Hoofdstuk 23 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 23 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 23

Hoofdstuk 23

23

_Daer ligt die trotsche heldentrein,

Verstikt in 't bloed, besmeurd met brein;

By Kortryks wal op 't bloedig plein

Was hem dit lot beschoren,

Hy kwam in losgevierden draf

Te vroeg naer Vlaendrens bodem af

Daer ligt hy neder zonder graf

Daer roesten zyne sporen._

TH VAN RYSWYCK

De Vlaamse ridders, die in Kortrijk geherbergd waren, lagen allen te bedde,

wanneer de tijding van de komst der Fransen, als een schrikkelijk nieuws

door de stad lopende, hen kwam wekken. Seffens deed Gwyde de bazuinen

aanheffen, de trommen rondgaan; en een uur later waren al de in de stad

zijnde mannen tegen de wallen vergaderd. De ridders waren ook in volle

uitrusting toegelopen, in gedachte dat de Fransen hen onmiddellijk zouden

aanvallen.

Dewijl het te vrezen was dat de Kastelein van Lens gedurende het gevecht

uit het kasteel kwame en op de stad viele, deed men de Ieperlingen uit de

legerplaats komen, om de Franse bezetting te bewaken en derzelver uitvallen

te beletten[131]. Aan de Steenpoort werd een tallijke wacht gesteld, om de

vrouwen en kinderen binnen de muren te houden; de vervaardheid trouwens was

zozeer onder hen dat zij nog dezelfde nacht door de velden wilden

ontvluchten. Een onvermijdelijke dood bedreigde hen; van de ene kant kon de

Kastelein van Lens met zijn wrede soldeniers alle ogenblikken uit het slot

vallen; van de andere kant was het vooruitzicht nog aakliger, want zij

hadden geen betrouwen genoeg in het geringe getal hunner gewapende broeders

om te hopen dat de zege door hen behaald werde. En waarlijk, indien

heldenmoed en onversaagdheid de Vlamingen niet belet hadden het gevaar te

merken, zouden zij ook wel aan hun laatste bede gedacht hebben, want

terwijl er reeds meer voetvolk in het Franse leger dan in het hunne was,

bleven er bovendien nog tweeëndertigduizend ruiters te bevechten.

De Vlaamse Oversten berekenden de kansen van de aanstaande slag met kouden

bloede; hoe groot de dapperheid en de strijdenslust ook in hen was, konden

zij zich echter het gevaar niet verbergen:--de heldenmoed belet de mensen

niet al het aaklige ener gesteltenis te zien, dezelve doet de ingeboren

schrik des doods niet vergaan, maar geeft de man macht genoeg om die

krachtrovende aandoeningen te overwinnen en te tarten,--tot daar slechts

kan de ziel het lichaam tot zijn vernietiging drijven. Voor zichzelf

vreesden de Vlaamse heren niet, maar het Vaderland, de vrijheid, welke men

tegen een zo ongelijke macht ging verspelen, boezemde hun een angstig

voorgevoel in. Ondanks de weinige hoop die zij mochten koesteren, besloten

zij de strijd aan te nemen en liever als helden op het slagveld te sterven

dan een schandelijke onderwerping te doen.

De jonge Machteld met de zuster van Adolf en meer andere Edelvrouwen werden

naar de abdij van Groeninge gezonden om aldaar een veilige schuilplaats te

hebben, indien de Fransen Kortrijk vermeesterden. Dit alles alzo beschikt

zijnde, namen de ridders nog enige andere maatregelen, en vertrokken

tegelijk naar het leger.

Het Franse volk heeft altijd de andere natiën misacht en miskend; de

opgeblazenheid is het kenmerk hunner inborst. Die ijdele waan is hun zo

dikwijls verderfelijk geweest! Zoveel Fransen liggen er op vreemde bodem

begraven, die als slachtoffer hunner lichtzinnigheid in de bloei des levens

gesneuveld zijn! De Veldheer Robert d'Artois was wel een ervaren en dapper

krijgsman, maar hij was al te vermetel; hij dacht het hier niet nodig met

voorzichtigheid te werk te gaan, en stelde zich voor dat hij met de eerste

aanval het Vlaamse leger overhoop zou lopen. Die trotse mening was ook in

de harten zijner mannen, ja zo ver dat, terwijl het leger van Gwyde zich in

de duisternis tot de slag bereid maakte, het Franse leger zo gerust sliep

alsof het ergens in een vriendenstad geherbergd ware geweest. Op hun

talloze ruiterij steunende, waren zij overtuigd dat niets aan zulk een heir

weerstand bieden kon: indien zij echter niet zo onbezonnen en niet met

zoveel vermetelheid waren te werk gegaan, zouden zij de plaats, waarop zij

strijden moesten, eerst wel bezien en derzelver voor- en nadelige ligging

berekend hebben. Dan zouden zij hebben bevonden dat de grond tussen de

beide legers hun ruiterij ten onnutte maakte;--doch waartoe kon die

overtollige zorg hun dienen? Was het Vlaamse leger hun de moeite waard om

voorzichtigheid te gebruiken? Robert d'Artois dacht het niet.

Het heir der Vlamingen had op de Groeningekouter stand genomen. Achter hen,

ten noorden, liep de Leie, een brede rivier, die alle aanval langs die kant

onmogelijk maakte: vóór de slagorde vloeide de Groeningebeek[132] welke

door haar eigen breedte en haar lage modderige boorden der Franse ruiterij

een onverwinbare hinderpaal aanbood; de rechtervleugel steunde tegen dit

deel der wallen van Kortrijk in wier nabijheid Sint-Maartens kerk staat; de

linkervleugel was door een bocht der Groeningebeek omvangen; in zulker

voege, dat de Vlamingen als op een eiland stonden, en moeilijk konden

aangetast worden. De uitgestrektheid, welke hen van het Frans leger

scheidde, bestond uit enige lage weiden wier gronden door de Mosserbeek,

die er kronkelend doorliep, bewaterd en doorweekt waren. Dus moest de

Franse ruiterij tenminste over twee kleine rivieren springen, eer zij iets

kon uitrichten, en het was niet gemakkelijk die hinderpalen te verwinnen,

aangezien de voeten der paarden op de modderige boorden geen steun vinden

konden, en er tot de knieën moesten inzakken.

De Franse Veldheer ging te werk alsof hij op een vaste en harde grond zou

strijden, en ontwierp de aanval op een wijze, die met de krijgskunde niet

overeenstemde,--zo waar is het dat een al te groot betrouwen de mens

onvoorzichtig maakt.

Bij het aanbreken van de dag, eer de zon haar gloeiende schijf op de kim

vertoonde, stonden de Vlamingen reeds in slagorde op een enkele rij tegen

de Groeningebeek. Mijnheer Gwyde voerde het bevel over de linkervleugel en

had al de mindere ambachten van Brugge met zich; Eustachius Sporkyn met de

lieden van Veurne stond in het midden dier bende:--de tweede schaar had

Mijnheer Jan Borluut tot Aanleider, en telde vijfduizend Gentenaars:--de

derde schaar stond onder Mijnheer Willem van Gulik, en was uit de wevers en

vrijlaten van Brugge gevormd:--de rechtervleugel, die tegen de wallen van

Kortrijk raakte, bestond uit de beenhouwers met hun Deken Breydel en de

Zeeuwse laten; Mijnheer Jan van Renesse was over dezen bevelhebber.

De andere Vlaamse ridders hadden geen vaste plaats, zij gingen waar het hun

goed dacht of waar hun hulp kon nodig zijn; de elfhonderd Naamse ruiters

werden achter de slagorde geplaatst, want men wilde ze niet gebruiken,

opdat er door hen geen wanorde onder het voetvolk kwame.

Eindelijk begon het Franse leger zich ook te bereiden, duizend bazuinen

hieven tegelijk hun scherpe tonen aan, de paarden briesten, en de wapens

klonken met zulk een ijslijk geruis dooreen, dat de Vlamingen bij het naken

van dit doodsgevaar met een huiverige koude werden bevangen. Welk een

ontzaglijke wolk vijanden ging op hen storten! Voor die moedige mannen was

dit niets,--zij gingen sterven, dit wisten zij; maar hun verlaten vrouwen

en kinderen, wat zouden die geworden? Ho, op dit plechtig ogenblik dachten

zij allen aan hetgeen zij meest op aarde beminden.--De jonge gezel weende

in zijn hart over het meisje dat hem verloofd was; de vader werd met innige

pijn gefolterd, nu hij zijn zonen de vreemden tot slaven laten moest; en de

zoon zuchtte weemoedig bij de heugenis zijns grijzen kranken vaders, welke

nu alleen ten prooi der dwingelandij blijven moest.--In hen waren twee

driften, de onversaagdheid en de angst. Wanneer deze twee hartstochten zich

in de tegenwoordigheid van een dreigend gevaar te samen smelten, veranderen

zij in razernij. Dit gebeurde ook onder de Vlamingen; hun ogen werden stijf

en halsstarrig, hun tanden nepen zich bitsig opeen, een brandende dorst

kwam hun mond dor en droog maken, en de adem, die uit hun hijgende longen

opkwam, was kort en lastig. Een schrikverwekkende stilte heerste boven het

leger, niemand gaf zijn aandoeningen aan anderen te kennen want zij waren

allen in sombere gepeinzen verzonken. Zij stonden reeds enige tijd aldus in

een lange rij geschaard, wanneer de zon, boven de kim gerezen zijnde, hun

het leger der Fransen zien liet[133].

De ruiters waren zo menigvuldig dat een korenveld minder haren draagt dan

er speren boven de vijandlijke benden uitstaken. De paarden der voorste

gelederen stampten ongeduldig met de voeten, en besproeiden hun ijzeren

deksels met witte vlokken schuim. De bazuinen zonden hun galmende tonen als

in een feestgejuich door de zuchtende bomen van het Neerlanderbos,--en

zwepend speelde de wind in de wentelende vouwen der wimpels en banieren. De

stem der Veldheren kwam dit krijgsgerucht bij pozen beheersen, terwijl soms

de wapenkreet: "Noël! Noël! Frankrijk! Frankrijk!" uit een bende opging, en

al ander geschal verdoofde. Ongedurig en vol moed waren de Franse ridders,

zij prikkelden hun slagpaarden met de punt der spoor, om hen meer drift in

te boezemen en dan weder streelden zij dezelve, en spraken tot hen opdat

zij de stem huns meesters in de strijd beter zouden herkennen.--Wie zal de

eer hebben van de eerste steek te doen? was het algemeen gepeins dat hen

met ongeduld vervoerde. Die eer was onder de ridders zeer groot; wanneer

dezelve hun in een voorname slag te beurt viel, roemden zij hun gans leven

erop, als een bewijs van onbetwistbare dapperheid; allen hielden daarom hun

paarden gereed en de speer geveld, om op het eerste bevel, op het minste

teken des Veldheers vooruit te springen.

In de weiden, welke nevens het leger lagen, bewogen de Franse voetknechten

zich in wentelende scharen en dreven langzaam als een schrikbare slang met

kronkelende wendingen door het veld, terwijl de grootste stilte onder hen

heerste.

Wanneer Gwyde bemerkte dat de aanval ging geschieden, zond hij duizend

slingerwerpers, onder het bevel van Salomon, heer van Zevekote, tot tegen

de tweede beek, om de Franse voorwacht te ontrusten; dan deed hij aan zijn

onderscheiden benden een richting nemen, welke hen in een vierkant schikte

en hen toeliet in het midden der legerplaats te zien. Een altaar van zode

was aldaar opgericht, de grote Standaard van Sint-Joris, beschermer der

krijgers, ontvouwde de ridder met de draak boven het hoofd van de Priester,

die in volle plechtgewaad op de trappen van het altaar bezig was met

gebeden voor de goede uitslag des gevechts te storten. Zijn aanroeping

geëindigd hebbende, klom hij op de bovenste trap des altaars, keerde zich

om naar het volk, en hief zijn handen boven het leger.

Plotselings, en met dezelfde beweging, zonken al de scharen te gronde, en

ontvingen, in een doodse stilte, de laatste zegening[134]. Zij werden bij

die plechtigheid hevig ontroerd; een onbekend gevoel kwam hun harten in

edele zelfverloochening ontsteken, en het scheen hun dat de stem Gods hen

tot de marteldood riep. Met een heilig vuur vervuld, vergaten zij al wat

hun op aarde dierbaar was, en zij werden door geestontheffing tot de helden

hun vaderen gevoerd. Dan werd hun boezem wijder, het bloed stormde

onstuimiger door hun aderen, en zij hijgden naar de strijd als naar de

verlossing.

De Priester zijn handen tot zich trekkende, richtten zij zich even

stilzwijgend op; de jonge Gwyde sprong van zijn paard, kwam te midden onder

hen en riep: "Mannen van Vlaanderen, geheugt u de roemrijke daden uwer

vaderen,--zij telden hun vijanden niet. Hun onverschrokken moed bevocht die

vrijheid, welke de vreemde dwingelanden ons willen ontroven. Gij ook zult

heden uw bloed voor dit heilige pand doen stromen,--en zo wij sterven

moeten, hetzij dan als een vrij en manhaftig volk, als nimmergetemde

leeuwenzonen!--Denkt aan God, wiens tempels zij verbrand hebben, aan uw

kinderen die zij moorden zullen, aan uw benauwde vrouwen, aan al wat gij

bemint,--en dan zullen onze vijanden, indien wij bezwijken moeten, niet op

de zege roemen; want er zullen meer Wallen dan Vlamingen op onze bodem

gevallen zijn. Geeft acht op de ruiters, steekt uw Goedendags tussen de

benen der paarden, en verlaat uw scharen niet.--Wie een verslagen vijand

plundert, al wie uit de strijd wil lopen, zult gij zelf doodslaan, ik

beveel het u.--Indien er een enkele lafaard onder u bevonden wordt, hij

sterve door uw handen; zijn bloed kome over mij alleen[135]."

Hij bukte zich met hevige geestdrift, en nam een weinig aarde van de grond.

Hetzelve in de mond stekende, verhief hij zijn stem hoger, en hernam: "Ik

zweer bij deze duurbare aarde, welke ik in mij dragen wil, dat ik heden zal

sterven of overwinnen. God hore mij!"

Al de scharen bukten zich tegelijk, en aten insgelijks een weinig aarde van

de vaderlandse grond. Die aarde in hun boezem zinkende, vervulde hen met

een gevoel van stille razernij en van sombere wraaklust; vergiftig was de

blik hunner weifelende ogen; men zag hun aangezichten afwisselend bleek of

rood worden, terwijl een doodse uitdrukking erop bleef staan.--Een dof

gebrom, als het bulderen des orkaans in de schoot der holle rotsspelonken,

ontstond onder het vervoerde leger; al de kreten, al de eden, al de vloeken

verenigden zich in een naar gerucht, waaruit men slechts dit verstaan kon:

"Wij willen en zullen sterven!"

De slagorde werd in allerhaast hernomen, en gelijk tevoren tegen de

Groeningebeek geschikt.

Onderwijl was Robert d'Artois met enige andere Franse Veldheren tot op een

kleine afstand van het Vlaamse leger gekomen, om hetzelve te herkennen.

Zijn boogschutters werden terstond tegen de slingerwerpers van Gwyde

aangevoerd, en men zag de voorwachten der beide legers zich reeds enige

afzonderlijke pijlen of stenen toezenden, terwijl Robert zijn ruiters

vooruit deed zakken. Ziende dat Gwyde zich op een enkele rij met zijn volk

geschaard had, verdeelde hij zijn leger in drie lichamen[136]; het tweede

behield hij onder zijn eigen bevel, en vormde hetzelve uit de beste benden

ten getale van vijftienduizend uitgelezen ruiters; het derde, dat de

achterwacht hebben moest, en tot de bewaring der legerplaats bestemd was,

liet hij onder het bevel van Guy de St.-Pol. Gelijk hij zich bereid maakte

om met die verbazende heirkrachten tegen het Vlaamse leger in te lopen,

kwam de heer Jean de Barlas, overste der vreemde benden, bij hem, en sprak

hem aldus aan: "Om de liefde Gods, Mijnheer d'Artois, laat mij met mijn

mannen eerst ten strijde gaan; stel de bloem der Franse ridders niet bloot

om door de handen dier bijeengeraapte Vlamingen te sterven, het zijn

razende mannen die door de wanhoop uitzinnig geworden zijn. Ik ken hun

gewoonte: zij hebben hun voorraad in de stad gelaten. Blijf gij hier in

slagorde, en ik met mijn lichte ruiterij zal ze van Kortrijk afsnijden en

hen met kleine aanvallen bezig houden. De Vlamingen eten veel en de ganse

dag door,--zij hebben veel levensmiddelen nodig; indien wij hun dezelve

ontroven, zullen zij weldra van honger moeten vertrekken, en dan kunt gij

in een gunstiger plaats op hen vallen. Alzo zoudt gij dit gespuis geheel

verdelgen zonder veel edel bloed te vergieten."

De Konstabel De Nesle en meer andere heren keurden die raad goed, maar

Robert, door verbolgenheid verblind, wilde er geenszins van horen, en

raasde tegen Jean de Barlas dat hij zwijgen zou.

Al die bereidingen hadden de tijd doen voorbijsnellen: het was reeds zeven

uur in de morgen, wanneer de Franse ruiters zich tot op twee slingerworpen

van de vijand bevonden. Tussen de schutters der Fransen en de steenwerpers

der Vlamingen lag de Mosserbeek, in zulker voege dat zij elkander niet

naderen konden en er slechts weinig mannen aan beide zijden dood bleven. De

Seneschalk d'Artois gaf aan Rodolf de Nesle, Aanleider van het eerste

lichaam, het bevel tot de aanval.

De eerste schaar ruiters sprong met onstuimige drift vooruit, en rende tot

bij de Mosserbeek, maar hier zonken zij tot aan de zadels in het slijk.

Elkander overhoop lopende, vielen de voorsten van hun paarden en werden

door de Vlamingen doodgeworpen, of zij versmachtten in de modder. Die er

uitgeraken konden, keerden in allernaast terug, en dorsten het niet meer

wagen zich nog zo roekeloos bloot te stellen[137]. Onderwijlen stond het

Vlaamse leger beweegloos achter de tweede beek, de val der vijanden in de

diepste stilzwijgendheid aanziende.

De Konstabel Rodolf, merkende dat de doortocht voor zijn ruiters onmogelijk

was, kwam bij Mijnheer d'Artois en riep: "Voorwaar, ik zeg u, Graaf, dat

wij onze lieden in groot gevaar stellen met hen alzo in die beek te jagen;

geen enkel paard wil, noch kan er over. Laat ons liever onze vijanden uit

hun legerplaats lokken; geloof mij, gij waagt ons allen in dit spel."

Maar de Veldheer was al te zeer door spijt en woede ingenomen, om op die

wijze raad acht te geven; hij schreeuwde met grammoedigheid: "Bij de

duivel, Konstabel! Dit is een Lombardenraad. Zijt gij bang van die hoop

wolven, of zoudt gij van hun haar hebben?"

Hierdoor wilde hij te kennen geven dat de Konstabel de Vlamingen beminde

en, ter schade van Frankrijk wellicht, begunstigen wilde. Rodolf, door dit

verwijt gekwetst, ontstak in een hevige toorn, hij naderde dichter bij de

Veldheer, en antwoordde met bitsige nadruk: "Gij twijfelt aan mijn moed?

Gij hoont mij? Maar ik vraag u, durft gij mij op staande voet en alleen

tussen de vijand volgen? Ik zal u zo ver brengen dat gij nimmer wederkomen

zult ..."

Enige andere ridders wierpen zich tussen de twee twistende Veldheren, en

deden zoveel door hun woorden dat zij hen tot bedaren brachten; zij

vertoonden insgelijks aan de Seneschalk dat de doortocht bij de beek

onmogelijk was; maar hij wilde er niet van gesproken hebben, en gebood aan

Rodolf dat hij opnieuw zou vooruitgaan[138].

De Konstabel, door spijt vervoerd, rende met zijn scharen onstuimiglijk

naar het Vlaams leger; maar bij de beek vielen al de ruiters der eerste

gelederen overhoop: de ene verpletterde de andere, en meer dan vijfhonderd

versmachtten in die verwarring, terwijl de Vlamingen zo menigvuldige stenen

onder hen wierpen dat hun harnassen en helmen op hun leden verpletterd

werden.--Mijnheer d'Artois, dit ziende, werd genoodzaakt de benden van

Rodolf terug te roepen. Met de grootste moeite kon men dit lichaam weder

tot regelmatige scharen vormen, want er was een schriklijke verwarring

onder hen gekomen.

Intussentijd had Mijnheer Jean de Barlas een plaats gevonden, waar men

door de eerste beek gemakkelijker waden kon, en was met tweeduizend

kruisboogschutters er overgetogen. In de weide, waar de Vlaamse slingeraars

stonden, geraakt zijnde, schikte hij zijn mannen in een dichtgesloten

schaar en begon zoveel ijzeren schichten op de Vlaamse slingeraars te

zenden dat de lucht erdoor verduisterd werd[139]. Een groot getal Vlamingen

vielen dood of gekwetst op de weide, en de Franse schutters wonnen op hen

veel gronds.

Mijnheer Salomon van Zevekote had zelf de slinger van een gesneuvelde

ambachtsman opgenomen, en moedigde de zijnen door zijn voorbeeld aan; maar

een ijzeren pijl boorde door het voorstuk van zijn helm en wierp hem dood

ter aarde. De Vlamingen hun Aanleider nevens zoveel makkers ziende vallen,

en geen keien meer hebbende, deinsden zonder wanorde naar hun leger af; een

enkele slingeraar van Veurne bleef te midden der weide alleen staan, alsof

hij de schichten der Fransen trotsen wilde. Beweegloos stond hij, alhoewel

de pijlen boven zijn hoofd en rondom hem fluitende vlogen[140]. Met een

langzame beweging plaatste hij een zware kei in zijn slinger, en mikte met

stijve aandacht op het doel dat hij treffen wilde. Na de slinger enige

malen met kracht rondgedraaid te hebben, liet hij het een einde los, en de

kei vloog huilend door de lucht.--Een pijnlijke schreeuw kwam uit de borst

van de Franse Aanleider, die zonder leven op de grond stortte; zijn helm

was tegen zijn hersens verpletterd, en zo sneuvelden de Aanleiders der twee

strijdende benden bij dezelfde aanval.

Op dit gezicht werden de Franse schutters zo verwoed dat zij hun kruisbogen

wegwierpen, de degen in de vuist nemende, liepen zij de Vlaamse slingeraars

met onstuimigheid op het lijf, en vervolgden dezelve tot bij de tweede

beek, welke voor het Vlaams leger vloeide. Mijnheer Valepaiële, die bij

Robert d'Artois stond, de voortgang der schutters ziende, riep:

"Seneschalk, die slechte voetknechten zullen zoveel doen dat zij alleen de

eer des gevechts zullen halen. Indien zij de vijand uiteendrijven, wat

komen wij, ridders, hier dan doen?--Dit is schande, wij staan hier alsof

wij niet dorsten strijden." "Montjoie St.-Denis!" schreeuwde Robert.

"Vooruit Konstabel! Val aan"[141].

Op dit bevel losten al de ridders van het eerste lichaam de teugel, en

dreven hun paarden in wanorde voort; ieder wilde de eerste zijn om de

eresteek te doen. Met zulke onvoorzichtige dwaasheid liepen zij hun

boogschutters overhoop, en boorden door hun eigen volk; honderden

voetknechten worstelden met de dood tussen de voeten der paarden, welke hen

verpletterden, de overigen vluchtten langs alle zijden van het slagveld. Zo

deden de ridders het behaalde voordeel teniet, en gaven aan de Vlaamse

slingeraars de tijd om zich weer in gesloten benden te hervormen. Er

ontstond uit het gekerm der gevallen ridders een akelig doodsgehuil, dat

men van ver wel voor het juichen eens zegepralenden legers zou genomen

hebben. De ongelukkige ridders, over wier lichaam een ganse wolk andere

ruiters vooruitrende, schreeuwden dat men hen toch niet vertrappen zou;

maar er was geen tegenhouden aan[142]. Reeds was de stem dergenen die eerst

gevallen waren, in een laatste doodskreet vergaan; zij, die hen

omvergelopen hadden, werden nu ook door anderen verpletterd, zodat het

gehuil bleef aanhouden. De achterste benden, denkende dat de strijd

aangevangen was, joegen hun paarden met de spoor in de huid naar de beek op

welkers boorden dit gebeurde, en velen van hen kwamen het getal der

slachtoffers van des Veldheers onbezonnenheid vermeerderen. In die

verwarring sneuvelden verbazend veel ridders en voetknechten[143].

De Vlamingen hadden zich nog niet verroerd; even beweegloos en even

stilzwijgend stonden zij in een lange rij, en bezagen dit schouwspel met

verwondering. Met meer kunde en met meer voorzichtigheid gingen de Vlaamse

oversten te werk; door alle andere ware dit ogenblik tot een aanval gunstig

gekeurd geweest, en hij zou wellicht over de beek gekomen en de Fransen op

het lijf gevallen zijn; maar Gwyde, en Jan Borluut, wiens raad hij geloof

gaf, ziende dat hun standplaats zo voordelig was, wilden dezelve om een

gedeeltelijk voordeel niet verlaten. De grootste stilte bleef in het leger

heersen opdat de bevelen van ieder wierden gehoord.

Eindelijk waren de twee beken met lichamen van mensen en paarden opgevuld,

en het gelukte Rodolf de Nesle met omtrent duizend ruiters er over te

geraken. Dezelve dan in een dikke schaar geschikt hebbende, riep hij:

"Frankrijk! Frankrijk! Vooruit! Vooruit!"

Met woede en onversaagdheid viel hij tegen het midden van het leger der

Vlamingen in; dezen hadden hun lange Goedendags met het achterste einde in

de grond gevestigd en ontvingen de Franse ruiters op de punt van dit

verschriklijk wapen. Een grote menigte vijanden viel bij die schok uit de

zadel en zij waren weldra doorstoken[144].--Maar Godfried van Brabant, die

ook met zijn negenhonderd zware ruiters over de beek geraakt was, kwam met

zoveel kracht op de schaar van Willem van Gulik aangelopen, dat hij deze

ridder met de drie eerste gelederen te gronde wierp, en in die plaats door

de Vlaamse slagorde boorde[145].

Hier begon een vervaarlijk gevecht: de Franse ruiters hadden hun speren

neergeworpen, en hakten met hun schriklijke slagzwaarden op de Vlamingen;

deze weerden zich dapper met knotsen en helmbijlen en versloegen ook al

menige ruiter, doch het voordeel bleef aan Godfried van Brabant; want zijn

mannen hadden reeds een hoop lijken rondom zich uitgestrekt,--een wijde

gaping was in de Vlaamse slagorde gemaakt. Door die opening kwamen al de

Fransen, welke over de beek geraken konden, dit deel des Vlaamsen legers

langs achter aanvallen. Deze gesteltenis was voor de Vlamingen

verderfelijk; daar de vijand hun van achter en van voren op het lijf was,

hadden zij geen wijdte genoeg om de Goedendags te gebruiken; zij werden dan

genoodzaakt zich met helmbijlen of knotsen of zwaarden te verdedigen;

hetgeen de Franse ruiters zeer voordelig was, aangezien zij hooggezeten

zijnde, op de Vlamingen met gemak houwen konden, en bijkans met elke slag

één het hoofd kloven of een lid van het lijf hakten[146].

Willem van Gulik vocht als een leeuw: hij stond alleen met zijn vaandrager

en met Philips van Hofstade te midden van dertig vijanden die zijn banier

wilden ontroven, maar al de armen, welke zich hiertoe uitgereikt hadden,

waren onder zijn zwaard gevallen.

Arthur de Mertelet, een Normandisch ridder, sprong op dit ogenblik met een

goed getal ruiters over de beek, en kwam met volle draf op Willem van Gulik

aanrennen. De komst van die bende moest de toestand der Vlamingen op die

plaats nog verergeren, nu toch werd het getal der vijanden te groot, en de

aanval onweerstaanbaar. De Normandiër, de vaan van Willem in het oog

krijgende, dreef zijn paard als een pijl er naar toe, en velde de speer om

de vaandrager te doorboren; maar Philips van Hofstade, dit merkende, sprong

door enige Franse voetknechten, en rende De Mertelet tegemoet. De schok der

twee ridders was zo geweldig dat beide hun speren door de borst van een

vijand drongen,--in het hart van elke ridder had het moorddadig ijzer een

scheur gemaakt.--De kampers en hun paarden bleven beweegloos staan, alsof

iets bovennatuurlijks hun drift plotseling verkoeld had; men zou geloofd

hebben dat zij elkander met aandacht bezagen, en echter lagen zij nog met

al het gewicht huns lichaams op de speer drukkende, alsof zij met meer

nijdigheid en met een boos vermaak hun vijand pijnigen wilden; maar dit

duurde niet lang, weldra deed het paard van De Mertelet een beweging en de

twee lijken vielen uit de zadel op de grond.

Mijnheer Jan van Renesse, die aan de rechtervleugel stond, het gevaar van

Willem van Gulik merkende, verliet zijn plaats en achter de slagorde

lopende, viel hij met Breydel en zijn beenhouwers ter zijde op de

Fransen[147]. Niets kon aan zulke mannen, als de Macecliers van Brugge

waren, weerstand bieden. Zij wierpen zich met de blote borst tussen

allerlei wapenen, en ontvingen de doodsteek of de slag die hen kwam

treffen, zonder het hoofd enigszins terug te trekken. Die mannen alleen

dorsten waarlijk de dood onder de ogen zien en bespotten; ook viel alles

onder hun voeten, zodra zij zich vertoonden. Hun bijlen hakten de benen der

paarden af en deden de ridder op de grond rollen; dezelfde bijl kloof zijn

hoofd. Een ogenblik nadat zij ter hulp van Willem van Gulik gekomen waren,

was de plaats zozeer gezuiverd, dat er slechts een twintigtal Fransen

achter de slagorde overbleef. Onder dezen bevond zich Godfried van Brabant,

welke voor de vijand zijner taal- en stamgenoten streed.

Mijnheer Van Renesse hem bemerkende, riep hem toe: "Godfried! Godfried!

Geef acht, gij gaat sterven."

"Gij hebt het van uw eigen gezegd!" antwoordde Godfried, terwijl hij

Mijnheer Jan een geweldige slag op het hoofd gaf; maar deze zijn zwaard met

een krachtige wending van onder naar boven zwaaiende, sloeg hij Godfried zo

sterk tegen de kin dat hij uit de zadel stortte. Dan vielen twintig

beenhouwers hem op het lijf, en hij ontving twintig wonden waarvan de

minste tot zijn dood genoegzaam was. Intussen was Jan Breydel met enige

zijner mannen dieper in de vijand gedrongen, en had zo lang gevochten dat

hij de Standaard van Brabant gewonnen had; met dezelve al strijdende bij de

slagorde gekomen zijnde, scheurde hij het doek aan stukken, en wierp de

schaft weg, roepende: "Schande, schande aan die verraders!"

De Brabanders die hoon willende wreken, vielen met meer woede op de vijand,

en deden ongehoorde pogingen om de banier van Mijnheer Willem in weerwraak

ook te scheuren, maar de vaandrager, Jan Ferrand, vocht met een dolle

razernij tegen al wat hem naderde. Viermaal werd hij ten gronde geworpen,

en viermaal stond hij weder met de standaard op, alhoewel hij met wonden

overdekt was[148].

Willem van Gulik had reeds een groot getal Fransen voor zijn voeten

uitgestrekt, elke houw van zijn reuzenzwaard gaf een vijand der dood over.

Door al te geweldige pogingen afgemat, en overal door slagen gekneusd,

sprong het bloed hem langs neus en mond uit, hij verbleekte en voelde dat

de kracht hem begaf. Met bittere spijt vervuld, week hij achter de slagorde

om zich een weinig te herstellen. Jan de Vlamynck, zijn schildknaap, deed

de riemen van zijn harnas los en ontlastte hem van zijn wapenen om hem

vrijer te laten ademen[149].

In de afwezendheid van Willem hadden de Fransen weer enige grond gewonnen,

en de Vlamingen schenen achteruit te willen wijken. Dit ziende, gaf Willem

zijn droefheid door wanhopige klachten te kennen. Jan de Vlamynck bedacht

seffens een aardige list, welke van de gewone dapperheid zijns meesters

getuigt.--Hij deed al de wapens van Mijnheer Willem aan, en zich te midden

der vijanden werpende, riep hij: "Achteruit, de mannen van Frankrijk! Hier

is Willem van Gulik weer!"

Terzelfder tijd hakte hij dapper onder de verbaasde vijanden, en wierp er

een groot getal op de grond; de anderen deinsden achteruit, en gaven alzo

aan de gelederen de tijd om zich weer aan te sluiten[150].

Rodolf de Nesle met de grootste macht zijner ruiters was op de vijfduizend

Gentenaars van Mijnheer Borluut gevallen. Vruchteloos had de moedige

Fransman gepoogd die schaar te doorboren, reeds driemaal hadden de

Gentenaren hem met verlies van veel volks afgedreven zonder hun gelederen

te breken. Jan Borluut overwegende dat het zeer schadelijk zou zijn indien

hij zijn plaats verliet om de mannen van Rodolf aan te vallen, bedacht een

ander middel.--Van zijn achterste gelederen nam hij er drie, en verenigde

dezelve spoedig in twee nieuwe scharen, welke hij achter de slagorde

schikte, dermate dat het ene einde derzelve tegen de rug des legers en het

ander einde dieper in het veld achter de slagorde stond Hij gebood aan de

middenbende, welke zich tussen de afstand der twee nieuwe scharen bevond,

dat zij, bij de eerste schok der Fransen, achteruitwijken zou.

Rodolf de Nesle, zijn ruiters weder in orde gebracht hebbende, viel opnieuw

met volle ren tegen de Gentenaren, terzelfder tijd zakte de middenbende

achteruit, en de Fransen denkende dat zij de slagorde gebroken hadden,

hieven aan met blijde kreten "Noël! Noël! Zege! Zege!"

Zij drongen zich opeen in de opening, en meenden het leger langs achter

neer te hakken, maar dit gelukte hun niet, zij vonden overal een muur van

speren en helmbijlen. Jan Borluut, de twee vleugels zijner schaar

vooruitzwaaiende, deed zijn vijfduizend Gentenaren in een kring dringen, en

sloot alzo het net, waarin hij bij de duizend Fransen had gevangen.--Hier

begon hij een akelige slachting, er werd een vierendeel uurs lang gehakt,

gekorven, gestoken en gepletterd, zonder dat men zien kon wie er bezweek of

wie er zegepraalde. De paarden en de mannen lagen het ondersteboven,

schreeuwend, huilend, briesend, men hoorde of zag er niets het was als een

schrikkelijke bloedstroom.

Rodolf de Nesle bleef lang, met wonden overdekt en met het bloed der zijnen

bespat, boven de lijken vechten, zijn dood was zeker. Jan Borluut, dit

ziende, gevoelde een innig medelijden voor de heldhaftige ridder, en riep

tot hem "Geef u over, Mijnheer Rodolf, ik zou u niet gaarne zien sterven!"

Rodolf was van wanhoop en razernij zinneloos geworden, hij verstond de

woorden van Borluut wel, en wellicht kwam een dankbaar gevoel zijn hart

ontroeren, maar het verwijt van verstandhouding met de vijand, hem door de

Seneschalk Robert gedaan, had hem met zulke bittere spijt vervuld dat hij

niet langer leven wilde. Hij deed met de hand een teken alsof hij Jan

Borluut een laatste vaarwel wenste, en sloeg plotseling nog twee Gentenaren

dood.--Eindelijk door een knots op het hoofd getroffen, viel hij op het

lichaam van zijn reeds gesneuvelde broeder levenloos neer[151]. Vele andere

ridders, die van hun paarden gevallen waren, wilden hun wapens afgeven,

doch men luisterde er niet naar,--geen enkele Fransman ontkwam uit de

kring.

Terwijl de bende van Mijnheer Borluut die slachting uitvoerde, werd er even

zo sterk op de gehele lengte der slagorde gevochten Aan de ene kant hoorde

men het geschreeuw "Noël! Noël! Montjoie St.-Denis!" Daarbij kon men

verstaan dat de Fransen op de plaats waar die kreten aangeheven werden, het

voordeel hadden, aan de andere kant weer klom het geroep "Vlaanderen de

Leeuw! Wat wals is, vals is! Slaat al dood!" in krachtige galmen

hemelwaarts, hetgeen dan ook de ondergang ener Franse bende deed kennen.

De Groeningebeek was met bloed en lijken opgevuld. Het akelig gehuil der

stervenden werd door het geratel der wapenen verdoofd, men hoorde een

verschriklijk gerucht dat als een rollende donder boven de strijdenden

bleef drijven. De speren en knotsen vlogen aan stukken een lange hoop

lijken lag als een dijk overal voor de slagorde. De gekwetsten waren der

dood zeker, niemand werd opgeraapt, en dus moesten zij in het slijk

versmachten, of zij werden onder de paarden vertrappeld[152].

Onderwijl was Hugo van Arkel met zijn achthonderd onverschrokken mannen tot

in het midden der Fransen geraakt, zozeer was hij aan alle kanten door de

vijand omringd, dat het de Vlamingen onmogelijk ware geweest hem nog te

zien. Hier vocht hij zo dapper en met zoveel behendigheid, dat de

menigvuldige vijanden, die hem aanvielen, zijn bende, hoe klein ook, niet

doorboren konden, rondom hem lag een goed aantal vijanden op de grond, en

al wie hem naken dorst bekocht het met zijn leven. Allengskens drong hij

meer en meer naar de legerplaats der Fransen op, en scheen dezelve te

willen bereiken. Dit was zijn inzicht niet, want te midden der Franse

scharen gekomen zijnde, sprong hij terzijde op de Standaard van Navarra, en

rukte hem uit de handen van de vaandrager. De Navarse bende viel met woede

op hem en hakte vele zijner mannen ter neder, doch hij verdedigde het

gewonnen vaandel zo wel, dat de Fransen het niet meer uit zijn handen

krijgen konden. Hij was reeds bijkans tot bij het leger der Vlamingen

terug, wanneer Louis de Forest hem een zo zware slag op de linkerschouder

gaf dat hij hem de arm half afhakte. Men zag het verlamde lid nevens het

harnas hangen, het bloed sprong in dikke stralen nevens zijn zijde, en een

bleke doodverf verspreidde zich op zijn wangen, toch liet hij de Standaard

niet los. Louis de Forest werd door een andere Vlaming doodgeslagen, en

Hugo van Arkel kwam bijna zonder leven met het vaandel van Navarra in het

midden des legers. De schreeuw "Vlaanderen de Leeuw" poogde hij nog eens te

herhalen, maar zijn stem was vergaan, zijn ziel was langs de wonde met het

bloed ontvlucht,--hij stortte met de gewonnen Standaard ter aarde[153].

Aan de linkervleugel, voor de schaar van Mijnheer Gwyde, werd er nog

heviger gevochten, Jacques de Chatillon was met enige duizenden ruiters

tegen het Veurnes-ambacht gevallen, en had reeds bij de honderd mannen

neergehouwen. Eustachius Sporkyn lag zwaar gewond achter de slagorde, en

schreeuwde tegen zijn bende dat zij niet wijken mocht, maar het geweld, dat

dezelve terugdreef was te groot,--zij moest deinzen. Door een groot getal

ruiters gevolgd, boorde De Chatillon door de slagorde, en men begon boven

het hoofd van de neerliggende Sporkyn te vechten, die dan ook welhaast de

geest gaf.

Adolf van Nieuwland was alleen met Gwyde en zijn vaandrager blijven staan,

zodat zij van het leger gescheiden waren en een gewisse dood te verwachten

hadden. De Chatillon deed alle mogelijke pogingen om het grote vaandel van

Vlaanderen te grijpen, doch alhoewel Segher Lonke, die de Standaard droeg

reeds menigmaal omvergeworpen was, kon De Chatillon zijn doel niet treffen,

hij raasde en schreeuwde met verwoedheid tegen zijn mannen, en hakte als

dol op de uitrusting der drie onverwinbare Vlamingen[154]. Voorzeker zouden

deze het niet lang uitgehouden hebben, om zich tegen een wolk moedige

vijanden te verweren, maar zij hadden er in den eerste zoveel neergehakt

dat de lijken, rondom hen door opeenstapeling een tamelijke hoogte

verkregen hebbende, de nadering der andere ruiters moeilijk maakten en hun

tot borstweer dienden.

Door woede en ongeduld vervoerd, nam De Chatillon een lange speer uit de

handen van een zijner ruiters, en kwam ermee tegen Gwyde ingelopen. Hij zou

de jonge Graaf onfeilbaar gedood hebben, want deze tegen andere ridders

strijdende zag zijn nieuwe vijand niet aankomen. Reeds scheen de speer

tussen de helm en het harnas in zijn hals te dringen, wanneer Adolf van

Nieuwland zijn slagzwaard als een bliksem opheffende de speer aan twee

stukken hakte, en aldus het leven van zijn Veldheer behield.

Op hetzelfde ogenblik, en eer De Chatillon de tijd gehad had om zijn zwaard

te hernemen, sprong Adolf door de lijken, en voor de Franse ridder komende,

houwde hij hem zo verschrikkelijk op het hoofd dat hem een groot gedeelte

der wang tegelijk met het stuk van zijn helm ontviel. Het bloed vloeide op

zijn schouders, en hij wilde zich nog verweren, maar twee krachtiger slagen

wierpen hem uit de zadel tussen de voeten der paarden De Vlamingen trokken

hem daaruit, en hem achter de slagorde gesleurd hebbende hakten zij hem aan

veel stukken, terwijl zij hem zijn wrede vervolging vloekend verweten.

Intussen was Arnold van Oudenaarde, langs achter, de linkervleugel ter hulp

gekomen, hetgeen de stand van zaken geheel veranderde--het Veurnes-ambacht

had zich weder met die nieuwe bende vooruitgeworpen, en de Fransen werden

overhoop teruggedreven. De paarden en de ruiters vielen in zo groot getal

ten gronde, de verwarring werd onder dezelve zo groot, dat de Vlamingen, de

strijd gewonnen achtende, op de ganse rij met afhielden van juichend te

schreeuwen "Zege! Zege! Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is vals is! Slaat al

dood!"

De aanschouwer die op dit ogenblik de beenhouwers had mogen zien, zonder

aan hun slagen blootgesteld te zijn, zou wellicht van schrik en afgrijzen

de dood gevoeld hebben.--De hel met haar duivelen, haar verdoemden, haar

vlammen kon niets schriklijkers aanbieden.--Men zag de Macechers over de

lijken van paarden en mensen, met blote borst, blote armen en roodgeverfde

bijlen lopen en springen, alles omver kappende, gans met bloed en brein

overdekt, hun haren verward, hun aangezicht met slijk en zweet en bloed

onkenlijk gemaakt en tussen al deze ijslijkheden nog een venijnige

grimlach, die bestendig op hun gelaat bleef,--een grimlach, waarin de

bittere haat tegen de Fransen en de vreugde des gevechts zich schetste.

De Wallen, die in hun verwaandheid van de Vlamingen gesproken hadden, alsof

zij dezelve zomaar met een aanval zouden hebben verpletterd, bevonden ter

hunner schade dat men met ijdel gezwets op het slagveld met veel uitricht,

zij betreurden de gevolgen hunner onbezonnenheid en merkten, aan de

Macechers, wat slag van volk zij voor handen hadden, echter gaven zij de

moed niet op, zij waren toch nog veel talrijker dan de Vlamingen, en

bezaten nog benden genoeg die niet gevochten hadden.

Terwijl de voorste scharen van het Frans leger dus de nederlaag hadden,

stond de Seneschalk d'Artois met het tweede lichaam verder van het Vlaamse

leger. Vermits de slagorde des vijands niet breed genoeg was om met zoveel

scharen ineens bevochten te worden, was hij nog niet vooruitgekomen. Niet

wetende hoe het met de strijd gelegen was, stelde hij zich voor dat zijn

mannen ongetwijfeld de overhand hebben moesten, want hij zag er geen

terugkomen. Onderwijl zond hij Mijnheer Louis de Clermont met vierduizend

Normandische ruiters door de Neerlander om de Vlaamse slagorde op de

linkervleugel aan te vallen. Het gelukte De Clermont aan die zijde een

vastere grond te vinden, hij geraakte met al zijn ruiters over de beek, en

viel plotseling op de benden van Gwyde. Deze, door nieuwe vijanden van

achter besprongen, terwijl De Chatillons lieden hen langs voren werk genoeg

gaven, konden niet langer weerstand bieden, de eerste gelederen werden

omvergeworpen en aan stukken gehakt, de verwarring kwam onder de anderen,

en dit ganse gedeelte des Vlaamsen legers week in wanorde achteruit. De

stem van de jonge Gwyde, die hen bij het Vaderland bezwoer om te blijven

staan, gaf hun moed genoeg, maar dit hielp niet, het geweld was te groot,

en al wat zij op de bede huns Veldheers doen konden, was hun ontwijking zo

langzaam mogelijk uit te voeren.

Het ongeluk wilde dat Gwyde op dit ogenblik een zo zware slag op de helm

kreeg dat hij voorover op de nek van zijn paard stortte en zijn zwaard

vallen liet, in die gesteltenis, verdwelmd en suizelend, kon hij zich niet

verweren. Het ware met hem gedaan geweest, indien de minnaar van Machteld

niet met hem geweest ware. Die jonge ridder sprong voor het paard van

Gwyde, en zwaaide zo kundig en zo onversaagd met zijn wapen in het rond,

dat de Fransen, in hem een hinderpaal vindende, bij de jonge Graaf niet

geraken konden, na enige ogenblikken van dit felle strijden werd zijn arm

zwak en moede, dit was zichtbaar aan de wendingen van zijn zwaard, welke

steeds langzamer en trager werden. Het regende slagen en houwen op zijn

uitrusting, hij voelde zijn vlees onder het harnas gepletterd, en hij

stuurde reeds een laatste zucht zijner beminde Machteld toe,--want de dood

zag hij daar voor zich, die hem wenkte.

Gedurende die tijd was Gwyde achter de slagorde geraakt, en van zijn

bedwelming teruggekomen, met angst bemerkte hij de toestand zijns redders,

en een ander zwaard vattende, kwam hij hem terzijde en begon opnieuw te

vechten. Met hem waren nog enige der stoutsten toegesneld, en de Fransen

werden nog tegengehouden, totdat er nieuwe vijanden door de Neerlander

gedrongen zijnde, de anderen kwamen helpen. De onversaagdheid der Vlaamse

ridders kon de Fransen in hun loop niet tegenhouden. De schreeuw

"Vlaanderen de Leeuw!" werd door een andere vervangen, nu waren het de

Fransen die riepen "Noël! Noël! Vooruit! Aan ons de zege! Slaat dood die

voetgangers!"

De Vlamingen werden overhoopgeworpen en uiteengedreven, ondanks de

verwonderlijke pogingen van Gwyde, kon hij de aftocht van zijn volk niet

stuiten, want er waren wel drie ruiters tegen een Vlaming, de paarden

stieten hen ten gronde of dreven hen met onweerstaanbaar geweld af. Dan

kwam de wanorde onder hun gelederen, en de helft des Vlaamsen legers moest

voor de vijand vluchten, een groot getal werd verslagen, de anderen werden

allen zodanig verstrooid dat zij de ruiters geen tegenweer meer bieden

konden en tot tegen de Leie door de Fransen werden vervolgd, alwaar er een

groot deel in het water verdronk[155]. Tegen de boord dier rivier had Gwyde

zijn mannen weder enigszins in gelederen kunnen vormen, maar het getal der

vijanden was te groot. De lieden van Veurne, alhoewel verstrooid, vochten

met een dolle wanhoop, het schuim stond op hun mond, en bloed liep overal

langs hun lichamen af, en nochtans kon die heldenmoed hun met te baat zijn.

Zij hadden elk reeds drie of vier ruiters verslagen, maar hun getal

verminderde te zeer, terwijl dit der vijanden steeds aangroeide,--met eer

en wraak te sterven was hun gedacht. Gwyde de nederlaag van zijn leger

ziende, en de slag verloren achtende zou van pijn wel geweend hebben, maar

er was geen plaats voor de droefheid in zijn hart over, een sombere

razernij had zich van hem meester gemaakt. Volgens zijn eed wilde hij niet

langer leven, en hij dreef als een zinneloze zijn paard te midden der

zegepralende vijanden. Adolf van Nieuwland en Arnold van Oudenaarde volgden

hem van nabij, zij streden zo verwoed, dat de vijanden op hun wonderdaden

verschrikten, de ruiters vielen voor hun zwaarden als door toverij

neer.--De meeste Vlamingen lagen nu overhoop en de Fransen schreeuwden met

recht "Noël! Noël!" want niets scheen de benden van Gwyde te kunnen redden.

Op dit ogenblik zag men in de richting van Oudenaarde, achter de Gaverbeek,

iets dat hevig tegen de zon blonk, zich tussen de bomen bewegen, dit

wonderbaar verschijnsel naderde met snelheid en kwam eindelijk in open

veld, twee ruiters vertoonden zich en kwamen in volle draf naar het

slagveld gelopen. De ene was een ridder, dit kon men aan zijn prachtige

uitrusting zien, zijn harnas en al het ijzer dat hem en zijn paard bedekte,

was verguld en schitterde verwonderlijk. Een grote blauwe vederbos rolde op

de wind achter zijn rug, het leder van zijn tuig was geheel met zilveren

schelpjes bekleed, en op zijn borst was een rood kruis geschilderd, boven

dit teken op een zwarte grond stond het woord Vlaanderen in grote zilveren

letters te lezen.

Geen ridder was er op het slagveld zo prachtig uitgerust als deze

onbekende, maar hetgeen hem meest onderscheidde was zijn gestalte, hij was

een hoofd langer dan de zwaarste mannen en zo machtig van lichaam en leden

dat men hem voor een reuzenzoon zou genomen hebben. Het paard dat hij

berende, bracht veel tot die wonderbare gestalte toe, want het was ook

bovenmate hoog en sterk,--de schoonste Duitse hengst die men zien mocht.

Lange vlokken schuim vlogen om zijn mond en twee dikke ademwolken gingen

blazend uit zijn longen.--De ridder had geen ander wapen dan een

schrikkelijke marteel of wapenhamer, waarvan het staal zich hevig op de

gele glans der vergulde wapenrusting uitloste.

De andere ruiter was een monnik met slechte uitrusting, zijn harnas en zijn

helm waren zodanig verroest dat zij met rood geverfd schenen. Zijn naam was

broeder Willem van Saeftinge. In zijn klooster ter Doest zijnde, vernam hij

dat men bij Kortrijk tegen de Fransen ging vechten, hierop nam hij twee

paarden uit de stal, en verruilde het ene tegen de verroeste wapenen, welke

men op hem bemerkte, met het andere kwam hij nu aangerend om m de stijd

tegenwoordig te zijn[156]. Hij ook was buitengewoon sterk van leden en

onversaagd van hart, een lang slagzwaaid blonk in zijn vuist, en zijn ogen

gaven genoeg te kennen dat hij een vreeslijke kamper zijn moest; hij had

de wonderbare ridder zo-even ontmoet, en daar zij beiden dezelfde plaats

bereiken wilden, waren zij te samen voortgereden.

De Vlamingen wendden hun ogen met blijde hoop naar de gulden ridder, die in

de verte kwam aanrennen. Zij konden het woord Vlaanderen nog niet lezen, en

konden dus niet weten of hij een vriend of een vijand was; maar in hun

uiterste toestand droomden zij dat God onder die gedaante hun een zijner

Heiligen toezond om hen te verlossen. Alles kon hun dit doen geloven, zijn

glanzende uitrusting, zijn buitengewone gestalte en het rood kruis dat hij

op de borst droeg.

Gwyde en Adolf, die zich te midden der vijanden verweerden, bezagen

elkander met de grootste opgetogenheid, zij hadden de gulden ridder

herkend. Nu scheen het hun dat de Fransen veroordeeld waren, want zij

hadden een vol betrouwen in de macht en de kunde van die nieuwe krijger. De

blikken, die zij zich onderling toestuurden, zegden: "O geluk, daar is de

Leeuw van Vlaanderen!"

De gulden ridder naderde eindelijk bij de Franse benden; eer men hem vragen

kon wie hij bestrijden of bijstaan wilde, viel hij op het dikste der

ruiters en sloeg met zijn marteel zo woest en zo verschriklijk onder hen,

dat zij, met vrees bevangen, elkander omverdrongen om zijn slagen te

ontwijken. Alles viel voor zijn pletterende hamer,--en achter zijn paard

bleef in de vijandlijke scharen een ijdel spoor gelijk het zog dat een

zeilend schip na zich laat; in dier voege, al wat hij treffen kon overhoop

smijtende, kwam hij met wonderlijke snelheid tot bij de benden, welke tegen

de Leie gedreven waren en riep: "Vlaanderen de Leeuw! Volgt mij! Volgt

mij!"

Deze woorden roepende, wierp hij een groot getal Fransen in het slijk, en

ging zo verbazend in de slachting voort dat de Vlamingen hem als een

bovennatuurlijk wezen aanzagen.

Nu daalde de moed in hun harten terug, zij smeten zich tegelijk met een

blij gehuil vooruit, en volgden de gulden ridder in wonderdaden na. De

Fransen konden aan deze onverschrokken leeuwen niet verder wederstaan, de

voorsten keerden zich om en wilden vluchten, maar zij vielen tegen de

paarden hunner makkers, en wierpen elkander op de grond.--Een algemene

moorderij ving aan op de ganse lengte des legers; de Vlamingen deden niets

dan doden, en sprongen over grote hopen lijken om de verdere vijanden aan

te vallen. Nu werd er niet meer "Noël!" geschreeuwd; de kreet "Vlaanderen

de Leeuw! Wat wals is vals is! Slaat al dood!" beheerste alle ander

gerucht, en de strijders werden zo doof dat zij de slagen hunner eigen

wapens niet meer horen konden.

Broeder Willem, de monnik, was van zijn paard gestegen en vocht te voet; al

wat in zijn bereik kwam, werd door een dodelijke slag getroffen, hij

zwaaide zijn zwaard alsof het een veder geweest ware, en lachte spottend

tegen de vijanden, die hem wilden aanvallen. Men zou gedacht hebben dat hij

zich aan enig spel verlustigde, want hij was zo blijde en sprak zo losse

schertsende woorden alsof hij met kinderen te kampen had. Niettegenstaande

zijn behendigheid vielen er evenwel menige zwaarden op zijn verroest

harnas: maar terwijl een ander onder elke dier slagen zou zijn gevallen,

bleef Broeder Willem onwrikbaar boven zijn geslachte vijanden staan; al wie

het ongeluk had hem te raken viel op hetzelfde ogenblik voor zijn

reuzenzwaard en bekocht het met de dood. Eensklaps zag hij Mijnheer Louis

de Clermont met zijn banier een weinig verder staan.

"Vlaanderen de Leeuw!" riep Broeder Willem. "Die Standaard is mijn!"

Alsof hij dood gevallen ware liet hij zich te gronde gaan, kroop op handen

en voeten onder de paarden heen, en stond nevens Louis de Clermont recht;

van alle kanten vielen de zwaarden op hem, doch hij wist zich zo wel te

verdedigen dat hem slechts enige zware kneuzingen bezeerden. Hij deed niet

merken dat hij het op de Standaard gemunt had, ja keerde er zelfs de rag

naar toe; maar zich plotseling omkerende, hakte hij de arm van de

vaandrager ineens af, en scheurde de gevallen banier aan stukken.

Gewis zou de monnik daar de dood gevonden hebben, doch nu was de ganse

slagorde reeds tot bij hem gekomen en de Fransen, welke om hem stonden,

werden overhoop teruggedreven. De gulden ridder had de vijanden, die de

jonge Gwyde omringden, in enige ogenblikken verstrooid, en hij ging zonder

rusten voort, altijd vooruitdringende; met zijn hamer verpletterde hij

helmen en bekkenelen, en vond niemand die hem weerstand bieden kon, al wie

door zijn slagen bedwelmd ten gronde viel, werd onder de voeten der paarden

vertrapt.--Gwyde naderde hem, en sprak met haastige woorden: "O Robrecht,

mijn broeder, hoe dank ik God dat hij u hier gezonden heeft! Gij hebt het

Vaderland gered ..."

De gulden ridder antwoordde niet, maar plaatste zijn vinger op de mond,

alsof hij zeggen wilde: "Geheim! Geheim!"

Adolf had dit teken ook gezien, en hij besloot zich te houden alsof hij de

Graaf van Vlaanderen niet kende.

Intussen liepen de Fransen elkander over het lijf, de Vlaamse scharen

drongen met geweld tegen de wijkende vijand op, en verpletterden de

gevallen ridders met knotsen en helmbijlen. Duizenden paarden lagen in de

geknede aarde half verzonken, en de lijken der vijanden overdekten de

grond--in zo groot getal dat de strijdenden niet meer op het gras, maar wel

op een bed van dode lichamen en gebroken wapens vochten. De Groeningebeek

kon men niet meer zien, de lijken met dewelke zij opgevuld was, vormden

slechts een hoop met degene die op de boorden lagen; men zou de loop dier

beek wel aan de bloedstroom herkend hebben, doch bloed lag er overal in

grote plassen. Het gehuil der stervenden, de klachten dergenen die

verstikten, met het gejuich der zegepralende Vlamingen, mengden zich in een

afgrijselijk gedruis; daarbij de schaterende tonen der bazuinen, het

gekrijs der zwaarden op de harnassen, het pijnlijk briesen der gepletterde

paarden: een vulkaan die barst en tussen het rollen der losgebroken donders

het ingewand der aarde scheurt, kan alleen een denkbeeld van dergelijk

schrikgeluid geven.--Het was alsof het jongste uur gekomen ware.

Negen uur sloeg het op de Halletoren van Kortrijk, toen de wijkende

ruiterij van De Nesle en De Chatillon naar de benden van de Seneschalk

Robert d'Artois gevlucht kwam.--De nederlaag der zijnen vernemende ontstak

Robert in een blinde woede, en wilde met het talrijk lichaam, dat hij onder

zich had, op het Vlaams leger inlopen. Andere ridders poogden hem van zijn

onvoorzichtig voornemen te doen afzien, voorgevende dat geen paard zich op

de strijdplaats bewegen kon, maar hij wilde naar niemand luisteren, en

sprong, door al zijn mannen gevolgd, dwars door de vluchtelingen heen. De

ruiters, aan de eerste nederlaag ontkomen, werden door de Seneschalk en

zijn nieuwe benden ondersteboven gesmeten, en zij liepen in wanorde langs

alle kanten van het slagveld, om uit die ijslijke verwarring te komen; maar

dit was hen niet mogelijk: de eerste scharen werden door de achtersten

vooruit gestuwd, en alzo viel die wolk verse troepen met de grootste

vermetelheid op de Vlaamse slagorde. Bij de eerste schok werd het leger van

Gwyde genoodzaakt achter de Groeningebeek te wijken, doch daar dienden de

gevallen paarden hun tot borstweer, alsof zij binnen een verschansing

getrokken waren.

De Franse ruiters konden zich in de modderige grond niet staande houden;

zij vielen de ene over de andere, en doodden elkander in de val. Mijnheer

d'Artois dit ziende werd uitzinnig, hij sprong met enige onversaagde

ridders over de beek en viel op de benden van Gwyde. Na een kort gevecht,

in hetwelk vele Vlamingen sneuvelden, greep Robert d'Artois de grote

Standaard van Vlaanderen bij het doek en scheurde een stuk met de voorste

klauw van de Leeuw eraf[157]. Een razend gehuil klom uit de omstaande

Vlaamse scharen.

"Slaat dood! Slaat dood!" was de algemene schreeuw.

De Seneschalk poogde de Standaard uit de handen van Segher Lonke te rukken,

maar Broeder Willem, zijn zwaard wegwerpende, sprong tegen het paard van

Mijnheer d'Artois op, en sloeg zijn twee armen om de hals van de Veldheer;

dan zijn voeten tegen de zadel drukkende, trok hij met zoveel kracht aan

het hoofd van Robert dat deze uit de zadel geraakte,--zij rolden beiden op

de grond. De beenhouwers waren ondertussen toegelopen, en Jan Breydel die

de hoon aan de Standaard van Vlaanderen geschied, wreken wilde, hakte met

een houw de arm van Robert af. De ongelukkige Seneschalk, zich bij de dood

ziende, vroeg of er geen edelman was aan wie hij zijn wapenen mocht

overgeven; maar de beenhouwers huilden dat zij die taal niet verstonden, en

hakten en kerfden zo lang op hem dat hij de geest gaf[158].

Terwijlen had Broeder Willem Pierre Flotte, de Kanselier, ook op de grond

geworpen, en hief zijn zwaard op om hem het hoofd te klieven; de Fransman

smeekte om genade. Broeder Willem lachte spottend en hakte hem achter in de

nek dat hij, van leven beroofd, met het aangezicht in het gestorte bloed

viel[159]. De Franse heren De Tarcanville en d'Aspremont werden door de

hamer van de gulden ridder verpletterd, Gwyde kloof het hoofd van Renold de

Longueval met een houw, en Adolf van Nieuwland wierp Raoul de Nortfort uit

de zadel. In weinig ogenblikken sneuvelden er meer dan honderd edellieden.

Mijnheer Rodolf I, heer van Gaucourt, met de twee Koningen Balthazar en

Sigis, en met nog zeventien uitgelezen ridders had zich sedert lange tijd

tegen de Gentenaars van Jan Borluut verdedigd. Wanneer de twee Koningen met

al de andere ridders reeds gesneuveld waren, en dat zijn paard ook reeds

gevallen was, stond Rodolf nog met een wonderbare onversaagdheid te midden

zijner vijanden. Hij verweerde zich behendiglijk tegen de Gentenaars, en

dreef dezelve met schriklijke slagen van zich. Een hoop van bij de veertig

Franse ridders ziende, liep hij te midden onder hen; doch Jan Borluut

vervolgde hem met een groot getal Gentenaars. De veertig ridders waren

weldra verslagen, en nog verdedigde Rodolf de Gaucourt zich altijd even

moedig. Door wonden en vermoeidheid afgemat zonk hij ten laatste op de

lijken zijner wapenbroeders neer en de Gentenaren liepen toe om hem te

doden; maar Jan Borluut wilde de dappere Fransman niet laten sterven, hij

deed hem achter de slagorde dragen, en nam hem onder zijn bescherming[160].

Alhoewel de Fransen bij de voorste gelederen gedurende dit gevecht de

nederlaag hadden, vorderde de Vlaamse slagorde slechts weinig, overmits er

altijd nieuwe vijanden kwamen toegelopen om de gesneuvelden te vervangen.

De gulden ridder vocht als een echte leeuw aan de linkervleugel, tegen een

ganse bende ruiters. Aan zijn zijde streden met evenveel moed, de jonge

Gwyde en Adolf van Nieuwland, deze laatste wierp zich gedurig tussen de

vijanden, en stelde zich menigmaal in levensgevaar: het was alsof hij

besloten had onder de ogen van de gulden ridder te sterven. De vader van

Machteld ziet mij! dacht hij,--en dan voelde hij in zijn longen meer lucht,

in zijn spieren meer kracht en in zijn ziel meer misprijzen des doods. De

gulden ridder riep menigmaal tot hem dat hij zich zozeer niet zou

blootstellen; maar die woorden, als een loftuiting in het oor van Adolf

klinkende, hadden een verkeerd uitwerksel, dewijl bij elke roep des gulden

ridders, het paard van de dappere minnaar vooruit sprong en dieper in de

Fransen sprong. Gelukkiglijk voor de jongeling dat een sterkere arm dan de

zijne over zijn leven waakte, en dat er iemand nevens hem was, die uit

vaderlijke liefde gezworen had hem te behoeden.

In het ganse leger der Fransen stond maar een Standaard meer recht. De

grote Kroonvaan ontrolde nog haar schitterende wapentekens, haar zilveren

leliebloemen, en al de vonkelende paarlen waaruit het zinnebeeld van

Frankrijk gevormd was.--Gwyde wees met de hand naar de plaats waar de

vaandrager stond, en riep tot de gulden ridder: "Dat is hetgeen wij hebben

moeten!"

Zij poogden vervolgens, elk langs zijn kant, door de Franse benden te

dringen; doch dit gelukte hun in den eerste niet, hoe onvermoeid zij ook de

vijanden overhoop- en uiteendreven. Adolf van Nieuwland, een gunstiger

plaats gevonden hebbende, boorde alleen door de ruiters en kwam, na een

lange strijd, bij de grote Standaard.

Welke vijandige hand, wat nijdige geest dreef de minnaar alzo tot zijn

dood?--Indien hij geweten had, hoeveel bittere tranen er op dit ogenblik

voor hem gestort werden, hoe dikwijls zijn naam, uit de mond ener vrouw, de

Hemel als een gebed werd toegestuurd;--ho, dan zou hij zich zo roekloos de

dood niet overgegeven hebben,--hij ware wellicht als een lafaard

teruggekeerd.

De Kroonvaan was door een groot getal ridders omringd. Zij hadden op hun

eer en trouw gezworen onder dit laatste teken eerder te sterven dan het te

laten ontroven. Wat kon Adolf tegen zovele moedige kampers? Ook zodra hij

zich vertoonde, werd hij door schertsende woorden begroet; al de zwaarden

zwaaiden tegelijk boven zijn hoofd, hij was aan alle kanten in een kring

vijanden gesloten, de slagen vielen zonder ophouden op zijn uitrusting, en

ondanks zijn wonderlijke behendigheid, kon hij zich niet meer verdedigen.

Reeds liep het bloed onder zijn helm uit, zijn gezicht verduisterde;--zijn

spieren waren onder zovele kneuzingen verlamd. Met een razende wanhoop gans

vervuld en voelende dat zijn laatste uur gekomen was, riep hij met luider

stemme, dat de Fransen het hoorden: "Machteld! Machteld! Vaarwel!"

Bij die roep, sprong hij dwars door de zwaarden der vijanden heen, tot bij

de Standaard, en rukte hem uit de vuist van de vaandrager;--maar tien

handen ontnamen hem dezelve,--het regende meer slagen op zijn lichaam en

hij viel krachteloos op de rug van zijn paard.

De vlotting, welke op dat ogenblik onder de strijdenden gebeurde, liet de

gulden ridder toe het gevaar van Adolf te merken. Dan dacht hij aan de pijn

welke zijn ongelukkige Machteld treffen zou indien de man die hij haar

geschonken had door de handen der vijanden stierf. Hij wendde zich om tot

de scharen, en riep met een stem die, als een donder, het krijgsgerucht

beheerste: "Vooruit, mannen van Vlaanderen. Komt aan!"

Gelijk de razende zee, die haar palen met onberekenbaar geweld

bestrijdt--gelijk zij, na een lang gevecht, de dijk onder een hemelhoge

golf verplet en haar schuimende baren over de velden rollende, de wouden

ontwortelt en de steden ten gronde werpt,--zo sprong de Vlaamse

leeuwenschaar bij de roep des onbekenden ridders vooruit.

De Fransen werden met zoveel razernij aangetast dat er bij de eerste schok

hele hopen neerstortten, de slagen der knotsen en de houwen der bijlen

vielen zo menigvuldig op hen, als de hagel die de vruchten der aarde

verdelgt.--Nooit zag men zo een hardnekkig gevecht, al de strijders waren

met bloed overdekt, en vele hadden het wapen nog in de vuist terwijl een

dodelijke wond hen overlang had getroffen. Het was een verwarring van

paarden en mensen, die niet kan beschreven worden. De akeligste

moordkreten, de pijnlijkste klachten vormden een enkele zucht, een bruisend

geraas dat de harten nog meer in woede kwam ontsteken. De Franse ruiters

konden zich niet meer bewegen; want men drong hen ten allen kanten tegen de

achterste scharen, terwijl de lijken en zwaarden de voorste gelederen

beurtelings ter neder hakten.

De gulden ridder had zich met zijn verdelgende wapenhamer een weg door de

vijand gebaand, en was bij de Kroonvaan van Frankrijk genaderd. Gwyde en

Arnold van Oudenaarde met nog enige der moedigste Vlamingen hadden hem van

nabij gevolgd. Hij poogde in die verwarring de groene veder van Adolf van

Nieuwland bij de Standaard te ontdekken, doch tevergeefs; het scheen hem

echter na een ogenblik dat hij dezelve wat verder tussen de Vlamingen

ontwaarde. De veertig uitgelezen ridders die nog bij de banier stonden,

sprongen als ware helden tegen de gulden ridder op; maar hij zwaaide zijn

marteel zo behendig rond, dat geen zwaard hem raakte. De eerste maal dat

hij zijn hamer als een rotsgedeelte vallen liet, sloeg hij het hoofd van de

heer Alin de Bretagne te pletten; met de tweede slag verbrijzelde hij het

harnas van Richard de Falais en brak hem de ribben in het lijf.

Intussentijd streden de andere Vlamingen met evenveel moed; Arnold van

Oudenaarde kreeg een wonde aan het hoofd, en meer dan twintig zijner mannen

werden door de Fransen neergehakt.

De gulden ridder verpletterde al wat hij raken kon; reeds lagen de heren

Jean d'Emmery, Arnould de Wahain en Hugo de Viane voor zijn voeten. Het oog

kon de wendingen van zijn hamer niet volgen, zo snellijk slingerde hij

dezelve van de ene vijand op de andere. De vaandrager bemerkte welhaast dat

de banier in die plaats niet kon behouden worden, en vluchtte met dezelve

achteruit; maar de gulden ridder, dit ziende, wierp met een wonderbare

kracht drie of vier vijanden uit de weg, en vervolgde de vaandrager te

midden der Fransen op een grote afstand des gevechts; hem ingehaald

hebbende vocht hij, zo lang en zo onversaagd dat hij eindelijk de Standaard

kreeg. Een ganse bende ruiters was op hem gevallen om de banier te

herwinnen; doch de gulden ridder, dezelve als een speer in de stijgbeugel

geplaatst hebbende, begon opeens zo woest onder hen te slaan dat hij er

veel om de hals bracht. Nu drong hij al strijdende door de vijanden, en

kwam te midden onder het Vlaamse leger. Hij hief de gewonnen Standaard in

de hoogte, en riep: "Vlaanderen de Leeuw! Aan ons de zege! Heil! Heil!"

De scharen antwoordden door een galmend gejuich, en zwaaiden hun wapens in

de lucht ten teken van blijdschap; hun moed vergrootte bij het zien van het

gewonnen teken.

Guy de St.-Pol stond nog bij de Pottelberg met omtrent tienduizend

voetknechten en een goede bende ruiters. Hij had reeds de kostelijke

goederen in de legerplaats doen te samen pakken, en wilde zijn lieden door

de vlucht redden; maar Pierre Lebrum, een der ridders die bij de Kroonvaan

gevochten hadden, en om een bedwelming zich van het slagveld had

vertrokken, dit ziende, kwam bij hem en riep: "O St.-Pol, durft gij dit wel

bestaan? Zult gij als een lafaard de dood van Mijnheer d'Artois en van al

onze broeders ongewroken laten? O ik bid u, om de eer van Frankrijk doe het

niet. Laat ons liever sterven om die schande te ontgaan. Leid uw scharen

vooruit, misschien zult gij met uw verse benden de zege bevechten."

Guy de St.-Pol wilde van geen strijden horen, de vrees had hem bevangen.

Hij antwoordde: "Mijnheer Lebrum, ik weet wat ik te doen heb. De legertros

zal ik niet laten roven; het is beter dat ik de overblijvende mannen in

Frankrijk terugbrenge, dan dezelve nodeloos te laten verslaan."

"En zult gij al degenen, die nog met het zwaard in de vuist staan, verlaten

en de vijand overleveren? Ho, dit is een verraderlijk werk! Indien ik na

heden leven mag, zal ik u als een trouweloze voor onze Koning

beschuldigen."

"De voorzichtigheid gebiedt mij de aftocht, Mijnheer Lebrum. Ik zal

vertrekken, wat gij ook zeggen moogt, want uw raad is u door de

vervoerdheid ingegeven; gij zijt te zeer in woede ontstoken."

"En gij te zeer door de vrees benauwd! Maar het zij zo, mits gij het wilt;

om u te doen zien dat ik meer voorzichtigheid dan gij gebruik, zal ik met

een bende vooruitgaan om de aftocht te bedekken en gemakkelijk te maken.

Vertrek nu, ik zal de vijand terughouden."[161]

Hij nam een bende van tweeduizend voetknechten, en leidde dezelve naar het

slagveld. Intussen was het getal der strijdende Fransen zozeer verminderd

dat in hun slagorde menigvuldige gapingen waren, dit liet de Vlamingen toe

hen langs achter en langs voren te bespringen. De gulden ridder, die door

zijn eigen gestalte en door de hoogte van zijn paard boven het ganse

slagveld zien kon, bemerkte de beweging van Lebrum en verstond zijn

inzicht. Het was duidelijk voor hem dat De St.-Pol met de legertros wilde

ontsnappen; bij Gwyde naderende gaf hij hem het voornemen van de vijand te

kennen. Meteen werden achter de slagorde enige ridders gezonden om de

bevelen aan de oversten te dragen. Weinig ogenblikken daarna bewogen zich

verscheidene benden en spreidden zich langs alle kanten in het veld.

Mijnheer Jan Borluut met zijn Gentenaars liep nevens de wallen der stad, en

viel Lebrum ter zijde aan; de beenhouwers met hun Deken Breydel draaiden om

het kasteel van Nedermosser en besprongen de Franse legerplaats langs

achter. De benden van De St.-Pol verwachtten zich niet aan die bevechting,

zij waren bezig met de kostelijkste goederen in te zamelen, wanneer zij de

bijlen der beenhouwers en terzelfder tijd de dood boven hun hoofden zagen.

Het ijslijk geschreeuw der aanvallende Vlamingen verschrikte hen zozeer,

dat zij in wanorde door elkander liepen, en langs alle kanten door de

velden ontvluchtten; de beenhouwers kapten en kerfden schriklijk onder hen.

Guy de St.-Pol op een goede draver gezeten zijnde, ontkwam het doodsgevaar,

en vlood met snelheid heen, zonder zich meer om zijn volk te bekommeren. De

legerplaats was welhaast gezuiverd, er bleef na enige stonden geen enkele

levende Fransman meer in dezelve.

Alzo wonnen de Vlamingen al de kostelijke gulden en zilveren vaten en

oneindig meer schatten welke de vijand met zich gebracht had.

Op het slagveld was de strijd nog niet ten einde: omtrent duizend ruiters

verdedigden zich nog in een hoop, en vochten als leeuwen, niettegenstaande

dat zij met wonden overdekt waren; onder hen waren meer dan honderd edele

ridders, welke deze nederlaag niet wilden overleven en met een dolle woede

onder de Vlamingen hakten. Allengskens werden zij onder de wallen der stad

in de Bittermeers[162] gedreven. Hier vielen hun paarden omverre in de

Ronduitebeek of zonken op derzelver boorden in de aarde; de ridders konden

zich niet meer met hun paarden behelpen, zij sprongen de ene na de andere

op de grond en zich weer in een kring geschaard hebbende vochten zij te

voet en sloegen menige Vlaming dood, terwijl er nog meer ridders in het

slijk geraakten. De Bittermeers was slechts één plas bloed, waarin de

voeten der strijdenden zich verborgen. Hoofden, armen, benen, het lag er al

met helmen en gebroken zwaarden verward.

Enige Leliaards, waaronder Jan van Gistel met een getal Brabanders was,

ziende dat er geen uitkomen meer aan was, kwamen te midden der Vlamingen

gelopen, roepende: "Vlaanderen de Leeuw! Heil, Heil Vlaanderen[163]!"

Zij meenden zich daardoor te redden; maar er kwam dadelijk een wever uit de

menigte tot bij Jan van Gistel gelopen, en gaf hem zulke zware slag op het

hoofd dat hij hem de schedel aan stukken brak; de wever morde met doffe

stem: "Mijn vader heeft het u gezegd dat gij op uw bed niet sterven zoudt,

verrader!"

De anderen werden aan hun wapenen herkend en als bastaarden neergehakt en

doorkorven.

De jonge Gwyde kreeg medelijden met de nog overblijvende ridders, welke

zich zo moedig verweerden; hij riep tot hen dat zij zich gevangen geven

zouden, opdat het leven hun bewaard wierde. Overtuigd dat moed en

onversaagdheid hen niet meer helpen kon, gaven de ridders zich over en

werden ontwapend; Jan Borluut kreeg dezelve onder zijn wacht.

De voornaamste dezer edele krijgsgevangenen, wier getal tot bij de zestig

beliep, was Thibaud II, namaals Hertog van Lotharingen; de overigen waren

allen van hoge stam, en als dappere krijgers befaamd.

Nu bleef er geen enkele vijand meer op het slagveld te bevechten; maar in

al de richtingen zag men de vluchtelingen zich voortspoeden om het gevaar

te ontkomen. De Vlamingen, heel verwonderd dat zij niet meer te strijden

hadden, en nog gans door de drift vervoerd, liepen bij hopen door de velden

om de gevluchten te vervolgen; bij Sint-Magdalena's pesthuizen

achterhaalden zij een bende van De St.-Pols lieden en sloegen ze allen

dood; een weinig verder vonden zij Mijnheer Willem van Mosser, de Leliaard,

die met nog enige anderen uit de strijd ontlopen was. Zich omringd ziende,

bad hij om genade, en beloofde dat hij Robrecht van Bethune als een

getrouwe onderdaan zou dienen; maar er werd niet naar geluisterd, de bijlen

der beenhouwers benamen hem de spraak en het leven.

Dit duurde de ganse dag, totdat er geen enkele Fransman of Fransgezinde

meer te vinden was.

[Illustration]

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação