Hoofdstuk 7 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 7 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 7

7

_Ja alles lachte en juichte op hare schreên

Bij elken stap kon zy op bloemen treên,

Zy las de vreugd op ryke zegebogen,

Zy zag voor haer de ridderen gebogen,--

En echter blonk de gramschap in hare oogen--

Want by dien prael; waer niets te ontbreken scheen,

Ontbrak het hart--de stem des volks alleen,_

J.A. BREDERFORT.

De Leliaren hadden ongemene pogingen tot de versiering der stad aangewend;

zij konden hierdoor hun nieuwe Vorst behagen en zijn gunst verkrijgen. Al

de ambachtsgezellen waren tot het oprichten van praalbogen gebruikt

geweest: geld was er niet gespaard, de rijkste stoffen waren uit de winkels

gehaald en voor de gevels der huizen gehangen; men had in de velden een

groot getal jonge bomen afgehakt om de straten als groene dreven te

beplanten.--Des anderendaags om tien uur was alles vaardig.

Op het midden der grote Markt had het timmermansambacht een statige troon

van lazuur fluweel verheven. Er waren zetels met gouden boordsels en

gewrochte kussens; nevens dezelve stonden twee kunstige zuilbeelden, de

Vrede en de Macht, die met hun verenigde handen een kroon van lauwer- en

olijftakken boven het hoofd van Philippe le Bel en van Johanna van Navarra

moesten reiken. Zwierige behangsels waren om de troon geschikt, en rijke

tapijten dekten de markt tot op een zekere afstand.

Bij de ingang der Steenstraat stonden vier in marmer geschilderde

voetzuilen en op ieder derzelve een bazuinblazer als een Faamengel gekleed,

met lange vleugelen en in purperen gewaad.

Tegen de grote Vleeshal, bij het begin der Vrouwestraat, was een prachtige

praalboog met gotische pijlers opgericht. Boven, tegen de kroon van het

gewelf, hing het wapenschild van Frankrijk op een purperen grond; lager,

tegen de twee pijlers, hingen de schilden van Vlaanderen en van Brugge;

overal in de lijsten waren zinnebeelden geschilderd, om de vreemde meester

te vleien. Hier kroop Vlaanderens zwarte Leeuw voor een leliebloem, ginds

waren de sterren des hemels door leliën vervangen, en dergelijke laffe

beeldingen meer, die door de bastaardvlamingen uitgevonden waren.

Indien Jan Breydel door de Deken der wevers niet ware wederhouden geweest,

zouden die schandelijke schilderijen het volk niet lang verbitterd hebben;

maar nu verkropte hij zijn spijt en aanzag het alles met een somber geduld.

Deconinck had hem doen begrijpen dat het ogenblik niet gekomen was.

De Katelijnestraat was op haar gehele lengte met sneeuwwit lijnwaad en

lange loofkransen behangen. De huizen der Leliaren droegen verwelkomende

jaarschriften: op kleine vierkante standaards brandde allerlei reukwerk in

prachtig gedreven vaten; en jonge maagdekens strooiden de bladen der

veldbloemen op de straat.--De Katelijnepoort langs dewelke de Vorsten in de

stad treden moesten, was van buiten met prachtige behangsels van kostelijk

scharlaken bekleed. Allegorische taferelen spraken er de lof der vreemden,

en lasterden de Leeuw, dit zegerijke teken van het voorgeslacht. Acht

engelen waren bedektelijk bij de poort op de wal geklommen, om de welkom te

blazen en de Vorst aan te kondigen.

Op de grote Markt stonden de Ambachten met hun Goedendags in diepe

gelederen langs de huizen geschaard. Deconinck aan het hoofd der wevers had

zijn rechtervleugel tegen de Eiermarkt gevestigd, Breydel met het ambacht

der Macecliers[53] stond tegen de zijde der Steenstraat; de andere

ambachten waren in mindere scharen tegen de andere kant verdeeld. De

Leliaren en bijzonderste Edelen der stad hadden zich onder de hal op een

prachtig schavot verenigd.

Te elf uur gaven de engelen die op de wallen stonden, het teken van de

aankomst der Vorsten, en de koninklijke stoet kwam eindelijk langs de

Katelijnepoort in de stad[54].

Vooruit renden vier wapenboden op schone witte paarden; aan hun bazuinen

hing de banier van Philippe le Bel, hun Meester, met gulden leliën op een

blauw veld. Zij bliezen een zoetluidende tocht, en bekoorden de aanhoorders

door hun kundige samenstemmingen.

Twintig treden achter deze Wapenboden kwam de Koning Philippe le Bel, op

een hoge draver, statig aangestapt. Onder al de ridders die hem

vergezelden, was er geen enkele die hem in schoonheid van gelaatstrekken te

boven ging: fijne zwarte haren rolden in twijfelachtige krullen op zijn

schouders; en streelden de zuiverste wangen welke ooit op een vrouwengelaat

geblonken hadden. Een lichtbruine tint, die op zijn gans wezen verspreid

was, gaf er manlijkheid en nadruk genoeg aan: zijn glimlach was zoet en

zijn voorkomen zeer beminlijk.

Daarbij een hoge gestalte, welgemaakte leden en kundige houding, maakten

hem de volmaaktste ridder zijns tijds. Hierom ook werd hij door gans Europa

le Bel, of de Schone genaamd.--Zijn kleding was wel met goud en zilver

doorwrocht; maar echter niet met versiersels overladen. Het was kenlijk dat

de fijnste smaak en niet de verwaandheid zijn keus bestuurd had.

De verzilverde helm, die op zijn hoofd blonk, droeg een grote vederbos

welke tot op de rug van zijn paard neerviel.

Nevens hem reed de trotse Johanna van Navarra, zijn gemalin.

Deze was op een vale hakkenij gezeten en gans met goud en gesteenten

overdekt. Een lang rijkleed van gulden laken, dat op de borst met een

zilveren snoer toegeregen was, viel in zware vouwen tot bij de aarde, en

glansde hevig met zijn duizend schitterende versiersels. Paarlen en

allerlei knopen en eikels van de kostelijkste stoffen gewrocht, hingen in

overvloed op haar en op de hakkenij, die deze schatten voerde. Hoogmoedig

en verwaand was de Vorstin; men kon op haar gelaat bemerken dat die

zegepralende intrede haar hart met een nijdig genoegen streelde: zij smeet

haar stijve blikken met hoogmoed en opgeblazenheid over het verwonnen volk,

dat in de vensters, op de pompen, ja op de daken geklommen was om de stoet

te kunnen aanschouwen.

Aan de andere zijde des Konings reed Louis Hutin, zijn zoon. Ootmoedig in

zijn grootheid en goed van inborst was de jonge Vorst; medelijden voor deze

nieuwe onderdanen blonk op zijn gelaat, en de ogen der Burgers vonden

steeds een minzame glimlach op zijn aanzicht. De goede hoedanigheden en de

deugden zijns vaders had hij, zonder de hatelijke inborst zijner moeder te

hebben.

Onmiddellijk na de Koning kwamen enige schildknapen, hofjonkers en

staatjuffers; dan een gehele stoet ridders op het prachtigste uitgedost.

Onder deze waren de heren Enguerrand de Marigny, De Chatillon, De St.-Pol,

De Nesle, De Nogaret en meer anderen. De koninklijke Standaard en

menigvuldige wimpels zwaaiden lieflijk boven de stoet der edele ridders.

Nu volgde nog een hoop lijfwachten, allen te paard, en wel bij de

driehonderd sterk. Hun gans lichaam was van het hoofd tot de voeten met

ijzer overdekt, lange speren staken twintig voet boven hun scharen uit; zij

hadden helmen, harnassen, wapenrokken, rondellen, bilplaten en ijzeren

handschoenen. Hun zware paarden waren ook met ijzeren schutplaten bedekt.

De Burgers, die overal in menigte vergaderd waren, aanschouwden dit

gevaarte met een plechtig stilzwijgen; geen enkele welkomstgroet steeg uit

de scharen, en geen enkel teken van blijdschap was onder hen te vinden.

Door deze koude ontvangst voelde Johanna van Navarra zich grotelijks

gehoond; nog meer verbitterde zij, wanneer zij bemerkte dat veel ogen haar

zonder eerbied bezagen, en door een misprijzende grimlach hun haat voor

haar te kennen gaven.

Zodra de stoet bij de Markt kwam, brachten de twee Faamengelen die op de

voetzuilen stonden, hun bazuinen aan de mond en zonden de welkomstgroet

weergalmend over de plaats. Hierop hieven de heren van het Magistraat met

weinig andere Leliaards ook aan met de roep: Frankrijk! Frankrijk! Leve de

Koning! Leve de Koningin!

De trotse Johanna ontvlamde in innige razernij, wanneer zij geen enkele

stem uit het volk of de ambachten hoorde opgaan.

Al de Burgers bleven beweegloos staan, zonder een bewijs van eerbied of

vreugde te geven[55]. De toornige Koningin verkropte haar spijt voor dit

ogenblik, en liet slechts op haar gelaat het diep misnoegen, dat zij

gevoelde, blijken.

Een weinig terzijde van de troon bevond zich een hoop Edelvrouwen, allen

gezeten op de fraaiste hakkenij en die men beschouwen mocht. Om de Koningin

Johanna heerlijk te ontvangen, hadden zij zich zo kostbaar met juwelen en

schatten behangen en bedekt, dat het schemerend oog de glans harer kleding

niet verdragen kon.

Machteld, de schone jonge dochter van de Leeuw van Vlaanderen, stond

vooraan en viel de eerste onder het gezicht der Koningin. Haar kledij

bestond uit de volgende stukken:

Een lange puntige hoed van gele zijde, op zijn gehele lengte met rood

fluwelen linten overvlochten, zwaaide met losse zwier boven haar hoofd;

onder uit dit hulsel viel een doek van het fijnste lijnwaad, langs haar

wangen, over haar hals en schouders, tot bij het midden van de rug. Boven

uit de top der kap, aan een gouden knoop, hing een doorschijnende sluier,

in dewelke duizend gulden en zilveren stipjes gewrocht waren, en die op de

rug der hakkenij volgens de bewegingen der Jonkvrouw heen en weder

wapperde. Haar bovenkleed was op de borst open en liet een keurslijf van

lazuur fluweel met zijn zilveren snoeren zien; het daalde slechts tot aan

de knieën en was van het kostelijkste gouden laken. Onder uit die

bovenkolder kwam een groen satijnen samaar, die zo lang was dat de vouwen

langs de zijde der hakkenij neerhingen en meermalen de aarde raakten.

Aardig was de weerglans van dit rijke kleedsel; want bij alle bewegingen

veranderde het van toon en kleur. Dan scheen het, door de zon verlicht, als

het fijnste goud met gele glans te blinken, dan weder werd het groen, dan

weer blauw. Op de borst der jonge Edelvrouw, waar de twee einden van een

kostelijk paarlesnoer zich verenigden, blonk een plaat van geslagen goud,

op dewelke de zwarte Leeuw van Vlaanderen kunstiglijk in gitsteen was

gesneden. Een gordel, ook met gouden schelpjes bedekt, en waaraan zijden en

zilveren franjes hingen, neep haar het middel met een slot van twee

robijnen vast.

De hakkenij die deze prachtige Jonkvrouw voerde, was ook op heel haar tuig

met gulden en zilveren plaatjes en waggelende eikeltjes versierd.

Men voege nu daarbij de reeds gekende schoonheid der gelaatstrekken, en de

zwierigheid der tengere leden van het meisje, en men vorme zich een

denkbeeld over de bevalligheid die haar dan omringde. Waarlijk, zij geleek

aan een dier nog ongeschapene wezens, welke alle volmaaktheden in zich

verenigen; en gelijk de vermetele Dichters soms een vrouw durven dromen, om

in hun opgetogene ziel te liefkozen en te beminnen.

Even zo kostelijk en zo prachtig waren de andere bijzijnde Vrouwen, in

verschillende stoffen en kleuren gekleed.

De Koningin van Navarra kwam met de ganse stoet op een stille tred

aangereden, en wendde de ogen met spijtige nieuwsgierigheid naar deze

Vrouwen, die zozeer bij het zonnelicht glinsterden. Wanneer zij tot op een

zekere afstand genaderd was kwamen de Edelvrouwen statiglijk tot bij haar

gereden, en verwelkomden hun nieuwe Vorsten, met veel hoofse spreuken. De

enige Machteld zweeg en bezag Johanna met een stuurs gelaat; het was haar

niet mogelijk die Vrouw te eren, welke haar vader in een kerker had doen

werpen. Het misnoegen was op haar wezenstrekken zichtbaar, en Johanna

bedroog er zich ook niet over. Zij wierp haar trotse blik in de ogen van

Machteld en wilde het meisje voor haar scherp gezicht doen bukken; maar zij

vergiste zich, want de Jonkvrouw liet haar oogleden niet zakken en staarde

met fierheid op de grammoedige Koningin. Deze, alreeds om de ongewone

pracht der Edelvrouwen verstoord, kon zich niet langer bedwingen. Met een

zichtbare spijt draaide zij haar hakkenij om, en riep terwijl zij nog

eenmaal het hoofd tot de Vrouwen keerde: "Ziet, Mijne heren, ik meende

alleen Koningin te zijn in Frankrijk; maar mij dunkt dat die van

Vlaanderen, die in onze gevangenissen liggen, al te gader prinsen zijn;

want ik hun vrouwen alhier gekleed zie als Koninginnen en prinsessen[56]!"

Deze woorden had zij zo luid geroepen dat al de omstaande ridders, ja zelfs

enige Burgers dezelve verstaan hadden. Zij vroeg met een slecht verborgen

ongenoegen aan de ridder die haar volgde: "Maar Mijnheer De Chatillon, wat

is dit voor een trotse Jonkvrouw, die hier voor mij staat? Zij draagt de

Leeuw van Vlaanderen op de borst.--Wat beduidt dit?"

De Chatillon naderde dichter bij de Koningin en antwoordde: "Het is de

dochter van Mijnheer Van Bethune;--zij heet Machteld."

Bij deze woorden plaatste hij zijn vinger op de mond, om de Koningin tot

veinzerij en stilzwijgen te raden. Zij dit verstaande gaf haar toestemming

door een glimlach te kennen:--een glimlach vol wrede valsheid en hatelijke

wraakzucht.

Wie op dit ogenblik de Deken der wevers beschouwd had, zou gezien hebben

hoe stijf zijn enig oog op de Koningin gehecht was; geen rimpeltje was op

haar voorhoofd gekomen of verdwenen, of Deconinck had het gevat en in zijn

geheugen bewaard. Op haar ontstelde gelaatstrekken had hij haar toorn, haar

begeerte en haar aanslagen reeds gelezen; reeds wist hij dat De Chatillon

de uitvoerder harer bevelen zijn zou, en hij bedacht ook op dit ogenblik

welke middelen er nodig waren om de list of het geweld dier vijandin te

verijdelen.

Kort hierna stegen de Vorsten van hun paarden en klommen op de troon die

hun te midden der Markt was opgericht. De schildjonkers en staatjuffers

schaarden zich in twee rijen op de trappen, de edele ridders bleven te

paard om de stelling staan.

Nadat iedereen de plaats die hem bestemd was, genomen had, kwamen de heren

Wethouders met de maagdekens, die de stad Brugge verbeelden moesten,

vooruit, en boden de sleutels der poorten op een kostelijk fluwelen kussen

aan de vreemde Vorsten. Terzelfder tijd bliezen de Faamengelen nogmaals op

hun bazuinen, en de Leliaards riepen voor de tweede maal: "Leve de Koning!

Leve de Koningin!"

Een dode stilte was onder de Burgers en het scheen dat zij zich als

gevoelloos hielden, opdat men te beter hun misnoegen merken mocht: hierin

bereikten zij ten volle hun doel; want Johanna overdacht reeds in haar

gehoond gemoed, hoe zij best deze oneerbiedige onderdanen zou kunnen

straffen en vernederen.

De Koning, Philippe le Bel, van een zachtere inborst zijnde, ontving de

Wethouders met de grootste goedwilligheid, en beloofde voor de welvaart van

Vlaanderen ten krachtigste bezorgd te zullen zijn. Deze belofte was in

Philippe niet geveinsd; hij was een edelmoedig Vorst en eerlijk ridder[57],

en zou wellicht het geluk zijner onderdanen, zowel in Frankrijk als in

Vlaanderen teweeggebracht hebben; maar twee oorzaken van kwaad deden deze

goede gedachten in hem zonder vrucht zijn. De eerste en ergste was de

beheersing zijner trotse Vrouw Johanna; deze, wanneer Philippe le Bel een

goed voornemen had, kwam als een boze geest hem tot kwaad aandrijven, en

dwong hem alle haar verderfelijke inzichten goed te keuren. De tweede

oorzaak zijner slechte daden, was de verkwisting die hem alle middelen, of

recht of onrecht deed gebruiken om het verspilde geld door ander te

vervangen. Nu vormde hij de innigste wensen voor de welvaart van

Vlaanderen; maar wat kon het baten, mits Johanna van Navarra er reeds

anders over beschikt had?

Na de sleutels afgeleverd waren, bleven de Vorsten nog enige tijd op de

aanspraken der Wethouders luisteren en kwamen eindelijk van de stelling.

Ieder steeg te paard, en de stoet rende langzaam door de overige straten

der stad, totdat zij eindelijk in het Prinsenhof[58] gingen, om er het

middagmaal met de voornaamste heren en Leliaren te nemen. Terwijl keerden

de ambachtsgezellen naar hun huisgezinnen terug, en het feest nam een

einde.

Des avonds, lange tijd na het vertrek der gasten, was de Koningin Johanna

alleen met haar staatjuffer in de kamer waar zij slapen moest. Reeds had

zij een goed gedeelte van het lastige plechtgewaad afgelegd, en was nog

bezig met zich van al haar juwelen te ontbloten. De driftige beweging harer

handen en de spijtige uitdrukking harer wezenstrekken gaven het grootste

ongeduld te kennen. De staatjuffer werd met bitsigheid toegesproken en alle

haar daden met gramschap berispt en beknibbeld: halssnoeren en oorbellen

werden als nietswaardige voorwerpen hier of daar neergesmeten, terwijl

morrende spreuken zonder ophouden uit de mond der Vorstin vielen.

Een witte nachtkolder aangetogen hebbende, liep zij in een diepe bedenking

heen en weer in de kamer, en liet niet de minste lust tot slapen blijken:

haar vlammende ogen dwaalden halsstarrig rond. De staatjuffer die aan deze

vreemde gebaren niets verstond, naderde de Vorstin met eerbiedige

beleefdheid en vroeg: "Belieft het uwe Majesteit nog langer te waken--en

zal ik een grotere kandelaar met meer waslicht halen?"

Onstuimig antwoordde de Koningin: "Neen!--Er is licht genoeg. Gij verveelt

mij door uw lastige vragen.--Laat mij alleen. Vertrek, zeg ik u! Ga in de

voorzaal en wacht mijn oom De Chatillon. Hij kome spoedig.--Ga...!"

Terwijl de staatjuffer op die barse bevelen heen ging, plaatste Johanna

zich bij een tafel en liet het hoofd op de hand neergaan. In deze

gesteltenis bleef zij gedurende weinig ogenblikken aan de hoon die haar

geschied was, denken. Opstaande, wandelde zij met haastige schreden de

kamer op en af, en bewoog haar handen met felle gebaren. Eindelijk sprak

zij met doffe stem: "Hoe? Een klein en nietig volk zal mij, de Vorstin der

Fransen, durven honen! Een trotse vrouw zal mij de ogen doen

neerslaan--hoon!--laster!"

Een traan van woede glimde op haar brandende wang; zij richtte het hoofd

eensklaps op, en lachte als een boze geest met venijnige vreugde. Dan

hernam zij: "O verwaande Vlamingen! Gij kent Johanna van Navarra nog niet.

Gij weet niet hoe schriklijk haar wraak u treffen kan ... Rust en slaapt

zonder vrees in uw vermetelheid;--ik weet middelen om u te folteren.

Wat tranen zult gij door mij storten--wat bitterheid zal mijn hand u

voorbereiden! Dan zult gij mijn macht kennen.--Gij zult kruipen en bidden,

vermetele Laten! Maar ik zal u niet horen. Uw trotse hoofden zal ik met

blijdschap onder mijn voeten vertrappen. Nutteloos zult gij wenen, en

nutteloos zult gij klagen; want Johanna van Navarra is onverbiddelijk--dit

weet gij niet..."

Nu ontwaarde zij de stappen der staatjuffer in de doorgang.

De ontroerde Vorstin liep voor een spiegel en herstelde haar ganse houding:

zij gaf aan haar gelaat een rustigere uitdrukking, en scheen in het geheel

niet meer ontsteld. In de kunst der veinzerij, de grootste ondeugd der

vrouwen, was Johanna van Navarra volleerd.

Weldra trad De Chatillon in de kamer en boog zijn ene knie voor de

Koningin.

"Mijnheer De Chatillon," sprak zij, hem met de hand oplichtende, "het

schijnt dat gij mijn begeerten niet veel acht. Heb ik u niet voor tien uur

ontboden?"

"Het is waar, Mevrouw, maar de Koning mijn meester heeft mij tegen mijn

dank bij zich gehouden. Ik bid u, geloof, o doorluchtige nicht, dat ik op

gloeiende kolen gestaan heb--zozeer verlangde ik uw koninklijke begeerte te

voldoen."

"Uw genegenheid, Mijnheer, is mij zeer aangenaam; ook heb ik voorgenomen u

heden om uw goede diensten te belonen."

"Genadige Vorstin, het is mij reeds een zo grote gunst uwe Majesteit te

mogen volgen en dienen. Laat mij toe u overal te verzeilen. Een ander moge

hogere ambten najagen--voor mij--uw lieflijke tegenwoordigheid is mijn

grootste geluk, ik vraag niets meer."

De Koningin grimlachte en zag met misprijzen op de vleier; want zij begreep

hoe zeer zijn hart die woorden loochende. Zij sprak met nadruk: "En indien

ik u het land van Vlaanderen ten leen wilde geven?"

De Chatillon die op zulke gift voor dit ogenblik niet gerekend had,

berouwde zich zijn woorden; hij wist in den eerste niet wat antwoorden.

Zich echter welhaast herstellende, sprak hij: "Indien het uwe Majesteit

geliefde mij met dit vertrouwen te vereren, zou ik het niet durven wagen uw

koninklijke wil enigszins te weerstaan. Met dankbaarheid en onderwerping

zou ik deze gunst ontvangen, en uw grootmoedige handen met eerbiedige

liefde kussen."

"Hoor, Mijnheer De Chatillon," riep de Koningin met ongeduld, "het lust mij

nu niet uw hoflijkheid op proef te stellen; derhalve zal het mij meer

behagen dat gij al die gemaakte spreuken achterlaat, en met mij zonder

bewimpeling spreekt;--want gij kunt niets zeggen dat ik niet beter wete.

Wat dunkt u van mijn intrede? Heeft Brugge de Koningin van Navarra niet

overheerlijk onthaald?"

"Ik bid u, o doorluchtige nicht, laat dit bitter schertsen. Mij is de hoon

die u geschied is, diep ter harte gegaan: een slecht en verachtelijk volk

heeft u in het aanzicht getrotst, en uwe waardigheid is miskend geweest;

maar bedroef u toch niet, want geen middelen ontbreken ons om die vermetele

onderdanen te temmen en te bedwingen."

"Kent gij uw nicht, Mijnheer De Chatillon? Is u de ijverzucht der Koningin

van Navarra bekend?"

"Waarlijk, o Vorstin, de edelste en loffelijkste ijverzucht;--want wie een

kroon draagt en dezelve niet doet achten, verdient ze niet langer. Iedereen

bewondert met recht uw koninklijke inborst."

"Weet gij ook dat een geringe wraak mij niet vergenoegt? De straf dergenen

die mij gehoond hebben, moet met mijn waardigheid in evenredigheid

staan.--Ik ben Koningin en vrouw--dit is u genoeg gezegd welke mijner

wensen gij zult te volbrengen hebben, indien ik u als Landvoogd over

Vlaanderen aanstel."

"Het is onnodig, Mevrouw, dat uwe Majesteit zich langer hiermede bezig

houde; wees verzekerd dat Gij ten volle zult gewroken zijn. Wellicht zal ik

uw begeerte te boven gaan, want ik heb niet alleen uw hoon te wreken, maar

ook de laster, welke der kroon van Frankrijk dagelijks onder dit koppig

volk wordt aangedaan."

"Mijnheer De Chatillon, laat de listigste staatkunde u leiden, trek de

strop niet ineens aan hun hals vast; maar beneem hun de moed door trage

vernedering. Beroof hen allengskens van het geld dat hen tot weerstand

aandrijft,--en wanneer gij hen aan de ploeg zult gewend hebben, druk dan

het juk zo vast, dat ik hun verslaafdheid als een zegepraal moge

aanschouwen. Wees niet haastig, ik heb geduld genoeg, wanneer het doel er

beter kan door bereikt worden. Om spoediger te gelukken, zal het raadzaam

zijn dat gij ten eerste een zekere Deconinck van het dekenschap der wevers

verwijdert, en nimmer anderen dan Fransen of derzelver vrienden tot de

machtgevende ambten toelaat."

De Chatillon luisterde aandachtiglijk op de raad der Koningin, en

verwonderde zich innerlijk over haar slimme staatkunde. Dewijl zijn eigen

wraakzucht hem tot boosaardige dwingelandij aanporde, verblijdde hij zich

grotelijks, dat hij aldus zijn driften en de begeerte zijner nichte mocht

voldoen.

Hij antwoordde met een zichtbare vreugd.

"Ik ontvang met erkentenis de eer die uwe Majesteit mij aandoet, en zal

niets verzuimen om als een getrouwe dienaar, de raad mijner Vorstin te

volgen. Gelieft het u mij nog enige bevelen te geven?"

Deze vraag had de jonge Machteld ten doel. De Chatillon wist wel dat de

Jonkvrouw de gramschap der Koningin op zich gehaald had, en kon derhalve

wel gissen dat zij niet ongestraft mocht blijven. Johanna antwoordde: "Ik

geloof dat het niet onredelijk ware, de dochter van Mijnheer Van Bethune in

Frankrijk te doen voeren, want zij heeft mede de Vlaamse koppigheid

ingezogen. Het zal mij aangenaam zijn haar bij het Hof te hebben. Hierover

nu genoeg--gij begrijpt mijn inzichten. Morgen vertrek ik uit dit

vervloekte Land, want te lang heb ik die laster verdragen. Raoul de Nesle

volgt ons: gij blijft als Oppervoogd in Vlaanderen met de volmacht om het

Land naar uw wil, en in getrouwigheid te bestieren[59]."

"Of volgens de wil mijner koninklijke nichte," viel De Chatillon vleiend in

haar rede.

"Het zij zo," hernam Johanna. "Ik verheug mij in uw goedwilligheid.

Twaalfhonderd ruiters zullen u bijblijven om uw bevelen te staven.--Het

gelieve UEdele mij nu de nodige rust te laten genieten.--Ik wens u goede

nacht, mijn schone oom!"

"De goede engel bewake uwe Majesteit!" sprak De Chatillon zich buigende, en

hiermede verliet hij de slaapkamer der boosaardige vrouw.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação