Hoofdstuk 5 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 5 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

5

_Ik val, dus sprak hy, als een offer van 't vertrouwen

Rampzalig die op 't woord eens vuigen dwinglands bouwen!_

H H KLYN, _PHILIPS VAN EGMOND_

Het was diep in de avond als Johanna van Navarra te Compiègne aankwam.

Terwijl zij met list en bedreigingen het vonnis der Vlamingen aan de

wankelbare Koning onttrok, zat de Graaf Gwyde met zijn edele Leenmannen in

een zaal zijner woning. De wijn werd er menigmaal in zilveren schalen

rondgeschonken en men deelde zich onderling de blijde hoop en de troostende

vooruitzichten mede.

Reeds hadden zij het voorwerp hunner rustige redekaveling dikwijls

veranderd, wanneer Diederik de Vos, die als boezemvriend van Robrecht in

het huis van de Graaf geherbergd was, in de zaal kwam en bij het gezelschap

naderde.

Hij bleef zonder spreken staan, en bezag beurtelings de oude Graaf en zijn

twee zonen. Er was op zijn gelaat een diepe smart en innig medelijden

geprent. Mits hij steeds vrolijk en gulhartig was, verschrikten de ridders

niet weinig bij het gezicht dier mistroostigheid; want zij dachten wel dat

een kwade tijding zijn wezenstrekken dus had verduisterd.

Robrecht van Bethune was de eerste die zijn aandoening door woorden te

kennen gaf.--Hij riep: "Is u de tong uitgevallen, Diederik? Spreek!--En zo

gij ons moet bedroeven, laat dan uw boertige taal achter, ik bid u."

"Het heeft geen nood, Mijnheer Robrecht," antwoordde Diederik, "maar ik

weet niet hoe u die tijding aan te kondigen; want het pijnt mij dat ik een

ongeluksbode zijn moet."

De vrees drukte zich op de aanzichten der toehoorders uit; zij bezagen

Diederik met angstige nieuwsgierigheid. Deze nam een schaal, schonk ze vol

wijn en sprak na gedronken te hebben: "Dit zal mij de nodige moed geven.

Luistert dan, en vergeeft het uw trouwe dienaar De Vos, dat zijn mond u

zulk nieuws brengen moet.--Gij hebt geloofd dat Philippe le Bel u in genade

zou ontvangen, en gij hadt er reden toe; want hij is een edelmoedig Vorst.

Hij achtte zich eergisteren gelukkig u de grootmoedigheid zijns harten te

betonen; maar dan was hij niet, gelijk nu, door boze geesten bezeten."

"Wat is dit!" riepen de ridders verbaasd. "Is de Koning geplaagd?"

"Mijnheer Diederik," sprak Robrecht strengelijk, "laat die verbloemde

woorden, gij hebt ons iets anders te zeggen. Het schijnt dat het niet

gemakkelijk over uw lippen kan."

"Gij hebt het gezegd, Mijnheer Van Bethune," antwoordde Diederik, "ziehier

de zaak die mij tot de dood toe bedroeft:--Johanna van Navarra en

Enguerrand de Marigny zijn te Compiègne!"

Die namen hadden een schriklijke werking op al de ridders.

Zij werden als met stomheid geslagen en bogen hun hoofden zonder een woord

te spreken. Eindelijk hief de jonge Willem zijn armen omhoog en riep met

wanhoop: "Hemel de boze Johanna--Enguerrand de Marigny! Ho mijn arme

zuster!--Mijn vader, wij zijn verloren!"

"Welnu," zuchtte Diederik, "dit zijn de duivelen die de goede Vorst

bezitten. Ziet gij, doorluchtige Graaf, dat uw dienaar Diederik het niet

slecht voor had, wanneer hij u die strik te Wijnendale aanwees."

"Wie heeft u gezegd dat de Koningin van Navarra te Compiègne gekomen is?"

vroeg de Graaf, alsof hij nog aan de zaak twijfelde.

"Mijn eigen ogen, Mijnheer," antwoordde Diederik. "Vrezende dat men met ons

verradelijk mocht te werk gaan; want ik betrouwde mij op hun dubbelzinnige

woorden niet, heb ik gedurig gewaakt, bespied en geluisterd. Ik heb Johanna

van Navarra gezien--haar stem heb ik gehoord. Ik verpand mijn eer voor de

echtheid mijner woorden."

"Hoort, Mijne heren," sprak Wouter van Lovendegem, "Diederik zegt ons de

waarheid, Johanna van Navarra is bij de Koning, mits hij zijn trouw ervoor

verpandt. De ongenadige Vorstin zal alles inspannen om onze zaak te

bederven; en God weet welke middelen zij daartoe heeft. Het beste dat wij

doen kunnen is met haastigheid te overleggen hoe wij uit de strik geraken

zullen. Indien men ons kwam aanhouden zou het te laat zijn."

De oude Graaf werd droef en wanhopig. Hij kon in zulke gevaarlijke toestand

niets vinden dat hem mocht redden; want te midden op des Konings

grondgebied zijnde, scheen de vlucht naar Vlaanderen hem onmogelijk.

Robrecht van Bethune raasde morrend en vervloekte innerlijk de reis, die

hem zo weerloos in de handen der vijanden geleid had.

Terwijl zij allen in een somber stilzwijgen de mistroostige Graaf bezagen,

kwam een hofknaap bij de deur der zaal en riep: "Mijnheer De Nogaret,

gezonden des Konings!"

Een plotselinge beweging gaf de benauwdheid die de Vlamingen bij deze

aankondiging trof, genoeg te kennen. Mijnheer De Nogaret was de gewone

uitvoerder der geheime bevelen des Konings, en nu dachten zij dat hij van

lijfwachten vergezeld, hen kwam vangen. Robrecht van Bethune trok zijn

degen uit de schede en legde hem voor zich op de tafel. De andere heren

brachten insgelijks de hand aan het wapen, terwijl zij met de ogen stijf op

de deur blikten.

In die houding waren zij wanneer Mijnheer De Nogaret binnenkwam. Hij boog

zich hoffelijk voor de ridders en zich tot Gwyde kerende sprak hij: "Graaf

van Vlaanderen! Mijn genadige Koning en Meester begeert dat gij morgen ten

elf ure vóór noen, met uw Leenmannen ten Hove kome om in het openbaar hem

de vergiffenis uws verbrekens af te smeken. De komst der doorluchtige

Koningin van Navarra heeft dit bevel verhaast--zij heeft zelf om uw genade

bij de Vorst haar gemaal gebeden, en heeft mij belast u te zeggen dat uw

onderwerping haar zeer aangenaam is. Tot morgen dan, Mijne heren. Vergeeft

mij dat ik u zo spoedig verlaat.--Hare Majesteit wacht mij--ik mag niet

beiden. De Heer hebbe u in zijn hoede!"

Hij verliet de zaal bij deze groet.

"De Hemel zij gedankt, Mijne heren," sprak Gwyde. "De Koning is ons

genadig; nu mogen wij getroost en verheugd ter ruste gaan. Gij hebt de

begeerte des Konings verstaan, gelieft u bereid te maken om aan dezelve

betamelijk te voldoen."

De blijdschap kwam onder de ridders terug. Zij spraken nog enige tijd over

de vrees van Diederik en de gelukkige uitval die hun beloofd was: de

laatste schaal wijns werd op het heil van hun Graaf geledigd.

Als zij meenden te scheiden vatte Diederik de hand van Robrecht en sprak

met doffe stem: "Vaarwel, mijn vriend en meester! Ja vaarwel; want wellicht

zal mijn hand de uwe voor lang niet kunnen drukken. Denk dat uw dienaar

Diederik u altijd bijstaan en troosten zal, in wat plaats,--in wat kerker

gij u bevinden moogt."

Robrecht zag een traan onder het ooglid van Diederik glinsteren en verstond

door dezelve hoe diep zijn trouwe vriend geroerd was.

"Ik versta u, Diederik," morde hij hem in het oor. "Wat gij vreest, voorzie

ik ook; maar er is geen uitkomst aan. Vaarwel dan tot betere dagen!"

"Mijne heren," riep Diederik heengaande, "indien gij enige tijding voor uw

bloedverwanten naar Vlaanderen te zenden hebt, raad ik u dezelve spoedig

klaar te maken, ik zal uw bode zijn!"

"Wat zegt hij!" riep Wouter van Lovendegem. "Zult gij met ons niet ten Hove

gaan, Diederik?"

"Jawel, ik zal bij u en nevens u zijn; maar gij lieden noch de Fransen zult

mij kennen. Ik heb het gezegd: Philippe zal De Vos niet krijgen, bij mijn

ziel. God bescherme u, Mijne heren."

Hij was reeds ter deure uit als hij die laatste groet hun toestuurde.

De Graaf vertrok zich met zijn hofknaap, en de anderen verlieten insgelijks

de zaal om zich te bed te begeven.

Op het gestelde uur kon men, in een wijde zaal van het paleis des Konings,

de Vlaamse ridders met hun oude Graaf zien staan. Hun wapenen hadden zij in

de voorkamer moeten afleggen. Blijdschap en genoegen blonk op hun gelaat,

alsof zij zich op voorhand over de beloofde genade verheugden. Het aanzicht

van Robrecht van Bethune verschilde in uitdrukking van al de andere: een

bittere spijt en inwendige razernij was erop te lezen. De moedige Vlaming

kon de trotse blikken der Franse heren niet over het hart krijgen; en ware

het niet uit liefde tot zijn vader geweest, hij had weldra menige rekening

erover gevraagd. De dwang, die hem door de noodwendigheid was opgelegd,

werkte pijnlijk in zijn boezem, en menigmaal kon een nauwkeurig oog

bemerken, dat zijn vuisten zich toewrongen, alsof zij enige banden breken

wilden.

Charles de Valois stond bij de oude Gwyde en sprak vriendelijk met hem, het

ogenblik afwachtende dat hij op bevel des Konings, zijn broeder, de

Vlamingen voor de troon zou leiden.

Enige Abten en Prelaten waren ook in de zaal tegenwoordig.

Bij dezelve bevond zich menig treffelijk Burger van Compiègne, die men met

inzicht tot deze plechtigheid had toegelaten.

Terwijl iedereen zich, met over de zaak van Gwyde te spreken, bezig hield,

kwam er een oude pelgrim in de zaal. Zijn hoofd helde ootmoediglijk met de

brede hoed voorover, in zulker voege dat men van zijn gelaatstrekken weinig

kon zien. Een bruine palsrok met schelpen versierd, verborg de vormen van

zijn lichaam en een lange stok met een drinkvat, ondersteunde zijn stramme

leden. Zodra de Prelaten hem bemerkten, kwamen zij tot hem en belaadden hem

met allerlei vragen. De ene begeerde te weten hoe het met de christenen in

Syrië gelegen was, de andere hoe het met de oorlog in Italië stond, een

derde vroeg of hij geen kostelijke overblijfsels van Heiligen had

medegebracht, en meer zaken die men de pelgrims vraagt. Hij antwoordde op

dit alles gelijk iemand die deze landen maar onlangs verlaten had, en

vertelde zoveel wonderlijke dingen, dat de omstaanders hem met eerbied en

nieuwsgierigheid aanhoorden. Alhoewel zijn gezegden doorgaans ernstig en

treffend waren, kwamen er echter somtijds zulke boertige woorden uit zijn

mond, dat de Prelaten zelf in lachen moesten uitbarsten. Weldra waren er

meer dan vijftig personen om hem geschaard, enige brachten de eerbied en de

bewondering zo ver, dat zij in stilte hun handen over zijn palsrok lieten

gaan, denkende dat hun dit een zegen zou toebrengen. Nochtans was die

wonderlijke pelgrim geen wandelaar; de landen die hij zo goed scheen te

kennen had hij slechts in zijn jongheid bezocht, en wist niet veel meer van

hetgeen hij er gezien had; maar wanneer het geheugen hem ongehoorzaam was,

kwam zijn inbeelding hem helpen; dan vertelde hij bovennatuurlijke zaken en

lachte in zichzelf over degenen die hem geloofden. Het was Diederik de Vos.

Niemand bezat als hij de kunst om zich te hervormen en in alle gedaanten te

herscheppen. Hij kon zijn aanzicht door waters en kleuren verouderen of

jonger maken, en dit met zoveel kunde dat zelfs zijn vrienden hem niet

konden herkennen. Terwijl hij in het woord der Franse Vorsten niet het

minste vertrouwen had en dat zoals hij het de Graaf gezegd had, hij niet

wilde gedogen dat men De Vos vangen zou, had hij zich aldus verkleed om

niet in de handen der vijanden te vallen.

Weinige tijd hierna kwamen de Koning en Koningin met een talrijke stoet van

ridders en staatjuffers in de zaal, en plaatsten zich op de troon. De

meeste Franse heren schikten zich op twee rijen langs de wand; de anderen

bleven in de nabijheid der burgers staan. Twee wapenboden met de banieren

van Frankrijk en van Navarra plaatsten zich aan beide zijden van de troon.

Op een teken des Konings kwam Charles de Valois met de Vlaamse Edelen

vooruit. Deze bogen de ene knie op fluwelen kussens voor de troon, en

bleven stilzwijgend in die ootmoedige houding zitten. Aan de rechterzijde

des Graafs zat zijn zoon Willem en aan de linkerzijde, in de plaats van

Robrecht van Bethune, zat Wouter van Maldegem, een edel heer.

Robrecht was tussen de Franse ridders blijven staan: het gelukte hem in den

eerste, niet door Philippe le Bel bemerkt te worden.

De klederen der Vorstin Johanna waren schitterend van goud en gesteenten,

en de koninklijke kroon die haar hoofd omving, glansde tegen het daglicht

met haar duizend diamanten op. Hoogmoedig en verwaand, smeet de trotse

Vrouw verachtende blikken op de Vlamingen die voor haar geknield zaten, en

grimlachte met een hatelijke uitdrukking, terwijl zij de oude Graaf met

inzicht zo lang liet wachten. Eindelijk suisde zij enige woorden in het oor

van Philippe le Bel, en deze sprak met luider stem tot Gwyde: "Ontrouwe

Vazal! In onze koninklijke genade hebben wij het billijk geacht uw

verbreken te doen onderzoeken om te zien of het ons veroorloofd was u te

vergeven; maar wij hebben bevonden dat de vaderliefde slechts tot dekmantel

uwer weerspannigheid gediend heeft, en dat een misdadige hoogmoed u tot

ongehoorzaamheid heeft aangespoord."

Terwijl de Koning deze woorden sprak, kwam de verbaasdheid en de schrik in

de harten der ridders. Nu merkten zij de strop die hun door Diederik de

Vos was aangetoond. Mits Gwyde zich niet bewoog, bleven zij ook nog

geknield zitten. De Koning ging voort: "Een Vazal die valselijk tegen zijn

Landheer en Koning opstaat, verbeurt zijn leen, en die, welke met de

vijanden van Frankrijk aanspant, verbeurt zijn leven. Gij hebt de bevelen

van uw Koning wederstaan, gij hebt met Edward van Engeland, onze vijand, de

wapenen tegen ons opgenomen en de oorlog tegen ons gevoerd[39]. Daarom hebt

gij als een valse Leenman het leven verbeurd; nochtans willen wij dit

vonnis niet haastig ten uitvoer brengen en zullen de zaak met rijp oordeel

doen onderzoeken. Derhalve zult gij en de Edelen, die in uw weerspannigheid

gedeeld hebben, in hechtenis gehouden worden, totdat het ons believe andere

schikkingen ten uwen opzichte te nemen."

Charles de Valois die deze rede met diepe hartpijn had aanhoord, kwam voor

de troon en sprak: "Mijn heer en Koning! Het is u bekend met welke trouw ik

uwe Majesteit, als de geringste uwer onderdanen, gediend heb. Nooit heeft

iemand kunnen zeggen dat ik mijn wapenen door een schijn van lafheid of

valsheid heb besmet.--En zult gij het zelf zijn, o Koning! die mijn eer--de

eer uws broeders zult schenden? Zult gij mij tot een verrader maken--en zal

het hoofd uws broeders onder de naam van valsridder bukken moeten? O Sire,

overdenk dat ik Gwyde van Vlaanderen een vrij geleide gegeven heb, en dat

gij mij nu tot meinedige maakt!"

Bij deze woorden was Charles de Valois allengskens in woede ontstoken. Zijn

blik had zulke ongemene kracht dat Philippe le Bel op het punt was zijn

vonnis te herroepen. Daar hij zelf de eer als het hoogste goed eens ridders

waardeerde, gevoelde hij in zijn hart wat pijn hij zijn trouwe broeder

aandeed. Terwijl waren de Vlamingen van de grond opgestaan: zij luisterden

angstiglijk op de uitval van Mijnheer De Valois. De overige aanschouwers

bewogen zich niet en wachtten met schrik op hetgeen er nog moest gebeuren.

De Koningin Johanna gaf aan haar gemaal geen tijd om te antwoorden.

Vrezende dat haar prooi mocht ontsnappen, riep zij met nijdige drift:

"Mijnheer De Valois, het is u niet veroorloofd de vijanden van Frankrijk te

verdedigen, Gij maakt u aan ontrouw schuldig. Dit is de eerste maal niet

dat gij u tegen de wil uws Konings verzet."

"Mevrouw," viel Charles bitsig uit, "u betaamt het niet de broeder van

Philippe le Bel van ontrouw te beschuldigen.--Zal er om uwentwil gezegd

worden, dat Charles de Valois een ongelukkige Landheer verraden heeft?--Zal

die schande over mijn wapenen komen! Neen o Hemel! Dit zal niet geschieden.

Ik beroep u, Philippe, mijn Vorst en mijn broeder, zult gij lijden dat het

bloed van de heilige Lodewijk in mij besmet worde? Zal dit de beloning

mijner trouwe diensten zijn?"

Men kon bemerken dat de Koning bij Johanna aanhield om het strenge vonnis

te verzachten, doch zij, onverbiddelijk in haar haat tegen de Vlamingen

zijnde, dreef het gebed van de Vorst met trotsheid af, en werd op de

woorden van Charles de Valois zo rood dat zij gloeiend scheen. Eensklaps

riep zij met kracht: "Hola lijfwachten! De wil des Konings geschiede--dat

men die valse Leenmannen vange[41]!"

Ontellijke soldeniers der lijfwacht drongen op die roep langs al de deuren

in de zaal. De Vlaamse ridders lieten zich zonder tegenweer in hechtenis

nemen: zij wisten dat geweld hen niet redden kon; want zij waren ongewapend

en door te veel vijanden omringd.

Een der oversten kwam bij de oude Gwyde en legde de hand op zijn schouder,

zeggende: "Heer Graaf, ik vang u bij de Koning, mijn Meester."

De Graaf van Vlaanderen aanzag hem droevig en zich naar Robrecht kerende

zuchtte hij: "O mijn ongelukkige zoon!"

Robrecht van Bethune stond stijf en beweegloos met dwalende ogen bij de

Franse ridders, die hem met ondervragende blikken bezagen. Alsof een

onzichtbare hand hem met een toverroede geraakt had, liep er een

stuiptrekkende beweging over zijn lichaam; al zijn spieren spanden zich

tegelijk en de bliksem scheen uit zijn ogen te stralen. Hij sprong als een

Leeuw vooruit en deed de ganse zaal onder de galmen zijner reuzenstem

dreunen. Hij schreeuwde: "Bij mijn zaligheid! Ik heb een onedele hand op de

schouder mijns ouden vaders zien vallen. Zij zal erop blijven of ik sterve

de dood!"

In zijn loop rukte hij de helmbijl met geweld uit de handen van een

soldenier[40]. Een akelige gil ontvloog de bijzijnde ridders en allen

trokken hun degens; want zij dachten dat het leven der Vorsten in gevaar

was. Weldra verging die vrees; want de slag van Robrecht was gegeven.

Gelijk hij gezworen had, deed hij. De arm van degene die zijn vader geraakt

had, lag met de vermetele hand op de grond en bloed stroomde in overvloed

uit de schriklijke wonde.

De soldeniers liepen in groot getal naar Robrecht om zich van hem meester

te maken; doch hij, blind en uitzinnig door woede, zwaaide de helmbijl in

vluchtige cirkels rond. Niet één dorst zich onder zijn bereik wagen.

Misschien zouden er meer ongelukken voorgevallen zijn; maar de oude Gwyde,

angstig voor het leven zijns zoons bekommerd, riep hem smekend toe:

"Robrecht, mijn brave zoon, o geef u over om mijnentwille--doet het, ik

verzoek het u--Ik beveel het!"

Bij deze woorden, die hij met een vermurwende uitdrukking had gesproken,

sloeg hij zijn armen om de hals van Robrecht en zijn aanzicht tegen de

borst van zijn zoon drukkende, voelde deze de tranen zijns vaders op zijn

hand neervallen. Dan verstond hij de wijdte zijner onbezonnenheid. Zich

uit de armen van de Graaf rukkende wierp hij de helmbijl met kracht over de

hoofden der wachten tot tegen de wand en riep: "Komt, vervloekte

huurlingen! Men vange nu de Leeuw van Vlaanderen. Vreest niet meer, hij

levert zich."

In groot getal vielen de soldeniers op hem aan, en namen hem gevangen.

Terwijl hij met zijn vader uit de zaal geleid werd, riep hij tot Charles de

Valois: "Uw wapens zijn niet besmet. Gij waart en zijt nog de edelste

ridder van Frankrijk--uw trouw blijft ongeschonden. Dit zegt de Leeuw van

Vlaanderen, dat men het hore!"

De Franse ridders hadden hun degens weder in de schede gestoken, zodra zij

bemerkt hadden dat het leven der Vorsten niet bedreigd was. Met de

aanhouding der Vlamingen mochten zij zich niet verder bemoeien: dit was een

werk dat hun adel zou te kort gedaan hebben.

Er waren in de harten des Konings en der Koningin zeer verschillende

gevoelens. Philippe le Bel was droef en betreurde het gevelde vonnis,

Johanna integendeel was blijde om de tegenstand van Robrecht. Hij had in de

tegenwoordigheid des Konings een zijner dienaars durven wonden: dit was een

feit dat haar krachtdadig in haar wraakzuchtige ontwerpen mocht dienen.

De Koning kon zijn ontroering en droefheid niet bedekken en wilde tegen de

begeerte zijner trotse gemalin de troon en de zaal verlaten. Hij stond

recht en sprak: "Mijne heren, wij betreuren de onstuimigheid dezes verhoors

uitermate, en zouden bij deze gelegenheid UEdele liever blijken onzer

genade gegeven hebben; maar tot onze grote droefheid heeft dit, in het

belang onzer kroon, niet mogen geschieden. Onze koninklijke wil is, dat gij

waakt, opdat de rust in ons paleis niet verder gestoord worde."

De Koningin stond ook op en meende met haar gemaal de trappen van de troon

af te gaan; maar een nieuwe zwarigheid weerhield hen tegen hun dank.

Charles de Valois had lang in diepe bedenking bij het einde der zaal

gestaan. De eerbied en de liefde die hij zijn broeder toegewijd had, vocht

lang in hem tegen de spijt dat dit verraad hem baarde. Opeens brak zijn

woede los: hij werd wit, rood en blauw in zijn aanzicht, en liep nu als

razend voor de Koningin.

"Mevrouw," schreeuwde hij, "gij zult mij niet ongestraft onteren! Luister,

Mijne heren; ik spreek voor God, onzer allen rechter: Gij, Johanna van

Navarra, zijt het die het Vaderland uitput door uw verkwistingen:--Gij zijt

het die het Rijk van mijn edele broeder te schande maakt, Gij zijt de vlek

en de hoon van Frankrijk. De onderdanen des Konings hebt Gij door het

vervalsen der munten en onbillijke afpersingen ongelukkig gemaakt--En zou

ik U nog dienen! Neen, Gij zijt een valse en verraderlijke Vrouw[42]!"

Razend trok hij zijn degen uit de schede, brak hem op zijn knie aan twee,

en sloeg de stukken met zoveel geweld tegen de grond dat zij tot op de

trappen van de troon terugsprongen.

Johanna was paars van spijt en toorn; haar wezenstrekken hadden niets

vrouwelijks meer in zich, zodanig waren dezelve in een helse uitdrukking te

samen getrokken: men zou gezegd hebben dat zij door een beroerdheid

geslagen was.

"Vangt hem! Vangt hem!" barstte zij uit.

De lijfwachten die nog in de zaal waren, wilden dit gebod volbrengen, en

reeds was de Hopman tot bij Mijnheer De Valois genaderd; maar de Koning,

die zijn broeder ten hoogste beminde, kon dit niet dulden.

"Wie Mijnheer De Valois aanraakt, zal heden nog sterven!" riep hij.

Op die bedreiging bleven de wachten beweegloos staan. De Valois verliet de

zaal zonder hinder, niettegenstaande het geroep der uitzinnige Koningin.

Zo eindigde dit onstuimig toneel:--Gwyde werd te Compiègne gevangen gezet,

men voerde Robrecht te Bourges in het land van Berry en zijn broeder Willem

te Rouen in Normandië.

De overige Vlaamse heren werden elk in een bijzondere stad gekerkerd;

invoege dat zij allen, alleen en zonder elkander te kunnen troosten, in de

gevangenis bleven zitten.

Diederik de Vos was de enige die in Vlaanderen terugkeerde; want onder zijn

palsrok had men hem niet herkend.

Charles de Valois vertrok met hulp zijner vrienden op staande voet naar

Italië en kwam niet weder in Frankrijk dan na de dood van Philippe le Bel,

wanneer Louis Hutin de troon beklommen had. Alsdan betichtte hij Enguerrand

de Marigny van veel misdaden tegen de staat, en deed hem aan de galg te

Montfaucon ophangen. Het is echter een waarheid, dat de dood van die

minister meer aan de aanhouding van de Graaf Gwyde, dan aan zijn eigen

misdaden te wijten is, en dat Charles de Valois hem deed hangen om zich

over dit verraad te wreken.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação