de dode droefheid ons

prangt, iemand te vinden die door zijn eigen smart ons leed verstaan kan;

iemand die bemint hetgeen wij beminnen, en wiens klachten weergalmen onzer

klachten zijn:--zo omhelzen twee zwakke wijngaardranken elkander, en tarten

de verdelgende stormorkaan, die hun steunloze hoofden ter neder wilde

knakken. Voor ons is de droefheid en de smart een orkaan die door zijn

ijskoude adem onze zielen van vuur en leven berooft en onze hoofden voor de

ouderdom ten grave doet hellen,--alsof de jaren van rampspoed de mens

dubbel werden toegerekend.

Voor de vierde maal verhief zich de zon met luisterrijke gloed boven het

vrije Brugge.--Machteld zat alleen in de kamer, die zij eertijds ten huize

van Adolf van Nieuwland had bewoond. De trouwe vogel, de geliefde valk was

niet meer met haar, hij was dood. Op de stille wezenstrekken der Jonkvrouw

waren de ziekte en de mistroost met bleke kleuren geschetst; haar ogen

waren dof, haar wangen uitgeteerd, en alles deed zien dat de worm des

lijdens haar het hart knaagde. Echter kwam soms nog een zoete uitdrukking,

iets dat naar een glimlach zweemde, haar lippen bewegen, wanneer zij haar

ogen rond de kamer liet gaan: alles wat haar omringde, sprak van Adolf.

Daar was het dat het geheim zijns harten in gloeiende minnewoorden hem

ontvallen was--daar was het dat hij bevend en gelukkig zijn lippen op haar

voorhoofd geplaatst had. Het beeld van de jonge ridder zat voor haar

geknield, zijn ogen smekend tot haar geheven; zij luisterde alsof zij de

tonen van een heimlijk gezang wilde vatten; gewis suisde de stem van Adolf

haar in het oor;--en dan liet zij, in een zachte droom onttogen, haar blik

op hem neergaan,--dan bewoog zij haar lippen en sprak met onvatbare

woorden: "Kom rust op mijn hart, o gij de man die ik bemin, de bruidegom

door God en mijn vader mij geschonken!"

Dit bedrieglijke beeld was het, dat haar ziel op haar lippen deed

glimlachen, maar hoe kort was deze leugenachtige vreugde, hoe pijnlijk de

onttovering!--Weldra scheurde het onverbiddelijk geheugen de blinddoek af,

en dan vertoonde zich de wezenlijkheid met schriklijke kleuren voor haar.

Zij zag Philippa, haar moei, het venijn dat men haar bood drinken, zij zag

de wrede Koningin der Fransen bij het neergestorte slachtoffer staan; en

het scheen haar dat die boze vrouw eerst zegepraalde wanneer de

stuiptrekkende dood haar wraak kwam voltooien.

Diegenen, welke zich lang met bittere smart gevoed hebben, verlustigen zich

in nare dromen, en, alsof de wezenlijkheid hen niet genoeg doorgriefde,

scheppen zij zich nog spoken, die hen meer bedroeven: zo ook deed de

ongelukkige Machteld. Zij beeldde zich in dat het geheim der loslating

haars vaders ontdekt was; zij zag de moordenaar, door de Koningin Johanna

betaald, het vergif in de nooddruft haars vader mengen,--en dan liep een

siddering over haar lichaam, en tranen van bangheid barstten uit haar ogen.

Adolf was voor haar gestorven, hij had zijn liefde en zijn edelmoedigheid

geboet.--Die hartscheurende taferelen vergingen en herschiepen zich

meermaals, en plaagden de arme maagd met een bitter lijden.

Op dit ogenblik kwam haar vriendin Maria in de kamer. De grimlach, die

alsdan de wangen der lijdende maagd betrok, was evenals de lach, welke, na

een pijnlijke dood, op het aanzicht van sommige lijken blijft; meer pijn en

meer droefheid was erin besloten dan in de smartelijkste klacht: zij bezag

de zuster van Adolf met een blik die zegde: "O geef mij troost en lafenis!"

Maria naderde bij het wanhopige meisje, en drukte haar de hand met een

teder medelijden. Zij gaf aan haar stem die zachte toon, die als een zoet

gezang in de ziel der ongelukkige dringt, en sprak: "Uw tranen vloeien in

stilte, mijn dierbare Vrouw, uw hart smelt weg van droefheid en wanhoop; en

niets--niets verlicht uw bitter lot! Ho, gij zijt zo ongelukkig!"

"Ongelukkig, zegt gij, mijn vriendin? Ho ja! Er is daar iets in mijn boezem

dat mij het hart omvangt en nijpt. Weet gij wat schriklijke spoken mij

steeds voor de ogen drijven? En verstaat gij waarom mijn tranen gedurig

over mijn wangen vlieten?--Ik heb mijn heer Vader door het vergif zien

sterven, ik heb de stem eens stervenden gehoord, een stem die zegde:

Vaarwel gij, het kind dat ik beminde."

"Ik bid u, Vrouw," viel Maria in, "verban die nare schimmen. Gij doet mij

beven! Uw vader leeft; gij zondigt grovelijk door die vertwijfeling.

Vergeef mij deze stoute woorden."

Machteld vatte de hand van Maria, en drukte dezelve zachtjes, als om haar

te doen begrijpen dat die woorden troostend voor haar geweest waren.

Niettegenstaande ging zij in haar mistroostige rede voort, en scheen

behagen in het lijden te zoeken.--De klachten van benepen zielen zijn ook

tranen, die de smart verlichten. Zij hernam: "Ik heb nog meer gezien,

Maria, ik heb de beul, die door de wrede Johanna van Frankrijk gezonden

was, zijn bijl boven het hoofd uws broeders zien heffen, en zijn hoofd heb

ik op de vloer des kerkers zien vallen!"

"O God!" riep Maria. "Wat schriklijke gedachte!"

Zij beefde, en haar ogen glinsterden door de tranen die onder haar wimpers

kwamen.

"En zijn stem heb ik ook gehoord, een stem die mijn hart kwam raken en die

zegde: Vaarwel, vaarwel mijn verloofde!"

Door dit ijslijk vooruitzicht getroffen, wierp Maria zich om de hals van

Machteld, en haar tranen rolden op de hijgende borst harer ongelukkige

vriendin. De lange zuchten der twee Jonkvrouwen vervulden de kamer met een

hartnijpend gesuis. Na zij aldus enige tijd, als gevoelloos en in bittere

smart verzonken, tegen elkanders boezem gerust hadden, vroeg Machteld:

"Verstaat gij nu mijn lijden, Maria? Verstaat gij nu, waarom ik uitteer en

langzaam sterf?"

"O ja," antwoordde Maria met wanhoop, "ja, ik versta en gevoel uw lijden. O

mijn arme broeder!"

De twee Jonkvrouwen zetten zich, afgemat en sprakeloos, neer. Zij bezagen

elkander lange tijd in onuitdrukkelijke droefheid; maar de tranen die zij

stortten, kwamen haar wee allengskens verzachten, en ongevoeliglijk daalde

de hoop in haar ontlaste boezems terug. Maria, die ouder en ook sterker

tegen het lijden dan Machteld was, rees eerst uit de duistere mijmering, en

sprak: "Waarom, o mijn Vrouw, zouden wij ons zozeer door leugenachtige

dromen laten folteren? Niets bevestigt het smartlijk voorgevoel dat ons

pijnigt, ik ben zeker dat onze Heer Robrecht, uw vader, niets kwaads

gebeurd is en dat mijn broeder reeds op weg is om in het Vaderland terug te

keren."

"En gij hebt geweend, Maria! Weent men wanneer de terugkomst eens broeders

ons toelacht?"

"Gij plaagt uzelf, mijn Vrouw. Ho, de smart moet diep wortelen in uw hart

geschoten hebben, dat gij de zwarte beelden, die u bedroeven mogen, met

zoveel vurigheid omhelst! Geloof mij, uw vader leeft en wellicht is zijn

verlossing aanstaande. Denk welke vreugd u vervoeren zal, wanneer zijn

stem, diezelfde stem die zo akelig in uw dromen roept, u zeggen zal: mijn

ketens zijn verbroken! Wanneer zijn zoen van tederheid u op het voorhoofd

zal dalen, en dat het vuur zijner omhelzing de rozen op uw ontverfde wangen

zal terugbrengen. Het lieflijke slot Wijnendale zal u weder ontvangen,

Mijnheer Van Bethune zal de troon zijner vaderen beklimmen, en dan zult gij

zijn ouderdom door uw liefde ondersteunen;--dan zult gij aan uw

tegenwoordige pijnen niet meer denken dan om u over hetgeen gij om de

liefde uws doorluchtigen vaders geleden hebt, te verblijden. Zeg mij nu, o

Machteld, mijn Vrouw, zult gij geen enkele straal van hoop in uw ziel laten

dringen, zullen deze zalige vooruitzichten u niet troosten?"

Onder deze woorden was er een merkbare verandering in Machteld omgegaan.

Haar ogen waren door zachte vreugde verlevendigd, en een zoete glimlach

bleef op haar lippen dwalen.

"O Maria," zuchtte zij, terwijl zij haar rechterarm over de hals der

troostende vriendin wierp. "O, wist gij wat verkwikking ik gevoel, wat

onverhoopt geluk gij als een balsem over mij gestort hebt!--Zo trooste u de

engel des Heren in uw laatste uur. Welke zoete woorden heeft de vriendschap

u ingeboezemd, mijn zuster!"

"Uw zuster!" herhaalde Maria. "Die naam behoort uw dienares niet, o

doorluchtige Vrouw, ik ben genoeg beloond, nu ik deze dode droefheid uit u

verbannen heb."

"Aanvaard die naam, mijn lieve Maria, ik bemin u zo tederlijk. En is uw

edele broeder Adolf mij niet door mijn vader geschonken? Zijt gij de zuster

niet van mijn bruidegom?"

"Wees gezegend, mijn Vrouw, om de liefde, die gij mijn ongelukkige broeder

toedraagt. Hij heeft uw doorluchtige hand zekerlijk niet verdiend, maar uw

genade is zo groot! Gij hebt hem door uw medelijdende zorg van de dood

gered, en, in stede van zijn dankbaarheid te eisen, geeft gij hem uw hart.

Ook heeft hij de waarde dezer gift erkend. Ik heb hem dikwijls in zijn

slaap zien glimlachen, terwijl uw naam als een gebed over zijn lippen

kwam."

"Hij bemint mij tederlijk, dit weet ik wel, Maria. Hij kome terug, degene

die de ketenen mijns vaders heeft aangenomen.--O God, aanhoor mij! Laat hem

spoedig wederkomen, opdat ik zijn edelmoedigheid en trouw met een zoen

belone! Maria, indien de Heer mijn gebed aanhoorde? Indien Adolf

wederkwam?--Maar... Luister!... Hoort gij? O heil, daar is hij! Ik voel het

aan de jagingen mijns boezems..."

Zij reikte de arm vooruit, en bleef beweegloos met de vinger naar de straat

wijzen. Zij stond als een stenen beeld, en scheen in die houding een ver

gerucht te willen vatten. Maria verschrikte; zij dacht dat de Jonkvrouw met

zinneloosheid geslagen was. Op het ogenblik dat zij meende te spreken,

hoorde zij de kletterende stappen van een dravend paard in de straat

galmen: dan verstond zij de zin der woorden van Machteld. Dezelfde hoop

drong in haar boezem, en zij ook voelde de jagingen haars hart verdubbelen.

Terwijl zij aldus weinig ogenblikken en zonder spreken gestaan hadden, was

het gerucht dat zij hadden gehoord plotseling vergaan, en reeds begon de

blijde hoop haar beiden te verlaten, wanneer men de deur der kamer met

ongeduld openstiet.

"Daar is hij! Daar is hij!" riep Machteld. "Heb dank, o God, mijn ogen zien

hem!"

Zij liep de ridder haastig tegemoet en opende de armen om hem met een

liefderijke omhelzing te ontvangen. Van zijn kant had Adolf dezelfde

beweging gedaan, maar een zonderlinge aandoening weerhield hen beiden in de

onstuimige drift der zo lang beklemde tederheid. Een maagdelijke schaamte

kleurde het voorhoofd van Machteld met een vurig rood, en haar opgeheven

armen daalden langzaam nevens haar lichaam. De pijn, die Adolf beving, is

niet uit te drukken. Zodra zijn blik op de uitgeteerde wangen van Machteld

viel, en dat hij, in plaats zijner aanminnelijke verloofde, niets meer dan

een levend geraamte voor zich zag staan, liep een ijskoude siddering over

zijn leden; het bloed zijner wangen keerde plotseling in de geschokte

boezem terug, en zijn aangezicht werd bleker dan het witte kleedsel zijner

vriendin. Zijn armen vielen ook neer, en, met de ogen hardnekkig op de

magere wangen zijner vriendin gevestigd, stond hij zo beweegloos, alsof de

donder hem had getroffen. Hij bleef slechts een ogenblik in deze

zonderlinge houding; eensklaps liet hij zijn ogen ter aarde gaan, en een

vloed der bitterste tranen rolde met glinsterende paarlen over zijn wangen.

Hij sprak echter geen enkel woord; zelfs kwam geen klacht, geen zucht over

zijn lippen. Misschien had hij lange tijd in de stilte der wanhoop geweend,

want zijn hart was al te fel door de smart benepen, om het door woorden te

kunnen ontlasten; maar zijn zuster Maria, die uit eerbied voor Machteld

zich tot daar weerhouden had, wierp zich eensklaps om zijn hals, en wekte

hem door de zoenen, welke zij, tussen tedere woorden, op de wangen haars

beminden broeders zo menigmaal herhaalde.

De jonge Edelvrouw staarde met diepe ontroering op de uitdrukking dezer

zusterlijke tederheid; zij beefde, en de grootste verslagenheid dreef het

rood van haar voorhoofd. De bleekheid, die op Adolfs gelaat gekomen was, en

de ontsteltenis, die hem zo zichtbaar had bevangen, hadden haar gezegd: gij

zijt lelijk, uw uitgeteerde wangen verschrikken, uw verdoofde ogen boezemen

vrees en afgrijzen in, de man zelf, die gij bemint, heeft voor uw dodenblik

gesidderd!

Ditmaal weende de ongelukkige Jonkvrouw niet. Een hartstocht, veel

pijnlijker dan de wanhoop, trof haar op dit ogenblik, en de maat van haar

lijden was tot stortens toe opgevuld. Een sombere minnenijd drong als een

degen door haar hart. Adolf zal mij niet meer beminnen, dacht zij: wie de

geurige roos lief heeft, raapt derzelver gele bladen niet op, wanneer zij

door de wind in het dal verstrooid zijn. En ik--ik heb slechts in al mijn

rampen een hoop bewaard--en nu--nu vergaat die zachte droom, ik zal

sterven. O Heer, hij beminne mij niet meer..."

Zo folterde zich de bange maagd alhoewel niets haar tot deze droeve

gissingen aanleiding had gegeven;--maar zo zijn de rampzaligen, zij

bederven het geluk dat hun toelacht. Terwijl een duistere wanhoop de

weinige levenskrachten in haar nog verminderde, gevoelde zij dat haar

bevende benen haar niet meer dragen konden. Met moeite ging zij tot bij een

leunstoel en zakte slap en afgemat in dezelve; zij verborg het hoofd in

haar twee handen alsof zij zich aan een pijnigend verschijnsel wilde

onttrekken, en bleef in die houding zitten. Na enige ogenblikken hoorde zij

niets meer in de kamer, de grootste stilte omringde haar, en zij beeldde

zich in dat men haar wredelijk had verlaten. Dit gedacht schokte haar

hevig;--dan liet zij de handen van haar aangezicht gaan. Maar welke zalige

ontroering veranderde alsdan haar smart in vreugde? Wat strelend gezicht

bracht alsdan een onuitsprekelijke glimlach op haar lippen?

Adolf zat voor haar geknield. In de blikken, welke hij haar stilzwijgend

toestuurde, glimde de vurigste liefde, de diepste tederheid die een

mannenhart kan opsluiten, op zijn smekend gelaat zweefde iets zo zoet als

het gebed eens engels, terwijl hem warme tranen ontvielen.--Daar zat hij

gelijk hij zich steeds in de dromen der lijdende Jonkvrouw had vertoond.

Zijn hand reikte haar de groene sluier, die hij weleer als een liefdepand

ontvangen had.

Een hart dat mint, verstaat de toonloze taal van een ander minnend hart;

ook wachtte het verrukte meisje niet op de woorden des ridders. Zij zag en

verstond dat Adolf zo liefderijk als tevoren voor haar ademde, en dat er

meer tederheid in zijn hart was dan zij had durven hopen.

"O mijn Vriend! Mijn Adolf!"

Alsof zij door een onweerstaanbare kracht gedreven was, wierp zij zich

vooruit, en viel in de armen van Adolf, die van de vloer was opgestaan.

Wie zou de zaligheid dezer twee zielen kunnen afschetsen? Wie zou kunnen

beschrijven wat vervoerende blijdschap hun boezems zo fel tegen elkander

deed kloppen? Hij, die de tranen, welke zij tussen hun liefdezoenen

vergoten, in een zilveren schaal had vergaderd, zou mogen zeggen hebben: ik

bezit de vrucht van het hoogste geluk dat de stervelingen op aarde mogelijk

is. Zij omhelsden elkander met gretigheid, er was iets wreeds in hun

drukkingen, zozeer deed hen de minnegloed verdwalen. Ongehoorde klanken

rolden over hun lippen: het scheen dat hun zielen geweld deden om nog

onbekende woorden te vinden; want de gewone taal was niet vlammend genoeg

voor de hartstocht, die hen uit de wereld voerde.--Eindelijk zonk de drift

een weinig, en na de opgetogenheid bleef het gevoel van een zoet en rustig

geluk in hun harten.

Machteld liet haar welbeminde los en trok met vluchtige beweging een andere

zetel nevens de hare; dan sprak zij: "Plaats u daar, dicht nevens mij, mijn

vriend, geef mij uw hand, dat ik ze bezitte; mijn vader heeft ze mij

geschonken. Weet gij dit wel, o mijn bruidegom? Ja, mijn bruidegom! Weet

gij dat niets ons meer kan scheiden, dat gij mij behoort, dat onze liefde

zuiver is voor God, nu mijn vader mij gezegd heeft: bemin hem totdat mijn

hand de uwe te samen voege en dat de zegen eens Priesters u aan elkander

hechte. O geluk! Ik voel het leven en de kracht in mij terugkomen; genezen

zal ik, Adolf. Ik voel het, de rozen die gij bemint, zullen op de wangen

uwer echtgenote nog blinken. Kom nog dichter bij mij, mijn vriend!"

Adolf staarde, zonder spreken en met stijve blik, in de ogen van het

meisje, zijn wezenstrekken gaven zijn ongeloof voor zulk een onverwacht

geluk te kennen. Dit roerend toneel had Maria in stilte aanschouwd:

alhoewel zij evenzeer naar de liefkozingen haars teruggekeerden broeders

dorstte, was zij edelmoedig genoeg geweest om de gelieven door geen enkel

woord te storen; haar hart was zo goed, zo teder! Ook beloonde de deugd

zichzelf in haar; want al de aandoeningen van vreugd en gelukzaligheid, die

haar broeder en zijn verloofde gesmaakt hadden, waren ook voor haar

geweest. Zij ook mocht zeggen, nooit heeft mijn ziel in zulke wellust

gezwommen.--Zij kwam met een leunstoel bij de bedaarde minnares en plaatste

zich aan de andere zijde haars broeders.

Adolf gaf de ene hand aan zijn lieve Machteld en de andere aan zijn

dierbare zuster.--Zo zat hij te midden der twee blijde vrouwen als een

geest des troosts, wiens woorden men als een heilig lied afwacht.

"O mijn Vrouwe, goede Machteld," sprak hij, "gij hebt veel geleden. Maar

geloof ook dat ik in uw afwezendheid geen rustig uur gehad heb; die sluier,

het pand uwer genade, zal het u beter dan mijn woorden zeggen."

Machteld nam de sluier en bezag dezelve met een blik vol dankbaarheid en

medelijden voor Adolf.

"Gij hebt over mij geweend, mijn vriend, gij hebt deze gift met uw tranen

bevochtigd; het zilte smartwater heeft mijn geliefde verf doen vergaan!

Maar nu--nu is er geen lijden meer voor ons--mijn hart en mijn hand zijn de

uwe..."

"Mijn genadige Vrouw," antwoordde de ridder, "hoe edelmoedig zijt gij voor

uw dienaar! Zult gij, Machteld, mijn bruid zijn? O hemel, dit geluk heb ik

niet verdiend. Waarom toch, o doorluchtige Vrouw, waarom bemint gij mij zo

tederlijk?"

"Ik bid u, Adolf, noem mij niet met de naam van Vrouw. Welhaast zal de

heilige band des huwelijks mij uw dienares maken, noem mij voor dit

ogenblik nog dikmaals uw Machteld, uw vriendin, uw welbeminde. Ik bid u,

die woorden zullen mij meer verblijden, mijn vriend."

"Welaan het zij zo!" riep Adolf in opgetogenheid uit. "Mijn geluk is

oneindig.--Ja, Machteld, gij zijt de vrouw die ik bemin, mijn bruid, mijn

welbeminde... nietwaar? Ik zal u dan waarlijk bezitten... O Machteld,

aangebeden beeld, indien mijn hart voor u open ligt, zie dan wat ik

gevoel!"

Alsof de nodige woorden hem ontbraken, wrong hij de magere vingeren der

Jonkvrouw in zijn hand en hij blikte als beschaamd, te gronde.

"Mijn vriend, mijn bruidegom," zuchtte Machteld, "ja gij verdient nog meer

liefde. Spreek nu van onzer beider vader, en geef mij goed nieuws."

"Verblij u, Machteld, dank God om zijn goedheid. Uw vader is wel droef,

maar echter in goede gezondheid te Bourges teruggekeerd; niemand dan de

oude Kastelein en Diederik de Vos kennen zijn tijdelijke loslating. Hij

geniet nog vrijheid in zijn gevangenis, de vijanden die hem moeten bewaren,

zijn zijn beste vrienden geworden."

"Maar indien de boze Johanna de hoon, die Frankrijk geschied is, aan hem

wilde wreken, wie zou hem dan voor haar beulen bewaren? Gij zijt niet meer

met hem, mijn edele vriend."

"Zie, Machteld, de wachten, aan wie het kasteel van Bourges toevertrouwd

is, zijn altemaal oude krijgers, die, door zware wonden, tot wijde tochten

onbekwaam zijn geworden. De meesten onder hen hebben de wapenfeiten van de

Leeuw van Vlaanderen te Benevent gezien. Gij kunt niet begrijpen wat

liefde, wat bewondering een echte krijgsman gevoelt voor degene wiens naam

de vijanden van Frankrijk zo dikwijls deed sidderen. Indien Mijnheer Van

Bethune zonder oorlof van de Kastelein, hun Meester, wilde ontvluchten,

zouden zij hem ongetwijfeld wederhouden. Maar ik verzeker u, want ik ken de

edelmoedigheid dier krijgers, die onder het harnas grijs geworden zijn, ja

ik durf zweren dat zij het bloed, dat hun overblijft, voor hem zouden

vergieten, indien men een haar van het hoofd dat zij eerbiedigen, wilde

afrukken. Vrees niet, het leven uws vaders is veilig, en indien uw nieuwe

rampen hem zozeer niet hadden getroffen, hij zou zijn opsluiting met geduld

verdragen."

"Gij brengt mij zo goed nieuws, mijn vriend, uw woorden zinken zo zoet in

mijn verkwikte boezem! Ik voel mij bij uw liefderijke glimlach

herleven;--spreek nog, dat ik de klanken uwer stem in mijn hart moge

vergaderen."

"Nog zoetere hoop heeft de Leeuw mij voor u gegeven, Machteld. Misschien is

de verlossing uws vaders aanstaande, misschien zult gij eerlang met hem en

al uw bloedverwanten in het schone Wijnendale zijn."

"Wat zegt gij, mijn vriend? Uw liefde boezemt u deze woorden in. Streel mij

toch niet met een onmogelijk geluk."

"Wees ook niet zo ongelovig, Machteld. Luister waarop deze blijde hoop

gevestigd is: gij weet dat Charles de Valois, de edelste Fransman, de

braafste ridder, zich in Italië heeft vertrokken. Hij heeft aan het Hof van

Rome niet vergeten dat hij de onplichtige oorzaak der aanhouding uwer

bloedverwanten geweest is. Het pijnt hem zeer, daar hij denken moet dat hij

zelf als een verrader zijn vriend en wapenmakker, de Leeuw van Vlaanderen,

in de handen zijner vijanden geleverd heeft; ook doet hij alle mogelijke

pogingen om zijn verlossing te bewerken. Reeds hebben de zendelingen van de

Paus Bonifacius zich bij de Koning Philippe le Bel aangeboden, het Hof van

Frankrijk heeft zich tot vrede geneigd getoond. Laat ons die troostende

hoop omhelzen, mijn vriendin."

"Voorzeker, Adolf, omhelzen wij die troostende gedachte, maar hoe toch

strelen wij ons met een bedrieglijk vooruitzicht. Zal de Vorst der Fransen

zijn omgekomen soldeniers niet wreken? Zal De Chatillon, onze bittere

vijand, zijn wrede nicht Johanna niet opstoken? Denk toch, Adolf, welke

martelpijnen die bloeddorstige vrouw kan uitvinden om ons over de

dapperheid der Vlamingen te straffen."

"Plaag u zelf niet, mijn lieve, uw vrees is niet gegrond. Misschien ook zal

de schriklijke ondergang zijner soldeniers aan Philippe le Bel doen

begrijpen dat de Vlamingen zich nooit de Fransen ten onder zullen geven.

Zijn eigen belang zal hem dwingen onze Landheren los te laten, anders

verliest hij het schoonste Leen zijner Kroon. Gij ziet, mijn welbeminde,

dat alles ons toelacht."

"Ja, ja, mijn Adolf, in uw tegenwoordigheid verlaat mij gans mijn

droefheid. Gij spreekt zo wel, zulke zoete tonen kunt gij in mijn hart doen

klinken."

Lang nog spraken zij met bedaardheid over hun vrees en hun hoop. Wanneer

Adolf al de liefdewoorden, die zolang in zijn boezem hadden besloten

gelegen, voor zijn aangebeden Machteld had uitgestort, sprak hij ook met

broederlijke tederheid tot zijn zuster. Er ontstond onder hen een kalme

redekaveling, die hen verwonderlijk vrolijk en verheugd maakte. Machteld

vergat al haar geleden rampen, haar borst ademde vrijer en met meer kracht,

en de adertjes, die als een weefsel op haar wangen lagen, vervulden zich

met een warmer bloed.

Eensklaps hoorde men een bruisend gerucht in de straten opstijgen.

Duizenden stemmen galmden boven de daken der huizen, en de vreugderoepen

der menigte verwarden zich brommend door elkander: bij pozen kon men echter

enige der kreten verstaan.

"Vlaanderen de Leeuw! Heil, heil onze Graaf!" riep het vervoerde volk met

blijde handgeklap. Adolf was met de Vrouwen bij het venster genaderd. Zij

zagen de ontellijke hoofden der drijvende scharen als een wolk naar de

Markt ijlen: vrouwen en kinderen bevonden zich ook in de stroom, welke

voorbij de nieuwsgierige Edelvrouwen als met wentelende golven rolde. In

een andere straat hoorden zij de kletterende galmen der stappen van een

grote menigte paarden. Alles deed hun gissen dat er op dit ogenblik een

leger ruiterij in Brugge was gekomen. Terwijl zij elkander naar de

waarschijnlijke oorzaak dier volksbeweging vroegen, kwam een dienstknecht

aankondigen dat er een bode oorlof verzocht om in hun tegenwoordigheid te

mogen verschijnen. Zodra het bevestigend antwoord gegeven was, trad de bode

in de kamer.

Het was een jonge Hofknaap, een lieflijk kind, op wiens gelaat de

onnozelheid en de trouw te lezen stonden: zijn kleding was van zwarte en

blauwe zijde, halflijfs, met allerhande zwierige versiersels. Wanneer hij

op een kleine afstand der Vrouwen genaderd was, ontdekte hij zich met

eerbied, en boog het hoofd diep en zonder spreken.

"Wat goed nieuws brengt gij ons, lieve knaap?" vroeg Machteld met

vriendelijkheid.

Nu hief de Hofknaap het hoofd op, en antwoordde met zijn zoete kinderstem:

"Aan de doorluchtige dochter van de Leeuw, onze Graaf!--Ik breng een

boodschap van mijn heer en meester Gwyde, die op dit ogenblik met

vijfhonderd ruiters in de stad gekomen is. Hij laat zijn schone nicht,

Machteld van Bethune, van zijnentwege groeten, en zal binnen weinig stonden

zijn vurige toegenegenheid haar zelf bewijzen. Deze mijn boodschap zij u

kond gedaan, mijn Edelvrouw."

Hiermede stapte hij met gebukt hoofd achteruit tot bij de deur, en

vertrok[99].

De jonge Gwyde van Vlaanderen was volgens de belofte, die hij in het woud,

bij de puinen van Nieuwenhove aan Deconinck gedaan had, met de besproken

hulp van Namen gekomen. Onderweg had hij het kasteel Wijnendale ingenomen

en er de Franse bezetting neergehakt. Insgelijks had hij het slot te

Sijsele tot de grond vernield, omdat de Kastelein een gezworene Leliaard

was, en de Fransen een schuilplaats binnen zijn muren had gegeven[100]. De

zegepralende komst van Gwyde vervoerde de Bruggelingen met blijdschap: in

alle straten juichte de menigte met herhaalde kreten: "Heil onze Graaf!

Vlaanderen de Leeuw!"

Zodra de jonge Veldheer met zijn ruiters op de Vrijdagmarkt gekomen was,

brachten de ouderlingen hem de sleutels, en alzo werd hij als tijdelijke

Graaf van Vlaanderen ingehuldigd, tot aan de verlossing van Robrecht van

Bethune, zijn broeder. De Bruggelingen achtten hun vrijheid nu volkomen,

trouwens nu hadden zij een Vorst die hen kon ten oorlog voeren. De ruiters

werden bij de voornaamste Burgers gehuisvest. Zo groot was de drift en de

verwarring, dat men vocht om de toom van een paard te grijpen, want ieder

wilde een der gezellen van de Graaf met zich hebben.--Men kan denken hoe

gulhartig en hoe mildelijk deze behulpzame ruiters onthaald werden.

Wanneer Gwyde de regering, door Deconinck ingericht, bevestigd had, ging

hij zonder verbeiden naar de woning van Van Nieuwland, omhelsde zijn kranke

nicht meermalen en vertelde haar met vrolijke woorden hoe hij de Fransen

uit het geliefde Wijnendale verjaagd had. Een kostelijke maaltijd, welke

Maria voor de gelukkige terugkomst haars broeders had doen bereiden,

ontving hen allen. Zij dronken de wijn der vreugde op de verlossing der

gevangen Vlamingen, en gaven nog een traan aan de smartelijke heugnis der

vergeven Philippa.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação