Hoofdstuk 13 De Leeuw van Vlaanderen · Capítulo 13 de 25
Obra Menu

Hoofdstuk 13

Hoofdstuk 13

13

_Neen gy wraekt geen tranen, neen,

't Vaderwee ten troost.

God, gy weet het, gy alleen

Wat mijn boezem heeft doorstreên

By myn snikkend kroost._

JV WOUTERS

Tijdens de oorlog van het jaar 1296, wanneer de Fransen gans

West-Vlaanderen hadden ingenomen, bood het slot Nieuwenhove hun een

hardnekkige tegenstand. Een groot getal Vlaamse ridders hadden zich onder

Robrecht van Bethune erin opgesloten, en wilden het niet overgeven zolang

één van hen zich kon verdedigen. Maar het groot getal vijanden maakte deze

heldenmoed ten onnutte;--zij sneuvelden meestal op de muren der

vesting[78]. Door de omvergeworpen wallen in het slot tredende, vonden de

Fransen niets anders dan lijken; en daar zij hun woede op geen vijanden

konden verzadigen, staken zij het kasteel in brand, braken de muren af en

vervulden de grachten met gruis.

De overblijfsels van Nieuwenhove lagen op twee mijl van Brugge, in de

richting van Kortrijk. Te midden in een dicht woud, en ver van de woningen

der landlieden gelegen zijnde, was het zeer zelden dat de voeten van een

mens de wilde gewassen dezer puinhopen vertraden, te meer daar het gedurig

gekras der nachtvogels de bijgelovige dorpelingen had doen denken dat de

zielen der gesneuvelde Vlamingen om wraak of lafenis kwamen roepen.

Alhoewel de brand het gehele slot in vlam had gezet, was het echter niet

zozeer vernield, of de rechtstaande muren tekenden nog zijn eerste vormen

aan het oog af: het gebouw bestond nog, maar met oneindige spleten en

scheuren. De daken waren nevens de muren, die hen weleer ondersteunden,

neergevallen, en van de ruitloze vensters bleef niets dan de lange stenen

ribben over. Alles droeg de kentekens ener haastige verwoesting, want nog

enige delen waren ongeschonden overgebleven, terwijl andere met veel arbeid

ten gronde gedrukt waren. Op de voorhof, die door de halfafgebroken

vestingsmuur omringd was, lagen hier en daar menigvuldige gruishopen, in

gevallijke heuveltjes opklimmende.

Zes jaar was Nieuwenhove in deze staat, op het ogenblik dat wij voor

deszelfs beschrijving verkozen hebben. De kruiden, welke door de wind

tussen de verstrooide stenen gezaaid waren, hadden zich op die tijd

grotelijks vermenigvuldigd: een weeldrig gras schoot zijn groene stijltjes

overal in de hoogte,--en als de geliefkoosde kinderen der woeste natuur,

bewogen de veldbloemen hun zilveren kelken boven de toppen der puinhopen.

Tegen de bruine muren van het gebouw kropen lange veilranken, en wortelden

zich in de uitgebrande naden der stenen; andere gewassen als wilde

wijngaard en eiloof smeten zich van de ene muur op de andere, en vormden

aldus, voor de diepe scheuren, een weefsel van het aangenaamste groen.

Het was vier uur in de morgen, een zwakke schemering kleurde het oosten met

een twijfelachtig geel en een krans gulden lichtstralen blonk, als de

voorbode der zon, achter de kim.

Echter waren de puinen van Nieuwenhove nog met grijze schaduwen overdekt,

onvatbare tinten, die men niet als verven mocht aanzien, lagen overal op de

nog slapende natuur, terwijl het rijzend daglicht zich reeds in de blauwe

hemelkolken spiegelde. Hier of daar vlood nog een trage nachtuil met

afschrik naar zijn hol, en krijste nijdig tegen de glans die hem kwam

verjagen.

Op dit ogenblik zat een mens op een der gruishopen, te midden der puinen.

Een helm zonder vederbos was met twee wangsnoeren op zijn hoofd geriemd,

een harnas omvatte zijn machtig lichaam, en stalen platen bedekten de

overige leden.

Hij leunde met zijn ijzeren handschoen op een schild, welkers wapentekenen

men nutteloos zou gezocht hebben, want er was niets op te zien dan een

bruine dwarse streep. Deze wapens, ja zelfs de lange speer die nevens hem

lag, waren met zwart gekleurd; vermoedelijk was het dat de ridder uit

wanhopige droefheid zich aldus had uitgerust. Op een kleine afstand stond

een paard nog zwarter dan de ridder; daar het ook gans met ijzeren schelpen

overladen was, boog het dier zijn hoofd met moeite tot bij de grond, en

graasde alzo de vochtige toppen der kruiden. Het slagzwaard dat aan de

zadel hing, was verwonderlijk groot en scheen een reuzenhand te behoren.

Terwijl een dode stilte boven de puinen hing, zuchtte de ridder menigmaal

van mistroost, en zijn handen bewogen zich alsof hij met iemand sprak. Van

tijd tot tijd wendde hij het hoofd met mistrouwen naar de bossen en wegen,

die buiten het slot lagen; en wanneer hij van zijn eenzaamheid verzekerd

was, hief hij het voorstuk van zijn helm omhoog. Hierdoor ontdekte hij zijn

wezenstrekken:--het was een man van hoge ouderdom, met rimpelige wangen en

grijzende haren. Alhoewel de kentekens der lange droefheid op zijn gelaat

geprent stonden, bleef er echter nog vuur genoeg in zijn boezem om aan zijn

ogen een buitengewone levendigheid te geven. Na enige ogenblikken op de

overgebleven muren van Nieuwenhove gestaard te hebben, glimde een bittere

lach op zijn wangen; hij liet zijn hoofd voorover gaan en scheen tussen het

gras iets te bezien: twee tranen blonken onder zijn oogleden en rolden

glinsterend op de grond.--Dan sprak hij: "O helden, mijn broeders! Uw edel

bloed is tussen deze stenen vergoten geweest, onder mij rusten uw lijken,

in de eindeloze slaap des doods;--en de eenzame bloemen hebben zich, als

heilige martelkronen, boven uw gebeente geworteld. Gelukkig gij, die dit

pijnlijk leven voor het Vaderland hebt mogen verliezen, want de slavernij

van Vlaanderen hebt gij niet gezien. Vrij en heerlijk zijt gij

gesneuveld--uw zielen dragen die schandvlek niet, welke de vreemdeling op

het hoofd der Vlamingen heeft gedrukt.--Het bloed van degene, die gij de

trotse naam van de Leeuw hadt gegeven, heeft met het uwe deze grond

bevochtigd: zijn zwaard was een verdelgende bliksem, en zijn beukelaar een

muur--maar nu, o schande! Nu zit hij op uw stille graven, als een verworpen

mens te zuchten--nu vlieten tranen van onmacht als uit het oog ener zwakke

vrouw over zijn wangen....."

De ridder stond eensklaps op en trok het voorstuk van zijn helm met haast

over zijn aanzicht, hij keerde zich naar de baan en scheen aandachtiglijk

op iets te luisteren. Een gerucht, als de stappen van paarden, deed zich in

de verte horen. Wanneer hij zich overtuigd had dat zijn oor hem niet

bedroog, hief hij de speer van de grond, en liep met snelle tred naar zijn

draver; hem het gebit in de mond gestoken hebbende, klom hij in de zadel,

en reed tot achter een muur, die hem moest verbergen.

Maar hij was niet lang in deze schuilplaats, wanneer andere klanken hem

toekwamen: tussen het geratel van de wapenen en het briesen van rennende

paarden, mengde zich het klagend gehuil ener maagd. Bij het horen dezer

noodkreten verbleekte de ridder onder zijn helm; die kleur kwam niet uit

vrees op zijn wangen, want de vrees was hem een onbekend gevoel, maar de

eer en de plichten eens ridders bevolen hem deze klagende vrouw ter hulp te

snellen. Zijn moedig hart gloeide reeds bij de neiging om een ongelukkige

te redden, alhoewel gewichtiger redenen en een plechtige belofte hem

verboden zich door iemand te laten kennen; hij verbleekte dan door de

bevechting die hij in zichzelf moest onderstaan. Na een korte wijl naderde

het gevaarte en de klachten der maagd werden voor de ridder verstaanbaar.

"O mijn vader! Mijn vader!" riep zij op een toon die haar pijn te kennen

gaf.

Nu werd de ridder van alle verdere bedenking beroofd, deze stem had iets

onbekends in zich dat zijn hart diep geroerd had.

Hij stak de spoor met drift in de buik van zijn draver en vloog snellijk

over de puinhopen tot in de baan. Hier zag hij op een kleine afstand het

gevaarte aankomen: zes Franse ruiters, zonder speren, maar anders

welgewapend, dreven hun paarden met volle toom in de baan; een van hen had

een vrouw voor zich en omarmde haar met kracht. Het lichte kleedsel der

maagd vloog in de wind en haar vrije lokken golfden zachtjes achter haar

neerhangend hoofd; zij verweerde zich wanhopiglijk tegen degene die haar in

zijn armen gevangen hield, en vervulde de lucht met haar smartlijke kreten.

De zwarte ridder bleef in de weg staan en velde de speer om de schakers af

te wachten. Verwonderd over zulk een onverwachte hinderpaal vertraagden de

ruiters de gang hunner paarden, en bezagen die zwarte kamper niet zonder

innige vrees. Hij, die onder hen scheen te gebieden, kwam vooruit, en riep:

"Uit de weg, heer ridder! Uit de weg, of wij lopen u over het lijf!"

"Ik beroep u, valse en oneerlijke ridders, dat gij deze Vrouw loslaat," was

het antwoord, "zo niet verklaar ik mij haar kamper!"

"Vooruit! Vooruit!" riep de Overste tegen zijn mannen.

De zwarte ridder gaf hun geen tijd om te naderen, hij boog zich voorover op

de nek van zijn paard en viel plotseling te midden der verbaasde Fransen.

Met de eerste steek zijner speer boorde hij door de stormhoed en het hoofd

van een Fransman, en wierp hem dodelijk uit de zadel; maar terwijl het hem

alzo gelukt was, een zijner vijanden te verwinnen, hadden de anderen hun

zwaarden van alle kanten boven zijn hoofd geheven, en reeds had de Overste

De St.-Pol met een schrikkelijke houw de schouderplaat van de zwarte ridder

losgehakt.

Deze, door zoveel vijanden besprongen, liet zijn speer vallen en toog zijn

reuzenzwaard uit de schede; hij omvatte het gevest met de twee handen en

sloeg zo wild in 't rond dat geen Fransman hem dorst genaken, want elke

houw van zijn wapen viel als een pletterende hamerslag op de uitrusting

zijner vijanden. De ruiter welke de Vrouw droeg, verweerde zich met een

lange degen en hield het sprakeloze meisje met de andere hand tegen zijn

borst gevestigd. Door al te grote aandoeningen van schrik en hoop geschokt,

had de geschaakte maagd geen kracht meer om te spreken of te klagen. Haar

ogen stonden met een ijslijke onbeweeglijkheid in haar hoofd, en haar

wangen, hoe teder ook, waren in bevende rimpels samengetrokken; soms bracht

zij haar armen als in een smeking naar de onbekende, die haar moest

verlossen, doch zij hing welhaast machteloos en slap over de rug van het

paard.

De ijslijke slagen der zwaarden op de helmen en beukelaars deden het

omstaande geboomte weergalmend dreunen, bloed liep onder de harnassen uit;

doch in de drift der wraak gaven de kampers hierop geen acht, en gingen

hijgend in het strijden voort. De wapenrustingen waren op veel plaatsen

doorhakt en verbroken, en het paard van De St.-Pol had een wijde wonde in

de nek; het liet zich daarom door zijn meester niet wel meer sturen en deze

had de grootste moeite om de slagen van de zwarte ridder te ontwijken.

Ziende dat het gevecht voor de Fransen een zeer nadelige wending kreeg,

deed hij een teken aan de soldenier die de Vrouw bewaarde. De ruiter dit

verstaande poogde, volgens het bevel, van het slagveld te vluchten, maar de

zwarte ridder begreep zijn inzicht, en de spoor in de zijde zijns dravers

drukkende, sprong hij plotseling voor de soldenier, terwijl hij met

kundigheid de slagen der overige vijanden wist af te weren, riep hij: "Op

uw lijf en ziel, zet die Vrouw ter aarde!"

Zonder op die roep te letten keerde de soldenier zijn paard ter zijde en

zocht alzo uit de baan te springen;--maar het zwaard van de zwarte ridder

viel met een verdubbelde kracht op zijn helm, en kloof hem het hoofd tot

bij de schouders. Het bloed sprong in twee dikke stralen uit de nek van de

ruiter en viel terug op het hoofd en het witte kleed der maagd, haar fijne

blonde lokken werden er gans door bevochtigd, en verfden zich met een

donkerrode kleur. De geslachte Fransman viel uit de zadel; alhoewel het

leven in hem was opgehouden, bleven er echter nog krachtige stuiptrekkingen

in de spieren van het lijk, en het meisje werd nog met nijdigheid tegen het

harnas gedrukt. Na een vluchtig ogenblik lieten de armen van het lijk haar

los, Vrouw en lijk rolden beiden op de grond.

Terwijl had de zwarte ridder nog een andere Fransman in de baan

nedergeworpen en er bleven hem niet meer dan drie vijanden over. Het

gevecht scheen nu nog hardnekkiger te worden, want bij het zien van het

rokende bloed, wierden deze strijdbare mannen als door razernij vervoerd;

de paarden werden heen en weer geslingerd en briesten bij elke slag die op

hun ijzeren deksel neerviel. Het meisje lag zonder gevoel tussen hun

voeten; daar zij bij de val eerst uit de zadel raakte, was het lijk van de

soldenier op haar gevallen en zo bevond het bloedend lichaam zich boven

haar. Verwonderlijk was het dat de paarden haar niet kwetsten, want zij

stapten om en bij haar, doch raakten haar uitgestrekte leden niet,

alleenlijk stampten deze dieren de aarde der baan in de hoogte, en bedekten

de wangen der maagd met slijk en stof.

De strijders hijgden om adem, en waren allen, door zware kneuzingen of

verlies van bloed, verlamd of verzwakt; echter hielden zij niet af en

zwoeren in hun ziel, dat zij tot de dood vechten zouden. Eensklaps week de

draver van de zwarte ridder enige treden achteruit en bleef staan. De

Fransen verblijdden zich innerlijk op het gezicht van die wijkende beweging

huns vijands. Zij dachten dat hij rust nodig had en het weldra zou opgeven;

maar zij bedrogen zich, want hij kwam met losse toom op hen aanvallen, en

had zijn slag zo juist berekend, dat het hoofd van de voorste soldenier met

de helm uit de baan vloog. Door deze wonderdaad verschrikt en verbaasd,

vlood De St.-Pol met zijn overblijvende makker in allerijl van het

slagveld; zij dreven hun paarden als pijlen voort, en verlieten de zwarte

ridder met het innig geloof, dat hij zich van duivelskonst had bediend.

Dit gevecht had slechts enige ogenblikken geduurd, want de slagen der

strijders waren zonder tussenpoos geweest; diensvolgens was de zon nog niet

boven de kim, en de velden waren nog niet met haar stralen verlicht, echter

klommen de dampen reeds boven het woud, en de toppen der bomen kleurden

zich met lieflijker groen.

Wanneer de ridder zich meester van het slagveld zag, en geen vijanden meer

ontwaarde, steeg hij van zijn paard, bond het aan een boom en naderde bij

de roerloze maagd: zij lag uitgestrekt onder het lijk van de soldenier, en

gaf geen teken van leven, de grond was om haar door de voeten der paarden

geploegd en tot modder gekneed. Onmogelijk was het voor de zwarte ridder

haar wezenstrekken te herkennen;--het bloed van de Fransman was op haar

wangen met aarde gemengd en gestold, en haar lange lokken waren door de

paarden in de grond getreden. Zonder langer onderzoek hief de ridder dit

ongelukkig slachtoffer van de grond en droeg het in zijn armen, tot binnen

de puinen van Nieuwenhove. Hier plaatste hij haar zachtjes op het gras van

de voorhof, en ging in het overblijvend gedeelte van het gebouw. Tussen al

de rechtstaande muren vond hij nog een zaal, welkers welfsel niet gevallen

was, en die nog tot schuilplaats kon dienen. De ruiten der vensters waren

wel door de vlam gesprongen en gesmolten, maar de overige delen waren nog

in hun geheel: lange stukken van gescheurde tapijten hingen aan de wand, en

gedeelten van verbrijzelde kasten en bedden lagen in wanorde op de vloer.

De ridder raapte enige dezer overblijfsels bijeen en vormde van dezelve,

met planken die hij er op schikte, een hoop die wel aan een legerbed

geleek, dan scheurde hij de tapijten voorts van de muur, en legde dezelve

op de planken welke hij geschikt had.

Verheugd over het vinden dezer gunstige plaats, keerde hij bij de

gevoelloze Jonkvrouw terug, en droeg ze in de zaal. Met angstige zorg liet

hij ze uitgestrekt op de zonderlinge bedstede neergaan, en schikte nog een

ander stuk tapijt onder haar hoofd. Geen ander gevoel dan dit der edele

menslievendheid en der plichten eens ridders dreven hem tot die pogingen

en zorgen. Om zich te verzekeren dat zij niet gewond was, bezag hij haar

klederen met nauwkeurigheid, en bevond, tot zijn grote blijdschap dat het

bloed alleenlijk boven haar samaar lag, en dat haar boezem nog tastbaar

klopte. De eerbied, welke hij voor deze Vrouw gevoelde, liet hem niet toe

zijn onderzoek verder te doen strekken; na hij haar mond en ogen afgevaagd

had, verliet hij de puinen en keerde terug naar de baan, waar de lijken

zijner vijanden lagen; hij nam de helm van een der dode Fransen en schepte

dezelve vol water uit de beek die bij het slagveld stroomde, dan vatte hij

de toom van zijn draver, en bracht hem terug achter een hoek van het slot.

In de zaal bij de Jonkvrouw gekomen zijnde, scheurde hij een stuk van de

binnen-kolder welke hij onder het harnas droeg, en gebruikte hetzelve als

een doek om het wezen der maagd te wassen.

Alhoewel het volle daglicht nabij was, en de velden reeds met stellige

verven begonnen te pralen, was het echter onder het welfsel dezer zaal nog

tamelijk duister, want de ridder kon niet zien of hij de wangen der maagd

genoeg van slijk en bloed gezuiverd had. Hij waste haar hoofd, haar hals en

haar handen, en dekte haar voor de koude met een groot stuk tapijt, dat hij

hiertoe van de wand scheurde.

Al de middelen, die in zijn vermogen waren aldus gebruikt hebbende, en

overtuigd dat de maagd leefde, gaf hij het de rust en de natuur over haar

te versterken, en keerde terug naar zijn paard; de uitrusting vaagde hij af

met kruiden om de bloedige tekens van de strijd zoveel mogelijk teniet te

doen, en ging vervolgens op de voorhof het langste gras in een hoop

plukken.

Dit werk kostte hem een ruime tijd, doch hij liet zich dit niet bedroeven,

en gebruikte zijn edele handen met onderwerping tot die nederige arbeid;

eindelijk bracht hij zijn draver een volle arm sappig voedsel.

Nu was de zon boven de kim gerezen en haar stralen hadden de velden met

heldere kleuren verlicht, door het venster der zaal kwam ook genoeg

klaarheid om al de voorwerpen die tegen de grond lagen, te onderscheiden.

Met de hoop van de jonge maagd nu beter te kunnen zien, ging de ridder naar

de zaal.--De Jonkvrouw zat recht op het bed en stuurde haar stijve blikken

met verbaasdheid op de zwarte wanden harer akelige woning, zij spalkte de

ogen verschriklijk open en scheen verdwaald, want haar wimpers daalden niet

en bleven steeds met halsstarrigheid opgeheven staan. Zodra de ridder zijn

gezicht tot haar gewend had, liep er een plotselinge siddering over al de

leden zijns lichaams, hij verbleekte en voelde dat de koude der benauwdheid

hem de spraak benam, want in de plaats der woorden welke hij meende te

vormen, kwamen slechts onverstaanbare klanken uit zijn mond. In deze

ontroering sprong hij vooruit, omhelsde de Jonkvrouw, en drukte ze met

vurige liefde tegen zijn hart.

"Mijn kind! Mijn rampzalige Machteld!" riep hij met pijn. "Moest ik mijn

gevangenis daarom verlaten,--om u zo, in de armen des doods weder te

vinden!"

Het meisje bracht de hand met afkeer tegen de borst des ridders en stiet

hem driftiglijk van haar.

"Verrader!" sprak zij. "Hoe durft gij de dochter der Graven van Vlaanderen,

in uw onzuivere armen drukken? Gij schaamt u niet een weerloze maagd te

krenken,--maar God waakt over mij. Er zijn nog bliksems in de lucht;--hoort

gij?--Uw straf naakt.--Luister hoe de donder grolt, booswicht!...."

Op het horen dier woorden sprongen twee bronnen uit de ogen des ridders,

hij rukte de helm met onstuimigheid van zijn hoofd en dan kon men het

smartwater, zo blikkerend over zijn wangen zien rollen.

"O mijn welbeminde Machteld," riep hij, "herken mij toch! Ik ben uw vader

Robrecht, die gij zo liefhebt, die zozeer om u in zijn gevangenis geweend

heeft. O hemel! Gij stoot mij van uw borst....."

Een nijdige grimlach liep over de wangen der maagd en zij antwoordde: "Nu

beeft gij, eerloze schaker.--Nu benijpt uw hart zich met de vrees der

booswichten. Maar er is geen genade voor u.--De Leeuw, mijn vader, zal mij

wreken en gij--zult niet ongestraft het graaflijk bloed van Vlaanderen

gehoond hebben. Stil!.....Ik hoor het gehuil van de Leeuw..... Mijn vader

nadert--Voel! De aarde dreunt onder zijn stappen. Voor mij een zoen, voor u

de dood, o vreugde!"

Ieder woord ging als een vergiftige schicht door het hart des ridders. Al

de pijnen der hel benepen zijn boezem en hij werd met onuitsprekelijke

droefheid bevangen, brandende tranen liepen door de diepe rimpels zijner

wangen, en hij sloeg zich wanhopig tegen de borst.

"Ik bezweer u bij de gekruiste Zaligmaker!" riep hij. "Herken mij toch, o

mijn arm kind;--doe mij niet sterven. Lach zo bitter niet.--Uw blikken

drijven de dood in mijn ziel. Ik ben die Leeuw, welke gij bemint--die

vader, welke gij roept."

"Gij de Leeuw?" antwoordde Machteld met verachting. "Gij de Leeuw?? O

lasteraar! Neen, de Leeuw spreekt Vlaams..... Hoor ik niet dat de taal der

Koningin Johanna in uw mond is? Die taal--die vleit en verraadt. De Leeuw

is ook gegaan--men zegde hem, kom!--en een keten ... een kerker--een gulden

vat en vergif.--O Frankrijk! Frankrijk! Zijn bloed!.....En ik ook--ik zijn

kind;--maar gij overweegt niet dat het graf een schuilplaats is. Een ziel

kan bij God, in de hemel, niet onteerd worden!"

De ridder kon zich van wanhoop niet inhouden, hij omarmde nogmaals het

meisje, en riep: "Maar gij hoort wel, mijn kind, dat ik de taal onzer

vaderen spreek. Wat bitter lijden heeft u dan gefolterd dat uw ziel

verdwaalt? Herinner u, dat onze vriend, Mijnheer Adolf van Nieuwland, mij

moest verlossen,--en noem mij niet meer verrader of booswicht, want uw

woorden pletteren mij het hart."

Bij de naam van Adolf verhelderden zich de stuiptrekkende wangen der maagd.

Een zachte glimlach dreef de pijnlijke uitdrukking van haar gelaat, en

zonder de ridder van zich te stoten, antwoordde zij met rustiger tonen:

"Adolf hebt gij gezegd? Adolf is de Leeuw gaan halen. Hebt gij hem gezien?

Hij heeft u van zijn onzalige Machteld gesproken, nietwaar? Ho ja,--hij

bemint mij zo innig. Er was zulk een teder vuur in zijn ogen--zo zoet en zo

liefderijk was zijn stem voor mij,--maar nu--nu..."

Een geheim ontvouwde zich voor de ridder. De dochter der Graven van

Vlaanderen, die de bruid van een Vorst zijn moest, had zich voor een man

met liefde laten innemen. Die slag was in andere omstandigheden geweldig

voor hem geweest, maar nu was hij door al te grote pijnen ontroerd om zich

daarbij nog meer te laten bedroeven; echter verliet hij de Jonkvrouw, en

ging afgemat op een steen zitten. Hij liet het hoofd in de hand neerzinken

en zuchtte stilzwijgend, terwijl bitter hartzeer zijn tranen nog meer deed

vloeien. Zonder hierop acht te geven, ging de Jonkvrouw dus in haar

dwalende rede voort: "En ik zal mijn heer Vader de hand van Adolf vragen:

mijn liefde is het loon zijner edelmoedigheid. Terwijl hij de ketens van de

Leeuw draagt, wordt hij edeler dan andere heren die ons hebben verlaten en

verraden. Ja, ik bewaar mijn trouw--een eed zo plechtig breekt men niet--in

mijn hart woont hij ... Mijn vader komt!--Ik zie reeds een straal ... een

heilig licht ..."

Nu vergingen haar woorden in doffe klanken, en haar rede werd

onverstaanbaar. Na enige ogenblikken aldus gesuisd te hebben, bezag zij de

neergezeten ridder met angst, en haar wezenstrekken werden door een

grammoedige uitdrukking verduisterd. Alhoewel in diepe bedenking verzonken,

had de ridder haar woorden verstaan, en dit had hem grote troost

toegebracht. Het oud edel geslacht Van Nieuwland was zonder vlek, en Adolf

de eerlijkste ridder die hij kende. Om de pijnen zijner dochter te

verzachten, besloot hij deze liefde met zijn toestemming te begunstigen en

stond op: "Machteld," sprak hij, "Adolf zij u ten bruidegom geschonken,--uw

vader geeft hem u."

Hij dacht dat deze woorden op de Jonkvrouw een gunstige werking hebben

zouden, maar hij verschrikte toen zij hem met dreigende blikken bezag. Door

innige pijn gefolterd wist hij niet hoe zich te gedragen en voelde de moed

hem begeven. Zonder meer te spreken, vatte hij de hand der kranke maagd en

besproeide dezelve met tranen van liefde en smart. Zij rukte weldra haar

hand uit de zijne en riep: "Deze hand is niet voor een Fransman,--zij

behoort Adolf. Een valse ridder, een schaker als gij, mag dezelve niet

raken.--Uw tranen zijn vlekken die de Leeuw met bloed zal uitvagen. Schrik,

gij slang!--Beef! Want het ogenblik naakt. Ziet gij dit bloed op mijn

kleedsel?--Dit is ook Frans bloed--zie hoe zwart!"

De ridder kon aan zijn martelpijnen niet meer weerstaan, hij viel met

smekend gelaat op zijn twee knieën voor de Jonkvrouw en zuchtte: "Om de

liefde des Heren, mijn rampzalige Machteld, verwerp de liefde uws vaders

niet langer. Laat mijn droeve reis niet nutteloos zijn.--Kunt gij mijn

tranen zo onverschillig aanschouwen, en zal uw dierbare stem geen enkel

troostend woord voortbrengen? Zult gij mij van smart voor uw voeten laten

sterven? O ik smeek u, gij wie ik het leven gaf, een zoen, o een zoen van

uw mond....!"

"Een zoen!" riep de Jonkvrouw met afkeer. "Een zoen aan u?"

"Een woord!" hernam de ridder. "Noem mij uw vader, verstoot mij niet meer.

Wist gij, mijn ongelukkig kind, welke afgrijselijke pijnen uw verwerping

mij aandoet, kondet gij de benauwdheid uws vaders kennen. Maar neen, gij

dwaalt, de vervolging der Fransen heeft uw ziel getroffen. O wanhoop!"

"Gij vraagt een zoen?" antwoordde het meisje. "Neen. Een zoen aan een

Fransman?--Ga heen--reik uw armen zo niet tot mij. Het zijn slangen die het

venijn der oneer met zich dragen. O raak mij niet--houd op booswicht! Uw

zoen brandt op mijn voorhoofd.--Hulp! O hulp!"

Door een krachtige beweging geraakte zij uit de armen van de ridder en

sprong huilend van de bedstede, in haar vervaardheid liep zij naar de

ingang der zaal en wilde ontvluchten. De ridder beefde, en sprong angstig

vooruit om haar te wederhouden. Hoe verschriklijk was dit toneel, hoe

onbegrijpelijk de pijn des ridders! Hij omvatte zijn ongelukkige dochter

met een bange zorg, en poogde haar tot de bedstede terug te brengen, maar

zij, in haar dwaling, aanzag hem als een vijand, en vocht met een nijdige

weerstand tegen haar wanhopige vader. Door pogingen die bovennatuurlijk

schenen, rukte zij zich menigmaal uit zijn handen en verplichtte hem haar

in de zaal te vervolgen; zij huilde vervaarlijk en sloeg hem in haar

wederstreving met bitsige kracht. Om haar de uitgang te beletten, zag de

vader zich genoodzaakt haar met meer geweld te wederhouden, en haar

pijnlijk in zijn armen te drukken. Van zijn mannenkracht gebruik makende,

hief hij het huilende meisje van de grond en plaatste ze terug op het bed.

Zij bezag hem met verwijtend gelaat, en begon bitter te wenen.

"Gij hebt de krachten ener maagd overwonnen," zuchtte zij. "O gij valse

ridder! Wat aarzelt gij nu? Niemand ziet immers uw verbreken--dan God! Maar

die God heeft de dood tussen ons beiden geplaatst.--Een graf gaapt tussen

ons. Daarom weent gij ..."

De ongelukkige vader was zozeer door pijn en smart ontroerd dat hij deze

woorden niet hoorde. Hij zette zich nogmaals vol wanhoop op de steen, en

bezag zijn wenend kind met dwalende blikken, onuitsprekelijke folteringen

maakten hem sprakeloos en de moed ontviel hem; zijn hoofd zonk machteloos

op zijn borst.

Terwijl hadden de ogen van Machteld zich gesloten en zij scheen te slapen.

Een lichte straal van hoop drong in het hart des vaders, deze rust kon zijn

leed en de smarten zijner dochter verzachten. In dit gedacht hield hij zich

beweegloos en stoorde de slaap der maagd niet: alleenlijk bezag hij haar

met liefdevolle blikken, en smaakte nog enig genot tussen al zijn pijnen.

* * * * *

1/1
Menu

Fazer anotação