Hoofdstuk 19 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 19 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 19

Hoofdstuk 19

19

_

Met zweet en stof was hy bedekt.--Hy nadert

De wapenzael waer ze allen zyn vergaderd

Knielt voor den Vorst ter neêr en maekt hem kond

Wat krygsgevaer hun toesnelt in dien stond.

De Vorst ryst op, hy slaet zyn blik in 't rond

En roept terwyl de woed' hem nog doet siddren,

Te wapen voor het Land! voor God te wapen, Riddren!_

JA DELAET

Na de schrikkelijke nacht, in dewelke het bloed der Fransen zo overvloedig

werd vergoten, kwamen De Chatillon, Jan van Gistel en de weinige anderen,

die de dood ontvlucht waren, binnen de muren van Kortrijk. In deze stad was

nog een talrijke bezetting, welke op het sterke kasteel in veiligheid kon

verblijven: het was die plaats waarop de Fransen het meest betrouwden om

haar onverwinnelijke vestingwerken. De Chatillon was wanhopig over zijn

nederlaag, een stomme razernij deed zijn boezem in wraaklust blaken. Hij

trok nog enige vaandels soldeniers uit andere steden om Kortrijk tegen alle

aanval te versterken, en gaf er het opperbevel van aan de Kastelein van

Lens, een bastaardvlaming. In allerhaast bezocht hij insgelijks de overige

grenssteden, en voorzag dezelve met de nog overblijvende benden uit

Picardië; hij gaf het bevel van Rijsel aan de Kanselier Pierre Flotte[101],

vertrok naar Frankrijk, en kwam te Parijs bij het Hof van de Koning, die de

nederlaag zijner krijgsknechten reeds had vernomen. Philippe le Bel ontving

de Landvoogd van Vlaanderen met toorn, en verweet hem dat zijn dwingende

beheersing de oorzaak van al deze onheilen was. Wellicht zou De Chatillon

voor altijd in ongunst vervallen zijn; maar de Koningin Johanna, die de

Vlamingen niet lijden kon, en zich in derzelver verdrukking had verheugd,

wist haar oom De Chatillon zo wel te verschonen dat Philippe zich eindelijk

meer tot dankzegging dan tot verwijt verplicht achtte. Dit zo beleid

zijnde, keerde de Franse Vorst zijn mismoed tegen de Vlamingen, en zwoer

dat hij zich over hen ten volle wreken wilde.

Reeds was er een leger van twintigduizend man bij Parijs vergaderd, om het

Koninkrijk Majorca uit de handen der ongelovigen te gaan verlossen: dit

waren de benden waarvan de bijeenroeping door Robrecht van Bethune aan de

Vlaamse Heren was kenbaar gemaakt. Met dit leger zou men tegen Vlaanderen

ten krijg hebben kunnen trekken, maar Philippe wilde geen nederlaag wagen;

hij besloot de wraak nog enige tijd uit te stellen, om meer mannen te velde

te kunnen brengen. Meteen werd er, door buitengewone boden, een roep door

heel Frankrijk gezonden; het werd de Baanderheren des Rijks kond gedaan dat

de Vlamingen zevenduizend Fransen vermoord hadden, en dat de Vorst zijn

Leenmannen zo spoedig mogelijk met hun Laten te Parijs riep, om die hoon te

gaan wreken. In die tijden waren de wapendaden en de oorlog de enigste

bezigheden der Edellieden, zij verheugden zich zodra er ergens te strijden

was; het is dus niet te verwonderen dat zij op die roep antwoordden. Uit

alle gedeelten van het wijde Frankrijk kwamen de Leenheren met hun

gewapende Laten toegelopen, en in weinig dagen bevond het Franse leger zich

boven de vijftigduizend man sterk.

Benevens de Leeuw van Vlaanderen en Charles de Valois, was Robert d'Artois

een der moedigste krijgsoversten van Europa; boven deze twee eerste ridders

bezat hij nog die ondervinding en ervarenheid, welke hij uit zijn talrijke

tochten geput had; nooit was het harnas acht volle dagen van zijn lichaam

geweest, en zijn haren waren onder de helm vergrijsd. De onverbiddelijke

haat, welke hij tegen de Vlamingen droeg, omdat zijn enige zoon door hen te

Veurne verslagen was, dreef de Koningin Johanna aan om hem tot

Seneschalk-bevelhebber des legers te doen benoemen; dit was haar niet

moeilijk, want niemand kwam dit eervol ambt meer toe dan Robert

d'Artois[102].

Gebrek aan geld en de dagelijkse aankomst der Leenheren uit verre

heerlijkheden hielden deze macht nog enige tijd in Frankrijk. De al te

grote drift, welke de Fransen gewoonlijk in hun tochten gebruikten, was hun

menigmaal verderfelijk geweest; zij hadden ten hunnen koste geleerd dat de

voorzichtigheid ook een macht is; derhalve wilden zij zich ditmaal van

alles voorzien en met meer beleid te werk gaan.--De boze Koningin van

Navarra ontbood Robert d'Artois bij haar en dreef hem aan om alle

wreedheden in Vlaanderen te plegen. Onder andere gebood zij hem: dat men de

borsten van al de Vlaamse zeugen afsnijden en al haar biggen met het zwaard

doorspeten zou, en dat men de honden van Vlaanderen zou doodslaan; de

honden van Vlaanderen waren de dappere mannen, die met het staal in de

vuist voor het Vaderland strijden zouden. Deze schandelijke woorden door

een Koningin, door een vrouw gesproken, zijn, ten bewijze harer wreedheid

in de Kronieken bewaard[103].

Gedurende dit uitstel versterkten zich de Vlamingen grotelijks. Mijnheer

Van Borluut had de Gentenaren tegen de bezetting hunner stad doen opstaan

en dreef de Fransen uit Gent, zevenhonderd derzelve bleven in dit oproer

dood. Oudenaarde en meer andere gemeenten maakten zich insgelijks vrij, in

dier voege dat er geen vijanden meer overbleven dan in de sterke steden,

waar de gevluchte Fransen te saam gelopen waren[104]. Willem van Gulik, de

Priester, kwam met een goede bende boogschutters uit Duitsland in Brugge;

zodra Mijnheer Jan van Renesse zich met vierhonderd Zeelanders bij hem

vervoegd had, vertrokken zij beiden, met hun volk en een goed getal

vrijwilligers, naar Kassel, om de Franse bezetting te bespringen en te

verjagen. Die stad was ongemeen sterk gemaakt, en kon niet gemakkelijk

gewonnen worden; Willem van Gulik had op de medewerking der Burgers

gerekend, maar deze werden zo wel door de Fransen bewaakt dat zij zich niet

dorsten roeren. Dit verplichtte Mijnheer Willem een regelmatige belegering

aan te vangen, het duurde vrij lang eer hij zich de nodige werktuigen had

bezorgd.

De jonge Gwyde was in de voornaamste steden van West-Vlaanderen met blijde

toejuichingen ontvangen geweest; zijn tegenwoordigheid had er velen moed

gegeven, en tot de verdediging des Vaderlands aangepord: op dezelfde wijs

had Adolf van Nieuwland de mindere vlekken bezocht om het volk te wapen te

roepen.

In Kortrijk lagen bij de drieduizend Fransen onder het bevel van de

Kastelein van Lens. In stede van zich door goede behandelingen bij de

burgerij lijdelijk te maken, begingen deze bijeengeraapte krijgsknechten

alle soorten van gewelddadigheden,--maar dit verveelde de Kortrijkers

spoedig. Door het voorbeeld der andere steden aangemoedigd stonden zij

tegelijk tegen de Fransen op, en versloegen er meer dan de helft; de

overigen vloden in aller ijl op het kasteel, en versterkten zich tegen de

aanval des volks. Om zich te wreken, schoten zij met vlammende pijlen op de

stad en staken de schoonste gebouwen in brand. Al de huizen rondom de Markt

en het Begijnhof werden door het vuur tot de grond vernield[105]. De

Kortrijkers belegerden het kasteel met veel moed en onversaagdheid, echter

was het hun niet mogelijk de Fransen zonder andere hulp te verjagen; met

het droevig vooruitzicht van hun stad weldra gans te zien afbranden, zonden

zij een bode naar Brugge, om Mijnheer Gwyde dringend om bijstand te smeken.

De bode kwam op de 5 juli 1302 bij Gwyde, en gaf hem de beklagelijke

toestand der goede stad Kortrijk te kennen, hem in de naam der Burgers alle

hulp en onderdanigheid belovende. De jonge Graaf werd bij dit verhaal diep

getroffen, en besloot zich zonder beiden naar de ongelukkige stad te

begeven. Mits Willem van Gulik al de krijgsknechten naar Kassel gevoerd

had, wist Gwyde geen ander middel dan de ambachten van Brugge op te

roepen. Hij deed onmiddellijk al de Dekens in de opperzaal van het

Prinsenhof ontbieden, en ging zelf met de ridders, die zich reeds bij hem

vervoegd hadden, derwaarts; een uur hierna waren de geroepen Dekens ten

getal van dertig in het aangewezen vertrek vergaderd, zij stonden met

ontdekt hoofd aan het einde der zaal en wachtten stilzwijgend op hetgeen

men hun ging zeggen. Deconinck en Breydel, als zijnde de hoofden der twee

voornaamste ambachten, bevonden zich vooraan. Mijnheer Gwyde zat in een

rijke leunstoel tegen de wand van het oppergedeelte der zaal; rondom hem

stonden de heren Jan van Lichtervelde en de heer van Heyne, beiden Beers

van Vlaanderen[106], de heer van Gavere, wiens vader door de Fransen voor

Veurne was vermoord, de heer van Bornem, Tempelridder, de heer Robrecht van

Leeuwergem, Boudewyn van Raveschoot, Ivo van Bellegem, Hendrik heer van

Lonein, Luxemburger, Goswyn van Goetsenhoven en Jan van Cuyck, Brabanders,

Pieter en Lodewyk van Lichtervelde, Pieter en Lodewyk Goethals van Gent, en

Hendrik van Petershem. Adolf van Nieuwland bevond zich aan de rechterzijde

van de jonge Graaf en sprak gemeenzaam met hem.

In het midden van de afstand, die tussen de Dekens en de ridders was, stond

de bode van Kortrijk.--Zodra iedereen op zijn behoorlijke plaats was, beval

Gwyde de bode dat hij zijn boodschap voor de Dekens zou herhalen. Hij

gehoorzaamde aan dit gebod en zegde: "Mijne heren, de goede lieden van

Kortrijk doen u door mij kennen dat zij de Fransen uit hun stad verjaagd

hebben, en dat er vijfhonderd derzelve zijn doodgeslagen; maar nu bevindt

de stad zich in de grootste nood. De verrader Van Lens heeft zich op het

kasteel begeven, hij schiet dagelijks met vlammende pijlen op de huizen, en

reeds is het rijkste gedeelte der stad in as gelegd. Mijnheer Arnold van

Oudenaarde is de Kortrijkers bijstand komen geven, doch hun vijanden zijn

te talrijk. In die akelige toestand bidden zij de heer Gwyde, in het

bijzonder, en hun vrienden van Brugge in het algemeen, om hulp, hopende dat

zij geen dag langer zullen wachten om hun benauwde broeders te gaan

verlossen. Dit is hetgeen de goede lieden van Kortrijk u doen zeggen."

"Gij hebt het gehoord, Dekens," sprak Gwyde, "een onzer beste steden is in

gevaar van gans vernield te worden: ik geloof niet dat de roep uwer

broederen van Kortrijk vruchteloos zijn zal, het is ook die twijfel niet,

die mij dus doet spreken, maar de zaak eist spoed; uw medewerking alleen

kan hen uit die benauwdheid redden, derhalve verzoek ik u in allernaast uw

ambachten te wapen te roepen. Hoeveel tijds hebt gij nodig om uw benden

voor de tocht te bereiden?"

De Deken der wevers antwoordde: "Deze namiddag, doorluchtige heer, zullen

vierduizend gewapende wolwerkers op de Vrijdagmarkt staan, waar gij het

beveelt, zal ik ze voeren."

"En gij, meester Breydel, zult gij er u ook bevinden?"

Breydel kwam met trotse moed vooruit, en antwoordde: "Edele Graaf, uw

dienaar Breydel zal u niet min dan achtduizend gezellen leveren."

De grootste verwondering deed zich onder de ridders op.

"Achtduizend!" riepen zij tegelijk.

"Ja, ja, Mijne heren," hernam de Deken der beenhouwers, "achtduizend of

meer. Al de ambachten van Brugge behalve de wevers hebben mij tot hun

Aanleider verkozen, en God weet hoe ik die hulde zal erkennen! Deze middag

reeds, indien UEdele het beveelt, zal de Vrijdagmarkt met uw trouwe

Bruggelingen overdekt zijn:--en ik mag zeggen dat UEdele aan mijn

beenhouwers duizend leeuwen in zijn leger heeft; want er zijn geen mannen

meer gelijk de Macecliers.--Hoe eer, hoe liever, edele heer, onze bijlen

beginnen te roesten."

"Meester Breydel," sprak Gwyde, "gij zijt een dappere en waarde onderdaan

mijns vaders. Het land, waar zulke mannen geboren worden, kan niet lang in

slavernij blijven; ik dank u om uw goedwilligheid."

Een vriendelijke glimlach der omstaande ridders betoonde hoe aangenaam hun

de woorden van Breydel geweest waren. De Deken keerde terug tussen zijn

makkers en suisde in het oor van Deconinck: "Ik bid u, Meester, belg u niet

omdat ik dit aan Mijnheer Gwyde gezegd heb. Gij zijt en blijft mijn

overste, want zonder uw raad zou ik niet veel goeds uitrichten. Mijn rede

heeft u immers niet verstoord?"

De Deken der wevers drukte de hand van Breydel, ten teken van vriendschap

en toestemming.

"Meester Deconinck," vroeg Gwyde, "hebt gij mijn verzoek aan de ambachten

kenbaar gemaakt? Zullen mij de nodige gelden bezorgd worden?"

"De ambachten van Brugge," was het antwoord, "stellen al hun middelen ter

uwer beschikking, edele heer. Het gelieve u enige dienaren met een

geschreven bevel naar het Pand te zenden, er zullen hem zo veel marken

zilvers als het UEdele zal believen, worden afgeleverd. Zij bidden u dat

gij hen niet spaart, de vrijheid kan hun niet te duur staan."

Op het ogenblik dat Gwyde de dienstwilligheid der Bruggelingen door

dankbare woorden wilde erkennen, ging de deur der zaal open, en al de ogen

stuurden zich met verbaasdheid op een monnik, die stoutelijk, zonder

geroepen te zijn, in de zaal kwam en tot bij de Dekens naderde. Een kolder

van zwaar bruin laken was hem met een koord om het middel gebonden; een

zwarte kap hing over zijn hoofd en verborg zijn gelaatstrekken in zulker

voege, dat men hem niet herkennen kon. Hij scheen zeer oud, want zijn rug

was gebogen en een lange baard hing op zijn borst. Met een vluchtig oog

bezag hij beurtelings al de ridders en drong met stoute blik tot in de

grond hunner harten, dit was tenminste hetgeen hij zichtbaar poogde te

doen. Adolf van Nieuwland herkende in hem dezelfde monnik, welke hem de

brief van Robrecht van Bethune had gebracht, en meende hem met luider stem

te groeten, maar de bewegingen van de monnik werden zo zonderling dat de

woorden op de lippen van de jonge ridder vergingen. Al de bijzijnde

personen werden door toorn vervoerd: het stoute onderzoek, dat de onbekende

op hen gericht had, was een hoon, die zij niet gewilliglijk verdroegen;

echter gaven zij die gramschap niet te kennen, ziende dat het raadsel zich

ging oplossen.

De monnik, zijn navorsing geëindigd hebbende, ontknoopte de koord van zijn

lenden, wierp zijn kolder en zijn baard op de grond en bleef te midden der

zaal staan. Hij hief het hoofd op, en vertoonde zich als een man van bij de

dertig jaar met een zwierige en trotse gestalte, de ridders beziende alsof

hij vragen wilde:--Welnu, herkent gij mij?

Maar de omstaanders antwoordden niet ras genoeg naar zijn begeerte; dan

riep hij: "Mijne heren, het schijnt UEdele vreemd een vos onder die kolder

te vinden, het is evenwel twee jaar lang dat ik er onder woon."

"Welkom! Welkom, onze duurbare vriend Diederik!" riepen de Edelen tegelijk.

"Wij dachten dat gij lang dood waart."

"Dan moogt gij God danken dat ik verrezen ben," hernam Diederik de Vos.

"Maar neen, ik was niet dood: onze gevangen broeders en Mijnheer Van

Nieuwland kunnen dit getuigen. Ik heb ze allen getroost, want als een

reizende Priester mocht ik bij de gevangenen gaan; de Heer vergeve mij het

Latijn dat ik gesproken heb! Ja, ja, Mijne heren, lacht niet, ik heb Latijn

gesproken. Ik breng tijdingen van al onze ongelukkige landgenoten voor hun

bloedverwanten of vrienden."

Enigen der ridders wilden hem over het lot der gevangenen ondervragen, maar

hij weerde dit af en ging voort: "Om Gods wil, vraagt mij nu niets over dit

punt, ik heb u gewichtiger zaken te verhalen. Luistert en beeft niet, want

al schertsend breng ik u een droevig nieuws. Gij hebt het juk afgeschud en

nu zijt gij vrijgevochten, ik betreur dat ik dit feest niet heb mogen

bijwonen. Eer zij u, edele ridders en goede Burgers, dat gij het Vaderland

verlost hebt: ook verzeker ik u dat, indien de Vlamingen binnen vijftien

dagen geen nieuwe boeien hebben, al de duivelen der hel niet bekwaam zullen

zijn om hun de vrijheid nog te ontroven;--maar daaraan twijfel ik sterk."

"Verklaar u dan, Mijnheer Diederik," riep Gwyde, "verklaar uw voorgevoel en

maak ons niet bevreesd door onverstaanbare woorden."

"Welaan, ik zeg u dat er voor de stad Rijsel tweeënzestigduizend Fransen

gelegerd zijn.[107]"

"Tweeënzestigduizend!" herhaalden de ridders, elkander met benauwheid

beziende.

"Tweeënzestigduizend!" herhaalde Breydel, terwijl hij zijn handen met

blijdschap in elkander wreef. "O God, wat schone kudde!"

Deconinck liet het hoofd voorover hellen, en zonk in diepe bedenking; dit

was altijd het eerste dat de vernuftige Deken der wevers in de uiterste

omstandigheden deed. Dan berekende hij spoediglijk het gevaar en de

middelen om het af te weren.

"Ik verzeker u, Mijne heren," hernam Diederik de Vos, "dat er meer dan

tweeëndertigduizend ruiters en wel zo veel voetknechten zijn. Zij roven en

verkrachten alsof zij daardoor de hemel verdienen moesten."

"Zijt gij wel zeker van die kwade tijding?" vroeg Gwyde met angst. "Heeft

degene, die u dit gezegd heeft, u niet bedrogen, Mijnheer Diederik?"

"Neen, neen, edele Gwyde, ik heb het met mijn ogen gezien en heb

gisteravond in de tent van de Seneschalk Robert d'Artois gegeten. Hij heeft

op zijn eer voor mij gezworen dat de laatste Vlaming door zijn hand zal

sterven. Ziet nu wat gij doen kunt, wat mij betreft: ik ga ten spoedigste

een harnas aandoen; en al ware het dat ik alleen tegen die

tweeënzestigduizend vervloekte Fransen moest vechten, zou ik geen voet

achteruit gaan; ik wil de slavernij van Vlaanderen niet meer zien."

Jan Breydel kon zich geen ogenblik stilhouden; hij verplaatste gedurig zijn

voeten en bewoog de armen met onrust. Indien hij had mogen spreken! Maar de

eerbied voor de bijzijnde heren weerhield hem. Gwyde en de andere Edelen

bezagen elkander met radeloze droefheid: tweeëndertigduizend welgeoefende

ruiters! Dit scheen hun te veel om weerstand te kunnen bieden. In het

Vlaamse leger waren slechts de vijfhonderd Naamse ruiters die Gwyde met

zich gebracht had: wat vermocht dit klein getal tegen de schrikkelijke hoop

der vijanden?

"Wat zullen wij doen?" vroeg Gwyde. "Hoe zullen wij het Vaderland toch

redden?"

Enigen waren van gevoel zich in de stad Brugge op te sluiten, totdat het

Franse leger uit gebrek aan levensmiddelen zou vertrekken; anderen weder

wilden recht tegen de vijand optrekken en hem des nachts overvallen. Nog

meer middelen werden er voorgesteld doch de meeste werden als schadelijk

verworpen, en de andere waren onuitvoerbaar.

Deconinck stond nog met gebogen hoofd te denken; hij luisterde wel op

hetgeen er gezegd werd, maar dit belette hem niet in zijn overwegingen

voort te gaan.

Eindelijk vroeg Gwyde hem welke middelen hij in zulke droeve toestand kon

aanwijzen.

"Edele heer," antwoordde Deconinck, het hoofd oprichtende, "indien ik

bevelhebber was, zou ik mij op de volgende wijze gedragen: in aller haast

zou ik met de ambachten van Brugge naar Kortrijk vertrekken om de Kastelein

van Lens te verjagen, dan zouden de Fransen die stad niet als de

steunplaats hunner werkingen in ons land kunnen gebruiken; daardoor zouden

wij een veilige bergplaats voor de vrouwen en kinderen en voor onszelf

hebben, want Kortrijk met het kasteel is sterk, terwijl Brugge, gelijk het

nu is, geen enkele stormloping kan uitstaan. Ik zou reeds op het

tegenwoordig uur dertig boden te paard in al de steden van Vlaanderen

zenden met de tijding der komst van de vijand, en al de Klauwaards naar

Kortrijk roepen; insgelijks zou ik Mijnheer Van Gulik en Mijnheer Van

Renesse derwaarts doen komen. In dier voege, edele Graaf, ben ik zeker dat

er binnen vier dagen dertigduizend strijdbare Vlamingen in het leger zijn

zullen, en dan moeten wij de Fransen zozeer niet vrezen."

De ridders luisterden met een plechtig stilzwijgen, zij bewonderden de

buitengewone man, die in zo korte ogenblikken een algemeen krijgsontwerp

gevormd had en zulke heilzame maatregelen voor hen ontvouwde. Alhoewel zij

de bekwaamheid van de Deken kenden, konden zij met moeite zich overtuigen

dat een wever, een man uit het gemene volk, met zoveel vernuft kon begaafd

zijn.

"Gij hebt meer verstand dan wij allen," riep Diederik de Vos, "ja ja, dit

zij zo gedaan, wij zijn sterker dan wij dachten. Nu verdraait het blad; ik

geloof dat de Fransen zich hun komst zullen berouwen."

"Ik dank God dat hij u deze gedachte heeft ingeboezemd, meester Deconinck,"

hernam de jonge Graaf. "Uw goede diensten zullen niet onbeloond blijven. Ik

wil mij volgens uw raad gedragen, want hij spruit uit de diepste wijsheid.

Meester Breydel, ik hoop dat gij de mannen, die gij ons beloofd hebt, zult

aanbrengen."

"Achtduizend heb ik gezegd, edele Graaf," viel Breydel uit. "Welaan! Nu zeg

ik tienduizend. Ik wil niet dat er een enkel gezel in Brugge blijve, jong

en oud het moet er al tegenwoordig zijn. Ik zal wel zorgen dat de Fransen

ons niet ineens over het lichaam zullen lopen,--en deze Dekens, mijn

vrienden, zullen dit ook doen, ik weet het."

"Voorwaar, edele heer," riepen de Dekens tegelijk, "er zal niemand

ontbreken, want iedereen verlangt de strijd."

"De tijd is te kostelijk om ons nog langer op te houden," sprak Gwyde.

"Gaat nu spoedig uw ambachten vergaderen; binnen twee uur zal ik tot de

tocht veerdig zijn, en aan het hoofd van uw scharen op de Vrijdagmarkt mij

bevinden. Gaat, ik ben voldaan over uw toegenegenheid en moed."

Allen verlieten de zaal. Gwyde zond op staande voet een groot getal boden

in alle richtingen, met bevelen voor de Edelheren die nog getrouw aan het

Vaderland gebleven waren; insgelijks deed hij aan Willem van Gulik

boodschappen dat hij met Mijnheer Jan van Renesse te Kortrijk komen

moest[108].

De schriklijke tijding verspreidde zich op weinig tijds door de stad.

Naarmate het nieuws van de ene tot de andere overging, vergrootte het getal

der vijanden verwonderlijker wijze, weldra waren de Fransen, volgens het

rondlopend gezegde, tot boven de honderdduizend man sterk. Het is te denken

hoe bang en hoe bedroefd de vrouwen en kinderen op die aankomende dood

werden; in alle straten zag men wenende moeders, die haar benauwde dochters

met liefde en medelijden omarmden. Het was zichtbaar in haar stijve ogen,

dat zij voor haar nog een schrikkelijker kwaad dan de dood vreesden: de

kinderen huilden, omdat zij hun moeder zagen wenen, en beefden, zonder het

gevaar, dat hen bedreigde, gans te verstaan. De smartvolle klachten, en de

uitdrukking van de stervensnood, welke op het gelaat dier zwakke schepsels

te lezen stond, streden verwonderlijk met de trotse en onrustige houding

der mannen.

Van alle kanten kwamen de ambachtslieden met hun wapens aangelopen; het

geratel der ijzeren platen, die sommigen aan het lichaam hingen, klonk

krijsend in het oor, en mengde zich, als in een spotgezang, met het akelig

wee! wee! der benauwde vrouwen en kinderen. Wanneer enige mannen elkander

in de straat ontmoetten, bleven zij een ogenblik staan, om zich enige

woorden toe te sturen en dan vloekten zij dat zij wilden sterven of

zegepralen. Hier en daar voor de deur ener woning zag men een huisvader

zijn vrouw en zijn kinderen beurtelings omhelzen; maar dan vaagde hij

welhaast de droeve traan uit zijn ogen, en verdween, als een schicht, met

zijn wapens in de richting der Vrijdagmarkt. De moeder bleef lang nog op de

dorpel harer woning staan, en bezag nog lange tijd de hoek, achter dewelke

de vader harer kinderen was verdwenen. Dit vaarwel scheen haar een eeuwig

afscheid, tranen barstten overvloedig onder haar wimpers uit; dan hief zij

haar snikkende kinderen van de grond, en liep vol wanhoop naar binnen.

De ambachten stonden sedert korte tijd in lange rijen op de Vrijdagmarkt

geschaard; Breydel had zijn belofte volbracht, hij telde twaalfduizend

gezellen van allerlei ambachten onder zich. De bijlen der beenhouwers

blonken als spiegels in het zonnelicht, en maakten de aanschouwer blind,

want men blikte niet ongestraft in die brede vuurgloed. Boven de schaar

der wevers staken tweeduizend Goedendags met hun ijzeren punten in de

hoogte; onder hen was ook een bende met kruisbogen. Gwyde stond op het

midden der plaats, met een twintigtal edele ridders rondom zich; hij

wachtte totdat de overige gezellen, die men om de in de stad zijnde karren

en paarden gezonden had, terugkwamen. Een wever door Deconinck naar de

klokkentoren gezonden, kwam op dit ogenblik met het grote vaandel van

Brugge op de Markt: zohaast de ambachtslieden de blauwe Leeuw ontwaarden,

klom een schriklijk geschreeuw, een vervoerend gejuich boven hun scharen:

zij herhaalden zonder ophouden dezelfde roep, die in de bloedige nacht het

teken der wraak geweest was.

"Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is, vals is!"

En dan bewogen en wrongen zij hun wapens alsof de vijand reeds voor hen

geweest ware.

De legertros op de wagens geladen zijnde, hieven de bazuinen hun

schaterende klanken aan, en de Bruggelingen verlieten, met vliegend vaandel

hun stad langs de Gentpoort. Wanneer de vrouwen zich aldus zonder één

beschermer zagen, werden zij met nog meer benauwdheid bevangen; nu scheen

het haar dat zij niets meer dan de dood te verwachten hadden. In de

namiddag verliet Machteld de stad met al haar dienaren en vrouwen: dit

vertrek gaf aan vele anderen de gedachte dat zij in Kortrijk veiliger

zouden kunnen wonen. Meteen werd alles door haar ingepakt, en de deuren

gesloten hebbende, gingen zij met haar kinderen ter Gentpoort

uit.--Ontellijke huisgezinnen liepen in dier voege met verscheurde voeten

op de weg naar Kortrijk, en zaaiden hun bittere tranen tussen het gras dat

bij de boord der baan groeide.

In Brugge werd het zo stil als in een graf.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação