Hoofdstuk 14 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 14 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 14

Hoofdstuk 14

14

_Verdraecht soe wie ghi syt;

Want wie verdraecht hi wint den stryt

Verdraghen en es ghene blame;

Het es een dinc van hoghen name._

BELGISCH MUSEUM

Enige stonden nadat Breydel het verdelgde slot Male verlaten had, kwam hij

met zijn beenhouwers te Sint-Kruis. Reeds onderweg waren hem menige

Bruggelingen tegemoet gekomen, en hadden hem verwittigd dat de Franse

bezetting der stad te wapen gelopen was, om hem af te wachten. Door de

behaalde zegepraal nog gans vervoerd, luisterde hij naar geen waarschuwing

en achtte zich machtig genoeg om, in weerwil der Fransen, in Brugge te

treden; maar enige stappen voorbij het dorp Sint-Kruis werd hij met zijn

beenhouwers door een onverwachte hinderpaal wederhouden.

De baan was tot aan de stadspoort zodanig met mensen overdekt dat het

onmogelijk ware geweest door derzelver dichtgesloten scharen heen te

dringen. Alhoewel het nog duister nacht was, kon men echter aan de

duizenden stemmen, die zich bruisend mengden, wel herkennen dat een

ontelbaar gevaarte de stad ontvlood. Verwonderd en verbaasd bezag Breydel

dit volk, dat als een golvende zee vooruitdreef,--en schikte zich met zijn

mannen bij de boord der baan.

De vluchtelingen liepen niet verward door elkander; ieder huisgezin vormde

op zich een afzonderlijk gedeelte, en mengde zich niet met anderen. Een

wenende vrouw was in het midden van ieder hoopje, op haar schouder leunde

een stokoude vader, aan haar borst hing een zuigeling, en aan haar handen

liepen schreiende en afgematte kinderen.

Achter haar volgden oudere zonen, die onder de last van het huisraad en

beddengoed moesten bukken. Zulke troepjes waren er oneindig veel, enigen

hadden kleine wagens vol gevluchte waren, anderen zaten te paard; echter

was het getal dergenen, die zich met lastdieren mochten behelpen, zeer

gering.

Begerig om de oorzaak van die wonderbare tocht te kennen, vroeg Breydel aan

veel der voorbijvluchtende lieden, waarheen zij zich wilden begeven en

waarom zij dus hun stad verlieten, maar de klagende uitroepingen der

vrouwen konden hem dit raadsel niet verklaren.

"O heer," riep de ene, "de Fransen willen ons levend verbranden. Wij

ontvluchten een bittere dood ...!"

"Och Meester Breydel," riep een andere, met meer pijn, "ga toch om uw

levens wil niet naar Brugge, want er staat een galg voor u boven de

Smedenpoort!"

En wanneer de Deken, door een tweede vraag, zich deze zaak wilde

ophelderen, klom een krachtiger stem als het gehuil eens wolfs boven het

gevaarte, en galmde: "Vooruit! Vooruit wij rampzaligen! De Franse ruiters

vervolgen ons!"

Dan wierp iedereen zich met wanhoop vooruit, en de hoofden der menigte

vloden in de duisternis met ongelooflijke snelheid voorbij.--Op dit

ogenblik verenigden zich meer klagende stemmen en riepen:

"Wee! Wee! Zij verbranden onze vaderstad ... Zie de vlammen verheffen zich

boven onze daken. O wee! O wee!"

Breydel, die tot daar toe verbaasd was blijven staan, wendde zijn gezicht

naar de stad en ontwaarde de kronkelende vlammen met de rode smook boven de

vesten. Woede en pijn brandden in zijn boezem; naar de stad wijzende,

barstte hij uit: "O mannen, is er een onder u laf genoeg, om zijn stad zo

te laten verdelgen? Neen, bij de ziel mijns overleden vaders! Zij zullen

zich om dit vreugdevuur niet vermaken, of de Heer straffe mij

onbarmhartiglijk--Op! Op! Werpt alles uit de weg!--Wij moeten erdoor ..."

Door zijn makkers gevolgd sprong hij met onweerstaanbaar geweld tussen de

scharen, en dreef de verschrikte huisgezinnen uiteen. Een naar gedruis, een

schriklijk gehuil ontstond, en de vluchtelingen liepen ijlings langs alle

kanten uit de baan; want zij dachten dat de Franse ruiters hun op het lijf

waren. Het was Jan Breydel niet moeilijk door deze dwalende vrouwen en

kinderen te dringen, ook kon hij zich met genoegzame snelheid voortspoeden.

Terwijl hij zich verwonderde geen strijdbare mannen of ambachtsgezellen aan

te treffen, en nutteloos naar dezelve uitzag, werd hij onverwachts in zijn

loop door een regelmatige schaar wederhouden.

Zij bestond uit een groot getal gezellen van het weversambacht, allen waren

gewapend alhoewel niet op dezelfde wijze. Zij droegen kruisbogen, messen,

bijlen of dergelijk opgenomen wapen. Een Deken of Hopman ging met statige

tred voor deze mannen, en sloot alzo de baan als met een dwarsboom af. Nog

meer zulke scharen kwamen beurtelings uit de stad, en het getal der

gewapende Bruggelingen beliep tot vijfduizend hoofden. Breydel meende bij

de Hopman te naderen, maar dan hoorde hij wat verder een stem, die het

gerucht der wapenen beheerste. Hij herkende Deconinck aan deze woorden:

"Dat er rustigheid en moed in uw harten zij, mijn gezellen! Niemand verlate

zijn gelid!--En gaat niet te driftig voort, opdat er geen wanorde onder u

kome.--Vooruit de derde schaar! Sluit op, de tros!--Hopman Lindens, breek

uw linkervleugel!"

"Bij God!" riep Jan Breydel, toen hij bij Deconinck genaderd was. "Gij

vermaakt u met schone oefeningen. Zult gij lijden dat men onze stad

verbrande? En zult gij als lafaards uw vrouwen en kinderen in de vlucht

volgen? Arme zielen die gij zijt!"

"Altijd driftig--altijd vervoerd!" antwoordde Deconinck. "Wat spreekt gij

nu van branden?--Wees verzekerd dat de Fransen niets verbranden zullen."

"Maar meester Pieter, zijt gij blind?--Ziet gij de vlam niet die boven onze

muren stijgt?"

"Welnu, dit is het stro dat wij aangestoken hebben om onze troswagens

zonder belemmering door de poort te brengen. De stad heeft geen nood, mijn

vriend. Kom terug met mij tot Sint-Kruis, ik heb u gewichtige geheimen mede

te delen:--nu is de tijd gekomen. Gij weet dat ik de zaken met koelen

bloede beoordeel, en daarom veeltijds gelijk heb; voldoe mijn begeerte en

schaar uw beenhouwers in orde vooruit.--Wilt gij?"

"Ik moet wel; want ik weet niet wat er gaande is. Houd uw wevers dan wat

staande."

Deconinck beval de aanleiders dat zij hun mannen zouden doen ophouden. Dan

verhief zich de stem van Jan Breydel, hij riep: "Macecliers, schaart u in

gelederen voor het hoofd des lichaams! Ieder in zijn bende--maakt spoed!"

Onderwijl liep hij tussen de beenhouwers en schikte ze in hun plaats.

Wanneer dit gedaan was, kwam hij weder bij Deconinck en sprak: "Wij zijn

klaar, meester, gij kunt de tocht gebieden."

"Neen, Breydel," antwoordde de Deken der wevers, "ik laat u het opperbevel

der benden over. Gebiedt gij het vertrek, gij lijkt meer dan ik naar een

legerheer."

De Deken der beenhouwers verblijdde zich grotelijks bij deze hulde, en

schreeuwde met donderende stem: "Macecliers en wevers! Op matige tred ...

Vooruit!"

Op dit bevel bewogen zich de scharen en het kleine leger ging langzaam

voort in de baan. Na weinig tijds kwamen zij te Sint-Kruis, bij de vrouwen

en kinderen, die zich aldaar met hun goederen hadden

neergeslagen.--Verwonderlijk was die verwarde legering. Ontellijke

huisgezinnen hadden zich op een uitgestrekt veld neergezet. Het ware

onmogelijk geweest op dit ogenblik verder dan enige stappen van zich iets

te onderscheiden, zo duister was de nacht; maar reeds waren er menigvuldige

vuren ontstoken, invoege dat men de bedrukte huisgezinnen in gloeiende

kringen van ver kon zien. De vlam verlichtte het beschreide wezen der

moeder met een rode glans, en toonde met welke bange liefde zij de

zuigeling tegen de uitgeputte borsten drukte. Andere kinderen lagen afgemat

op haar knieën en weenden bitter van honger en dorst, zonder dat hun enige

lafenis kon gegeven worden;--en de gepijnde moeder moest bij dit

hartnijpend gezicht voor allen lijden. Het gerucht dat boven de legerplaats

heerste, werd, bij de donkerheid en bij de toverglans der vuren, nog

vervaarlijker.--Het geschrei der kinderen, de doffe klachten der vrouwen

benepen de ziel, als het laatste gebed dat bij het graf eens vriends

gezongen wordt. Boven dit alles galmden de angstige roepen der dwalende

zonen, die hun moeder verloren hadden; en nog hoger galmde het gehuil der

honden, welke hun meester tevergeefs in de verwarring hadden gezocht.

Deconinck ging met Breydel in een huis dat bij de weg stond en gebood de

bewoners hem een kamer aan te wijzen. Met de grootste eerbied voor de Deken

der wevers boden de landlieden hem de ganse woning aan, en brachten de twee

vermaarde Bruggelingen op een kleine kelderkamer. Deconinck nam de lamp uit

de handen der vrouw die hen geleidde, en nadat zij het vertrek verlaten

had, sloot hij de deur vast toe, opdat niemand hen mocht bespieden of

verrassen; hij gaf Breydel een zetel, en plaatste zich nevens hem. Terwijl

de beenhouwer hem met nieuwsgierigheid bezag, ving hij aan: "Eerst wil ik u

verklaren waarom wij de stad des nachts en als vluchtelingen verlaten. Het

is uw schuld, door de onvoorzichtige wraak welke gij, tegen uw belofte, op

de bezetting van het slot Male gepleegd hebt. De vlammen die hemelhoog

boven het woud stegen, hebben de noodklok in onze stad doen kleppen, en al

de inwoners zijn met angst te saam gelopen;--want in deze droeve tijden

hebben zij altijd de dood voor ogen. Mijnheer De Mortenay had zijn Franse

soldeniers, zonder ander inzicht dan voor eigen veiligheid, op de markt

geschaard; men wist niet wat er gaande was, maar wanneer enige uwer

slachtoffers van Male bij hen kwamen, en luidkeels om wraak over de

Bruggelingen riepen, was er geen tegenhouden meer aan: zij wilden het al

verbrand en vermoord hebben, en Mijnheer De Mortenay moest hen met de

doodstraf bedreigen, om hen te bedwingen. Gij kunt wel denken dat ik in die

omstandigheden mijn wevers vergaderd had, en mij tot bloedige tegenweer

bereid maakte. Misschien ware het ons gelukt de Fransen zelf te verjagen,

maar die zege kon ons niet dan schadelijk zijn, dit zal ik u aanstonds

bewijzen. Ik ging dan onder vrijgeleide bij Mijnheer De Mortenay en

verkreeg van hem, dat hij de stad niet schaden zou op voorwaarde dat wij

allen op staande voet zouden vertrekken.--Bij het rijzen der zon zal hij

al de in de stad blijvende Klauwaards doen hangen."

Breydel verbitterde zich hevig, daar hij die schandelijke voorwaarde met

zulke koelen bloede door de Deken der wevers hoorde verhalen.

"Bij al de Engelen des hemels!" riep hij. "Hoe hebt gij dit zo lafhartig

aangenomen: gij laat u als een kudde domme schapen verdrijven. Ware ik ter

plaatse geweest, gij zoudt Brugge niet verlaten hebben ..."

"Ho, waart gij daar geweest! Weet gij wat er zou gebeurd zijn? De straten

van Brugge zouden vol lijken liggen en de verdelgende vlammen zouden nu

onze huizen in as gelegd hebben. Maar, mijn driftige vriend Jan, laat mij u

eerst wijdlopiger over de stand der zaken spreken, en dan zult gij mij

gelijk geven, dit weet ik.--Het is zeker, Meester, dat de stad Brugge niet

vrij en onafhankelijk blijven kan, zolang de andere steden des Lands in de

slavernij der Vreemden zijn, immers dan wonen onze vijanden gedurig onder

onze wallen. Het is ook niet billijk, het heilige woord Vaderland voor het

mindere woord geboortestad te vergeten. De banden der Franse dwingelandij

kunnen wij niet breken dan met de hulp der steden van Vlaanderen, dewijl in

elke plaats vijanden wonen, wie het belangrijk zijn zou ons de bevochten

vrijdom te ontroven. Gewis hebt gij aan dit alles ook wel eens gedacht,

maar in uw manlijke drift springt gij over de hinderpalen, zonder dezelve

uit de weg te ruimen. Iets van hoger belang is u ontgaan: gelief mij op

deze vraag te antwoorden.--Wie gaf ons de macht om te moorden en te

branden? Wie heeft deze daden, welke op aarde met de dood en bij God met

doemnis gestraft worden, in ons heilig gemaakt?"

Breydel blikte met misnoegen op de Deken der wevers, en antwoordde: "Maar

Meester, ik geloof dat gij, met uw hoge rede, mij zoekt te verwarren. Zo

worde de galg der Smedenpoort mijn rustplaats, indien ik slechts weet wat

gij zeggen wilt.--Wie gaf ons de macht om te moorden en te branden! Wie gaf

die macht aan de Fransen, zeg?"

"Wie? Hun Koning Philippe le Bel en hun Veldheer De Chatillon. De Vorsten

dragen op hun gekroonde hoofden ook de beloning of de straf hunner goede of

boze geboden. Door trouw en gehoorzaamheid kan een onderdaan niet zondigen.

Het vergoten bloed getuigt tegen de Meester die gebiedt, en niet tegen de

dienaar die gehoorzaamt. Maar wij, die zonder bevel en door eigen wil te

werk gaan, zijn ook voor God en de wereld verantwoordelijk voor onze

daden,--op onze hoofden valt het door ons vergoten bloed!"

Een innige spijt ontroerde de Deken der beenhouwers. De verklaring van

Deconinck woog zwaar op zijn hart en alhoewel hij niet veel er tegen wist

te zeggen pijnde het hem zeer dezelve aan te nemen.

"Maar Meester," viel hij in, "gij schijnt naberouw te hebben, dit ware

schande. Hebben wij ons lijf en goed niet verweerd, en heeft de liefde tot

onze wettige heer, de Leeuw, ons niet daartoe gedreven? Ik ken mij vrij van

misdaad;--en ik hoop wel dat mijn bijl haar laatste slachtoffer niet gezien

heeft. Hoezeer ik soms genegen ben uw onverstaanbaar gedrag te berispen,

durf ik het echter niet doen; want uw gangen zijn geheimer dan de baan der

ziel van een stervend mens."

"Gij denkt wel, er schuilt iets anders onder, en dit is de knoop welke ik u

ga ontbinden. Gij hebt altijd gedacht, meester Jan, dat ik te lijdzaam en

te traag was; maar luister wat ik deed, terwijl gij uit wraaklust het bloed

der vijanden nutteloos deed stromen. Ik heb onze pogingen tot de vrijmaking

des Vaderlands aan onze Graaf Gwyde bedektelijk doen kennen, en hij heeft

dezelve met zijn vorstelijke goedkeuring bekrachtigd.--Nu zijn wij geen

muitelingen meer, mijn vriend,--nu zijn wij wettige veldoversten onzes

Landheers.......!"

"Dank zij u, o Meester," riep Breydel in verrukking uit, "nu versta ik u.

Hoe trots klopt mij het hart bij die erenaam! Ja, ik was een muiter, en ik

wist het; maar nu een waardige krijger..... De Fransen zullen die

verandering terdege gewaarworden--dit zweer ik!"

"Van deze goedkeuring heb ik gebruik gemaakt, om al de vrienden van het

Vaderland heimelijk tot een algemene opstand te roepen, en dit is mij

gelukt: op de eerste uitnodiging zullen in alle steden van Vlaanderen

moedige Klauwaards als uit de grond oprijzen......."

De Deken der wevers werd door een heilvol vooruitzicht ontroerd; terwijl

een traan onder zijn ooglid glimde, drukte hij de hand van Breydel en, zijn

afgebroken rede hervattende, sprak hij: "En dan, mijn heldhaftige vriend

Breydel, o dan zal de zon der vrijheid in Vlaanderen geen enkele levende

Fransman meer beschijnen!--En uit schrik onzer wraak zullen zij ons de

Leeuw wedergeven. Aan ons--aan ons, zonen van Brugge, zal Vlaanderen zijn

verlossing schuldig zijn. Wordt uw geest niet door edele trotsheid vervoerd

bij die overtuiging?"

Breydel omarmde Deconinck met onstuimige blijdschap.

"Mijn vriend, o mijn vriend!" riep hij. "Uw woorden vloeien zo treffend

over mijn hart: een onbekend gevoel ontheft mij--ik ben de gelukkigste mens

op aarde! O vaderland, hoe groot maakt gij de zielen dergenen die u

beminnen! Zie, meester Pieter, op dit ogenblik zou ik mijn naam van Vlaming

voor de kroon van Philippe le Bel niet verruilen!"

"Gij weet nog alles niet, meester. De jonge Gwyde van Vlaanderen en Jan de

Graaf van Namen hebben met ons saamgespannen. Mijnheer Jan Borluut zal de

Gentenaren aanbrengen, in Oudenaarde hebben wij Mijnheer Arnold, in Aalst

Boudewyn van Papenrode. Mijnheer Jan van Renesse belooft ons al zijn

vazallen uit Zeeland, en nog meer machtige Leenheren zullen ons bijstaan.

Wat zegt gij nu van mijn lijdzaamheid?"

"Ho, ik bewonder u, mijn vriend, en dank God innerlijk dat hij u zoveel

vernuft gegeven heeft. Nu is het met de Fransen gedaan: ik geef geen zes

Groten voor het leven van de laatste!"

"Het is heden om negen uur in de morgen dat de Vlaamse heren moeten

bijeenkomen, om de dag der wraak te bepalen. De jonge Gwyde blijft als

Veldheer onder ons, de anderen keren onmiddellijk naar hun Lenen terug om

hun mannen gereed te houden. Het zou raadzaam zijn dat gij met mij ook

derwaarts gingt, dan zoudt gij de genomen maatregels, bij gebrek aan kennis

niet verijdelen. Wilt gij met mij tot in het witte bos bij den Dale

reizen?"

"Het zij volgens uw begeerte, Meester; maar wat zullen onze gezellen over

onze afwezendheid zeggen?"

"Daarin is alreeds voorzien; ik heb hun mijn vertrek kenbaar gemaakt, en

het opperbevel de Deken Lindens overgegeven: hij zal zich met onze mannen

naar Damme begeven en ons daar afwachten. Kom, wij vertrekken terstond,

want het wordt klaar dag".

Met allerhaast werden er twee zadelpaarden bereid, en nadat Breydel de

nodige bevelen aan zijn beenhouwers gegeven had, verlieten de twee Dekens

het dorp Sint-Kruis. Gedurende deze snelle reis was het hun niet mogelijk

veel te spreken, echter antwoordde Deconinck met korte woorden op de vragen

van Breydel, en ontvouwde hem het grote ontwerp der algemene

verlossing.--Na gedurende een uur met losse toom gereden te hebben zagen

zij de gescheurde torens van Nieuwenhove boven de bomen uitsteken.

"Dit is immers Nieuwenhove, waar de Leeuw zoveel Fransen verslagen heeft?"

vroeg Breydel.

"Ja, nog een halve mijl van het witte bos."

"Gij moet bekennen dat men onze heer Robrecht niet beter kon dopen, want

hij is een waarachtige leeuw als hij het zwaard in de vuist heeft."

Eer Breydel deze woorden geëindigd had, waren zij ter plaatse waar de

zwarte ridder de schakers der maagd had bevochten; zij zagen de bebloede

lijken op de aarde liggen.

"Het zijn Fransen!" morde Deconinck nevens de baan voorbijrijdende.

"Kom voort, meester Jan, wij mogen ons niet ophouden."

Breydel bezag dit ijselijk toneel met nijdige blijdschap, hij dreef zijn

paard heen en weer over de uitgestrekte lijken, en verplichtte het beest

dezelve te vertreden. Op de roep van Deconinck gaf hij geen acht, en

vertrapte het ene lichaam na het andere met een wrede nauwkeurigheid. De

Deken der wevers moest tegen dank bij hem terugkomen.

"Maar Meester Breydel," riep hij, "wat doet gij? Om Gods wil, houd op! Gij

neemt een eerloze wraak."

"Laat mij doen," antwoordde Breydel, "gij weet niet dat dit die soldeniers

zijn, welke mij in het aangezicht geslagen hebben.--Maar wat hoor ik?

Luister! Hoort gij ginds, in de puinen van Nieuwenhove, geen klank, als de

klacht ener vrouw? Ho welk gedacht! Zij hebben de Jonkvrouw Machteld langs

hier uit Male vervoerd...."

Op hetzelfde ogenblik sprong hij van zijn paard en zonder het ergens aan te

binden, liep hij uit alle kracht naar de puinen. Zijn vriend volgde hem

hierin na, doch Breydel was reeds op de voorhof van het slot eer Deconinck

van zijn draver gestegen was. Deze gebruikte dan nog enige ogenblikken om

de twee paarden bij de baan vast te maken. Hoe meer Breydel bij de puinen

naderde, hoe klaarder hij de klachten der maagd hoorde. Dewijl hij de

ingang der plaats waar zij zich bevond niet ras genoeg kon aantreffen, klom

hij op een hoop stenen en zag door het venster in de zaal. Hij herkende

Machteld bij de eerste blik, maar de zwarte ridder die haar wilde omhelzen

en tegen dewelke zij zich wanhopiglijk verweerde kon hem niet dan als een

vijand toeschijnen. Op dit gedacht trok hij de bijl van onder zijn kolder,

klom op de dorpel van het venster, en liet zich als een steen op de vloer

der zaal vallen.

"Boze schaker!" riep hij de zwarte ridder toe. "Eerloze Fransman!--Gij hebt

lang genoeg geleefd.--Gij zult niet ongestraft de handen op de dochter van

de Leeuw, mijn heer, gelegd hebben!"

De ridder stond als verstomd over die plotselinge verschijning en had de

bedreigingen van de Deken met verbaasdheid aanhoord, doch na hij zijn ogen

van de beenhouwer op het venster had gestuurd, herstelde hij zich enigszins

en antwoordde: "Gij bedriegt u, Meester Breydel, ik ben een zoon van

Vlaanderen. Bedaar, de dochter van de Leeuw is gewroken."

Breydel wist niet wat denken, hij trilde nog van toorn, maar de woorden van

de ridder, die in de Vlaamse taal antwoordde en hem bij zijn naam kende,

hadden macht genoeg om hem te wederhouden. Machteld had zich geenszins bij

de verschijning van Breydel verschrikt; in haar dwaling overtuigd zijnde

dat de zwarte ridder een harer schakers was, lachte zij met vreugde en

riep: "Dood hem! Hij heeft mijn vader gekerkerd--en wil mij bij de boze

Johanna van Navarra voeren,--de valsaard! Waarom wreekt gij het bloed uwer

Graven niet, Vlaming?"

De ridder bezag de Jonkvrouw met smartelijk medelijden en tranen barstten

in overvloed uit zijn ogen.

"Rampzalig kind!" was zijn zucht.

"Gij bemint en beklaagt de dochter van de Leeuw," sprak Breydel, de hand

des ridders drukkende, "vergeef mij, Mijnheer--ik heb u niet gekend."

Op dit ogenblik kwam Deconinck aan de ingang der zaal. Hij hief de handen

met verbaasdheid boven zijn hoofd, en zich voor de ridder op de knieën

werpende, riep hij uit: "O hemel! De Leeuw, onze heer!"

"De Leeuw, onze heer?" herhaalde Breydel, terwijl hij zich ook geknield

nevens de Deken der wevers plaatste. "God, wat heb ik gedaan!"

Zij bleven vol eerbied en diepgebogen voor de ridder, en zonder te spreken

zitten.

"Staat op, mijn trouwe onderdanen," sprak Robrecht van Bethune hun toe. "Ik

weet wat gij voor uw Vorsten gedaan hebt."

Nadat zij zich hadden opgericht ging hij voort: "Aanziet de dochter van uw

Graaf, en overdenkt hoe het hart eens vaders bij dit gezicht moet geplet

worden.--En niets om haar te helpen, geen voedsel, geen andere drank dan

het kille water der beek ... Gij ziet het, de Heer beproeft mij bij felle

slagen."

"Gelieft het u, doorluchtige Graaf, mij te bevelen dat ik u dit alles

bezorge?" vroeg Breydel. "Mag een gering onderdaan u daarin dienen?"

Bij deze vraag liep hij reeds naar de deur, doch een gebiedend teken van de

Graaf bracht hem terug.

"Ga," sprak hij, "zoek een geneesheer; maar het zij een trouwe onderdaan.

Eis van hem de eed dat hij niets van hetgeen hij zien of horen kan, zal

kenbaar maken."

"Heer Graaf," riep Breydel juichend, "ik weet juist een mijner goede

vrienden: de warmste Klauwaard van Vlaanderen. Hij woont te Waardamme, ik

zal hem welhaast hier brengen."

"Ik verzoek u dat gij hem de Leeuw van Vlaanderen niet noemt, en beveel u

beiden een eeuwig geheim.--Ga!"

Breydel verliet de zaal.

Na menigvuldige vragen, welke de Graaf de Deken der wevers over 's Lands

zaken deed, sprak hij: "Ja, meester Deconinck, ik heb in mijn gevangenis

door Mijnheer De Vos en door Adolf van Nieuwland uw mislukte pogingen

vernomen. Het is mij een groot genoegen nog zulke trouwe onderdanen te

hebben, terwijl de meeste Edelen mij verlaten."

"Waar is het, doorluchtige Graaf," antwoordde de Deken, "vele heren hebben

zich tegen het Vaderland verklaard; doch het getal der trouwgebleven

Edelen is groter dan dit der bastaarden. Mijn pogingen zijn ook niet

mislukt, zoals het uw graaflijke Hoogheid denkt: nooit was Vlaanderen nader

bij de verlossing; op het tegenwoordig uur zijn de heren Gwyde en Jan van

Namen, met talrijke andere Edelen in het Witbos bij den Dale vergaderd, om

een machtige samenspanning aan te gaan: zij wachten slechts naar mij[79]."

"Wat zegt gij, Deken, zo nabij deze puinen? Mijn twee broeders!"

"Ja Mijnheer, uw twee doorluchtige broeders en ook uw trouwe vriend Jan van

Renesse."

"O God! En ik mag ze niet omhelzen. Mijnheer De Vos heeft u gezegd op welke

voorwaarde ik mijn gevangenis heb verlaten; ik wil het leven van degene die

mij ogenblikkelijk de vrijheid schonk niet in gevaar stellen. Nochtans

begeer ik mijn broeders te zien, ik zal met u gaan, maar met gesloten helm.

Indien ik nodig oordele mij bekend te maken, zal ik u een teken doen, en

gij zult de bijzijnde ridders hun erewoord afeisen, dat zij het geheim van

mijn naam zullen bewaren; indien zij dit weigerden, zouden zij mij niet

kennen. Ik wil ook niet spreken."

"Uw wil zal geschieden, Mijnheer, wees verzekerd dat gij over mij zult

voldaan zijn, ik begrijp uw inzicht zeer wel ... De kranke Machteld schijnt

te slapen: de rust zij haar heilzaam!"

"Zij slaapt niet, het arm kind,--zij sluimert van vermoeidheid. Maar, mij

dunkt, ik hoor stappen van mensen. Nu ik mijn helm op het hoofd geplaatst

heb, kent gij mij niet meer,--vergeet dit niet."

De geneesheer kwam met Breydel in de zaal, hij groette de zwarte ridder met

eerbied en ging zonder spreken tot bij de kranke maagd. Nadat hij de gewone

onderzoekingen gedaan had, verklaarde hij dat de Jonkvrouw ten spoedigste

moest gelaten worden, en gaf haar vervolgens een vlijmsteek in de ader van

de linkerarm, terwijl de twee Dekens haar op het bed gevestigd hielden. De

Graaf zuchtte pijnlijk en wendde het hoofd naar de andere zijde der zaal.

Dit bloed, dat in een dansende straal uit de arm van zijn ongelukkig kind

sprong, liep hem als bittere gal over het hart, en deed hem van pijn

sidderen. Zijn droefheid met moeite overwonnen hebbende, keerde hij zich

weder tot zijn dochter, doch staarde op de grond. De geneesheer stuitte het

bloed der Jonkvrouw niet, dan nadat haar de krachten begaven. Zij hijgde

enige malen met geweld en verviel in een stuiptrekkende hartvang. Dan werd

haar de arm verbonden,--en zij scheen te slapen.

"Mijnheer," sprak de geneesheer, zich tot Robrecht kerende, "ik verzeker u

dat de Jonkvrouw geen gevaar loopt. De rust zal haar de geest herstellen."

Zodra de Graaf deze troostende woorden hoorde, wenkte hij de twee Dekens

en ging met hen uit de zaal. Buiten de puinen sprak hij tot Breydel:

"Meester, ik beveel mijn kind aan uw zorg. Keer terug bij haar en bewaar de

dochter uwer Graven tot mijn wederkomst. Meester Pieter, wij vertrekken

naar het Witbos."

Zijn draver gehaald hebbende reed hij uit de puinen. De Deken der wevers

vergezelde hem te voet, en liet zijn paard in de baan staan, alhoewel hij

er met de Graaf voorbijging, maar hij wist al te wel, dat het hem niet

betaamde nevens zijn Landheer te rijden. Een weinig voor het Witbos kwamen

een tiental heren hen tegemoet. Deze, Deconinck herkennende, keerden met

hem terug in het woud. De voornaamsten onder hen waren Jan Graaf van Namen

en de jonge Gwyde, beide broeders van Robrecht van Bethune, Willem van

Gulik, hun neef, Priester en Proost van Aken, Jan van Renesse de moedige

Zeelander, Jan Borluut de held van Weeringen, Arnold van Oudenaarde en

Boudewyn van Papenrode. De tegenwoordigheid van een onbekende ridder

boezemde hun het grootste mistrouwen in, ook bezagen zij Deconinck alsof

zij een spoedige verklaring eisten. De Deken der wevers kwam te midden

onder hen en sprak: "Mijne heren, ik breng u de grootste vijand der

Fransen,--de edelste ridder van Vlaanderen. Een gewichtige reden, waaraan

het leven van een edelmoedig mens gehecht is, verbiedt hem zich door UEdele

op dit ogenblik te laten kennen; gelieft het hem derhalve ten goede te

duiden dat hij zijn helm gesloten houdt en ook niet spreke;--want zijn stem

is u allen als de stem uwer moeder bekend. Mijn lang beproefde trouw is

UEdele een waarborg dat ik geen valse broeder zal aanbrengen."

De ridders verwonderden zich over die zonderlinge verklaring, en poogden in

hun geheugen de naam des onbekenden te raden; doch mits de tegenwoordigheid

van de gevangen Leeuw hun niet als mogelijk kon voorkomen, waren hun

gissingen vruchteloos. Zij betrouwden zich echter ten volle op de

voorzichtigheid van de Deken der wevers, en zonden hun dienaren in

verschillende richtingen, om hen voor een onverwachte verrassing te

beveiligen. Deconinck ving aldus aan: "Mijne heren, de gevangenis onzer

doorluchtige Landheren is de Bruggelingen zeer smartelijk geweest. Het is

waar, wij zijn menigmaal tegen hen opgestaan, omdat men onze voorrechten

wilde krenken, en wellicht hebt gij gedacht dat wij met de Fransen zouden

hebben samengespannen, maar gedenkt dat een edelmoedig en vrij volk geen

vreemde meesters kan lijden; ook hebben wij, sedert de verraderlijke

aanslag des Konings Philippe le Bel, ons lijf en goed menigmaal gewaagd,

menig Fransman heeft de euveldaad van zijn Vorst met de dood geboet, en het

bloed der Vlamingen heeft in Brugge bij beken gestroomd. In deze stand van

zaken heb ik mij verstout UEdele de mogelijkheid ener algemene verlossing

te doen gevoelen; want ik heb geoordeeld dat het juk diep versleten is, en

dus met een krachtige poging kan losgerukt worden. Een gelukkig toeval

heeft ons wonderlijk gediend: de Deken der beenhouwers het slot Male

vernield hebbende, heeft Mijnheer De Mortenay al de Klauwaards uit Brugge

doen vertrekken, en nu bevinden zich de ambachtsgezellen boven de

vijfduizend sterk te Damme. Zevenhonderd beenhouwers hebben zich bij ons

gevoegd.--En ik mag UEdele verzekeren dat deze laatsten, met hun Deken

Breydel, voor tienmaal zoveel Fransen niet wijken moeten,--het is een echte

leeuwenschaar. Wij bezitten nu een leger dat niet te misprijzen is, en

kunnen onmiddellijk tegen de Fransen ten strijde trekken, indien ons door u

de nodige hulp uit andere steden wordt toegezonden. Dit is hetgeen ik u

moest te kennen geven; het believe UEdele nu de nodige maatregelen te

nemen, want het ogenblik is gunstig: ik wacht uw bevelen om mij als een

trouwe onderdaan volgens dezelve te gedragen."

"Mij dunkt," antwoordde Jan Borluut, "dat een al te grote haastigheid ons

schadelijk zijn kan. Alhoewel de Bruggelingen opgetrokken en tot de strijd

bereid zijn, is het in andere steden zo ver nog niet gevorderd. Het ware te

wensen dat wij de wraak nog wat uitstelden, om des te meer middelen te

kunnen verzamelen: weest verzekerd dat het leger der Fransen door een

oneindig getal verbasterde Vlamingen en Leliaards zal versterkt worden. Wij

moeten denken dat wij de vrijheid des Vaderlands in het spel wagen, want zo

wij de strijd verloren, zou het voor altijd gedaan zijn:--dan mochten wij

het wapen wel aan de wand hangen."

Daar de edele Borluut door gans Vlaanderen als een kundige en wijze

krijgsman vermaard was, werd zijn rede door velen der bijzijnde ridders,

alsmede door Jan van Namen goedgekeurd. De jonge Gwyde kwam vooruit en

sprak met drift: "Overweegt toch, Mijne heren, dat ieder voorbijgaand uur,

een uur lijdens is voor mijn oude vader en voor mijn onzalige

bloedverwanten: denkt wat pijn mijn doorluchtige broeder Robrecht moet

uitstaan. Hij, die nimmer een honend gedacht kon verdragen, die hebben wij

twee jaar zonder hulp aan zijn vijanden overgelaten; wij hebben in een

laffe lijdzaamheid onze zwaarden laten roesten en de schande op onze

hoofden laten verzamelen. Indien onze gevangen broeders uit hun kerker tot

ons roepen konden, en vroegen: Wat hebt gij met uw degens gedaan, en hoe

hebt gij de plichten eens ridders gehandhaafd, wat zouden wij dan

antwoorden? Niets; het rood der schaamte zou onze wangen kleuren en ons

hoofd zou zich onder deze verwijting buigen. Neen, ik wil niet meer

wachten; het zwaard is uitgetogen--en ik zweer, bij de witte haren mijns

ouden vaders, dat de schede het niet meer ontvangen zal, dan met het bloed

der vijanden geverfd! Ik hoop dat mijn neef Willem mij in dit voornemen

door zijn bijstand zal versterken."

"Hoe eer hoe liever," riep Willem van Gulik. "Wij hebben nu lang genoeg het

lijden onzer ouders met droefheid aanzien. Het betaamt niet dat een Man zo

lang zonder weerwraak getergd worde. Ik heb het harnas aangetogen en nu

blijft het aan mijn lichaam, tot de dag der verlossing;--ik vecht met mijn

neef Gwyde en wil van geen uitstel horen."

"Maar, Mijne heren," hernam Jan Borluut, "veroorlooft mij u te doen

aanmerken dat wij, om onze mannen bedektelijk te vergaderen, tijd nodig

hebben, en dat deze hulp u zal ontbreken indien gij zonder ons te velde

trekt. Mijnheer Van Renesse heeft mij reeds een dergelijk gevoelen

uitgedrukt."

"Ik kan waarlijk vóór de vijftien dagen mijn vazallen niet te wapen

brengen," sprak Jan van Renesse, "en ik zou de heren Gwyde en Willem raden

zich volgens de ondervinding van de edele Borluut te gedragen. Het is

immers onmogelijk de Duitse ruiters zo dra tot hier te brengen? Wat dunkt

u, meester Deconinck?"

"Indien de woorden van een geringe onderdaan voor zijn Landheren mochten

gelden, zou ik hen ook tot de voorzichtigheid pogen over te halen, alhoewel

dit tegen mijn ontwerp is. Wij zouden in dit geval onze overige broeders

uit Brugge lokken en alzo ons leger vermeerderen; intussentijd zouden deze

heren hun vazallen kunnen vergaderen en gereed houden, totdat Mijnheer Van

Gulik met zijn Duitse ruiters terugkomt."

De zwarte ridder gaf menigmaal zijn misnoegen door de bewegingen zijns

hoofds te kennen; het was merkelijk dat hij grote lust tot spreken had,

doch hij weerhield zich telkens. Eindelijk moesten Gwyde en Willem zich

volgens de wil der andere heren gedragen, want deze waren gezamenlijk tegen

het voorstel der twee broeders. Er werd dan nader bepaald dat Deconinck

zijn volk te Damme en te Aardenburg legeren zou; Willem van Gulik moest

naar Duitsland om zijn ruiters te halen; de jonge Gwyde zou de soldeniers

van de Graaf, zijn broeder, uit Namen aanbrengen. Mijnheer Van Renesse

vertrok naar Zeeland, en de overigen ieder naar zijn heerlijkheid, om alles

tot de algemene opstand bereid te maken.

Op het ogenblik dat zij elkander de hand drukten om zich te verlaten

weerhield hen de zwarte ridder met een wenk, en sprak: "Mijne heren! ..."

Zijn stem bracht de verbaasdheid op de aanzichten der ridders, zij bezagen

elkaar met een vluchtige blik om hun eigen aandoeningen op het gelaat van

anderen te zoeken. Maar de jonge Gwyde sprong vooruit en riep: "O zalig

uur! Mijn broeder, mijn lieve broeder, uw stem dringt tot in de grond mijns

harten!"

Met onstuimig geweld rukte hij de helm van het hoofd des zwarten ridders en

sloeg hem de armen met liefde om de hals.

"De Leeuw, onze Graaf!" was de algemene galm.

"Mijn ongelukkige broeder," ging Gwyde voort. "Gij hebt zoveel geleden; ik

heb uw gevangenis zozeer betreurd--maar nu, o heil! Nu mag ik u omhelzen:

gij hebt uw ketens gebroken en Vlaanderen heeft zijn Graaf terug. Vergeef

mij mijn tranen, zij vloeien ter uwer liefde, bij de droeve heugenis uwer

smart. De Heer zij dank voor het onverwacht geluk!"

Robrecht drukte de jonge Gwyde met tederheid op zijn hart: dan wendde hij

zich tot zijn andere broeder, Jan van Namen, en na dezelve omhelsd te

hebben sprak hij: "Mijne heren, ik zou mij om hoge reden niet bekendgemaakt

hebben, maar het wordt mij een plicht u iets te zeggen dat uw besluit moet

doen veranderen. Weet dat de Koning van Frankrijk al zijn Leenmannen met

hun Laten gedagvaard heeft om tegen de Moren te gaan oorlogen. Mits hij die

tocht slechts aanneemt om de Koning van Majorca weder in het bezit van zijn

Rijk te stellen, is het zeker dat hij dit machtig leger veeleer tot het

behouden van Vlaanderen zal gebruiken[80]. De bijeenkomst is op het einde

van juni bepaald; dus nog één maand, en Philippe le Bel bevindt zich aan

het hoofd van zeventigduizend man. Bedenkt nu of het niet raadzaam zij dat

gij de verlossing vóór dit tijdstip bewerkt, later wordt dit onmogelijk. Ik

beveel u niets, want morgen moet ik naar mijn gevangenis wederkeren."

De ridders gevoelden de gegrondheid dezer reden, en kwamen overeen dat de

grootste spoed moest gebruikt worden. Dit veranderde hun ontwerp in dezer

voege.--Dat zij niet langer wachten en haastiglijk met alle mogelijke

bijstand bij Deconinck te Damme komen zouden. De jonge Gwyde werd, als de

naaste bloedverwant van Robrecht, tot Opperveldheer van het leger benoemd,

dewijl Willem van Gulik deze waardigheid uit hoofde zijns priesterschaps

niet wilde aannemen. Jan van Namen kon de Vlamingen persoonlijk niet

bijstaan, want in de roering die er ging gebeuren, bleef hem, om zijn

Graafschap te bewaren, werk genoeg op handen; maar hij zou hun een goede

bende Naamse ruiters toesturen. Korts hierop vertrokken de heren, elk naar

zijn heerlijkheid; Robrecht bleef alleen met zijn twee broeders, zijn neef

Willem en de Deken der wevers.

"O Gwyde!" sprak Robrecht op een droeve toon. "O Willem! Ik breng u een

nieuws zo schriklijk dat mijn tong het niet durft verhalen,--dat het

gedacht mij de ogen met tranen verduistert.--Gij weet hoe booslijk de

Koningin Johanna onze arme zuster Philippa heeft gevangengenomen: zes lange

jaren heeft de ongelukkige een kerker des Louvres tot woning gehad, en

binnen die tijd heeft zij haar vader noch haar broeders mogen zien. Gij

denkt dat zij nog op aarde is, want gij roept tot God om haar verlossing;

maar eilaas! Uw gebeden zijn nutteloos, onze zuster is met venijn vergeven,

en haar lichaam is in de Seine geworpen ...[81]!"

Wanneer de droefheid de harten der mensen al te fel schokt, berooft zij hen

ogenblikkelijk van gevoel; zo ging het ook met Gwyde en Willem: hun wangen

verbleekten, en zonder te spreken blikten zij neerslachtig op de grond.

Gwyde ontwaakte eerst uit die verbaasdheid.

"Het is dan waar," zuchtte hij, "Philippa is dood!--Maar o God, wees mij

getuige; en gij, o zalige ziel mijner arme zuster, hoor mij! Ik zweer dat

voor elke dag die gij in de kerker hebt doorgebracht een Fransman in zijn

bloed zal sterven."

"Laat de smart u zo niet vervoeren, mijn schone neef," sprak Willem van

Gulik. "Gij zweert te lichtelijk bij de Heer, uw God. Beklaag uw zuster,

bid voor haar ziel, en strijd voor de vrijheid des Vaderlands:--het nijdige

graf geeft zijn doden voor geen bloed terug."

"Mijn broeders," viel Robrecht in, "gelieft mij te volgen. Wij gaan uw

nicht Machteld bezoeken, zij is niet ver van hier. Ik zal u onderweg nog

droever dingen verhalen. Doet uw dienaren hier wachten."

Robrecht vertelde hun vervolgens hoe wonderlijk hij zijn kind uit de handen

der Fransen verlost had, en wat pijn hij tussen de bouwvallen van

Nieuwenhove had geleden. Zijn droefheid was echter veel verminderd, want

hij gaf geloof aan de voorzegging van de geneesheer. De hoop dat Machteld

hem eindelijk zou herkennen vertroostte zijn hart, en de gewoonte des

rampspoeds gaf zijn ziel meer kracht tot het verwinnen der pijnen.

Zij kwamen weldra in de zaal waar Machteld rustig scheen te slapen: haar

wangen waren wit gelijk albast en haar hijgingen zo zacht dat zij een

gevoelloos lijk scheen. Groot was de verbaasdheid, welke de ridders beving,

bij het zien van het bloed dat op haar klederen met slijk gemengd was; zij

sloegen de handen met bitter medelijden te samen, evenwel spraken zij niet,

want de geneesheer had hun, met zijn vinger op de mond te leggen, doen

begrijpen dat de grootste stilte noodzakelijk was. De jonge Gwyde omhelsde

zijn broeder Robrecht, en weende tegen zijn borst met droeve snikken.

"Doemnis!" zuchtte hij. "Daar ligt nu het kind van de Leeuw!"

De geneesheer wenkte de ridders naar de ingang, en bracht hen buiten de

zaal;--dan sprak hij: "De Jonkvrouw heeft haar zinnen terug, maar zij is zo

zwak, zo afgemat! In uw afwezendheid is zij ontwaakt geweest en heeft

meester Breydel herkend; veel dingen heeft zij hem gevraagd om haar

geheugen bijeen te roepen. Hij heeft haar getroost, met de verzekering dat

Mijnheer Van Bethune haar zou komen bezoeken; het is niet raadzaam, Mijne

heren, deze hoop teleur te stellen, dus raad ik u haar niet te verlaten.

Ook is het ten hoogste noodzakelijk de Jonkvrouw andere klederen en een

betere rustplaats te bezorgen."

Dewijl Robrecht het niet mocht wagen zich van meer personen te laten

kennen, gaf hij voor dit ogenblik geen gevolg aan de bevelen van de

geneesheer; hij keerde met zijn broeders terug bij Machteld en bleef in een

stille droefheid op haar ontverfde wezenstrekken staren. De lippen der

maagd bewogen zich, en van tijd tot tijd kwam een onvatbare klank uit haar

borst. Een krachtiger adem dreef het tweemaal herhaalde woord "Vader!" als

een zoete harpentoon in de oren van Robrecht; hij door een gelukzalig

liefdegevoel geroerd bracht zijn lippen op de mond zijner dromende

dochter.--Die lange zoen, bij dewelke een zielsgedeelte des vaders voor de

tweede maal in de boezem van het kind zonk, gaf het bloed der maagd meer

vloeibaarheid en meer leven: een twijfelachtige roos kwam onder ieder harer

wangen en haar ogen openden zich, tussen een zachte doch heilvolle

glimlach.

Onbeschrijfelijk was de uitdrukking van 's meisjes wezenstrekken; zij

blikte zonder spreken in de ogen haars vaders, en scheen in zoete wellust

onttogen.--Gewis hebben de Engelen in de hemel geen zaliger gelaat, wanneer

zij het aanschijn des Heren aanschouwen.--Weldra hief de Jonkvrouw haar

armen omhoog en Robrecht schikte zijn hals boven haar om zich te laten

omhelzen, maar dit was het inzicht der maagd niet. Zij bracht haar twee

handen op het aangezicht van haar vader en dreef haar vingers strelend over

zijn wangen. Beide waren zij door een innig zielsgevoelen ingenomen en

vormden zich een wereld van zalige gepeinzen; de vader betreurde zijn

martelpijnen niet, veeleer dankte hij de God, die alzo de ongelukkige ook

meer genietingskracht tot het smaken der vreugde geeft.

Niet minder waren de omstaanders bij dit toneel van heilige vaderliefde

getroffen, zij dorsten dit plechtig stilzwijgen door geen zucht verstoren,

en vaagden bedektelijk de tranen uit hun ogen. Hun houding was nochtans

zeer verschillend: Jan van Namen, die zijn droefheid beter kon overwinnen,

stond met stijve blik en opgeheven hoofd in de zaal; Willem van Gulik, de

Priester, zat geknield en met saamgevoegde handen te bidden. De jonge Gwyde

en Jan Breydel mengden tussen de bittere smart het gevoel van een brandende

wraaklust; dit was zichtbaar aan de nijdige samentrekking hunner lippen en

de dreigende wending hunner gesloten vuisten. Deconinck die in andere

gevallen zo koud scheen, was nu de droefste van allen, zijn tranen lekten

overvloediglijk onder de hand, met dewelke hij zijn aangezicht had bedekt.

Geen mens was er in Vlaanderen, die zijn landheer Robrecht meer beminde dan

de Deken der wevers; alles wat het Vaderland kon groot maken was heilig

voor de edele burger van Brugge.

Eindelijk ontwaakte de jonge Machteld uit haar stille beschouwing; haar

armen drukten haars vaders hoofd met vurige drift tegen haar hijgende

borst, en zij sprak met zwakke stem: "O mijn vader, mijn beminde

vader!--Daar ligt gij nu op het hart van uw gelukkig kind! Ik voel uw

boezem tegen de mijne jagen... Wees geloofd o God, die zoveel heils de

mensen geschonken hebt! Blijf zo tegen mij, mijn lieve vader, want uw

zoenen voeren mij ten hemel."

"Uw liefde, o mijn kind," riep Robrecht, "vergoedt al mijn geleden smart.

Gij kunt niet begrijpen hoe bitter uw verwerping mij geweest is;--maar alzo

weet God alleen wat vreugde hij in deze stond, als een stroom, over mijn

hart laat vloeien. Ik wil mijn zoenen op uw wangen vermenigvuldigen, want

zij zijn een balsem voor de wonden mijner ziel. Mijn lieve Machteld, hoe

bitter was toch uw lot!"

Intussen was de jonge Gwyde genaderd, hij stond met open armen voor de

bedstede en scheen ook om een omhelzing te smeken. Zodra Machteld hem

bemerkte, sprak zij tot hem zonder haar vader los te laten: "Ha, mijn

beminde neef Gwyde, gij ook zijt hier! Gij weent over mij?--En Mijnheer

Willem die ginds zit te bidden, en Mijnheer Jan van Namen;--zijn wij dan te

Wijnendale?"

"Mijn rampzalige nicht," antwoordde Gwyde, "uw lijden verbrijzelt mij het

hart! O laat mij u toch omhelzen, want mijn ziel eist verlichting;--ik ben

tot de dood ontroerd."

Machteld liet haar vader los en bood zich aan de omhelzing van de

liefderijke Gwyde. Dan gaf zij aan haar stem een weinig meer kracht en

riep: "Mijnheer Van Gulik, kom geef mij ook een zoen, en gij, mijn schone

neef Jan, druk mij ook tegen uw borst,--gij bemint mij allen zo vurig."

Zij werd beurtelings door al haar bloedverwanten geliefkoosd, en zij

smaakte een zalig genot; haar geleden rampen hadden geen plaats in haar

geheugen meer. Wanneer Willem van Gulik bij haar kwam, bezag zij hem met

verwondering van het hoofd tot de voeten en vroeg: "Wat is dit, Mijnheer

Willem? Waarom draagt gij dit harnas boven uw priestergewaad, en waarom

vergezelt die lange degen een dienaar des Heren?"

"De Priester die het Vaderland verdedigt, strijdt ook voor de altaren van

zijn God!" was het antwoord.

Deconinck en Breydel stonden met ontdekt hoofd op een kleine afstand van

het legerbed, en deelden in de algemene troost. Machteld aanzag hen met

diepe dankbaarheid voor hun liefde; zij trok het hoofd haars vaders

nogmaals tegen haar borst en vroeg met stille stem: "Wilt gij mij iets

beloven, mijn welbeminde vader?"

"Alles, mijn kind: uw wensen zullen mij verblijden."

"Wel, ik bid u, mijn heer Vader, dat gij die twee trouwe onderdanen naar

verdiensten beloont;--zij hebben hun leven dagelijks voor het Vaderland

gewaagd."

"Uw begeerte zij voldaan, Machteld, ik zal maken dat zij u een andermaal

ook zullen mogen omhelzen wanneer zij het, als nu, zullen verdiend hebben;

ontdoe uw armen van mijn hals, want ik moet met Gwyde spreken."

Hij wenkte zijn broeder en bracht hem uit de zaal tot op de voorhof.

"Mijn broeder," sprak hij, "het betaamt dat men een liefde als die der twee

Dekens onzer goede stad Brugge niet onbeloond late; ik geef u derhalve de

nodige macht tot het volbrengen van deze mijn wens: wanneer gij op het

slagveld, en te midden der ambachten zijn zult, is het mijn wil dat gij

Deconinck en Breydel in de tegenwoordigheid van al hun gezellen tot ridders

slaat; aldus zij de liefde tot het Vaderland in hen veredeld. Houd dit

bevel als een geheim in uw hart, totdat de tijd gekomen zij. Laat ons nu in

de zaal terugkeren, want ik moet u allen gaan verlaten."

Robrecht naderde zijn dochter, nam haar hand in de zijne en sprak: "Mijn

kind, gij weet hoe ik mijn gevangenis heb verlaten: een edelmoedig ridder,

die gij teder bemint, waagt zijn leven voor mij in de kerker. Word niet

rood, Machteld, ik geef u oorlof om Adolf van Nieuwland te beminnen, totdat

het huwelijk dit zuiver gevoel bekrone."

Machteld viel in zijn rede en riep: "O mijn vader! Uw liefde tot mij is

oneindig, gij overlaadt mij met vreugde. Ja, ik heb zo dikwijls, bij de

vreze van u te vergrammen, geweend; maar nu, o geluk! Nu geeft gij mij de

man die in mijn hart woont; en mijn liefde heiligt gij voor God. Ik weet

wat droevig woord op uw lippen ligt:--gij moet mij verlaten ..."

"Gij hebt het gezegd, mijn edel kind, ik moet naar mijn kerker terug:--ik

heb op mijn trouw beloofd, dat ik slechts een dag in Vlaanderen blijven

zou. Ween niet, het noodlot zal ons niet lang meer vervolgen."

"Ik zal niet wenen, dit waar een grove zonde. Dankbaar ben ik de Heer om

zoveel troost, en ik zal door geduld en gebeden mijn geluk voor hem

verdienen.--Ga, mijn vader, geef mij nog een zoen--en dat de Engelen des

hemels u op uw reis vergezellen!"

"Dekens," sprak Robrecht, "ik geef u het bevel over de mannen van Brugge.

Meester Deconinck zij over allen Veldheer. Nu verzoek ik u dat gij een

goede vrouw bij mijn dochter brengt; bezorgt haar andere klederen.

Vervolgens zult gij haar van hier vervoeren, en voor alle hoon bewaren; ik

stel ze onder uw wacht, opdat zij volgens het bloed, waaruit zij gesproten

is, behandeld worde.--Meester Breydel, gelief mijn draver op de voorhof te

brengen!"

Nadat Robrecht afscheid van zijn twee broeders genomen had, vatte hij zijn

dochter in de arm, en bezag haar met zulke tedere aandacht, dat men zou

gezegd hebben dat hij dit langgekende beeld in zijn geheugen wilde prenten.

Het meisje zoende hem bij herhaalde malen, en hield hem zorgelijk vast.

"Nu, mijn kind," hernam Robrecht, "troost u, ik zal welhaast voor altoos

wederkomen. Binnen weinig dagen zal Adolf het goed nieuws weten, en het is

te denken dat hij dan niet lang onderweg zal blijven."

"Ja maar, heer Vader, beloof mij dat gij het hem niet zeggen zult, ik

begeer dat hij die tijding uit mijn mond hore: dit zal mij zo blijde maken.

Zeg hem slechts dat ik verzoek dat hij zich spoede; wees verzekerd dat hij

zijn draver vlerken geven zal. Ga nu met God, mijn lieve vader,--ik zal bij

uw afscheid niet wenen."

Robrecht verliet eindelijk zijn liefderijke dochter en klom te paard; dit

deden ook de andere ridders. Zodra Machteld de stappen der dravende paarden

hoorde, kwamen tranen, ondanks haar belofte, over haar wangen rollen; doch

dit deed haar geen leed, want een zacht en troostend gevoel bleef in haar.

Deconinck en Breydel volbrachten de bevelen van de Leeuw, hun meester. Er

werd een vrouw gehaald en Machteld kreeg zuivere klederen.--Tegen de avond

waren zij allen te Damme in het leger der Bruggelingen.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação