Hoofdstuk 22 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 22 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 22

Hoofdstuk 22

22

_De schande moet uw voorhoofd smetten,

Gy die wilt eeuwig slaven zyn;

De wroeging zal uw ziele pletten,

Uw' boezem scheuren met haerpyn._

PF VAN KERCKHOVEN

Op weinig afstand der stad Rijsel, in een veld van buitengewone grootte,

had het Franse leger zich neergeslagen; de ontellijke tenten, welke voor

zoveel mensen behoefden, bedekten wel een halve mijl gronds. Daar een hoog

opgeworpen bolwerk de plaats omringde, zou men van ver gedacht hebben dat

men een sterke stad voor zich had, indien het briesen der paarden, het

geschreeuw der soldeniers, de rook der vuren en de duizend zwepende wimpels

de tegenwoordigheid van een leger niet hadden verraden. Het gedeelte waar

de edele ridders woonden, was kenlijk aan de kostelijke standaarden en

geborduurde vaandels; terwijl hier fluwelen tenten en paviljoenen van

allerlei kleuren stonden, trof men in het andere deel slechts mindere

hutten van lijnwaad of stro aan. Men zou zich wel hebben mogen verwonderen

hoe het mogelijk was dat zulk een talrijk leger niet van honger verging,

mits men in die tijden zelden enige levensbehoeften met zich nam; echter

was er overvloed van alles, men zag er de tarwe in het slijk liggen, en de

beste levensmiddelen werden er met voeten vertrapt. De Fransen gebruikten

een goed middel om zich alles te bezorgen en zich terzelfder tijd bij de

Vlamingen hatelijk te maken: elk ogenblik vertrokken grote benden

soldeniers uit de verschansing om het land af te lopen en alles te roven,

te plunderen of te vernielen; de boze krijgsknechten hadden het inzicht van

hun Veldheer Robert d'Artois ten volle begrepen: om hetzelve uit te voeren,

begingen zij de gruwzaamste euveldaden welke men in de oorlog plegen kon.

Ten teken der verwoesting, waarmede zij het land van Vlaanderen bedreigden,

hadden zij altemaal kleine bezems aan hun speren gehangen, daardoor

willende te kennen geven dat zij kwamen om Vlaanderen te keren en te

zuiveren: en inderdaad zij verzuimden niets om die belofte te volbrengen;

na weinig dagen stond er in het ganse zuidelijk gedeelte des Lands geen

enkel huis, niet een kerk, noch slot, noch klooster, ja, zelfs geen boom

meer recht;--alles was kaal gemaakt en vernield. Ouderdom noch kunne werd

geëerbiedigd, vrouwen en kinderen verkracht of vermoord en hun lijken

zonder begrafenis de roofvogels overgelaten.

In dier voege begonnen de Fransen hun tocht. De geringste vrees, het minste

berouw kwam de vreemde booswichten in dit misdadig werk niet treffen: op

hun overgrote macht steunende, dachten zij zich de overwinning zeker; maar

des te laffer en te schandelijker waren hun daden. Zij doopten hun zwaarden

in het onnozel bloed van zuigelingen, en onteerden met vloekbare onkuisheid

de weerloze maagd wier vader zij in haar tegenwoordigheid gedood hadden. En

gans Vlaanderen moest hetzelfde lot ondergaan, dit hadden zij bij hun

eerloze wapens gezworen!

In dezelfde morgen dat Gwyde bezig was met de trouwe diensten van Deconinck

en Breydel te belonen, had de Franse Veldheer zijn voornaamste ridders tot

een prachtig gastmaal genodigd.

De tent van de Graaf d'Artois was ongemeen lang en wijd, en in

onderscheiden plaatsen verdeeld; er waren kamers voor ridders tot zijn

gevolg behorende, kamers voor schildknapen en wapendragers, voor de

mondbedienden en koks, en voor meer andere bijzondere personen die hem

volgden. In het midden was een wijde zaal, beurtelings tot dergelijke

gastmalen of tot de vergadering van de krijgsraad bestemd, en welke een

groot getal ridders kon bevatten. Op de gestreepte zijde, waarmee dit

paviljoen overdekt was, lagen ontellijke kleine zilveren leliebloemen;

tegen de voorgevel, boven de ingang, hing het wapenschild van het huis van

Artois; een weinig verder, boven een opgeworpen heuvel, waaide de grote

lelievaan van Frankrijk. Binnen dit prachtig vertrek, dat met rijke

tapijten was behangen, had men lange gesneden tafels en fluwelen zetels

geplaatst. Waarlijk, een paleis kon niet meer rijkdom of pracht

voorstellen.

Aan het oppereinde der tafel zat Mijnheer Robert, Graaf van Artois, hij was

reeds in hoge ouderdom, echter nog in de volle kracht des levens; een

litteken, dat een deel zijner rechterwang misvormde, getuigde zijner

dapperheid in de krijg en gaf aan zijn wezenstrekken nog meer hardheid.

Alhoewel zijn wangen door diepe rimpels en bruine vlekken verslensd waren,

blonken zijn ogen nog met al het vuur der manlijke drift onder zijn zware

wenkbrauwen. Zijn voorkomen was wreed, en zijn woeste blikken gaven in hem

de onverbiddelijke krijgsman te kennen.

Nevens hem, aan de rechterzijde, zat de grijsaard Sigis, Koning van

Melinde; de ouderdom had zijn haar verzilverd en zijn hoofd voorover

gebogen, nochtans wilde hij bij de slag tegenwoordig zijn. In het

gezelschap van zoveel oude krijgsgezellen voelde hij de moed in zijn hart

terugkomen, en beloofde zich innerlijk nog enige schone wapenfeiten uit te

voeren. Het gelaat van de oude Vorst boezemde de grootste eerbied in;

zachtheid en zielsrust stond er op geprent. Gewis had de goede Sigis niet

de Vlamingen willen bestrijden, ware hem de stand der zaken bekend geweest;

maar men had hem met veel anderen bedrogen, voorgevende dat de Vlamingen

slechte christenen waren, en dat men alzo een goed werk voor God doen zou,

indien men hen tot de laatsten uitroeide[120]. Het was op dit tijdstip van

het vurigst geloof genoeg iemand van ketterij te beschuldigen, om hem

iedereen tot bloedvijand te maken.

Aan de linkerzijde des Veldheers zat Balthazar, Koning van Majorca, een

onstuimige en dappere krijger: ook kon men dit op zijn wezenstrekken genoeg

zien, ja het was niet mogelijk de stijve blik zijner zwarte ogen te

verdragen. Een wilde vreugd verhelderde zijn gelaat omdat hij nu hoopte

zijn Rijk, hetwelk hem door de Moren ontnomen was, weder te krijgen. Nevens

hem zat De Chatillon, gewezen Landvoogd van Vlaanderen, die mens welke, als

werktuig der Koningin Johanna, de oorzaak van al de gebeurde onheilen was;

zijn schuld was het dat zovele Fransen in Brugge en in Gent vermoord waren;

hij was de oorzaak der schriklijke mensenslachting, die er moest

volgen.--Welke hoeveelheid wraakroepend bloed hing er niet boven het hoofd

van die dwingeland! Hij herinnerde zich hoe de Bruggelingen hem, met schand

beladen, uit hun stad verjaagd hadden, en beloofde zich geen geringe

wederwraak; het scheen hem onmogelijk dat de Vlamingen aan de verenigde

macht van zoveel Koningen, Prinsen en Graven weerstonden; ook juichte hij

reeds in zijn hart en betoonde een blij gelaat.

Op hem volgde zijn broeder Guy de St.-Pol, die niet min wraakzuchtig dan

hij was; dan kon men Thibaud, Hertog van Lotharingen, tussen de heren Jean

de Barlas en Renauld de Trie, bemerken; hij was de Fransen met zeshonderd

paarden en tweeduizend boogschutters komen bijstaan. Rodolf de Nesle, een

braaf en edelmoedig ridder, zat nevens Mijnheer Henri de Ligny aan de

linkerzijde der tafel; ongenoegen en droefheid schetste zich op zijn

gelaat, en het was zichtbaar dat de wrede bedreigingen, welke de ridders

tegen Vlaanderen uitspraken, hem niet behaagden. Te midden der

rechterzijde, tussen Louis de Clermont en de Graaf Jean d'Aumale, zat

Godfried van Brabant, die de Fransen vijfhonderd paarden had gebracht[121].

Nevens deze bewonderde men de grote gestalte van de Zeelander Hugo van

Arkel, zijn hoofd stak boven de andere ridders uit, en zijn machtig lichaam

gaf genoeg te kennen hoe schriklijk zulk een strijder op het slagveld zijn

moest. Die ridder had sedert lange jaren nog geen andere woning dan de een

of andere legerplaats gehad; om zijn strijdbaarheid en schone wapenfeiten

overal vermaard, had hij een bende van achthonderd onversaagde mannen

bijeengeraapt, en ging met dezelve in alle landen waar slechts te vechten

was. Meermalen had hij de zege door zijn tegenwoordigheid naar de zijde van

de Vorst, welke hij diende, doen hellen, en was, zowel als zijn mannen, met

wonden overdekt. Dit gedurig strijden was zijn leven en zijn vermaak, de

rust kon hij niet verdragen. Hij had zich bij het Franse leger vervoegd,

omdat hij onder hetzelve veel zijner wapenbroeders had gevonden: de enige

neiging tot de oorlog hem aandrijvende, bekreunde hij zich weinig voor wie

of waarom hij strijden zou.

Dan nog waren er, onder anderen, tegenwoordig de heren Simon de Piémont,

Louis de Beaujeu, Froald Kastelein van Douai en Alin de Bretagne.

Een ander slag van ridders trof men bij het lager einde der tafel aan.

Alsof de Fransen zich niet onder hen hadden willen mengen, zaten zij allen

nevens elkander op de minst vererende plaats. Waarlijk de Fransen hadden

hierin geen ongelijk, deze ridders waren verachtelijk; want terwijl hun

vazallen als echte Vlamingen de vijand afwachtten, waren deze hun Leenheren

in het Franse leger.--Wat verblindheid dreef die bastaarden aan om de

schoot hunner moeder, evenals de slangen doen, te verscheuren? Zij gingen

onder een vijandlijke standaard het bloed hunner landgenoten op vaderlandse

grond vergieten; misschien het bloed eens broeders of dit eens

boezemvriends;--en waarom? Om het land, dat hun het leven gegeven had, tot

een slavenbodem te maken, en de vreemden te onderwerpen.

Die aterlingen hadden dan geen ziel om te ontwaren dat schande en

verachting hun boven het hoofd hing, om in hun eigen hart de knaging eens

worms te voelen!--De namen dier bastaardvlamingen zijn voor het nageslacht

bewaard, onder vele anderen waren Hendrik van Boutersem, Geldof van

Wingene, Arnold van Eikhove en zijn oudste zoon, Hendrik van Wilre, Willem

van Redinge, Arnold van Hofstad, Willem van Cranendonk en Jan van Raneel de

voornaamsten[122].

Al de ridders aten uit gedreven zilveren schotels, en dronken de lekkerste

wijnen uit gulden koppen. De vaten, die voor Robert d'Artois en voor de

twee Koningen stonden, waren kostelijker en groter dan die der andere

heren; hun wapentekenen waren er kunstig ingesneden, en meer dan een

onschatbaar gesteente blonk aan derzelver boorden. Gedurende de maaltijd

werd er over de stand der zaken veel geredeneerd; uit de woorden der gasten

kon men begrijpen wat schriklijk lot het veroordeelde Vlaanderen was

beschoren.

"Ja, ja," antwoordde de Veldheer op een vraag van De Chatillon, "alles

moet vernield worden. Die vervloekte Vlamingen zijn niet te temmen dan door

het vuur en het zwaard;--en zouden wij die hoop boeren laten leven? Dan

zouden wij nooit ermee gedaan hebben, dit moet een einde nemen; Mijne

heren, laat ons een kort spel maken, opdat wij onze degens niet langer met

dit slecht bloed zouden te besmetten hebben."

"Voorwaar," sprak Jan van Raneel, de Leliaard[123], "voorwaar, Mijnheer

d'Artois, gij hebt gelijk; want het is niet mogelijk iets met die

muitelingen uit te richten; zij zijn te rijk, en zouden zich weldra boven

ons achten: reeds willen zij niet meer bekennen dat wij, die uit edel bloed

gesproten zijn, hen als onze onderdanen mogen behandelen, alsof het geld,

dat zij met handwerk gewonnen hebben, hun bloed edeler maken kon. Zij

hebben zich in Brugge en in Gent huizen gebouwd, welke onze kastelen in

pracht te boven gaan; is dit niet een hoon voor ons? Gewis, dit mogen wij

niet langer verdragen."

"Indien wij niet alle dagen een nieuwe oorlog voeren willen," bemerkte Jan

van Cranendonk, "moeten al de ambachtslieden verslagen worden, want de

overblijvende zullen zich niet stil houden: derhalve vind ik dat Mijnheer

d'Artois de grootste reden der wereld heeft om er geen te sparen."

"En wat zult gij doen, wanneer gij al uw vazallen zult vermoord hebben?"

vroeg de zwaarlijvige Hugo van Arkel, lachende. "Op mijn trouw! Dan kunt

gij zelf uw landen beploegen.--Een schoon vooruitzicht, waarlijk!"

"Ho," antwoordde Jan van Raneel, "ik weet een goed middel om hierin te

voorzien; wanneer Vlaanderen van dit koppig rot zal gezuiverd zijn, zal ik

Franse Vrijlaten uit Normandië roepen, en hun mijn landen geven."

"In zulker voege zou Vlaanderen wel een echt deel van Frankrijk kunnen

worden; dit is een goed ontwerp, ik zal aan de Koning dit voorstellen,

opdat hij de andere Leenheren ook tot het gebruiken van dit middel

aanporre. Ik geloof dat dit niet moeilijk zijn zou."

"Zeker niet, Mijnheer, vindt gij mijn voorstel niet goed?"

"Ja, ja, dit zullen wij bewerken, laat ons maar beginnen met de plaats

zuiver te maken."

De wezenstrekken van Rodolf de Nesle betrokken zich met een innige spijt;

de woorden welke hij hoorde, mishaagden hem zeer, daar zijn edelmoedigheid

zich tegen zoveel wreedheid verzette. Hij sprak met drift: "Maar, Mijnheer

d'Artois, ik vraag u, zijn wij ridders of niet, en is de eer ons niets

meer, dat wij aldus erger dan Saracenen zouden tewerk gaan? Bij God, gij

brengt de wreedheid te ver, ik verzeker u dat het ons een schande voor de

ganse wereld zijn zal. Laat ons het leger der Vlamingen bevechten en

overwinnen, dit zij ons genoeg! En noemt dit volk niet een hoop boeren, wij

zullen er spel genoeg mede hebben,--en staan zij niet onder de zoon van hun

Vorst?"

"Konstabel De Nesle," riep d'Artois hem driftig tegen, "ik weet dat gij de

Vlamingen uitermate bemint. Die liefde vereert u, inderdaad! Het is gewis

uw dochter, die u zulke loflijke gevoelens inboezemt[124]?"

"Mijnheer d'Artois," antwoordde Rodolf, "omdat mijn dochter in Vlaanderen

woont, belet mij dit niet zo goede Fransman als iemand te zijn; mijn degen

heeft dit genoeg bewezen, en ik heb daarom reden te geloven dat deze

ridders uw schertsende woorden geen gehoor geven zullen. Maar iets dat mij

meer aan het hart ligt, is de eer des ridderschaps, en ik verzeker u dat

gij dezelve in groot gevaar stelt."

"Wat duivel!" riep de Veldheer. "Zou men niet zeggen dat gij die

muitelingen wilt verschonen! Hebben zij de dood niet verdiend, mits zij

zevenduizend Fransen zonder genade hebben vermoord?"

"Zonder twijfel, zij hebben zich der dood schuldig gemaakt, ook zal ik de

Kroon van mijn Vorst zoveel mogelijk wreken; maar dit slechts op die welke

met het wapen in de hand zullen bevonden worden. Ik beroep al deze ridders,

of het wel betaamt dat wij onze degens tot een beulenwerk gebruiken, en

weerloze Laten vermoorden, terwijl zij op het veld aan het ploegen zijn?"

"Hij heeft gelijk!" riep Hugo van Arkel met gramschap. "Wij strijden tegen

geen Moren, Mijne heren, en het is een schandelijk werk dat ons wordt

voorgedragen. Denkt dat wij met christenen te doen hebben. Er stroomt ook

nog Diets[125] bloed in mijn aderen, en ik zal niet lijden dat men mijn

broederen als honden behandele; zij voeren de krijg in het open veld, en

moeten dus volgens de wetten des oorlogs bestreden worden."

"Bij St.-Jacob mijn Patroon!" hernam d'Artois. "Is het mogelijk dat

gijlieden die slechte boeren kunt voorstaan? Reeds heeft onze te goede

Vorst alle andere middelen om hen te temmen beproefd, maar het is al om

niet. Wij zouden dus onze mannen moeten laten vermoorden, onze Koning laten

honen en lasteren, en dan nog het leven van die oproerige Laten moeten

bewaren! Op mijn ziel, dit zal niet geschieden: ik weet welke bevelen mij

gegeven zijn, en zal dezelve volbrengen en doen volbrengen."

"Mijnheer d'Artois," viel Rodolf de Nesle met heviger drift in, "ik weet

niet welke bevelen gij ontvangen hebt, maar ik zeg u dat ik aan dezelve

niet zal gehoorzamen, indien zij met de eer des ridderschaps strijdig zijn;

de Koning zelf heeft geen recht om mij mijn wapens te doen besmetten.--En

luistert, Mijne heren, of ik gelijk heb of niet: heden morgen ben ik heel

vroeg uit het leger gegaan, ik heb overal de tekens der schrikkelijkste

verwoesting gevonden. De kerken zijn verbrand en de altaren ontroofd, hopen

lijken van jonge kinderen en vrouwen liggen in de velden, en worden door de

raven verscheurd. Is dit de handelwijs van eerlijke krijgers?--Dit vraag ik

u."

Deze woorden gesproken hebbende, stond hij van de tafel op, en hief een

gedeelte van het deksel der tent omhoog.

"Ziet, Mijne heren," hernam hij in het veld wijzende, "laat uw ogen in alle

richtingen gaan, gij treft overal de vlammen der verwoesting aan;--de hemel

is met rook bezwart, ginds staat een ganse gemeente in brand. Wat betekent

zulk een oorlog? Het is erger dan of de wrede Noormannen weder gekomen

waren, om de wereld tot een moordkuil te maken!"

Robert d'Artois werd rood van toorn; hij bewoog zich ongeduldig in zijn

zetel en riep: "Bij al de Heiligen des Hemels! Ik zal niet lijden dat men

aldus in mijn tegenwoordigheid spreke. Ik weet wat ik te doen heb,

Vlaanderen moet gevaagd worden; ik kan het niet helpen.--Deze redekaveling

mishaagt mij zeer, en ik verzoek Mijnheer de Konstabel zich niet meer in

dier voege uit te laten. Hij beware zijn degen zuiver, dit zullen wij ook

doen: immers kunnen de daden onzer soldeniers ons niet ten schande worden.

Laat ons derhalve dit spijtig gesprek eindigen, en dat een ieder zijn

plicht doe."

Hij hief zijn gulden drinkschaal omhoog, en riep: "Op de eer van Frankrijk

en de vernieling der muitelingen!"

Rodolf de Nesle herhaalde: op de eer van Frankrijk, en drukte met inzicht

op die woorden. Elkeen verstond dat hij niet op de vernieling der Vlamingen

wilde drinken. Hugo van Arkel plaatste zijn hand aan de beker die voor hem

stond, doch hief hem niet van de tafel en sprak niet. Al de anderen

herhaalden met nauwkeurigheid de roep van de Veldheer en dronken op de

vernieling der Vlamingen.

Sedert enige ogenblikken had het gelaat van Hugo van Arkel een zonderlinge

uitdrukking bekomen, misprijzen en spijt was erop te lezen; hij blikte

stijf op de Veldheer, gelijk iemand die zich had bereid gemaakt om hem te

trotsen.

"Indien ik nog op de eer van Frankrijk drinke, dan straffe mij God!" riep

hij.

Robert d'Artois ontvlamde in woede, hij sloeg zo sterk met zijn schaal op

de tafel dat de drinkvaten der andere ridders opsprongen.--Hij riep:

"Bij God, Mijnheer Van Arkel, gij zult op de eer van Frankrijk drinken ...

Ik wil het!"

"Mijnheer," antwoordde Hugo met een geveinsde koelheid, "ik drink niet op

de verwoesting van een christenland. Lang heb ik in alle gewesten

gestreden, maar nooit heb ik ridders aangetroffen die hun geweten met zulke

schriklijke euveldaden wilden bezwaren."

"Gij zult mij bescheid doen, ik wil het, zeg ik u!"

"En ik wil het niet," antwoordde Hugo. "Hoor, Mijnheer d'Artois, gij hebt

mij reeds gezegd dat mijn mannen te hoge betaling eisten en dat zij u te

duur stonden: welaan gij zult ze niet meer te betalen hebben, ik wil onder

uw leger niet meer dienen; dus is ons geschil ten einde."

Al de ridders, ja de Veldheer zelf verbaasden bij dit gezegde, want zij

aanzagen het vertrek van Hugo als een waar verlies. De Zeelander stiet zijn

zetel achteruit, en riep, terwijl hij een zijner handschoenen op de tafel

wierp: "Mijne heren, ik zeg dat gij allen liegt! Ik hoon u in het

aangezicht. Daar is mijn handschoen, wie begeert, kan dezelve opnemen; ik

beroep hem in het strijdperk."

Meest al de ridders grepen onstuimig naar de handschoen, ook Rodolf de

Nesle; maar Robert d'Artois had zich zo haastig vooruitgeworpen, dat hij

dezelve voor de anderen gevat had.

"Ik neem uw uitdaging aan," sprak hij. "Kom, wij gaan!"

De oude Koning Sigis van Melinde richtte zich op, en bracht zijn hand, als

een teken dat hij spreken wilde, over de tafel. De grote eerbied, welke de

twee kampers voor hem gevoelden, weerhield hen: zij bleven stilzwijgend

staan om hem te horen.--De grijsaard sprak: "Mijne heren, gelieft uw drift

een weinig te laten zinken, en geeft gehoor aan mijn raad. Gij, Graaf

Robert, zijt in dit ogenblik niet meester over uw leven; indien gij

sneuveldet, zou het leger van uw Vorst zonder Veldheer blijven, en

diensvolgens aan de wanorde en de verdeeldheid blootgesteld worden: dit

moogt gij niet wagen. U, Mijnheer Van Arkel, vraag ik, of gij aan de

dapperheid van Mijnheer d'Artois twijfelt?"

"Geenszins," antwoordde Van Arkel, "ik erken Mijnheer Robert voor een

onversaagd en moedig ridder."

"Welaan," hernam de Koning van Melinde, "gij hoort het, Veldheer, men doet

uw eer niet te kort; er blijft u niets over dan de hoon, die Frankrijk

geschied is, te wreken. Ik raad u beide de kampstrijd uit te stellen tot de

dag welke op de slag volgen zal. Ik vraag u, Mijne heren, zegt het allen,

is mijn raad niet op een wijze voorzichtigheid gevestigd?"

"Ja, ja," antwoordden de ridders, "tenzij de Veldheer aan een onzer de

gunst wil bewijzen, voor hem de handschoen op te rapen."

"Men zwijge!" riep d'Artois. "Ik wil er niet van horen."

"Mijnheer Van Arkel, staat gij het uitstel toe?"

"Dit gaat mij niet aan, ik heb mijn handschoen geworpen, de Veldheer heeft

hem opgenomen; hij bepale de tijd die hij bestemt, om dezelve mij weder te

geven."

"Het zij zo," sprak Robert d'Artois. "Indien de slag niet tot zonsondergang

duurt, zal ik u reeds dezelfde avond gaan zoeken."

"Geef u die moeite niet," antwoordde Hugo, "ik zal eer bij u zijn dan gij

denken zult."

Nog enige bedreigingen stuurden zij elkander toe, doch dit ging niet

verder.

"Mijne heren," viel de Koning Sigis in, "het betaamt niet dat gij langer

daarover spreekt. Laat ons de koppen nog eens vol schenken, en vergeet uw

euvele moed. Zet u neder, Mijnheer Van Arkel."

"Neen, neen," riep Hugo, "ik zit niet neer; op staande voet verlaat ik het

leger. Vaartwel, Mijne heren, wij zullen elkander op het slagveld weerzien;

God hebbe u onder zijn hoede!"

Hiermee ging hij uit de tent, en riep zijn achthonderd man bijeen; weinig

tijds daarna hoorde men het geschater der bazuinen en het gerucht der

wapenen van een wegtrekkende bende. Hugo van Arkel verliet de legerplaats

der Fransen, en kwam nog dezelfde avond bij de Vlamingen, die hij zijn

dienst aanbood. Het is te denken met wat blijdschap zij hem ontvingen, want

hij en zijn mannen waren als onverwinnelijk befaamd, en die naam verdienden

zij[126].

De Franse ridders hadden zich weer bij de tafel gezet, en dronken rustig.

Terwijl zij over de vermetelheid van Hugo spraken, kwam er een wapenbode in

de tent, dewelke zich eerbiediglijk voor de ridders boog: zijn kleding en

wapens waren met stof bedekt, en het zweet liep van zijn voorhoofd.--Alles

gaf te kennen dat hij zich op de reis zeer gespoed had en zich schier

buiten adem had gelopen. De ridders bezagen hem met nieuwsgierigheid,

terwijl hij een vel perkament onder uit zijn harnas toog. Hetzelve aan de

Veldheer gereikt hebbende, sprak hij:

"Mijnheer, dit schrift betuigt u dat ik door Mijnheer Van Lens uit Kortrijk

tot U gezonden ben, om u over onze nood te klagen."

"Welaan, spreek!" riep d'Artois met ongeduld. "Kan Mijnheer van Lens het

kasteel van Kortrijk niet tegen een hoop voetgangers verdedigen?"

"Het zij mij geoorloofd u te zeggen dat gij u bedriegt, edele heer,"

antwoordde de bode. "De Vlamingen hebben een heir dat men niet mag

misachten; het is alsof zij bijeengetoverd waren,--zij zijn meer dan

dertigduizend sterk, en hebben paarden en oorlogstuig in overvloed; zij

bouwen ontzaglijke werprustingen om het kasteel te bespringen. Onze

levensmiddelen en onze pijlen zijn uitgeput, en wij hebben reeds enige

onzer slechtste paarden beginnen te eten. Zo uw Hoogheid nog een dag langer

wacht om Mijnheer Van Lens te gaan ontzetten zullen al de Fransen in

Kortrijk reeds doodgeslagen zijn; want er is geen uitvlucht om het te

ontkomen. De heren Van Lens, De Mortenay en De Rayecourt bidden u

ootmoedelijk dat het u believe hen uit dit gevaar te redden[127]."

"Mijne heren," riep Robert d'Artois, "dit is een schone gelegenheid: wij

konden niet beter wensen, al de Vlamingen zijn bij Kortrijk te saamgelopen.

Wij gaan erop aanvallen, en zo straffe mij God, indien er veel ontvlieden:

de voeten onzer paarden zullen over dit slechte volk recht doen. Gij, bode,

blijft in het leger, morgen zult gij met ons te Kortrijk zijn. Nu nog een

teug voor de laatsten. Mijne heren! Gaat en bereidt uw scharen tot de

tocht: wij gaan zo spoedig mogelijk vertrekken."

Na enige ogenblikken verlieten zij allen de tent, om het bevel van hun

overste te volbrengen. Uit al de hoeken der legerplaats klonken de bazuinen

om de soldeniers uit het veld te roepen, de paarden briesten, de wapens

stieten krijsend tegen elkander, en er rees een akelig krijgsgerucht boven

de verschillende delen der legering. Enige uren later waren al de tenten

opgevouwen en op de troswagens gepakt,--alles was veerdig. Er ontbraken nog

wel een groot getal soldeniers, die zich met plunderen hier of daar

ophielden, maar dit kon aan zulk machtig leger niet gemerkt worden. Ieder

Aanleider, zich aan het hoofd zijner scharen gesteld hebbende, verenigde

zich de ridders in twee benden, en het leger toog in de volgende orde uit

de verschansing: de eerste bende, die met vliegende Standaarden uit de

legerplaats kwam, bestond uit drieduizend beste wapenlieden op lichte

dravers; zij hadden een lange helmbijl in de hand, en lange degens hingen

aan de kop van hun zadels. Hun uitrusting was niet zo zwaar als die der

andere ruiters; daarom gingen zij vooraan, als zijnde tot de eerste

schermutselingen bestemd. Onmiddellijk hierop volgden vierduizend

handboogschutters te voet, zij dreven statig in dikke gelederen voort, hun

aanzichten voor de stralen der zon met hoge vierkante schilden

beschermende.

Hun kokers waren met pijlen gevuld, en een korte degen zonder schede blonk

aan hun gordel. Dit waren de krijgslieden, uit het zuiden van Frankrijk

gekomen; meer dan de helft waren Spanjaarden en Lombarden. Jean de Barlas,

een moedig krijger, reed heen en weer bij die twee scharen en gebood over

dezelve als Opperaanleider.

De tweede bende stond onder het bevel van Renauld de Trie, en telde

drieduizend tweehonderd zware ruiters. Zij waren op hoge en sterke

slagpaarden gezeten, en droegen een breed en blinkend zwaard op de

rechterschouder; harnassen van ruw ijzer omvingen hun lichamen, en platen,

uit één stuk gevormd, waren overal aan hun leden geriemd. Het Orléansgebied

had die mannen meest geleverd.

Mijnheer de Konstabel De Nesle voerde de derde bende aan. Eerst kwam er

een schaar van zevenhonderd edele ridders, met schitterende uitrusting op

het lijf, en liefelijke wimpels aan hun lange speren; wapperende

vederbossen vielen van hun helmen achterover op hun rug; hun wapentekens

waren in allerlei kleuren op hun harnassen geschilderd. De paarden door hen

bereden, waren van het hoofd tot de voeten met ijzer bekleed, en zwierige

kwispeltrossen waggelden overal nevens hun zijde. Uit die schaar staken

meer dan tweehonderd geborduurde Standaarden. Het was waarlijk de

prachtigste ridderbende, welke men in die tijd had kunnen zien: allen waren

op het rijkste gewapend. Achter hen kwamen nog tweeduizend soldeniers te

paard, met lange martelen of wapenhamers op de schouders, boven dit hing er

nog een slagzwaard bij hun zadel. Zij waren samengesteld uit vaandels, tot

het bestendige leger van de Koning Philippe le Bel behorende.

Aan het hoofd der vierde bende reed Mijnheer Louis de Clermont, een ervaren

krijgsman, als Aanleider. Zij bestond uit drieduizend zeshonderd ruiters

met speren, uit het Koninkrijk Navarra. Men kon aan hun regelmatige

uitrusting genoeg bemerken, dat zij welgeoefende en uitgelezen mannen

waren. Voor het eerste gelid reed de vaandrager met de grote Standaard van

Navarra.

Robert, Graaf van Artois, Opperveldheer des legers, had de middenbende

onder zijn bevel genomen. Al de ridders, die geen mannen hadden

aangebracht, of dezelve in andere scharen gesteld hadden, bevonden zich met

hem, de Koningen van Majorca en Melinde renden aan zijn zijde. Tussen al de

anderen kon men Thibaut II, Hertog van Lotharingen, aan zijn prachtige

uitrusting herkennen; insgelijks bemerkte men de fraaie Standaarden van de

heren Jean, Graaf van Tarcanville, Angelin de Vimeu, Renold de Longueval,

Farald de Reims, Arnold van Wesemaal, Maarschalk van Brabant, Robert de

Montfort en een oneindig getal anderen, die zich in één schaar hadden

gevormd.

Die bende ging de derde nog in pracht te boven: de helmen der ridders waren

verzilverd of verguld, en hun harnassen met gouden knopen op de gewrichten

versierd. De zon, die op al het blinkend staal hunner uitrusting haar

brandende stralen schoot, veranderde dit heerlijk gevaarte in een vlammende

gloed. De grote slagzwaarden, die aan hun zadels hingen, slingerden heen en

weer, en vielen met klinkend geluid op de ijzeren deksels der paarden;

hieruit sproot een akelig gerucht dat hen als een gedurige krijgsmuziek op

de baan vergezelde. Na de edele ridders volgden vijfduizend andere ruiters

met helmbijlen en wapenhamers. Bij die afdeling behoorden nog

zestienduizend voetgangers, welke in drie scharen verdeeld waren. De eerste

was uit duizend kruisboogschutters gevormd; zij hadden slechts een stalen

borstplaat en een platte vierkante helm tot behoedwapen, kleine kokers vol

ijzeren schichten hingen aan hun gordels, en lange degens aan hun zijden.

Het tweede gedeelte telde zesduizend mannen en knotsen, welke aan het dikke

einde met schriklijke stalen punten waren beslagen. Het derde gedeelte

bestond uit helmhouwers met lange bijlen. Al die mannen waren uit Gascogne,

Languedoc en Auvergne gekomen.

Mijnheer Jacques de Chatillon, de Landvoogd, voerde het bevel over de zesde

bende. De talrijke gelederen bestonden uit drieduizend tweehonderd

soldeniers te paard. Op de wimpels hunner speren hadden zij vlammende

bezems geschilderd, ten teken dat zij Vlaanderen zuiver maken wilden; hun

paarden waren van de zwaarste uit het leger, en echter konden dezelve met

moeite onder de last van al het ijzer dat hen dekte, vooruitstappen, zo

zwaar waren zij beladen.

Dan volgden de zevenste en achtste benden; de eerste onder het bevel van

Jean, Graaf van Aumale, de andere onder Mijnheer Ferry van Lotharingen.

Ieder derzelve bestond uit tweeduizend zevenhonderd ruiters, altemaal

mannen uit Lotharingen, Normandië en Picardië.

Mijnheer Godfried van Brabant met zijn eigen Vazallen, ten getale van

zevenhonderd wel uitgeruste ruiters, vormde de negenste bende.

Het tiende en laatste gedeelte van het leger was Mijnheer Guy de St.-Pol

toevertrouwd, hij was met de achterwacht belast en moest de legertros

bewaken.

Drieduizend vierhonderd ruiters van alle wapenen reden vooraan; dan volgde

nog een wolk voetgangers met handbogen en slagzwaarden: derzelver getal

beliep tot bij de zevenduizend. Een gedeelte ervan verwijderde zich in alle

richtingen van het leger, en liep met brandende toortsen, om al wat maar

vlammen kon te verdelgen. Eindelijk volgden de ontelbare troswagens met de

tenten en het oorlogstuig beladen[128].

Het Frans leger, in tien benden verdeeld en boven de zestigduizend man

sterk, toog langzaam door de velden en volgde de baan welke naar Kortrijk

leidde. Het oog kon de uitgestrektheid van dit ontzaglijk gevaarte niet

meten, reeds waren de voorsten op de kim onvatbaar geworden eer de laatsten

uit de verschansing gingen, het duurde meer dan een uur tijds.

Duizenden zwepende wimpels dreven in de wind boven het reizend leger, en de

zon spiegelde zich met luisterlijke gloed in de uitrusting der trotse

benden. De paarden briesten hevig en zuchtten onder hun last; de wapens

krijsten en klonken tegen elkander; een dof geruis als het bruisen der

stormende zee ontstond uit al die verschillende geruchten: hetzelve was zo

eentonig dat het de stilte der verlaten velden niet stoorde. Overal waar

die vernielende krijgers doorgetrokken waren, verhieven zich de vlammen met

dikke rookwolken hemelwaarts. Geen enkele woonplaats ontging de

verwoesting, geen mens, geen dier werd gespaard; de kronieken getuigen

ervan. Des anderendaags, wanneer de vlammen het al verbrand en ter neder

geworpen hadden, kon men noch mens, noch mensenwerk meer aantreffen;

Vlaanderen was van Rijsel af tot Douai en Kortrijk zo schriklijk verwoest

dat de Franse Vandalen zich wel mochten beroemen dat zij het als met een

bezem gevaagd hadden[129].

Diep in de nacht kwam het leger van Mijnheer d'Artois omtrent Kortrijk. De

Chatillon kende het land zeer wel, uit reden hij lang genoeg in de stad had

gewoond: hierom werd hij door de Veldheer geroepen om de legerplaats, welke

zij verkiezen zouden, aan te wijzen.

Na een korte raadpleging zakten zij met de onderscheiden benden een weinig

ter rechterhand af, en sloegen hun tenten op de Pottelberg en in de

omliggende velden[130]. Mijnheer d'Artois, met de twee Koningen en nog

enige voorname heren, herbergden zich in het slot Hoog-Mosser, dat nabij de

Pottelberg gelegen was. Talrijke wachten werden uitgezet, en de overigen

begaven zich zonder achterdenken ter rust; zij steunden te zeer op de

meerderheid van hun getal om te denken dat men hen zou durven aantasten.

Alzo bevonden zich de Fransen op een vierendeel uurs van de legerplaats der

ambachten: de voorwachten konden elkander in de duisternis zien wandelen.

De Vlamingen, wetende dat de vijand gekomen was, hadden hun wachten

verdubbeld en bevolen dat men niet dan gewapend mocht ter ruste gaan.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação