Hoofdstuk 16 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 16 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 16

16

_'k Zie in den bloei der jeugd my lust en hoop ontvlugten,

En angstig worstel ik met kommer en verdriet

Is 't myn bestemming, God, altoos altoos te zuchten.

Hoort gy myn weeklacht niet?_

MARIA DOOLAEGHE

Jan Breydel had zich met zijn zevenhonderd beenhouwers in de nabijheid der

stad Damme op een mijl van Brugge neergeslagen. Drieduizend andere gezellen

van alle ambachten waren zich onder zijn bevel komen schikken; hij bevond

zich dus aan het hoofd van een heir, wel gering door het getal, maar

machtig door moed en onversaagdheid; want de harten dezer mannen hijgden

inniglijk naar vrijheid en wraak. In het bos dat de Deken tot legerplaats

had verkozen was de grond, op een uitgestrektheid van een vierendeel uurs,

met veldhutten overdekt[87].

Des morgens achttiende mei, een weinig eer De Chatillon in Brugge trad,

rookten voor de regelmatige lijnen dezer legering ontellijke vuren;

nochtans bespeurde men weinig volk bij de hutten, er stonden wel genoeg

vrouwen en kinderen, maar het was zelden dat een man zich vertoonde, en dan

nog was het een schildwacht. Op enige afstand van het leger, achter de

bomen die hun takken boven de hutten spreidden, was een open plaats die

niet met gevallijke gewassen was belemmerd, en op welkers grond geen hutten

stonden. Daar hoorde men een schaterend gesuis van gemengde stemmen,

terwijl bonzende slagen dit eenstemmig gemor bij pozen kwamen beheersen.

Het aambeeld weergalmde klinkend onder de hamers der smeden, en de grootste

bomen vielen met gedruis voor de bijlen der beenhouwers neder. Lange

stukken hout werden rond en glad gemaakt en met een puntig ijzer voorzien.

Reeds lagen er grote hopen van zulke Goedendags of speren tegen de grond

opeengestapeld. Andere gezellen vlochten wilgentakken tot beukelaars en

gaven dezelve beurtelings aan het leertouwersambacht, om ze met een

ossenhuid te laten overdekken. De timmerlieden vormden ook allerlei zware

oorlogstuigen om steden te bestormen, en bijzonderlijk springalen en andere

werprustingen.

Jan Breydel liep van de ene zijde naar de andere en wakkerde zijn makkers

door vrolijke woorden aan, dikwijls nam hij zelf de bijl uit de handen

zijner beenhouwers en hakte dan ter hunner verwondering, met een verbazende

kracht, een boom in weinig tijds ter neder.

Op de linkerzijde dezer open plaats stond een prachtige tent van

hemelsblauw laken, met zilveren boordsels. Aan het bovenste gedeelte hing

een schild, op hetwelk een zwarte leeuw in een gulden veld gewrocht was;

aan dit wapen kon men gissen dat een persoon van graaflijken bloede erin

woonde. Het was Machteld die zich onder de bescherming der Ambachten

gesteld had, en tussen hen was gelegerd. Twee Vrouwen van het doorluchtige

huis van Renesse waren uit Zeeland gekomen om haar tot Staatjuffers en

vriendinnen te zijn; niets ontbrak haar: het prachtigste huisraad, de

kostelijkste kleding had de edele Zeelander haar toegeschikt. Twee lange

scharen beenhouwers, met blinkende bijlen, stonden bij de twee zijden der

tent en dienden de jonge Gravin tot lijfwacht.

De Deken der wevers wandelde heen en weer vóór de ingang, hij scheen in

diep gepeins bedolven, want zijn ogen waren steeds te gronde gericht. De

lijfwachten bezagen hem in stilte en dorsten niet spreken; zozeer

eerbiedigden zij de bedenking van de man die groot en edel voor hen was. In

deze mijmering was hij bezig met het vormen van een algemeen

legeringsontwerp. Opdat de nooddruft niet ontbrake, had hij zelf het ganse

leger in drie lichamen verdeeld: de beenhouwers en de gezellen van

verschillende ambachten had hij te Damme onder het bevel van Breydel doen

legeren, de Hoofdman Lindens had zich met tweeduizend wevers bij Sluis

vertrokken, en Deconinck zelf verbleef met tweeduizend anderen te

Aardenburg[88]. Maar die noodzakelijke afstand tussen de delen van het

leger verdroot hem; hij had liever al de benden voor de terugkomst van

Mijnheer Gwyde te samen gebracht: hierom was hij te Damme gekomen en had

reeds met Jan Breydel over de zaak gehandeld. Nu wachtte hij dat het hem

veroorloofd werde de dochter van zijn heer te zien en te groeten.

Terwijl hij het ontwerp wandelend nog overwoog, werd het behangsel der tent

ter zijde getrokken en Machteld stapte langzaam over het tapijt dat voor de

ingang lag. Zij was bleek en kwijnend, haar onmachtige benen ondersteunden

haar met moeite: zij wankelde bij de weinige stappen die zij deed, en

rustte zwaar op de arm der jonge Adelheid van Renesse die haar vergezelde.

Haar kleding was rijk, doch zonder zwier; zij had alle sieraad verworpen,

en droeg geen ander kleinood dan de gulden borstplaat met de zwarte Leeuw

van Vlaanderen.

Deconinck had zich het hoofd voor zijn Landvrouw ontdekt, en stond in een

eerbiedigende houding voor haar. Machteld glimlachte met een zieltreffende

uitdrukking, op haar wangen mengden zich bittere pijn en zacht genoegen;

want zij was verheugd dat zij de Deken zag. Met zwakke stem sprak zij:

"Wees gegroet, meester Deconinck, onze vriend! Gij ziet het, ik ben niet

wel, mijn kranke borst hijgt zo lastig. Maar ik mag zo niet altijd in mijn

tent blijven, de droefheid bevangt mij in die nauwe woning. Ik wil de

trouwe onderdanen mijns vaders zien werken, indien mijn voeten mij tot daar

brengen kunnen. Gij zult mij vergezellen; ik bid u, Meester, antwoord op

mijn vragen, uw verklaringen zullen mijn zieke geest verlichten. Ik begeer

niet dat de wachten ons volgen.--De zuivere morgenlucht verkwikt mij

grotelijks!"

Deconinck zijn Landvrouw volgende, begon haar over vele zaken te

onderhouden; met zijn gewoon vernuft en welsprekendheid wist hij voor haar

troostende dingen te vinden, en dreef alzo voor een ogenblik het zwart

nadenken van haar. Te midden der ambachtslieden gekomen zijnde werd de

Jonkvrouw overal met juichende gelukwensingen begroet. Weldra werd de kreet

algemeen: "Heil! Heil de edele dochter van de Leeuw!" liep met lange galmen

door het bos en Machteld gevoelde een zuivere vreugde bij de tekens dezer

vurige liefde. Zij naderde bij de Deken der beenhouwers en sprak

vriendelijk: "Meester Breydel, ik heb u van ver gezien; gij werkt met meer

drift dan de laatste uwer gezellen. Het schijnt dat die arbeid u behaagt."

"Mijn Landvrouw," antwoordde Breydel, "wij maken Goedendags die het

Vaderland en de Leeuw onze heer moeten verlossen. Ik verheug mij uitermate

aan dit werk; want mij dunkt dat op de punt van iedere Goedendag, die wij

veerdig krijgen, reeds een Fransman steekt. En verwonder u niet,

doorluchtige Gravin, indien ik zo driftig in deze bomen houw: ik droom dat

ik op de vijand hak, en die bedriegelijke wraak doet mijn hart van

onversaagdheid opzwellen!"

Machteld bewonderde de jonge Man, wiens blikken het heldenvuur, dat zijn

hart zo overvloedig besloot, verrieden; wiens gelaat als het gelaat ener

Griekse godheid de kentekens der zoete hartstochten en der vlammende

driften droeg. Zij bezag met genoegen die ogen waarin de manlijke trotsheid

onder lange wimpers vonkelde, en die zachte wezenstrekken, welke als de

spiegel ener edele ziel met de uitdrukking ener belangloze opoffering en

van liefde tot het Vaderland blonken. Zij sprak tussen een minzame

glimlach: "Meester Breydel, uw gezelschap zou mij aangenaam zijn, indien

het u beliefde ons te volgen."

Jan Breydel wierp de bijl weg, bracht de blonde lokken van zijn haar over

de oren, plaatste zijn muts met meer zwier op het hoofd, en volgde de

Jonkvrouw vol hoogmoed. Machteld suisde met stille stem tot Deconinck:

"Indien mijn vader duizend zulke trouwe en onverschrokken mannen in zijn

dienst had, zouden de Fransen niet lang in Vlaanderen blijven."

"Er is maar een Vlaming gelijk Breydel," antwoordde Deconinck. "Het is

zelden dat de natuur zulke vlammende harten in zulke machtige lichamen laat

geboren worden, en dit is een wijze schikking van God: anders zouden de

mensen, hun krachten bewust zijnde, te hovaardig zijn; evenals die reuzen

der Oudheid, die de Hemel beklimmen wilden...."

Hij meende in zijn rede voort te gaan; maar een schildwacht met rondel en

zwaard kwam buiten adem bij hen gelopen en sprak tot Breydel, zijn Deken:

"Meester, mijn gezellen van de legerwacht hebben mij tot u gezonden, om u

te boodschappen, dat men voor de poort onzer stad Brugge een dikke wolk van

het stof der baan in de hoogte ziet klimmen; en dat een bruisend gerucht,

als het geraas eens legers, zich doet horen: het gevaarte verlaat de stad

en komt naar onze legerplaats."

"Te wapen! Te wapen!" riep Breydel met zulke kracht dat allen het hoorden,

"Ieder schikke zich in zijn schaar! Maakt spoed!"

De werklieden grepen met onstuimigheid naar hun wapens en liepen in wanorde

door elkander, maar dit duurde slechts een ogenblik:--de scharen vormden

zich plotseling, en welhaast stonden de gezellen beweegloos in hun

dichtgesloten gelederen. Breydel schikte vijfhonderd uitgelezen mannen om

de tent van Machteld; de Jonkvrouw was ijlings in dezelve teruggekeerd. Een

wagen en enige losse paarden werden voor de tent gebracht en alles tot een

ontwijking bereid gemaakt. Dan ging Breydel in allerhaast met zijn overige

mannen uit het bos en schaarde zich in slagorde om de vijand te ontvangen.

Zij bemerkten welhaast dat zij zich hadden bedrogen, want het gevaarte dat

het stof in de lucht dreef, ging zonder orde voort: er liepen vrouwen en

kinderen in menigte door elkander. De vrouwen maakten een aaklig gebaar van

weeklachten, rondom een draagkoets die door mannen werd aangebracht.

Alhoewel de oorzaak der wapenneming nu vergaan was, bleven de

ambachtslieden nog altijd in hun gelederen: zij rustten op hun wapens, en

wachtten met nieuwsgierigheid om te weten wat dit beduidde. Eindelijk

naderde het gevaarte voor het leger. Terwijl veel vrouwen en kinderen door

de gelederen heendrongen, om hun echtgenoot of hun vader te omhelzen,

ontvouwde zich een schriklijk toneel voor het midden der scharen.

Vier mannen brachten de draagbaar tot op een kleine afstand van de Deken

der beenhouwers, en plaatsten twee vrouwenlijken op de grond: de klederen

derzelve waren met lange bloedvagen besmet; hun wezenstrekken kon men niet

zien, want er lag een zwarte sluier op hun hoofden. Terwijl de lijken uit

de draagbaar gelicht en op de grond gelegd werden, vervulden de vrouwen de

lucht met hun klachten; het hartscheurend "Wee! Wee!" was alles wat men in

den eerste verstaan kon. Eindelijk riep een stem: "De Fransen hebben haar

wredelijk vermoord!"

Die roep bracht de woede en de wraaklust onder de ambachtslieden, die tot

daar toe met verbaasdheid gewacht hadden, maar de Deken Breydel keerde zich

tot hen en riep: "De eerste die zijn gelid verlaat, zij strengelijk

gestraft!"

Hij was door een pijnlijke onrust gefolterd, alsof een voorgevoel van het

ongeluk dat hem gebeurd was zijn hart op voorhand beneep; met onstuimigheid

liep hij tot bij de op de grond liggende lijken, en rukte de doek van

derzelver aangezicht.

Maar, o God! Hoe schriklijk was hem de onzalige blik zijner ogen!... Geen

zucht ontging zijn boezem, geen lid verroerde zich in hem en hij stond als

door een bloedstorm geslagen. Bleker dan een lijk werd hij, en zijn haren

rezen te berge op zijn hoofd: met hardnekkigheid hield hij de ogen stijf en

beweegloos op de verglaasde ogen der dode lichamen gevestigd. Zijn lippen

bewogen zich bevend, en men zou gezegd hebben dat zijn stervensuur gekomen

was.

In die gesteltenis bleef hij slechts weinig ogenblikken, weldra ging er een

ratelende ademing door zijn keel; wanhopig sprong hij vooruit naar zijn

scharen, hief terzelfder tijd de twee armen omhoog, en schreeuwde pijnlijk.

"O ramp! Ramp! Mijn oude moeder ... mijn arme zuster!"

Bij deze woorden wierp hij zich in de armen van Deconinck en hing, van

kracht begeven, tegen de borst van zijn vriend. Met dwaze blikken staarde

hij in het ronde, en deed zijn makkers van angst en medelijden sidderen. In

zijn sombre woede, bracht hij de bijl die hij droeg, aan zijn mond, en beet

als een razende met zulke kracht in de hecht dat een stuk houts van de

zelve tussen zijn tanden bleef; maar dit gevaarlijk wapen werd hem spoedig

ontnomen. Deconinck gebood de gezellen dat zij in orde naar hun werk zouden

terugkeren, totdat een bevel hen te wapen roepen zoude. Alhoewel zij liever

een spoedige wraak genomen hadden, dorsten zij zich echter niet tegen dit

bevel verzetten, want het was hun kenbaar gemaakt dat de Deken der

wolwevers als algemeen Stadhouder, door de jonge Gwyde was aangesteld; zij

keerden morrend naar het bos, en hernamen hun arbeid tegen dank.

Wanneer de twee Dekens in Breydels tent gekomen waren, zette de Deken der

beenhouwers zich, afgemat en verslagen, bij een tafel, en liet het hoofd

zwaar neerzinken. Hij sprak niet, en bezag Deconinck met een zonderling

gelaat: een vergiftige grimlach stond op zijn wezenstrekken,--men zou

gedacht hebben dat hij met zijn eigen ramp de spot dreef.

"Mijn ongelukkige vriend," sprak Deconinck hem toe, "bedaar om Gods wil."

"Bedaar! Bedaar!" herhaalde Breydel. "Ben ik niet bedaard?--Hebt gij mij

ooit zo rustig gezien?"

"O mijn vriend," hernam de Deken der wevers, "hoe bitter is het lijden uwer

ziel! Ik zie de dood op uw gelaat. Troosten kan ik u niet,--uw ongeluk is

te groot; ik weet niet welke balsem zulke wonden helen mag."

"Ik wel," antwoordde Breydel. "De balsem die mij genezen kan, is mij

bekend; maar de macht ontbreekt mij. O mijn arme moeder! Zij hebben hun

handen in uw bloed gedoopt, omdat uw zoon een Vlaming is--en die zoon, o

doemnis!--die zoon kan u niet wreken!"

De uitdrukking van zijn gelaat veranderde bij die uitroeping: zijn tanden

kwamen bitsig opeen en kraakten, zijn handen omvatten de stijlen der tafel,

alsof hij dezelve breken wilde; echter werd hij weder kalm en zijn gelaat

betuigde meer droefheid.

"Nu Meester, gedraag u als een man," sprak Deconinck. "Overwin ook de

wanhoop, die vijandin der ziel. Wees moediger tegen de bittere pijnen die u

heden treffen--het bloed uwer moeder zal gewroken worden."

De ijselijke grimlach kwam weder op Breydels lippen. Hij antwoordde:

"Gewroken worden! Hoe licht belooft gij iets dat gij niet kunt volbrengen.

Wie kan mij wreken? Gij niet. Gelooft gij, dat een stroom Frans bloed

genoegzaam zij om het leven mijner moeder te herkopen? Geeft het bloed van

een dwingeland het leven zijne slachtoffers weder? O neen, zij zijn

dood--en voor altijd, voor eeuwig, mijn vriend! Ik zal in stilte en zonder

klagen lijden; niets kan mij troosten,--wij zijn te zwak, en onze vijanden

te machtig."

Deconinck antwoordde niet op de woorden van Breydel, en scheen iets

gewichtigs te overwegen: op zijn aangezicht kwam soms een uitdrukking alsof

hij zich geweld aandeed om een inwendige woede te verbergen. De Deken der

beenhouwers bezag hem met nieuwsgierigheid, denkende dat er iets

buitengewoons in de boezem van zijn diepzinnige vriend omging. De

grammoedige uitdrukking verging op het gelaat van Deconinck; hij stond

langzaam op, en sprak: "Onze vijanden zijn te machtig, zegt gij? Morgen

zult gij dit niet meer zeggen. Zij hebben verraad en boosheid te hunnen

voordele gebruikt, en hebben niet gevreesd het onnozel bloed te vergieten,

alsof er geen Wraakengel meer bij de troon des Heren ware. Zij weten niet

dat het leven van hen allen in mijn handen is, en dat ik hen kan

verbrijzelen alsof de almacht mij door God geschonken ware.--Zij zoeken hun

macht in verraad en schandelijke boosheid. Welaan, hun eigen zwaard zal

hen vernielen--het is gezegd!"

Deconinck scheen in dit ogenblik als een Tolk die over het misdadige

Jeruzalem de vloek des Heren uitspreekt; er was zoveel ontzaglijks in de

toon zijner stem dat Breydel met een godsdienstige eerbied op het vonnis

der vijanden luisterde.

"Wacht een weinig," ging Deconinck voort, "ik zal een der nieuw

aangekomenen doen halen opdat wij weten mogen hoe dit alles gebeurd is.

Laat u bij zijn verhaal niet vervoeren, ik beloof u een wraak die gij zelfs

niet zoudt durven eisen. Want nu is het toch zover gekomen dat geduld een

schande wordt."

Een innige toorn bracht het vuur op zijn wangen. Hij, die anders zo bedaard

was, blaakte nu in heviger gramschap dan Breydel, alhoewel men dit nog niet

gans op zijn gelaat kon merken. Na de tent enige ogenblikken verlaten te

hebben kwam hij met een ambachtsgezel terug en deed hem de voorvallen,

welke die dag in Brugge gebeurd waren, met alle omstandigheden verhalen.

Zij verstonden uit hem het getal van De Chatillons nieuw leger, de dood der

gehangen Burgers en de schriklijke plundering der stad.

Breydel aanhoorde dit verhaal met koelheid, want al deze euveldaden waren

hem niet zo pijnlijk als de moord dergene die hem in haar schoot had

gedragen. Deconinck werd integendeel meer en meer verwoed, naarmate dit

schriklijk toneel zich ontrolde. Voor hem waren de omstandigheden van dit

verhaal zeer droevig, maar zo aanzag hij de zaak niet. Vaderland en

verlossing waren de twee gevoelens welke hem in zulke drift konden doen

ontsteken. Nu zag hij dat het waarlijk tijd was en dat men zonder uitstel

moest beginnen; trouwens, deze wrede rechtspleging kon de Vlamingen

verschrikken en hun de moed benemen. Hij zond de gezel weg, en plaatste het

hoofd stilzwijgend in de hand, terwijl Breydel met ongeduld, op hetgeen hij

zeggen ging, wachtte.

Deconinck kwam eensklaps bij Breydel en riep: "Vriend, maak uw bijl scherp,

jaag de droefheid uit uw hart! Wij gaan de banden des Vaderlands breken!"

"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Breydel.

"Luister,--een akkerman wacht totdat de koude des morgens al de rupsen in

een nest verzameld heeft; dan snijdt hij het nest van de boom, plaatst

hetzelve onder zijn voet, en vertrapt het ongediert ineens. Verstaat gij

dit?"

"Voleind uw voorzegging," riep Breydel. "O mijn vriend, een lichte straal

verdrijft mijn duistere wanhoop. Voleind, voleind!"

"Welnu, de Fransen hebben zich ook in onze vaderstad gelijk het ongediert

genesteld: zij zullen ook verplet worden alsof een berg op hen gevallen

ware. Verblij u, meester Jan, zij zijn veroordeeld. De dood uwer moeder zal

met woeker betaald worden, en het Vaderland zal zonder ketens uit dit

bloedbad oprijzen."

Breydel liet zijn ogen onstuimig rond de tent gaan, en zocht naar zijn

bijl, dan herinnerde hij zich dat men hem dezelve had ontnomen. Hij vatte

de hand van Deconinck met ontroering.

"Mijn vriend," riep hij, "gij hebt mij meermalen gered, maar dan gaaft gij

mij alleenlijk het leven: nu krijg ik door u geluk en vreugde weder. Zeg

mij toch spoedig hoe wij deze wraak zullen bewerken opdat ik niet meer

twijfele."

"Heb een ogenblik geduld, gij zult het gaan horen; dit ontwerp moet ik voor

al de Dekens ontvouwen. Ik zal hen doen roepen."

Hij ging haastiglijk uit de tent, riep een schildwacht en zond hem naar het

bos om al de Oversten bij hem te ontbieden. Enige tijd daarna stonden zij

ten getale van dertig in een kring buiten de tent. Deconinck sprak tot hen

in dezer voege: "Makkers, het plechtig uur is gekomen, de vrijheid moeten

wij hebben of de dood. Lang genoeg hebben wij de schandvlek op onze

voorhoofden gedragen: het is tijd dat wij onze vijanden rekenschap over het

bloed onzer broederen vragen;--en indien wij voor het Vaderland sterven

moeten, denkt dan, o makkers, dat de ketens der slavernij bij de boord van

het graf ontvallen, en dat wij, vrij en zonder laster, bij onze vaderen

zullen slapen. Maar neen, wij zullen overwinnen, dit weet ik. De zwarte

Leeuw van Vlaanderen kan niet vergaan. En ziet of wij het recht niet op

onze zijde hebben? De Fransen hebben ons land uitgeplunderd, onze Graaf en

de Edelen, de bloem der echte Vlamingen gekerkerd. Philippa hebben zij met

venijn vergeven, onze stad Brugge hebben zij verwoest en de eerlijksten

onzer broederen op eigen grond gehangen. De bloedige lijken der moeder en

der zuster van onze ongelukkige vriend Breydel rusten tussen ons. Deze

lijken, en die van al degenen welke door de handen der vreemde dwingelanden

zijn gestorven, hebben stemmen die in uw harten om wraak roepen! Welaan,

begraaft hetgeen ik u ga zeggen in uw hart als in een graf.--De Fransen

hebben zich heden aan een boos werk moede gemaakt, zij zullen goed slapen;

maar dan straffe mij God met het eeuwige vuur, zo die slaap voor de meesten

niet tot het laatste oordeel duren zal! Zegt niets aan uw gezellen, maar

leidt ze morgen, twee uur voor de opgang der zon, tot achter Sint-Kruis in

het Eksterbos[89]. Ik vertrek op staande voet naar Aardenburg om mijn

mannen te bereiden en de Hoofdman Lindens te doen verwittigen; want ik moet

heden nog in Brugge zijn. Dit verwondert u,--nochtans zult gij met mij

bekennen dat er een Fransman in Brugge is, die wij niet mogen doden: zijn

bloed zou op onze hoofden terugvallen."

"Mijnheer De Mortenay!" antwoordden vele stemmen.

"Die ridder," hernam Deconinck, "heeft ons steeds met goedheid behandeld;

hij heeft getoond dat de rampen onzes Vaderlands hem raakten. Dikwijls

heeft hij de verfoeilijke Jan van Gistel in zijn wrede vervolgingen

wederhouden, en de genade der veroordeelden verkregen. Wij mogen dus onze

wapens met dit edel bloed niet verven; het is om dit te beletten dat ik

heden naar Brugge gaan wil, wat gevaar er ook zij."

"Maar," viel een der Dekens in, "hoe toch zullen wij morgen in de stad

geraken, mits de poorten voor het rijzen der zon gesloten zijn?"

"De poorten zullen voor ons geopend worden," antwoordde Deconinck. "Ik zal

niet uit de stad terugkeren voordat de wraak zeker en onfeilbaar zij. Ik

heb u genoeg gezegd: morgen in de vergaderplaats zal ik u nadere bevelen

geven; houdt uw mannen veerdig. Ik ga met onze jonge Gravin vertrekken, zij

mag dit bloedig toneel niet zien."

Breydel had gedurende deze rede niet het minste teken van toestemming

gegeven; maar een hevige blijdschap blonk op zijn gelaat. Zodra de Dekens

vertrokken waren, wierp hij zich om de hals van Deconinck en sprak, terwijl

twee tranen over zijn wangen rolden: "Gij hebt mij uit de wanhoop gewekt,

mijn dierbare vriend. Nu zal ik rustig over de lijken mijner moeder en

zuster kunnen wenen, en haar met godsdienstig gevoel ter aarde

beschikken.--En dan, nadat het graf op haar zal gesloten zijn ... Ho, wat

blijft er mij dan in de wereld over dat ik kan beminnen?"

"Uw Vaderland en deszelfs grootmaking!" was het antwoord.

"Ja, ja, Vaderland en vrijheid--en wraak! Want nu, verstaat gij, mijn

vriend, nu zou ik van spijt wenen indien de Fransen ons land verlieten. Dan

zou mijn bijl geen hoofden meer kunnen klieven, ik zou hun lijken niet

kunnen vertrappen, gelijk de voeten hunner paarden onze broeders vertrapt

hebben. De vrijheid alléén zou ik verwerpen; het gezicht van stromend bloed

kan mij alleen nog behagen, nu zij het hart waaronder ik het leven ontving,

doorstoken hebben.--Vertrek gauw, en ga met God, opdat alles wel uitvalle;

want ik ben dorstig naar de beloofde wraak."

Deconinck verliet Breydel met deze woorden: "Geheim en voorzichtigheid,

mijn vriend!"

Eer hij de legerplaats verliet, deed hij alles tot het vertrek der edele

Machteld bereiden, en, na met haar enige ogenblikken gesproken te hebben,

klom hij op een draver en verdween in de richting van Aardenburg.

Onderwijl waren de lichamen der moeder en der zuster van Breydel door de

vrouwen gewassen en gelijkt geweest. Zij hadden eerst een tent van binnen

met zwart laken behangen en te midden derzelve de twee lijken op een

legerbed uitgestrekt. Een somber doodskleed was derzelver deksel; de

aangezichten alleen waren ontbloot. Rondom die plechtige legerstede

brandden acht gele waskaarsen; een Kruisbeeld met een zilveren wijwatervat

en enige palmtakken stond aan het hoofdeinde, terwijl wenende vrouwen

prevelend erbij zaten te bidden.

Onmiddellijk na het vertek van Deconinck ging Breydel naar het bos, en

beval het werk te staken; hij zond al de ambachtslieden naar de tenten om

te rusten, en kondigde hun aan dat zij des anderendaags voor het aanbreken

van het daglicht moesten vertrekken. Na enige verdere maatregels gebruikt

te hebben, om de vrouwen en kinderen in de legerplaats te doen blijven,

begaf hij zich naar de hut waar het lichaam zijner moeder gelijkt lag. Daar

gekomen zijnde zond hij de vrouwen weg en sloot de deur dicht.

Meer dan een Aanleider kwam bij de tent om de Deken te kunnen spreken,

hetzij om onderrichtingen of bevelen te vragen. Maar hoezeer zij ook

aanklopten, kregen zij echter geen antwoord. In den eerste eerbiedigden zij

de droefheid, waarin hun meester ongetwijfeld op dit ogenblik verzonken

lag; maar wanneer zij reeds vier uur lang voor de deur gewacht hadden,

zonder dat het minste gerucht zich in de lijktent had laten horen, kwam de

vrees hen bevangen. Zij dorsten hun gedachten niet uitdrukken:--was Breydel

dood? Had de bijl of de smart zijn levensdraad gebroken?

Eensklaps ging de deur open, en Breydel vertoonde zich voor hen zonder dat

hij hun tegenwoordigheid scheen te bemerken. Niemand sprak, want de

wezenstrekken van de Deken hadden iets in zich dat het hart met koude

beneep en de spraak benam. Hij was bleek, zijn blikken dwaalden halsstarrig

en dwaas in het rond, en velen bemerkten dat twee vingeren zijner

rechterhand met bloed geverfd waren. Niemand hunner dorst hem naderen; want

de dood straalde uit zijn ogen, en ieder zijner blikken ging als een

schicht in de zielen dergenen die hem bezagen.

Dit bloed dat aan zijn vingeren kleefde, deed hen bovenal sidderen; een

schriklijke gissing liet hen raden waar hij het gehaald had. Gewis had hij

de wonde zijner moeder geraakt, misschien had hij dit hart dat hem zozeer

beminde gevoeld, en uit die ijselijke aanrakingen de razernij geput die hem

meer kracht en dorst tot de wraak moest geven!--Zo wandelde hij sprakeloos

door het woud, totdat de avond, de legerplaats met duisternis omvangende,

hem voor de ogen zijner makkers verborg.

Te Aardenburg gekomen zijnde, stelde Deconinck zijn tweeduizend wevers

onder het bevel van een der voornaamste Aanleiders en zond een bode met

onderrichtingen naar de Hoofdman Lindens. Wanneer hij al de nodige

maatregelen genomen had om de macht der drie afdelingen van het leger te

St.-Kruis te verenigen, klom hij weder te paard en begaf zich rechtstreeks

naar Brugge. Hij liet zijn draver in een herberg staan, en ging te voet in

de stad. Niets weerhield hem, want het was reeds diep in de avond, de

poorten waren open en men zag geen andere soldeniers dan de schildwacht op

de wal. Een dode rust, een schrikwekkende stilte heerste in de straten door

dewelke hij gaan moest. Weldra bleef hij voor een gering huis achter de

St.-Donaaskerk staan, en meende te kloppen; doch hij bemerkte dat er geen

deur aan deze woning was en dat de ingang met een lang stuk laken was

gesloten. Dit huis en deszelfs vertrekken moesten hem wel bekend zijn; want

het laken opheffende, stapte hij stoutelijk in de winkel en ging welhaast

naar een kleine achterkamer, die door de weifelende vlam ener lamp verlicht

was. Tussen het verbrijzelde huisraad, welke op de vloer verspreid lag, zat

een vrouw wenend bij een tafel; twee jonge kinderen hield zij tegen haar

borst gesloten en zoende hen zuchtend, alsof zij zich gelukkig achtte, dat

tenminste die rijkdom haar was overgebleven: verder in een hoek, die maar

half de bleke stralen der lamp ontving, zat een man met het hoofd in de

hand, en scheen te slapen.

Bij de onverwachte verschijning van Deconinck verschrikte de vrouw zodanig,

dat zij haar kinderen vaster tegen de borst sloot en door een luide

schreeuw haar benauwdheid te kennen gaf. De man greep met haastigheid naar

zijn kruismes, doch zijn Deken herkennende, stond hij op en sprak: "O

Meester, wat pijnlijke last hebt gij mij opgelegd, toen gij mij geboodt in

de stad te blijven: de genade Gods alleen heeft ons van een onvermijdelijke

dood gered. Onze huizen zijn geplunderd, onze broederen gehangen en

vermoord--en God weet wat er morgen zal gebeuren. O geef mij oorlof om bij

u te Aardenburg te gaan, ik smeek het u."

Deconinck antwoordde niet op dit verzoek; hij wenkte de ambachtsman met de

vinger, en ging met hem tot in de winkel, waar de grootste duisternis

heerste. Dan sprak hij met stille stem: "Geeraert, wanneer ik de stad

verliet, heb ik u met dertig andere gezellen doen blijven, opdat gij de

aanslagen der Fransen mocht ontdekken. U heb ik daartoe verkozen, omdat mij

uw moed en uw zuivere vaderlandsliefde bekend zijn. Misschien heeft het

gezicht van de dood uwer makkers, uw hart met vrees bevangen: indien het zo

was, sta ik toe dat gij heden nog naar Aardenburg vertrekt."

"Meester," antwoordde Geeraert, "uw woorden bedroeven mij, ik vrees de dood

geenszins; maar mijn vrouw, mijn arme kinderen blijven hier aan alle

onheilen blootgesteld. De schrik en de benauwdheid maken hen ziek, zij

wenen en bidden de ganse dag, en de nacht geeft hun geen krachten weder:

kondet gij zien hoe bleek zij zijn!--En zou ik bij het gezicht van al dat

lijden, van al die angst, mijn tranen met de hunne niet mengen? Ik ben

immers hun aller vader en beschermer.--En is het niet van mij alleen dat

zij de troost, die ik hun niet geven kan, afsmeken? O Meester, geloof mij,

een vader lijdt meer dan zijn vrouw en kinderen lijden kunnen. Nochtans ik

zweer het u, ik ben bereid voor het Vaderland alles te vergeten--ja ook

mijn bloed; en zo gij mij tot iets kunt gebruiken, moogt gij op mij staat

maken. Spreek dus, want ik gevoel dat gij mij iets gewichtigs te bevelen

hebt."

Deconinck vatte de hand van de brave Geeraert, en drukte dezelve met

ontroering.

"Nog een ziel als die van Jan Breydel!" dacht hij.

"Geeraert," viel hij uit, "gij zijt een waardige gezel; dank voor uw trouw

en uw moed. Luister dan, want ik heb weinig tijd. Gij zult spoedig naar uw

gezellen gaan om hen te verwittigen: deze nacht zult gij u geheimlijk met

hen in het Peperstraatje begeven; gij alleen zult op de wal tussen de

Dam- en Kruispoorten klimmen; leg u plat ter aarde en laat uw ogen in de

richting van St.-Kruis gaan. Zodra gij een vuur in het veld ziet, val dan

met uw makkers op de wacht der poort; open deze zullen zevenduizend

Vlamingen voor staan."

"De poort zal op het bepaald uur open zijn; vrees niet, ik bid u,"

antwoordde Geeraert met koelheid.

"Is het gezegd?"

"Het is gezegd!"

"Goedenavond dan, mijn waarde vriend. Blijf met God!"

"En die vergezelle u, Meester!"

Deconinck liet de ambachtsman naar zijn vrouw terugkeren, en ging zelf ten

huize uit. Bij de oude Hal kwam hij aan een prachtige woning: hij klopte en

de deur werd geopend.

"Wat wilt gij, Vlaming?" vroeg de dienstknecht.

"Ik begeer Mijnheer De Mortenay te spreken."

"Ja maar, hebt gij geen wapens? Want gij lieden zijt niet te betrouwen."

"Wat geeft u dit!" sprak de Deken. "Ga, en zeg uw meester dat Deconinck hem

wil spreken."

"O Heer, mijn God! Gij heet Deconinck? Dan komt gij gewis met een boos

inzicht ..."

Bij deze woorden liep de dienstbode ijlings naar boven en kwam na enige

ogenblikken terug.

"Gij moogt boven gaan," zuchtte hij, "het gelieve u mij te volgen."

Hij bracht Deconinck boven de trappen voor de ingang ener kamer. De

Mortenay zat bij een kleine tafel waarop zijn helm en zijn degen nevens de

ijzeren handschoenen rustten. Hij bezag de Deken met verwondering: deze

boog zich voor de Stadsvoogd en sprak: "Mijnheer De Mortenay, ik heb mij,

met betrouwen in uw eerlijkheid, tot hier begeven, wetende dat die

stoutheid mij niet zal berouwen."

"Voorwaar," antwoordde De Mortenay, "gij zult terugkeren zoals gij gekomen

zijt."

"Uw edelmoedigheid is een spreekwoord onder ons geworden," hernam

Deconinck. "Ook is het uit oorzaak derzelve, en om u te doen zien dat wij,

Vlamingen, een eerlijke vijand hoogachten, dat ik tot UEdele gekomen

ben.--De Chatillon heeft heden onze stad aan de woede zijner soldeniers

overgegeven, hij heeft acht onzer onnozele broeders doen hangen. Beken met

mij, heer De Mortenay, dat het ons een plicht is hun dood te wreken; want

wat kon de Landvoogd hun ten laste leggen, dan dat zij voor zijn dwingende

geboden niet wilden zwichten?"

"De onderdaan moet zijn meester gehoorzamen; hoe streng de straf ook zij,

is het hem niet geoorloofd de daden zijner Oversten te beoordelen."

"Gij hebt gelijk, Mijnheer De Mortenay, zo spreekt men in Frankrijk, en

daar UEdele een natuurlijk onderdaan van de Koning Philippe le Bel is,

betaamt het u zijn bevelen te volvoeren. Maar wij zijn vrije Vlamingen, en

kunnen die schandelijke ketens niet langer dragen: nu de Landvoogd de

wreedheid zover gebracht heeft, verzeker ik u dat er eerlang bloed bij

stromen zal vergoten worden, en indien het lot ons ongunstig ware en dat

gij lieden de zege behaaldet--dan zouden er u weinig slaven overblijven,

want wij willen sterven. Echter hoe het ook zij, en dit is de oorzaak

mijner komst, wat er ook gebeuren moge zal geen haar van uw hoofd door ons

geraakt worden: het huis waarin gij u zult bevinden, zal voor ons geheiligd

zijn, geen Vlaming zal zijn voet over de dorpel uwer woning zetten. Ontvang

daarop mijn trouw."

"Ik dank de Vlamingen om hun liefde tot mij," antwoordde De Mortenay, "maar

ik weiger de bescherming die gij mij aanbiedt en zal er nooit gebruik van

maken. Indien er waarlijk zoiets voorviel, zou ik mij onder de banier van

de Landvoogd, en niet in mijn woning bevinden, en zo ik sterf, zal het met

het zwaard in de vuist zijn. Maar ik geloof niet dat het zo ver komen zal,

want de oproeren zullen welhaast gedempt worden. Gij, Deken, verlaat het

Land spoedig, dit raad ik u als vriend."

"Neen Mijnheer, ik verlaat mijn Land niet: het gebeente mijner vaderen

rust in die grond. Ik bid u, overweeg dat alle dingen mogelijk zijn en dat

het Franse bloed door ons kan vergoten worden; maar dan moogt gij u mijn

woorden herinneren.--Dit is alles wat ik UEdele te zeggen had. Ik wens u

vaarwel, God neme u onder zijn hoede!"

De Mortenay overdacht de woorden van de Deken met meer nauwkeurigheid, en

bevond ter zijner grote droefheid dat een schriklijk geheim onder dezelve

schuilde; hij besloot derhalve des anderdaags De Chatillon tot waakzaamheid

aan te sporen, en zelf enige maatregelen voor de veiligheid der stad te

bevelen. Niet denkende dat hetgeen hij vreesde zo haast moest gebeuren,

legde hij zich te bed en sliep gerust.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação