Hoofdstuk 4 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 4 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

4

_Men seght dickwils dat opt velt

't Serpent sigh onder bloemen stelt

En soo verrast die wandelen gaen

En comen by de bloemen aen

'k Weet iets tot meer verraed bekwaem

Serpent en bloem ist altesaem

Vraegt ghij my wat in rechter trouw

Ick segh dat dinck dat is een vrouw.

COES, _LIEDEKENS_

De reis welke graaf Gwyde op het aanraden van Mijnheer De Valois ging

ondernemen, was voor hem en voor het Land van Vlaanderen zeer gevaarlijk:

er bestonden voor Frankrijk te belangvolle redenen om het rijke Vlaanderen

zo lang mogelijk in bezit te houden.

Philippe le Bel en zijn gemalin Johanna van Navarra hadden, om in hun losse

verkwistingen te voorzien, al het geld des Rijks in hun schatkisten

getrokken, en nochtans waren de overgrote sommen, die hun door het volk

werden toegestaan, nooit toereikend geweest om hun onverzadelijke begeerten

te voldoen. Geen ander middel om zich geld te verschaffen kunnende vinden,

vervalste Philippe de munten van het Rijk, bracht ondraaglijke lasten op de

drie staten des Lands--en echter had hij nog niet genoeg. Zijn hebzuchtige

Ministers en bovenal Enguerrand de Marigny, dreven hem dagelijks aan tot

het opleggen van schattingen en gabellen[33], ondanks het gemor des volks

en de voortekenen ener omwenteling. Onbegrijpelijk is het dat Philippe le

Bel, die ook de joden zo menigmaal uit Frankrijk dreef om hun het verlof

van weder te komen tegen grote sommen te kunnen verkopen, niettegenstaande

zijn stroperijen altijd zo groot gebrek aan geld had.

De vervalsing der munten was een verderfelijke daad; want de kooplieden hun

waren voor ongangbaar geld niet willende verkopen, verlieten Frankrijk: het

volk werd arm, de lasten werden niet betaald en de Koning bevond zich in de

hachelijkste toestand. Vlaanderen integendeel bloeide door de nijverheid

zijner inwoners. Al de natiën der bekende wereld aanzagen het als hun

tweede Vaderland, en vormden op onze bodem de algemene stapel hunner

goederen. Te Brugge alleen werd meer geld en goed verhandeld dan in gans

Frankrijk, en deze stad was waarlijk een goudmijn. Dit wist Philippe le

Bel. Ook had hij sedert enige jaren alles in het werk gesteld om het land

van Vlaanderen onder zijn macht te krijgen. Eerst had hij van de Graaf

Gwyde onmogelijke dingen geëist, om hem tot ongehoorzaamheid te dwingen;

dan had hij zijn dochter Philippa in hechtenis gehouden en eindelijk het

land van Vlaanderen door het geweld der wapenen ingenomen en verbeurd.

De oude Graaf had dit alles overwogen en verborg zich de waarschijnlijke

gevolgen zijner reis niet; maar de droefheid die hij over de gevangenis

zijner jongere dochter gevoelde, liet hem niet toe dit middel, dat haar kon

verlossen, te verzuimen. De vrijgeleide, welke hem door Charles de Valois

gegeven was, mocht hem ook wel enigszins verzekeren.

Hij begaf zich dan op weg met zijn twee zonen, Robrecht en Willem, en

vijftig Vlaamse Edellieden. Charles de Valois, met een groot getal Franse

ridders, vergezelde hem op de reis.

De Graaf met zijn Edelen te Compiègne gekomen zijnde, werd door toedoen van

Mijnheer De Valois, in afwachting dat een koninklijk bevel hem ten Hove zou

roepen, heerlijk geherbergd. De edelmoedige Fransman deed zoveel bij de

Koning, zijn broeder, dat deze tot de genade overhelde, en Gwyde alleen ten

Hove ontbood.

De oude Graaf, vol strelende hoop, begaf zich met betrouwen naar het

koninklijk paleis.

Hier werd hij in een grote en prachtige zaal geleid. In de diepte van dit

vertrek stond de koninklijke troon: behangsels van lazuur fluweel met

gulden leliën doorwrocht, daalden van dezelve aan beide zijden tot op de

grond, en een tapijt met goud- en zilverdraad doorweven lag voor de trappen

van die rijke zetel. Philippe le Bel wandelde heen en weer door de zaal met

zijn zoon Louis Hutin[34]. Achter hen volgden veel Franse heren, onder

dewelke er een was, die dikwijls in de samenspraak des konings deelde. Deze

gunsteling was Mijnheer De Nogaret, die de Paus Bonifacius, op bevel van

Philippe, dorst vangen en mishandelen[35].

Zodra Gwyde aangekondigd werd, week de Koning tot bij de troon, maar klom

er niet op. Zijn zoon Louis bleef aan zijn zijde: de andere heren schaarden

zich in twee rijen langs de wand. Dan naderde de oude Graaf van Vlaanderen

met langzame tred en boog zijn ene knie voor de Koning.

"Vazal!" sprak deze, "U betaamt die ootmoedige houding, na al het verdriet

dat gij ons veroorzaakt hebt. Gij hebt de dood verdiend en zijt

veroordeeld; echter belieft het ons in onze koninklijke genade u te horen.

Sta op en spreek!"

De oude Graaf richtte zich op en antwoordde: "Mijn heer en Vorst! Met

vertrouwen in uw koninklijke rechtvaardigheid heb ik mij voor de voeten

uwer Majesteit begeven, opdat zij met mij na haar welgevallen handele."

"Die onderwerping," hernam de Koning, "komt laat; gij hebt u met Edward van

Engeland, mijn vijand, tegen mij verbonden: gij zijt als een ontrouwe Vazal

tegen uw Heer opgestaan--en gij zijt hoogmoedig genoeg geweest om hem de

oorlog te verklaren: uw land is om uw ongehoorzaamheid verbeurd."

"O Vorst," sprak Gwyde, "laat mij genade voor u vinden. Dat uw Majesteit

bedenke wat pijn en wat lijden een vader gevoeld heeft, wanneer men hem

zijn kind ontrukte.--Heb ik niet met diepe weedom gebeden? Heb ik niet

gesmeekt om haar weder te krijgen? O Koning! Indien men uw zoon, mijn

toekomende Heer Louis, die nu zo manlijk aan uw zijde staat; indien men

deze u ontrukte en in een vreemd land kerkerde, zou de smart uw Majesteit

dan niet tot alles doen overgaan, om dit bloed, dat uit U gesproten is, te

wreken en te verlossen? Ho ja, uw vaderhart verstaat mij--ik zal genade

voor uw voeten vinden."

Philippe le Bel bezag zijn zoon met tederheid; op dit ogenblik overwoog hij

de rampen van Gwyde en gevoelde een innig medelijden voor de ongelukkige

Graaf.

"Sire," riep Louis met ontroering, "o wees hem genadig om mijnentwille! Heb

toch deernis met hem en zijn kind--ik smeek u."

De Koning herstelde zich en hernam een strenge uitdrukking: "Laat u door de

woorden eens ongehoorzamen Vazals zo licht niet verleiden, mijn zoon,"

sprak hij, "ik wil echter niet onverbiddelijk zijn; indien men mij bewijzen

kan dat hij slechts door vaderliefde en niet door trotsheid gedreven werd."

"Heer," hernam Gwyde, "het is Uwe Majesteit bekend dat ik, om mijn kind

weder te krijgen, alles wat mogelijk was in het werk gesteld heb. Geen

mijner pogingen kon gelukken; mijn smeken, mijn bidden werd verworpen en

alles, ook de tussenkomst van de Paus, was vruchteloos. Wat kon ik dan

doen? Ik heb mij met de hoop gestreeld dat de wapenen de verlossing mijner

dochter mochten bewerken, maar het lot was mij niet gunstig, Uwe Majesteit

behaalde de zege."

"Maar," viel de Koning in, "wat kunnen wij voor u? Gij hebt een

verderfelijk voorbeeld aan onze Vazallen gegeven: indien wij u genadig

zijn, zullen zij allen tegen ons opstaan, en gij zult u misschien opnieuw

met onze vijanden verenigen?"

"O mijn Vorst," antwoordde Gwyde, "het believe Uwe Majesteit de

ongelukkige Philippa aan haar vader weder te geven--en ik zweer u, bij de

eer mijns Huizes, dat een onverbrekelijke trouw mij aan uw Kroon hechten

zal."

"En zal Vlaanderen de geëiste sommen opbrengen, en zult gij ons het nodige

geld bezorgen, om de kosten die uw ongehoorzaamheid ons veroorzaakt heeft

te vergoeden?"

"De genade die Uwe Majesteit mij kan bewijzen zal mij nooit te duur staan.

Uw bevelen zal ik eerbiediglijk volbrengen. Maar mijn kind, o Koning,--mijn

kind!"

"Uw kind?" herhaalde Philippe le Bel twijfelachtig. Nu dacht hij aan

Johanna van Navarra, die de dochter des Graafs van Vlaanderen niet gewillig

zou loslaten. Hij dorst de goede ingeving zijns harten niet volgen; want

hij vreesde de toorn der trotse Koningin Johanna te zeer. Willende derhalve

aangaande deze zaak aan Gwyde niets stelligs beloven, sprak hij: "Welnu, de

goede woorden van onze beminde broeder hebben veel voor u gedaan. Heb goede

hoop; want uw lot treft mij. Gij waart schuldig; maar uw straf is bitter;

ik zal dezelve trachten te verzoeten. Nochtans belieft het ons heden niet,

u in genade te ontvangen: verdere navorsing moet deze gewichtige zaak

voorgaan. Wij begeren ook dat gij, in de tegenwoordigheid van al de heren,

onze Vazallen, uw onderwerping doe; opdat zij aan u een voorbeeld nemen

zouden. Ga en verlaat ons nu, dat wij overwegen mogen wat wij voor een

ontrouwe Leenheer doen kunnen."

Op dit bevel ging de Graaf van Vlaanderen uit de zaal. Hij had het Paleis

nog niet verlaten of het gerucht liep reeds onder al de Franse heren, dat

de Koning hem zijn land en zijn dochter zou wedergeven. Velen wensten hem

hartelijk geluk; anderen, die op de inneming van Vlaanderen hun

vooruitzichten van eerzucht gebouwd hadden, gevoelden hierover een innige

spijt. Echter, mits zij tegen de wil des Konings niet op konden, lieten zij

niets daarvan blijken.

Blijdschap en vertrouwen kwam onder de Vlaamse heren: zij streelden zich

met een zoete hoop en verheugden zich, op voorhand, in de verlossing des

Vaderlands. Het scheen hun dat niets de goede uitval hunner poging kon

verhinderen, mits de Koning, boven de goede onthaling die hij de Graaf

gedaan had, aan Mijnheer De Valois de verzekering had gegeven, dat hij

Gwyde met grootmoedigheid wilde behandelen.

Gij, die tegen het lot geworsteld en bij die strijd geleden en geweend

hebt, hoe gemakkelijk komt de vreugde in uw langbenepen hart! Hoe licht

vergeet gij uw pijnen, om een onzeker geluk te omhelzen; alsof de kelk des

rampspoeds voor u geledigd ware--terwijl het bitterste, de grond, U

overblijft. Gij vindt een glimlach op alle wezens, en drukt de hand van

allen die zich in uw voorspoed schijnen te verblijden.--Maar betrouw u niet

op het wentelrad der bedriegelijke Lukvrouw, noch op de uitdrukking

dergenen, die in het ongeluk uw vijanden waren. Want de nijd en het verraad

schuilen onder die dubbele aanzichten,--gelijk de adder onder de bloemen,

en de schorpioen onder de gulden Ananas[36] zich verbergen. Tevergeefs

zoekt men het spoor der slang op het veld; men gevoelt haar giftige beet,

en weet niet langs waar zij tot ons gekomen is.--Zo ook werken afgunstige

en nijdige mensen in het duister; want zij kennen hun eigen boosheid en

schamen zich over hun daden. Hun schichten raken ons in het hart, en wij

geloven hen onze vrienden; omdat wij hun zwarte zielen op hun strelend

gelaat niet zien kunnen. Het geheim en de dubbelzinnigheid is hun een

ondoordringbare mantel; ja, het venijnig ongedierte wandelt wel eens onder

de stralen der zon, maar zij nooit.

De graaf Gwyde maakte reeds de nodige schikkingen, om bij zijn terugkomst

in Vlaanderen, de bevelen des Konings uit te voeren en zijn onderdanen,

door een lange vrede, de oorlog te doen vergeten. Robrecht van Bethune zelf

twijfelde geenszins aan de beloofde genade; want sedert zijn vader aan het

Hof geweest was, waren al de Franse heren ten uiterste minzaam en eerbiedig

met de Vlamingen. Dit was, als zij geloofden, een bewijs van des Konings

goedwilligheid: zij wisten dat de inzichten en gedachten der Vorsten altijd

op het ongestadig gelaat der hovelingen te vinden zijn.

De Chatillon had de Graaf ook menigmaal bezocht en met gelukwensingen

begroet, maar er schuilde een duivels geheim in zijn hart, en hij

grimlachte om het te verbergen. Johanna van Navarra, zijn nicht, had hem

het Land van Vlaanderen ten leen beloofd: al zijn eerzuchtige ontwerpen

hadden het verkrijgen van dit rijke graafschap voor doel gehad, en nu

verging dit vooruitzicht als een droom.

Er is geen drift die de mens meer tot boosheid bekwaam maakt dan de

staatzucht: zij verplet onbarmhartiglijk al wat haar loopbaan belemmert, en

ziet niet om naar de reeds begane gruwels; want haar ogen blijven steeds

met hardnekkigheid op het nagejaagde doel gevestigd. De Chatillon van die

drift bezeten zijnde, besloot een verraderlijke daad, door eigenbelang hem

ingegeven; en verbloemde dezelve voor zijn geweten met de naam van plicht.

Dezelfde dag dat hij uit Vlaanderen met de andere heren bij het Hof

aankwam, riep hij een zijner trouwste dienaren, gaf hem zijn beste paard en

zond hem in allerhaast naar Parijs.

Een brief die hij deze bode mede gaf, moest de Koningin en Enguerrand de

Marigny van alles berichten en hen naar Compiègne roepen.

Hij gelukte ten volle in zijn verraderlijk inzicht. Johanna van Navarra

ontstak in een hevige woede bij het lezen des briefs. De Vlamingen in

genade ontvangen! Zij die hun een eeuwige haat had toegezworen, zou haar

prooi dus laten ontsnappen! En Enguerrand de Marigny, die het geld dat men

uit Vlaanderen met geweld lichten moest, reeds op voorhand verspild of

besteed had! Deze twee personen hadden een al te groot belang in het

verderf van Vlaanderen om deszelfs verlossing te gedogen. Zodra zij de

tijding ontvangen hadden, vertrokken zij met snelle vaart naar Compiègne,

en vielen als de bliksem in de kamer des Konings.

"Sire!" riep Johanna. "Ben ik u dan niets meer, dat gij mijn vijanden dus

in genade, zonder mijn oorlof ontvangt? Of heeft het verstand u begeven dat

gij deze Vlaamse slangen ten uwen verderve wilt koesteren?"

"Mevrouw," antwoordde Philippe le Bel met bedaardheid, "het zou u betamen

uw gemaal en Koning wat meer te eerbiedigen. Indien het mij belieft de oude

Graaf van Vlaanderen genade te verlenen, zal mijn wil geschieden."

"Neen," riep Johanna, rood van toorn, "dit zal niet geschieden. Ik wil het

niet--hoort gij. Sire! Ik wil het niet. Wat! Zullen die muitelingen welke

mijn ooms onthalsd hebben[38] ongestraft blijven?--Zullen zij zich beroemen

ongestraft de Koningin van Navarra in haar bloed gehoond te hebben?"

"De gramschap vervoert u, Mevrouw!" antwoordde de Koning. "Bedenk met

bedaardheid, en zeg mij, is het niet billijk dat Philippa aan haar vader

wedergegeven worde?"

Nu werd de woede van Johanna nog heviger.

"Philippa wedergeven?" viel zij uit. "Maar, Sire, gij denkt er niet aan.

Dan trouwt zij Edward van Engelands zoon, dan is uw eigen kind van die hoop

verstoken. Neen, neen, het zal nooit geschieden--dit zweer ik u. En wat

meer is, Philippa is mijn gevangene; het zal u aan macht ontbreken om ze

uit mijn handen te krijgen."

"Maar Mevrouw," riep Philippe, "gij gaat u te buiten, denk dat die

hoogmoedige taal mij zeer mishaagt, en dat het mij vrij staat, u blijken

mijner gramschap te geven. Mijn wil is de wil van uw Vorst."

"En gij wilt Vlaanderen aan de trotse Gwyde wedergeven--gij wilt hem in

staat stellen om u nogmaals de oorlog aan te doen? Deze onbezonnen daad zal

u een droevig naberouw verwekken, ik verzeker het u, Sire. Wat mij aangaat,

mits ik zie dat men mij zo klein acht, dat een zaak, die mij zo zeer

belangt, zonder mijn toedoen is besloten, zal ik mij in mijn Koninkrijk van

Navarra vertrekken en Philippa zal mij volgen[37]!"

Dit laatste gezegde werkte krachtdadiglijk op het gemoed des Konings.

Navarra was het beste deel van Frankrijk en Philippe le Bel zou er zich

niet gaarne van beroofd gezien hebben.

Daar Johanna hem meermalen met dit vertrek bedreigd had, vreesde hij dat

zij het wel eens mocht uitvoeren. Na enig bedenken sprak hij: "Gij belgt u

zonder rede, Mevrouw. Wie zegt u dat ik Vlaanderen wil wedergeven; ik heb

nog niets aangaande deze zaak besloten."

"Uw woorden geven uw inzicht genoeg te kennen," antwoordde Johanna. "Maar

het zij zo het wil, ik zeg u dat, indien gij mij genoeg miskent om mijn

raad te verwerpen, ik u verlaten zal;--want ik wil aan de gevolgen uwer

onvoorzichtigheid niet blootgesteld zijn. De oorlog tegen Vlaanderen heeft

's Rijks schatkisten uitgeput, en nu gij het middel hebt om in alles weder

te voorzien, nu wilt gij die muitelingen in genade ontvangen! Nooit zijn

onze geldmiddelen in een slechtere staat geweest, Mijnheer De Marigny kan u

dit bewijzen."

Enguerrand de Marigny kwam op deze woorden voor de Koning: "Sire, het is

mij onmogelijk," sprak hij, "de soldeniers langer te betalen. Het volk wil

de lasten niet meer opbrengen. De Provoost der kooplieden van Parijs heeft

de toelage geweigerd, en welhaast zal ik in de uitgaven van het Huis des

Konings niet meer kunnen voorzien. De verandering der munten mag ook niet

meer geschieden: Vlaanderen alleen kan ons behulpzaam zijn. De Tolheren die

ik derwaarts gezonden heb zijn bezig met het heffen der gelden, die ons uit

die toestand redden zullen.--Overweeg toch, o Sire, dat het verlaten van

dit land u aan grote onheilen blootstelt."

"Is al het geld dat men op de derde staat gelicht heeft reeds verdwenen?"

vroeg Philippe mistroostiglijk.

"Sire," antwoordde Enguerrand, "ik heb aan Etienne Barbette de gelden die

de Tolpachters van Parijs uwer Majesteit geleend hadden, wedergegeven. Er

blijft niets of zeer weinig in 's Rijksschat."

De Koningin Johanna zag met blijdschap dat deze tijding de Koning zeer

bedroefde. Nu dacht zij dat het vonnis van Gwyde niet moeilijk zou te

verkrijgen zijn. Zij naderde haar gemaal met listigheid en sprak: "Gij ziet

wel, Sire, dat mijn raad belangrijk voor u is. Hoe kunt gij toch, om

opstandelingen te begunstigen, het heil van Frankrijk uit het oog

verliezen? Zij hebben u en mij gehoond, onze vijanden geholpen, onze

bevelen durven misachten. Het geld dat zij bezitten, maakt hen trots en

opgeblazen. Niets is gemaklijker dan er dit overtollig geld uit te lichten;

zij mogen uw Koninklijke handen dan nog kussen, dat gij hun het leven laat;

want zij zijn allen de dood schuldig."

"Maar Mijnheer De Marigny," vroeg de Koning, "weet gij geen middel om nog

enige tijd in de uitgaven des Rijks te voorzien? Want ik denk niet dat de

gelden uit Vlaanderen zo haast komen zullen:--die toestand baart mij de

grootste wanhoop."

"Ik weet geen middel, Sire. Wij hebben er reeds zoveel gebruikt!"

"Luister," viel Johanna in, "indien gij mijn raad wilt volgen, en met Gwyde

na mijn begeerte wilt handelen, zal ik een buitengewone lening op mijn

koninkrijk van Navarra heffen, en alzo zullen wij voorlang aan die lastige

zaken niet te denken hebben."

Hetzij dat zwakheid van gemoed of lust tot geld de Koning aandreef, hij

willigde in de begeerte van Johanna en de oude Gwyde werd haar

overgeleverd. De verraderlijke Vrouw besloot de Graaf van Vlaanderen de

voetval te laten doen, en hem niet naar zijn vaderland te laten wederkeren.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação